Parcours procédural
2 étapes · 7 ans 8 mois- Décision attaquéeTribunal de première instance de Bruxelles28.06.2017
- Décision affichéeCour d'appel de Bruxelles05.03.2025
Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d’appel de Bruxelles du 05.03.2025 - Rôle 2018/AF/6
[ Arrêt favorable ]
Taxe sur la valeur ajoutée – Remboursement de la TVA – Exemption de la TVA pour les importations suivies d'une livraison intracommunautaire
Dispositions légales
Art. 3 et 16 de la Directive 2008/9/CE du 12 février 2008,
art. 77, §1bis, 1° , art. 39bis et art. 40, §1, 1° d) CTVA,
Résumé du jugement / de l’arrêt
1. Faits
La société allemande AK a acheté des pneus en caoutchouc « Free On Board » (FOB) en septembre 2012 et des roues « FOB » en octobre 2012 en dehors de l'Union européenne (UE). Les marchandises ont été achetées à une société turque, expédiées en Thaïlande et sont entrées dans l'UE via Singapour en passant par le port d'Anvers le 17/10/2012 dans des containers pour être ensuite transportées vers l'Allemagne par péniche. Les containers ont quitté le port d'Anvers sans dédouanement de la liste des marchandises le 19/10/2012. AK aurait chargé le premier appelant d'organiser le transport de ces marchandises de la Thaïlande vers l'Allemagne, la destination finale, en tant que commissionnaire-expéditeur. AK aurait revendu les marchandises à des sociétés allemandes et les factures de vente d'AK auraient fait apparaître une TVA (allemande) de 19 %.
Le 27 février 2023, KGH (deuxième appelant) a introduit une demande manuelle de dédouanement IM-A auprès des douanes d'Anvers au nom du premier appelant, et a également payé la TVA récupérée, d'un montant total de 153 373,60 euros. KGH a également payé une amende douanière et de TVA ainsi que des intérêts de retard. La première partie appelante a ensuite remboursé à KGH les montants de TVA, d'amende et d'intérêts avancés.
Le 3 mai 2013, une demande électronique de remboursement de la TVA a été introduite au nom d'AK via l'application « VAT REFUND » conformément à la directive 2008/9/CE. Le 25 juillet 2013, l'administration fiscale a notifié le refus de la demande de remboursement au motif qu'AK ne disposait pas d'un numéro de TVA belge. Le 9 septembre 2014, les appelants ont entamé une procédure judiciaire contre cette décision de refus, qui a abouti au jugement contesté du 28 juin 2017 dans lequel les prétentions des appelants ont été déclarées recevables mais non fondées.
Les appelants ont fait appel de ce jugement.
2. Arrêt de la cour d’appel
Sur la question de savoir si un numéro de TVA belge est légalement requis pour obtenir le remboursement de la TVA belge, la Cour a jugé qu'un État membre ne peut pas, en vertu de sa législation nationale, refuser à un assujetti établi dans un autre État membre le droit au remboursement de la TVA au seul motif que cet assujetti est ou aurait dû être identifié à la TVA dans le premier État membre, même si cet assujetti remplit les conditions cumulatives énoncées à l'article 3 de la directive 2008/9. La première appelante a donc pu demander un remboursement pour le compte d'AK, contrairement à ce que laisse entendre l'État belge, malgré le fait qu'AK n'était pas identifiée en Belgique.
En ce qui concerne le moyen selon lequel la demande de remboursement en application de l'article 77 §1a, 1° du Code de la TVA était fondée parce qu'il y avait une acquisition intracommunautaire en Allemagne en combinaison avec l'exonération de l'art. 40, §1, 1° d) CTVA, la Cour a jugé que comme les appelants soutenaient qu'il y avait une acquisition intracommunautaire en Allemagne ainsi qu'une exonération de la TVA en Belgique en application de l'art. 40, §1, 1° d) CTVA, la charge de la preuve incombait aux appelants.
La Cour a également déclaré que la vérification des preuves apportées par le contribuable est une question de fait dans laquelle la Cour examine l'ensemble des preuves apportées, et que l'ensemble des preuves apportées en l'espèce ne prouve pas (de manière concluante) que les conditions de l'exonération de la TVA ont effectivement été remplies en ce qui concerne l'acte ou les actes en question.
