Vr. en Antw., Kamer, 1993, nr. 037, blz. 2704
Werk in onroerende staat - Toepasselijkheid van artikel 19, § 2, van het BTW-Wetboek - Recht op aftrek - Oprichting van de woning van een zaakvoerder van een bouwmaatschappij - Woning gedeeltelijk ter beschikking gesteld van de vennootschap
VRAAG
Drie zaakvoerders (vader, moeder en zoon) van een bouwmaatschappij, niet bedoeld in artikel 8 van het BTW-Wetboek, bouwen een privé-woning voor één van hen. Tijdens het weekend werken zij samen gratis aan de nieuwe woning.
1. Worden de werken uitgevoerd door de niet-BTW-plichtige natuurlijke personen of door een BTW-plichtige rechtspersoon?
2. Hoe luidt het antwoord als de zaakvoerders voor sommige werken occasioneel een beroep doen op een werknemer van de vennootschap: wanneer de vennootschap de prestatie van de werknemer factureert; wanneer de werknemer bereid is het werk gratis als vriendendienst uit te voeren?
3. Zal het antwoord verschillen naargelang het huis in aanbouw uitsluitend als particuliere woning wordt gebruikt of wanneer sommige lokalen van het gebouw worden gebruikt door de vennootschap: wanneer ze kosteloos ter beschikking worden gesteld door de eigenaar; wanneer ze krachtens een contract en tegen betaling ter beschikking worden gesteld?
4. Is het mogelijk in uw antwoord de grens te trekken op grond van wettelijke en reglementaire bepalingen, aangezien de gewestelijke directies van de administratie van Financiën de reglementering blijkbaar verschillend interpreteren naargelang ze in het noorden of het zuiden van het land zijn gelegen?
ANTWOORD
Ingevolge artikel 19, § 2, van het BTW-Wetboek wordt met het verrichten van een dienst gelijkgesteld de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat voor eigen behoeften, met uitzondering van werk dat bestaat in de oprichting van een gebouw door een in artikel 8, § 1 , van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingplichtige, of voor privé-doeleinden van zijn personeel, en, meer algemeen, om niet of voor andere dan beroepsdoeleinden. Vanzelfsprekend moet, rekening houdend met de economie van het BTW-Wetboek en in het bijzonder met artikel 2, § 1, 1°, van dat Wetboek, voor de toepassing van genoemd artikel 19, § 2, het bedoelde werk door de belastingplichtige worden verricht in of ten behoeve van de uitoefening van een beroepswerkzaamheid die hem de hoedanigheid van belastingplichtige verleent.
In het door het geacht Lid beoogde geval, is het wel degelijk de vennootschap die dient te worden beschouwd als de uitvoerster van de werken in onroerende staat vermits laatstgenoemde slechts kan handelen door middel van de fysieke personen die haar vertegenwoordigen, in onderhavig geval de bestuurders. Gelet op het feit dat een werk in onroerende staat, uitgevoerd door een belastingplichtige rechtspersoon, steeds wordt verricht in of ten behoeve van de uitoefening van haar beroepswerkzaamheid, vermits een rechtspersoon geen privé-vermogen en bijgevolg evenmin privé-behoeften heeft, is bovenvernoemd artikel 19, § 2, in het bedoelde geval van toepassing wat a fortiori eveneens het geval is wanneer een arbeider van de vennootschap, tegen betaling van een vergoeding of volledig kosteloos, meewerkt aan de uitvoering van de werken.
Overigens, de omstandigheid dat bepaalde lokalen van het bedoelde huis uiteindelijk door de eigenaar, al dan niet tegen betaling van een huurprijs, ter beschikking zouden worden gesteld van de vennootschap, heeft geen invloed op de toepassing van artikel 19, § 2. Er wordt in dit verband bovendien opgemerkt dat noch de vennootschap noch diegene van de bestuurders die eigenaar zal zijn van het voornoemde huis, recht op aftrek hebben van de BTW geheven krachtens het reeds genoemde artikel 19, § 2, met betrekking tot de bedoelde lokalen. De vennootschap in wiens hoofde deze BTW verschuldigd is, zal immers geen eigenaar zijn van het huis en de beheerder die de lokalen, zelfs tegen betaling, ter beschikking zou stellen van deze vennootschap, zou in de huidige stand van de wetgeving een handeling stellen die buiten de werkingssfeer van de BTW valt en bijgevolg geen recht op aftrek verleent.
Ten slotte heb ik, gelet op de elementen vervat onder punt 4 van de vraag van het geacht Lid, aan de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen gevraagd, om deze principes in herinnering te brengen aan de hoofdcontroleurs van de BTW.