Tekst van de beslissing
Arrest van het Hof van beroep Gent, vijfde kamer van 21.09.2021
Rol: 2020/AR/1272
In de zaak van:
K.V. N.V., ON 089...19, met maatschappelijke zetel te ...., appellante, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ....
tegen
BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, BELGIË, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal-Directeur Centrum Grote Onderneming Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, BELGIË, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ....,
wijst het hof het volgend arrest:
1 De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 7 augustus 2020 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zesde kamer, op 8 juni 2020 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 19/612/A.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 22 juni 2021, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure
Op 2 juni 2014 heeft de heer YVDH (hierna "de trainer") een arbeidsovereenkomst gesloten met Kortrijk Voetbalt (hierna: K.K.K.), voor de periode van 1 juli 2014 tot 30 juni 2016, met als voorwerp, voltijds hoofdtrainer voor de eerste ploeg en de belofteploeg. Op 16 april 2015 sloten deze partijen een nieuwe overeenkomst voor een periode eindigend op 30 juni 2018. In die arbeidsovereenkomst was een vergoeding voorzien van 200.000,00 euro indien de overeenkomst zou worden verbroken in de periode van 16 april 2015 tot en met 31 juli 2016 en 150.000,00 euro indien de arbeidsovereenkomst zou worden beëindigd in de periode vanaf 1 augustus 2016 tot en met 30 juni 2018.
Op 11 mei 2015 werd door de trainer een voltijdse arbeidsovereenkomst met K.V. ondertekend voor de periode van 1 juli 2015 tot 30 juni 2018, met als voorwerp hoofdtrainer.
Op 9 juni 2015 werd er tussen K.K.K en K.V. een overeenkomst ondertekend waarbij een vergoeding voor de transfer van de trainer van K.K.K. naar K.V. werd overeengekomen ten bedrage van 200.000,00 euro (exclusief btw). In die overeenkomst verklaart K.K.K. zich bereid om de arbeidsovereenkomst gesloten met de trainer in onderling overleg te beëindigen. Voor deze vergoeding maakte K.K.K. op 12 juni 2015 een factuur op ten bedrage van 200.000,00 euro met btw.
Met betrekking tot deze transfer werd een onderzoek gestart door de RSZ. De RSZ was van oordeel dat de trainer een vermeende schadevergoeding aan K.K.K. verschuldigd was van 200.000,00 euro op grond van de arbeidsovereenkomst van 16 april 2015. In die redenering zou de trainer een voordeel hebben genoten doordat K.V. deze vermeende schadevergoeding zou hebben betaald. Op deze vermeende schadevergoeding werd er door de RSZ sociale zekerheidsbijdragen gevorderd.
De btw administratie werd door de RSZ in kennis gesteld van het onderzoek.
De btw administratie onderzocht het recht op aftrek op de voormelde factuur uitgaande van K.K.K. en gericht aan de appellante. Volgens de administratie staat tegenover de schadevergoeding geen dienst waardoor op die betaling geen btw verschuldigd is en er geen recht op aftrek van btw was in hoofde van de appellante.
Op 4 december 2017 stelde de administratie een correctieopgave op waarin het recht op aftrek met betrekking tot de voormelde factuur werd geweigerd en gecorrigeerd. De appellante heeft haar niet akkoord meegedeeld met de correctieopgave. Op 25 april 2018 stelde de administratie een proces-verbaal op waarin de volgende bedragen worden gevorderd:
- 42.000 euro btw in hoofdsom, en
- een proportionele boete van 4.200 euro
- nalatigheidsintresten vanaf 21 juli 2015;
De appellante diende op 24 juli 2018 een (minnelijk) bezwaar in tegen deze btw vordering. Bij beslissing van 29 november 2018 wees de geïntimeerde het bezwaar af als ongegrond.
Met een verzoekschrift van 4 maart 2019 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
In het vonnis van 8 juni 2020 (A.R. 19/612/A) heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de vordering van de appellante afgewezen als ongegrond.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3 De vorderingen van de partijen
3.1 De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Dienvolgens, het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 8 juni 2020, met ra/nummer 19/612/A, teniet te doen;
De vordering in rechte van conc/uante overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32 ° Ger. W. ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:
Voor recht te zeggen dat concluante recht heeft op aftrek van de btw geheven over voormelde transfervergoeding.