La preuve des conditions matérielles pour bénéficier de l'exonération n'a pas été apportée, comme cela a déjà été expliqué. Selon la Cour, l'examen de la question de savoir si le premier appelant a respecté les conditions formelles pour bénéficier de l'exonération est donc dépourvu d'objet.
Selon la Cour, il y a donc lieu de se référer, entre autres, aux articles 23, §3, 24, §1 et 15, §3 du Code de la TVA et aux articles 6, §1 et 6, §2 de l'arrêté royal n° 7, de sorte que la TVA sur les importations (belges) est due par AK, payable au moment de l'importation des biens en Belgique, et qu'aucun remboursement de la TVA n'est possible en application de l'article 77, §1bis, 1°septies.
Le recours des appelants en ce qui concerne l'action contre l'État belge n'est donc pas fondé.
Texte intégral
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.
Corps de la décision
Arrêt de la cour d’appel de Bruxelles d.d. 05.03.2025
2018/AF/6
1. J.F., vennootschap naar vreemd recht, met maatschappelijke zetel
te DUITSLAND, …,
eerste appellante,
2.K.B., ON 04…, met zetel te …, tweede appellante,
vertegenwoordigd door Mr. D.J. (…) loco Mr. N.D., advocaat te …,
tegen
1.DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met burelen te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend op verzoek van de Adviseur-Generaal, Directeur van het CENTRUM SPECIFIEKE MATERIES, met burelen te 1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan 50 bus 3412,
eerste geïntimeerde,
die in persoon verschijnt, door tussenkomst van een ambtenaar, de heer S.W., attaché,
2. D.V., vennootschap naar vreemd recht, met
maatschappelijke zetel te DUITSLAND, …
tweede geïntimeerde,
niet vertegenwoordigd, noch verschijnend,
3. K.T., vennootschap naar vreemd recht, met maatschappelijke
zetel te DUITSLAND, …,
derde geïntimeerde,
niet vertegenwoordigd, noch verschijnend,
In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting :
Voorgaanden en vorderingen
Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid :
-het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 28 juni 2017 (AR 2014/4381/A), op tegenspraak uitgesproken, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd en dat volgens verklaringen van partijen niet werd betekend,
-het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 8 januari 2018, -de eerste conclusies, tweede conclusies en syntheseconclusies van eerste geïntimeerde neergelegd ter griffie op respectievelijk 14 september 2018, 13 september 2019 en op 21 september 2020,
-de conclusies en de aanvullende conclusies van appellanten neergelegd ter griffie op respectievelijk 7 maart 2019 en op 12 maart 2020,
-de stukken van eerste geïntimeerde (het administratief dossier, hierna "A.D." genoemd) neergelegd ter griffie van het hof op 15 december 2020,
- de stukken van appellanten neergelegd op 30 oktober 2024.
Procedure in eerste aanleg
Bij verzoekschrift neergelegd op 9 september 2014 stelden appellanten een vordering in rechte in tegen de Belgische Staat teneinde de bestreden beslissing van 25 juli 2013 van de Algemene Dienst Fiscaliteit BTW te Brussel teniet te doen en de Belgische Staat te bevelen de gevraagde teruggaaf van €153.373,60 aan BTW toe te staan en deze Iaatste te veroordelen tot de terugbetaling van dat bedrag meer interesten.
Bij exploot van dagvaarding, betekend op verzoek van appellante J.F. gmbh werden de vennootschappen naar Duits recht D.V. gmbh en K.T. gmbh gedagvaard in gedwongen tussenkomst teneinde veroordeeld te worden tot afgifte van de bewijzen dat de goederen in kwestie voor verbruik zouden zijn aangegeven in Duitsland, en in ondergeschikte orde, indien de aanspraken van eerste appellante jegens de Belgische Staat ongegrond zouden worden verklaard solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere veroordeeld te worden tot de betaling van de door eerste appellante voorgeschoten bedragen van €153.376,60 meer interesten en tot het betalen van de kosten van het geding.
De Belgische Staat concludeerde tot de ongegrondheid van de hoofdvordering. D.V. gmbh en K.T. gmbh concludeerden tot de onbevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel en, in elk geval tot de ongegrondheid van de vordering in tussenkomst.
Bij vonnis van 28 juni 2017 verklaarde de eerste rechter de hoofdvordering ontvankelijk maar ongegrond en de vordering van appellanten opzichtens AK en K.T. ontvankelijk maar ongegrond. Appellanten werden veroordeeld tot de kosten van het geding.
