Diensten verricht door begrafenisondernemers, entrepreneur de pompes funèbres · Administratieve beslissingen

Naar de tekst
Juriel

E.T.110.001 14 september 2005

Zoeken

Diensten verricht door begrafenisondernemers, entrepreneur de pompes funèbres

https://juriel.be/nl/administratieve-beslissingen/e-t-110-001-diensten-verricht-begrafenisondernemers-btw-entrepreneur-7e25

Nummer
E.T.110.001
Datum
14 september 2005

Over het document

Verzameling
Administratieve beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

Beslissing Btw nr. E.T.110.001 dd. 14.09.2005

Diensten verricht door begrafenisondernemers - Repatriëring van het stoffelijk overschot naar het buitenland - Tarief

1. Diensten verricht door begrafenisondernemers.

Wanneer een begrafenisonderneming de volledige organisatie van een begrafenis op zich neemt, verstrekt zij een geheel van goederen en diensten die gewoonlijk bestaan uit het voorbereiden van het lichaam, de versiering of de terbeschikkingstelling van een rouwkamer, het plaatsen van berichten in kranten, het vervoer of de repatriëring van het lichaam van de overledene, de organisatie van de begrafenisstoet, de dienst van de dragers, het luiden van de doodsklok en het verzorgen van de muziek voor de begrafenisdienst, het ter aarde bestellen of de crematie, het drukken van de overlijdensberichten, de levering van de doodskist of een urne, grafzerk, bloemen, kransen of diverse andere begrafenisartikelen, enz.

De administratie heeft vastgesteld dat de verscheidenheid van de goederen en verrichte diensten bepaalde problemen stelt bij de begrafenisondernemers voor de correcte toepassing van de BTW. Deze problematiek werd overigens besproken door de Lidstaten en de Europese Commissie op het niveau van het BTW-Comité.

Derhalve heeft de administratie beslist om zich te schikken naar het oordeel van de diensten van de Commissie waarbij de organisatie van begrafenissen voor het geheel wordt aangemerkt als een dienstprestatie beoogd door artikel 18, § 1, 2de lid, 1°, van het BTW-Wetboek waarvan, overeenkomstig artikel 21, § 2, van voormeld Wetboek, als plaats wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd. Bijgevolg, wanneer deze dienstverrichter in België is gevestigd, is het de BTW in België die verschuldigd is. Dit is van toepassing ook wanneer de organisatie van de begrafenis in de repatriëring van het lichaam naar het buitenland voorziet.

De omstandigheid dat een afzonderlijke prijs zou worden vermeld voor elk van de verrichte diensten of geleverde goederen bij de organisatie van een begrafenis of dat er meerdere facturen worden uitgereikt voor deze organisatie heeft geen enkele invloed op hetgeen voorafgaat.

Overeenkomstig rubriek XXXIV, cijfer 2, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW is deze dienstverrichting in principe onderworpen aan de belasting tegen het BTW-tarief van 6 %, met uitzondering evenwel van de goederen en diensten die uitdrukkelijk zijn uitgesloten van deze bepaling en die in elk geval onderworpen zijn aan de belasting tegen het tarief van 21%. In voorkomend geval is de begrafenisondernemer er bijgevolg toe gehouden om de prijs op te splitsen in functie van de toepasselijke tarieven.

Het spreekt vanzelf dat wanneer een begrafenisonderneming goederen levert aan andere personen dan deze die hem de opdracht hebben gegeven voor de organisatie van een begrafenis (zoals bijvoorbeeld ingeval van aankoop van bloemen, kransen of versieringen door familieleden of vrienden), die geleverde goederen onderworpen moeten worden aan de belasting, naargelang hun aard of hun eigen kenmerken.

Hetzelfde is van toepassing in het geval dat een begrafenisonderneming niet de volledige organisatie van de uitvaart op zich neemt en zich beperkt tot het leveren van een of ander goed of dienst met betrekking tot deze organisatie.

Tenslotte wordt er op gewezen dat de BTW altijd is verschuldigd voor bovengenoemde leveringen van goederen of diensten wanneer ze in België zijn onderworpen aan de belasting, zelfs wanneer het contract voorziet in de repatriëring van het stoffelijk overschot naar het buitenland (z. punt 2 hieronder). De algemene economie van de artikelen 39 en 39bis van het Wetboek verzet zich in onderhavig geval tegen de toepassing van de vrijstelling voorzien voor de intracommunautaire levering of de uitvoer van de goederen door die artikelen.