De beslissing van 29 november 2018, gewezen door mevr. X, adviseur, verbonden aan het Centrum Grote Ondernemingen Brugge Team Expertise 1, ter kennis gebracht aan concluante bij aangetekende brief van 29 november 2018, volledig te vernietigen en de navordering van btw, boete en interesten opgenomen in het procesverbaal van 25 april 2018 ongegrond te verklaren.
Dienvolgens de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde bedragen, zoals vermeld in het proces-verbaal van 25 april 2018, meer de daarop verschuldigde moratoriumintresten in toepassing van artikel 91, § 4 WBTW.
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding vastgesteld op het basisbedrag gelijk aan 3.000,00 EUR per aanleg (in totaal 6.000 EUR).
3.2 De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;
Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en de bestreden aanslag te bevestigen.
Appellante tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, aan de zijde van de Belgische Staat begroot op 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.
Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij inzake de procedure in eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.
4 De betwistingen en hun beoordeling
1. Volgens de administratie volgt duidelijk uit de chronologie van de feiten dat de trainer zijn overeenkomst met K.K.K. heeft verbroken zonder het akkoord van K.K.K.. Hij heeft immers een voltijdse arbeidsovereenkomst gesloten met de appellante terwijl hij nog gebonden was door zijn arbeidsovereenkomst met K.K.K., en zonder dat K.K.K. daarvan kennis had en zich daarmee akkoord verklaarde. De administratie wijst erop dat de ploegen pas achteraf zijn overeengekomen om een verbrekingsvergoeding van 200.000 euro te betalen. De administratie wijst op artikel 1 van de overeenkomst van 9 juni 2015 die de vergoeding kwalificeert als een schadeloosstelling is. Verder in de overeenkomst stelt men de vergoeding daarentegen voor als de tegenprestatie voor de dienst die K.K.K. voor appellante verricht zou hebben, en die zou bestaan uit de minnelijke beëindiging van de overeenkomst tussen K.K.K. en de trainer Yves. Dit laatste strookt volgens de administratie niet met de feiten. De trainer had volgens de administratie zijn overeenkomst met K.K.K. immers al verbroken door op 11 mei 2015 een nieuwe overeenkomst met de appellante af te sluiten, zonder de goedkeuring van K.K.K.. De administratie verwijst nog naar de geruchten en krantenartikels van die periode waaruit blijkt dat K.K.K. de trainer wou behouden en dus geen akkoord gaf voor de verbreking.
De administratie meent dat de administratieve beslissing van 6 april 1993, nr. E.T. 10.612 hier niet toepasselijk is omdat die betrekking heeft op de relatie tussen een ploeg en een voetbalspeler, terwijl het hier een trainer betreft. Overeenkomstig die beslissing bevestigt de administratie dat een overeenkomst gesloten tussen voetbalclubs waarbij, hetzij de rechten op een voetbalspeler definitief worden overgedragen, hetzij de rechten op een speler tijdelijk worden verleend (tijdelijke of definitieve transfer), een dienst is in de zin van het btw wetboek. De administratie wijst erop dat daarvoor bovendien vereist is dat het een "vrije transfer' betreft, namelijk een transfer die tot stand komt met akkoord van de betrokken clubs en speler.
2. Het standpunt van de RSZ dat de betaling van de vergoeding door de appellante aan K.K.K. in wezen een financieel voordeel en loon is in hoofde van de trainer, gaf aanleiding tot een gerechtelijke procedure. De Nederlandstalige arbeidsrechtbank Brussel oordeelde bij vonnis van 26 oktober 2018 dat de RSZ niet aantoont dat de trainer zijn arbeidsovereenkomst met K.K.K. (eenzijdig en impliciet) zou hebben verbroken. De trainer was volgens de arbeidsrechtbank geen verbrekingsvergoeding verschuldigd aan K.K.K.. De vergoeding die de appellante betaalde aan K.K.K. kan volgens de arbeidsrechtbank niet aangemerkt worden als een financieel voordeel voor de trainer en dus niet als een loon waarop sociale zekerheidsbijdragen verschuldigd waren. De RSZ stelde hoger beroep in tegen dit vonnis.