Procedure voor het hof
Appellanten stellen hoger beroep in tegen het betwiste vonnis bij verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 8 januari 2018.
Zij vorderen het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en hernemen de hoofdvordering en vorderingen tegen tweede en derde geïntimeerde zoals gesteld voor de eerste rechter.
Eerste geïntimeerde vordert de ongegrondverklaring van het hoger beroep en de veroordeling van appellanten tot de kosten van het hoger beroep.
Tweede en derde geïntimeerden legden geen conclusies neer, worden niet vertegenwoordigd en verschijnen niet.
Relevante feitelijke gegevens
De Duitse onderneming D.V. gmbh kocht in september 2012 rubberbanden "Free On Board" (FOB) (Jakarta) en in oktober 2012 een hoeveelheid wielen "Free On Board" (Laem Chabang) aan buiten de Europese Unie.
Deze goederen werden gekocht bij de Turkse onderneming M.S., werden verscheept in Thailand en kwamen langs Singapore via de haven van Antwerpen de Europese Unie binnen op 17/10/2012, in containers voor —volgens appellanten— aansluitend vervoer naar Duitsland via binnenschip.
De containers verlieten de Antwerpse haven zonder douaneaanzuivering van vrachtlijst op 19/10/2012.
D.V. zou aan J.F. de instructie gegeven hebben om ais commissionair-expediteur het transport van deze goederen van uit Thailand naar de eindbestemming te Duitsland (Frankenthal) te organiseren.
Door naar eigen zeggen een "administratieve vergissing/misverstand" "vergat" J.F. om in Antwerpen de douane-aanzuivering van de vrachtlijst uit te voeren en zo vond de doorvoer van Antwerpen naar Duitsland per lichter plaats zonder dat de Antwerpse douaneautoriteiten hiervan vooraf geïnformeerd waren en de vrachtlijst aangezuiverd werd (stuk 4 appellanten).
Op 27 december 2012 werd J.F. geïnformeerd door de zeevervoerder MSC van het feit dat haar Antwerpse vrachtlijst niet was aangezuiverd en dat dit aanleiding zou geven tot een douane(na)vordering.
D.V. verkocht naar eigen zeggen de goederen door aan de Duitse ondernemingen B.W. en K.T. gmbh (hierna : KESKIN).
De verkoopfacturen van D.V. zouden 19% (Duitse) BTW vermelden,
Op 25 februari 2013 nam J.F. contact op met de Antwerpse douaneautoriteiten en kreeg zij het advies van de douane om onmiddellijk alsnog een manuele inklaring IM-A in te reiken.
Op 26 februari 2013 gaf J.F. de instructie aan de lokale douaneagent KGH nv (hierna : KHG) om de zaak "correct af te handelen".
Op 27 februari 2013 diende KGH voor rekening van J.F. de IM-A met aangiftenummer 13103796 en de IM-A met aangiftenummer 13103797 in bij de Antwerpse douane en betaalde daarbij ook de thans teruggevraagde BTW ten bedrage van €61.669,44 en €91.704,16, hetzij €153.373,60 in totaal.
Later betaalde KGH ook nog een douane- en BTW-boete en verwijlinteresten.
J.F. vergoedde vervolgens KGH voor de door haar voor rekening van J.F. voorgeschoten bedragen aan BTW, boete en interesten.
Intussen zou, aldus appellanten, D.V. de m.b.t. de verkopen in Duitsland verschuldigde belasting opgenomen hebben in haar periodieke BTW aangiften voor de handelingen van juli en augustus 2012.
Op 30 april 2013 droeg D.V. haar rechten m.b.t. de terugbetaling van de BTW over aan J.F..
Op 3 mei 2013 werd op naam van D.V. een elektronische BTW-terugbetalingsaanvraag (voor de periode 31/08/2012 tot en met 31/10/2012) ingediend via de applicatie VAT REFUND overeenkomstig de richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in Richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de Iidstaat van teruggaaf maar in een andere Iidstaat gevestigd zijn (de "BTW-terugbetalingsrichtlijn"), waarvoor een ontvangstbevestiging door de fiscale administratie werd teruggestuurd.