2. Vervoer van het stoffelijk overschot

Tot de organisatie van een begrafenis behoort gewoonlijk het vervoer van het lichaam van de overledene door de begrafenisonderneming. Deze vervoerskost behoort tot de maatstaf van heffing van de gehele dienstverrichting die wordt verstrekt door de begrafenisonderneming aan haar klanten en die aan de belasting in België is onderworpen indien de begrafenisonderneming er is gevestigd. Dit is het geval zelfs wanneer de begrafenisonderneming, bij de organisatie van een begrafenis, zorgt voor de repatriëring van het stoffelijk overschot van een persoon die is overleden in een ander land dan het land waar hij zal worden begraven.

Daarentegen, wanneer een begrafenisonderneming of een derde zich enkel belast met de repatriëring van het stoffelijk overschot (en handelingen verbonden aan die repatriëring zoals, onder andere, het voorbereiden en het kisten van het lichaam) en niet met de organisatie van de begrafenis, moet deze handeling als volgt worden geanalyseerd.

Zelfs al bestaan er verschillen tussen de Lidstaten wat de kwalificatie van die repatriëring betreft, heeft België, met het oog op de eenvoud en om praktische redenen, beslist om bij de repatriëring van het stoffelijk overschot voortaan de regels toe te passen zoals bepaald in artikel 21, § 3, 3°, van het BTW-Wetboek.

Hieruit volgt dat het vervoer van het lichaam van de overledene een dienstverrichting is waarvan overeenkomstig voormeld artikel 21, § 3, 3°, van het BTW-Wetboek de plaats wordt bepaald in functie van de afgelegde afstanden zodat de BTW in België verschuldigd is in de mate dat dit vervoer in België plaatsvindt.

Wanneer echter het lichaam wordt vervoerd van België naar een derde land of omgekeerd, kan het deel van het vervoer dat plaatsvindt in België de vrijstelling genieten voorzien in artikel 41, § 1, 2° en 3°, van het BTW-Wetboek. Bovendien kunnen de doodskisten waarin de lichamen zich bevinden evenals de bloemen, kransen en andere versieringen die ze vergezellen normaal worden ingevoerd met definitieve vrijstelling van de belasting bij toepassing van het artikel 40, § 1, 1°, b), van het Wetboek en het artikel 36, 26° van het koninklijk besluit nr. 7 van 29 december 1992 met betrekking tot de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde.

Wanneer daarentegen het lichaam van de overledene wordt vervoerd van een Lidstaat naar een andere wordt in principe als plaats van de dienst aangemerkt de plaats van vertrek van het vervoer (artikel 21, § 3, 3°bis, a), van het Wetboek). Evenwel, en inzonderheid in geval van onderaanneming van het vervoer, wordt als plaats van de dienst aangemerkt het grondgebied van de Lidstaat die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend, wanneer deze Lidstaat een andere is dan die van vertrek van het vervoer (artikel 21, § 3, 3°bis, b), van het Wetboek).

In de mate dat het vervoer van het lichaam van de overledene overeenkomstig hetgeen voorafgaat moet worden gelokaliseerd in België en niet kan genieten van enige vrijstelling, is het onderworpen aan de belasting tegen het tarief van 6 % overeenkomstig de rubriek XXXIV van tabel A, cijfer 2, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW.

Tenslotte wordt opgemerkt dat de bovengenoemde regeling voor het vervoer van stoffelijke overschotten eveneens van toepassing is voor de diensten die tot enig doel hebben het vervoer van urnen met de assen van de overledenen.

De beslissing van 28 juli 1982, nr. E.T. 38.750 wordt opgeheven.

Aangehaalde teksten

6
WBTW art. 215 voorkomens
KB nr. 7 art. 361 voorkomen
WBTW art. 391 voorkomen
WBTW art. 39bis1 voorkomen
WBTW art. 401 voorkomen
WBTW art. 411 voorkomen

Administratieve doctrine

8

« … de doodsklok en het verzorgen van de muziek voor de begrafenisdienst het ter aarde bestellen of de crematie het drukken van de overlijdensberichten de levering van de doodskist of een urne, grafzerk, bloemen, kransen of diverse andere begrafenisartikelen ( beslissing nr. E.T. 110.001 van 14.09.2005 ). 2. De terbeschikkingstelling van personeel (artikel 18, § 1, tweede lid, 2, van het Btw-Wetboek) A. Voorwerp en aard van het contract De memorie van Toelichting verduidelijkt de draagwijdte van artikel 18, § 1, tweede lid, 2°, van het Btw-Wetboek in … »

Diensten (01.07.2026)Administratieve commentaar01.07.2026

Bekijk de 8 documenten