Op de openbare terechtzitting van 22 juni 2021 heeft de appellante (met instemming van de geïntimeerde) het arrest voorgelegd van het arbeidshof Brussel van 19 november 2020. Dit arbeidshof kwam tot een ander oordeel. Het arbeidshof maakte vooraf duidelijk dat het zich niet wenste uit te spreken over het zogenaamd verbrekingsbeding in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst van 16 april 2015 tussen de trainer en K.K.K.. Het arbeidshof oordeelde enkel over de vraag over de door de appellante betaalde vergoeding van 200.000,00 euro (excl. btw) aan K.K.K. al dan niet als loon moet worden beschouwd in hoofde van de trainer. Volgens het arbeidshof staat dat artikel 7 volledig los van de regels betreffende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (voor bepaalde duur). Dat de arbeidsovereenkomst van 16 april 2015 in onderling overleg zou beëindigd zijn, heeft volgens het arbeidshof niet noodzakelijk tot gevolg dat de in artikel 7 voorziene "verbrekingsvergoeding" niet langer verschuldigd is. Het arbeidshof oordeelde dat er geen eenzijdige verbreking was van de arbeidsovereenkomst maar dat de wijze waarop de partijen uitvoering gegeven hebben aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en gelet op de bewoordingen van artikel 7, volstaat om aan deze bepaling uitwerking te geven. Er was volgens het arbeidshof voldaan aan de voorwaarde van artikel 7, lid 1 van de voormelde arbeidsovereenkomst, waardoor de trainer gehouden was tot betaling van de vergoeding van 200.000,00 euro. De appellante heeft met de overeenkomst van 9 juni 2015 die vergoeding betaald in de plaats van de trainer. Het arbeidshof oordeelde dat die betaling voor de trainer niet enkel een waardeerbaar voordeel ingevolge de dienstbetrekking was maar daarop ook recht had ingevolge zijn dienstbetrekking. Hierdoor was dit volgens het arbeidshof loon in hoofde van de trainer en was de appellante de sociale bijdragen verschuldigd.
De appellante legde op de zitting van 22 juni 2021 samen met het arrest van het arbeidshof ook de ingestelde cassatievoorziening voor.
3. De vraag stelt zich of de (technische) sociaalrechtelijke kwalificatie van de vergoeding noodzakelijk een impact heeft op de fiscaalrechtelijke kwalificatie. In het huidige geschil stelt zich de rechtsvraag of de vergoeding al dan niet de tegenprestatie is van een dienst, namelijk een transfervergoeding voor een (vrije) transfer.
Naar het oordeel van het hof heeft het arbeidshof Brussel zich in zijn arrest van 19 november 2020 restrictief uitgesproken over de (technisch) sociaalrechtelijke kwalificatie van een vergoeding in de relatie tussen de appellante en de trainer. Het valt op dat het arbeidshof uitdrukkelijk oordeelde zich niet uit te spreken over de kwalificatie van het beding in artikel 7 van de arbeidsovereenkomst.
Het huidige geschil betreft de fiscale kwalificatie van dezelfde vergoeding in de relatie tussen de appellante en K.K.K.. In die zin komt het niet tegenstrijdig of onverzoenbaar voor om de vergoeding enerzijds (al dan niet) als loon te kwalificeren in de ene relatie en in een andere relatie al dan niet als een dienst voor de toepassing van het recht op aftrek van de btw. Naar het oordeel van dit hof betreft het twee afzonderlijke kwalificaties naar aanleiding van de toepassing van verschillende rechtstakken en (technische) wetgeving. Er is naar het oordeel van het hof geen samenhang. Om die reden acht het hof het niet noodzakelijk om de beoordeling van het huidige (fiscale) geschil uit te stellen en het resultaat van de cassatievoorziening af te wachten teneinde tegenstrijdige rechtspraak te vermijden.
4. Louter uit het gegeven dat de trainer na zijn vernieuwd contract met K.K.K. van 16 april 2015 op 11 mei 2015 een arbeidsovereenkomst sloot met de appellante, houdt op zich niet in dat de trainer zijn contract met K.K.K. (eenzijdig) had verbroken. De trainer kon als het ware er evengoed voor opteren om de overeenkomst met de appellante te verbreken en de overeenkomst van 16 april 2015 na te leven. Op dat moment had de trainer zich verbonden ten aanzien van twee ploegen. Zoals de arbeidsrechtbank het in het voormelde vonnis van 26 oktober 2018 uitdrukte, was het een evidentie dat aan één van de twee overeenkomsten een einde moest komen, hoewel het in de concrete context van een succesvol seizoen niet uit te sluiten was dat nog een derde geïnteresseerde ploeg zich aandiende. Het is pas op 9 juni 2015 dat er daarover duidelijkheid ontstond door de overeenkomst tussen de appellante en K.K.K.. In deze overeenkomst verbindt K.K.K. zich ertoe om de overeenkomst van 16 april 2015 met de trainer in onderling overleg te beëindigen "zodat [de trainer] rechtsgeldig een overeenkomst kan sluiten met KVO". Dat er in werkelijkheid al op 11 mei 2015 tussen de trainer en de appellante een overeenkomst
gesloten was, is naar het oordeel van het hof voor de beoordeling van dit fiscaal geschil niet relevant. In hoofde van de appellante was de vergoeding als het ware een afkoopsom of een transfervergoeding zodat K.K.K. de overeenkomst met de trainer minnelijk zou beëindigen zodat de trainer bij de appellante (rechtsgeldig) de hoofdtrainer zou kunnen worden.
Ook de arbeidsrechtbank als het arbeidshof waren het er over eens dat de arbeidsovereenkomst tussen K.K.K. en de trainer niet eenzijdig werd verbroken door de trainer. De vergoeding is wat betreft dit fiscale geschil niet aan te merken als een schadevergoeding waarop de btw niet toepasselijk is. Tegenover de vergoeding stond de tegenprestatie van de minnelijke beëindiging van de overeenkomst en de vrije transfer van de trainer.
5. Overeenkomstig het btw wetboek wordt als een dienst beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit wetboek (artikel 18 W.btw.).
Het is in de geschetste context en op grond van de voormelde bepaling dat de appellant ook met reden verwijst naar de administratieve beslissing van 6 april 1993, nr. E.T. 10.612. Deze administratieve beslissing betreft geen gedoogbeleid of administratieve toegefelijkheid die in strijd is met de wet, maar een toepassing van artikel 18 W.btw.
Overeenkomstig deze administratieve beslissing is de vrije, definitieve of tijdelijke transfer van een speler tussen clubs een dienst in de zin van artikel 18 W.btw., namelijk in de volgende bewoordingen:
"Derhalve is de overeenkomst gesloten tussen voetbalclubs waarbij, hetzij de rechten op een voetbalspeler definitief worden overgedragen, hetzij rechten op een speler tijdelijk worden verleend - m.a.w. de definitieve of tijdelijke transfer - een dienst in de zin van het BTW Wetboek.
(...)
Vrije transfers.
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat aan de belasting zijn onderworpen de tijdelijke en definitieve transfer van spelers die 16 jaar en ouder zijn op 1 augustus nadat de transfer werd gesloten voor zover die transfers tot stand komen met akkoord van de betrokken clubs en de speler.
Verplichte en administratieve transfers.
De verplichte transfer is die welke tot stand komt met het akkoord van de betrokken speler en een andere club dan de zijne, zonder het akkoord van deze laatste en mits betaling van de reglementaire vergoeding.
De administratieve transfer is die welke tot stand komt met het akkoord van de aangeslotene zonder het akkoord van zijn club door tussenkomst van de bevoegde bondsinstantie of van rechtswege op grond van de reglementsbepalingen.
De vergoedingen die naar aanleiding van dergelijke transfers worden betaald, dienen voor de toepassing van de BTW als schadeloosstelling te worden aangemerkt ten aanzien waarvan de BTW niet van toepassing is.”
De juridische redenering die aan de grondslag ligt van deze beslissing kan eveneens toepasselijk zijn in de situatie van een transfer van een trainer. Naar het oordeel van het hof is deze redenering in het huidige geschil eveneens toepasselijk. De administratie geeft geen redenen aan op grond waarvan deze beslissing alleen betrekking heeft of kan hebben op de vrije transfer van spelers en niet van trainers, noch in welke zin er een verschil is of dat verschil redelijk te verantwoorden is. De administratie geeft die verantwoording niet louter met de stelling dat de beslissing "trainers" niet vermeld en uit niets zou kunnen worden afgeleid dat deze beslissing van toepassing is voor trainers. Waar de administratie stelt dat de appellante niet aantoont dat de overstap naar een andere club door een trainer aan dezelfde regels onderworpen is als de transfer van spelers, blijkt niet uit de beslissing dat de transfervergoeding aan bepaalde (zelfde?) voorwaarden moet voldoen met uitzondering van het akkoord van de betrokken clubs en de speler/trainer. Uit de overeenkomst van 9 juni 2015 blijkt dat er een onderling akkoord is tussen de clubs (en evident de trainer) over de transfer van de trainer. De administratie kan deze inhoud van de overeenkomst niet miskennen.
Het hof volgt de appellante in de feitelijke vaststelling dat inmiddels (na de beslissing van 1993) er een evolutie is ontstaan van courante (vrije) transfers van trainers tussen ploegen, hetgeen in 1993 minder courant was, zijnde een aannemelijke reden waarom toen er niet aan gedacht was om in de beslissing ook de vrije transfer van trainers uitdrukkelijk als een dienst aan te merken. Zoals vermeld, is de beslissing niet aan te merken als een administratieve toegefelijkheid in strijd met de wet. De feiten laten toe te besluiten dat het de wil van de clubs was om de overgang van de trainer in onderling overleg te regelen en een "vrije transfer" tot stand te brengen. Het is niet aangetoond dat de betrokken partijen de gevolgen van de overeenkomsten niet hebben aanvaard of nageleefd of andere bedoeldingen hadden. Tegenover de vergoeding stond de tegenprestatie van de minnelijke beëindiging van de overeenkomst en de vrije transfer van de trainer. Dit is aan te merken als een belastbare dienst in de zin van artikel 18 W.btw. De appellante heeft voor die dienst terecht een factuur met de omschrijving "Definitieve Transfer [trainer]"met toepassing van btw ontvangen en terecht haar recht op aftrek van btw toegepast. Het hoger beroep is gegrond.
5 De gerechtskosten
De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.
Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, de geïndexeerde basisbedragen gehanteerd worden. De partijen verklaarden op de zitting van 22 juni 2021 dat ze de geïndexeerde bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vorderen.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 euro bevindt, is het (toen geldende) basisbedrag van 3.000,00 euro toepasselijk voor de eerste aanleg en het geïndexeerde bedrag van 3.250,00 toepasselijk voor deze beroepsprocedure.
Beschikkend gedeelte
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:
• het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond;
• het bestreden vonnis wordt yernietigd behoudens waar het de vordering van de appellante ontvankelijk verklaart;
• het hof doet opnieuw recht en verklaart de vordering van de appellante gegrond; zegt dat de appellante recht heeft op aftrek van de btw geheven over voormelde transfervergoeding;
- vernietigt de beslissing van 29 november 2018, gewezen door mevr. X, adviseur, verbonden aan het Centrum Grote Ondernemingen Brugge Team Expertise 1, ter kennis gebracht aan de appellante bij aangetekende brief van 29 november 2018,
- verklaart de navordering van btw, boete en interesten opgenomen in het proces-verbaal van 25 april 2018 ongegrond;
- de geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten voorzien in artikel 91, § 4 W.btw.;
• veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante:
• bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 20,00 EUR
• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 3.000,00 EUR
• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.250,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde: nihil
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 21 september 2021.
Aanwezig: ...
Ondertekeningen
Door de FOD bijgevoegde beslissing
Tekst van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank Tiende Kamer
Vonnis van 8 juni 2020
Rol: 19/612/A
De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:
In de zaak:
K.V. nv (KBO: 089...19), met zetel te ..., EISENDE PARTIJ, voor wie optreedt Meester ..., advocaat te ....
tegen:
DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur-Generaal-Centrumleider van het Centrum Grote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, VERWERENDE PARTIJ, vertegenwoordigd door Y, attaché
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het verzoekschrift d.d. 4 maart 2019.
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen neerlegde stukken. De zaak werd van rechtswege in beraad genomen op 27 april 2020 overeenkomstig artikel 2 §1 van het KB nr: 2 van 9 april 2020 m.b.t. de verlenging van de verjaringstermijnen en de· andere termijnen om in rechte te treden, alsmede de verlenging van de termijnen van de rechtspleging en de schriftelijke behandeling voor de hoven en rechtbanken. De debatten werden van rechtswege gesloten één maand nadat de zaak in beraad werd genomen overeenkomstig artikel 2 §5 van het vermelde KB nr. 2 van 9 april 2020.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BÉ089...19, voor de activiteit van voetbalclub. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Een controle wordt aangevat bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglemeritering inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de factuur d.d. juni 2015 uitgereikt door de cvba Kortrijk Voetbalt. Deze factuur samen met arbeidsovereenkomsten afgesloten door YVDH met de cvba Kortrijk Voetbalt en eiseres en samen niet een overeenkomst d.d. 9 juni 2015 afgesloten tussen eiseres en de cvba . Kortrijk Voetbalt, werden aan de FOD Financiën overgemaakt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in uitvoering van het samenwerkingsprotocol van 15 december 2009 en artikel 93quaterdeciès W.BTW.
Op 25 april 2018 wordt een proces-verbaal opgesteld door Y. Volgens de administratie heeft eiseres geen recht op aftrek van de BTW. Het factuurbedrag betreft een schadevergoeding en eiseres heeft in ruil geen dienst ontvangen. Op de schadevergoeding is geen BTW verschuldigd, zodat er ook geen recht op aftrek ontstaat in hoofde van eiseres. Verschuldigd is als BTW 42.000,00 EUR, als proportionele geldboete 4.200 EUR en nalatigheidsintresten vanaf 21 juli 2015.
Eiseres heeft op 24 juli 2018 aan administratief verzoekschrift ingediend bij de adviseur-generaal van het Centrum Grote Ondernemingen Brugge. Bij beslissing van 29 november 2018 wordt het verzoek afgewezen.
Door eiseres wordt een vérzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste ·aanleg West-· Vlaanderen, afdeling Brugge, op 4 maart 2019.
2. Eiseres vraagt dat:
- de eis ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- de beslissing d.d. 29 november 2018 wordt vernietigd;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaiing van de onverschuldigd betaalde bedragen zoals vermeld in het PV van 25 april 2018, te vermeerderen met de moratoriumintresten;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.000 EUR.
3. Verweerder vraagt dat:
- de eis ontvankèlijk doch ongegrond wordt verklaard;
- eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
Conform artikel 45 §1 W.BTW heeft een BTW-belastingplichtige (o.a.) het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen (1°), handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 (2°), handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden (3°), handelingen bedoeld in artikel 44 §3, 4° tot 10° telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of. de genoemde handelingen volgens de door of vanwege de minister van financiën te bepalen voorwaarde, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap (4°) en diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen (5°).
De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45 §1 W.BTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige.
Op 2 juni 2014 heeft YVDH een arbeidsovereenkomst afgesloten met de cvba Kortrijk Voetbalt voor de functie van hoofdtrainer gedurende de periode van 1 juli 2014 tot 30 juni 2015. Op 16 april 2015 heeft YVDH een nieuwe arbeidsovereenkomst afgesloten met de cvba Kortrijk Voetbalt voor de functie van hoofdtrainer gedurende de periode van.16 april 2015 tot 30 juni 2018. Deze overeenkomst voorziet in, een verhoging van het loon en andere voordelen t.o.v. de overeenkomst van 2 juni 2014. In de overeenkomst van 16 april 2015 is bepaald dat' indien de heer YVDH tijdens de duur van het contract beslist om de arbeidsovereenkomst te beëindigen zal hij gehouden zijn aan K.K.K. een éénmalige verbrekingsvergoeding te betalen te bedrage van 200.000,00 EUR excl. BTW indien de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt in de periode vanaf 16 april 2015 tot en met 31 juli2016'.
Op 11 mei 2015 heeft YVDH een arbeidsovereenkomst afgesloten met eiseres voor de functie van hoofdtrainer gedurende de periode van 1 juli 2015 tot 30 juni 2018.
Op 9 juni 2015 hebben de cvba Kortrijk Voetbalt en eiseres een overeenkomst afgesloten waarbij wordt overeengekomen dat eiseres 200.000 EUR zal betalen aan de cvba Kortrijk Voetbalt ten titel van schadevergoeding wegens het vervroegd vertrek van YVDH. Op 12 juni 2015 wordt door K.K.K. een factuur uitgereikt aan eiseres voor het bedrag van 200.000 EUR vermeerderd met 42.000 EUR BTW voor 'definitieve transfer YVDH'.
Volgens eiseres betreft het gefactureerde bedrag een transfervergoeding waarop BTW verschuldigd is. Volgens verweerder heeft de cvba Kortrijk Voetbalt geen dienst verricht aan eiseres.
Een dienst in de zin van het W.BTW bestaat wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de ·dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenprestatie vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst.
De rechtbank stelt vast dat eiseres op geen enkele manier bewijst dat de cvba Kortrijk Voetbalt een dienst heeft verricht aan eiseres iri ruil voor 200.000 EUR. In artikel 1 van de overeenkomst d.d. 9 juni 2015 afgesloten tussen de cvba Kortrijk Voetbalt en eiseres staat duidelijk dat de vergoeding van 200.000 EUR wordt betaald ten titel van schadevergoeding wegens het vervroegd vertrek van YVDH. Een vergoeding voor geleden schade, zijnde het vervroegd vertrekken van YVDH, is geheel iets anders dan een tegenprestatie voor een verleende dienst. Het is niet aanneembaar dat eiseres met bijstand van haar juridische adviseurs het verschil niet kent tussen een schadevergoeding en een tegenprestatie voor een verleende dienst.
In het overwegende gedeelte van de overeenkomst d.d. 9 juni 2015 staat wel dat eiseres en de cvba Kortrijk Voetbalt een transfervergoeding zijn overeengekomen, maar dit is duidelijk in strijd met wat in artikel 1 van de overeenkomst staat. Bovendien blijkt nog altijd niet welke dienst in ruil voor 200.000 EUR de cvba Kortrijk Voetbalt dan zou verricht hebben aan eiseres.
·Eiseres verwijst naar de administratieve beslissing van 6 ·april 1993 (nr. E.T. 10.612) maar deze beslissing betreft de transfer van spelers (niet trainers) en uit niets blijkt dat de cvba Kortrijk Voetbalt akkoord was dat YVDH op 11 mei 2015 een arbeidsovereenkomst afsloot met eiseres. Het feit dat de cvba Kortrijk Voetbalt niet akkoord was dat YVDH op 11 mei 2015 een arbeidsovereenkomst met eiseres had afgesloten, blijkt uit het feit dat in artikel 2 van de overeenkomst d.d. 9 juni 2015 is opgenomen dat zij enkel bereid is de arbeidsovereenkomst met YVDH in onderling overleg· te beëindigen mits ondertekening van de overeenkomst door eiseres (zijnde de betaling van een schadevergoeding).
De vraag of YVDH al dan niet een voordeel heeft verkregen doordat eiseres een bedrag heeft betaald aan de cvba Kortrijk Voetbalt dat gelijk is aan de verbrekingsvergoeding (die YVDH al dan niet verschuldigd zou zijn aan de cvba Kortrijk Voetbalt) opgenomen in de overeenkomst van 16 april 2015, is niet relevant. Het is aan eiseres om te bewijzen dat zij 200.000 EUR heeft betaald aan de cvba Kortrijk Voetbalt als tegenprestatie voor een dienst en dat de voorwaarden van artikel 45 §1 W.BTW voldaan zijn. Eiseres bewijst dit evenwel niet.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,'1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere. middelen van partijen verwerpend als niet dienend..· Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op acht juni tweeduizend twintig.
Aanwezig zijn: ....
Ondertekeningen