Op 14 mei 2013 wordt door de genaamde mevrouw E.K. via e-mail contact opgenomen met het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen (hierna C.K.B.B.) waarbij deze informeert naar een stand van zD.V.en aangaande de terugbetalingsaanvraag van D.V. van 3 mei 2013 voormeld (stuk 7 A.D., vierde bladzijde : email van E.K. (…), "Head of Accounting" van K.T., aan de Belgische fiscale administratie).
Op 14 mei 2013 laat de fiscale administratie weten dat de aanvraag in behandeling is en vraagt bijkomende inlichtingen die dezelfde dag worden verstrekt door E.K. (stuk 7, derde bladzijde en stuk 7, tweede bladzijde A.D).
Op 9 juli 2013 vraagt de (Belgische) fiscale administratie om een kopie van de aankoopfacturen van de goederen over te mD.V.en, mede te delen welke de bestemming van die goederen was en een copie van de door D.V. uitgereikte verkoopfacturen over te mD.V.en (stuk 7, eerste bladzijde A.D.).
Na telefonisch contact van de fiscale administratie (dhr. D.D.) met de genaamde E.K. (uit de e-mail van 23 juli 2013 van E.K. aan dd@minfin.fed.be blijkt dat E.K. op 23 juli 2013 schrijft "Guten Tag Herr D., vielen dank für Ihr Telefonat", hetgeen het hof begrijpt als "Goede dag Mr. D., bedankt voor uw telefoontje") liet E.K. per e-mail (23 juli 2013, 11:52) weten dat de goederen doorverkocht werden aan B.W. en K.T. zonder dat daarvoor een exact tijdstip kan bepaald worden.
Dezelfde dag nog liet de fiscale administratie (D. D.) telefonisch aan E.K. weten dat omdat D.V. intracommunautaire leveringen had verricht (vanuit België) geen teruggave kon plaatsvinden op basis van de ingediende aanvraag via VAT-Refund maar dat dit enkel met een Belgisch BTW nummer kan (uit de email van E.K. aan dd@minfin.fed.be van 23 juli , 14:51, stuk 9 A.D., blijkt dat E.K. schrijft "Guten Tag Zusammen, Telefonat mit dem Herr D. von der belgischen Finanzbehôrde heute um 14.00 Uhr: ...", hetgeen het hof begrijpt als "Goedendag samen, telefoontje met Mr. D. van de Belgische belastingadministratie om 14 u.").
In een e-mail van 25 juli 2013 aan E.K. herhaalde de Fiscale administratie (D.D.) dit (stuk 11 : e-mail D.D. aan E.K., 10:55).
Op 25 juli 2013 meldde de fiscale administratie per brief (stuk 12 A.D.) aan D.V. dat zij het teruggaveverzoek weigerde op de volgende gronden :
"1. 13103796CL 13/297 6020 H — 210103: andere (admitted reimbursement: 0,00€; verricht intracommunautaire leveringen; Belgische BTW — nummer nodig periode aanvraag is verschillend van periode van invoerdocumenten).
2. 13103797 CL 13/2986020H-210104: andere (admitted reimbursement : 0,00€ : verricht intracommunautaire leveringen; Belgische BTW — nummer nodig periode aanvraag is verschillend van periode invoerdocumenten)"
Middels verzoekschrift neergelegd op 9 september 2014 stelden appellanten een vordering in rechte in tegen deze beslissing die uitmondde in het bestreden vonnis van 28 juni 2017
waarin zowel de hoofdvordering als de tussenvordering ontvankelijk maar ongegrond werden verklaard.
In rechte
Standpunt appellanten
Appellanten argumenteren dat :
Aangaande de hoofdvordering
- de "overheidsbeslissing" van 25 juli 2013 ongeldig is wegens onvoldoende gemotiveerd, - de grondslag van de "teruggaafvordering" een intracommunautaire verwerving is (art. 25bis§1 WBTW) (in combinatie) met de vrijstelling overeenkomstig art. 40§1,1° d) WBTW. In casu betreft het onmiskenbaar intracommunautaire verwervingen van goederen (vgl. art. 25bis§1 WBTW) in Duitsland. Deze invoer van goederen in België is conform art. 40§1,1° d) WBTW vrijgesteld van BTW,
- een Belgisch BTW nummer niet wettelijk vereist is om de teruggaaf van BTW (van de Belgische overheid) te bekomen.
Aangaande de vordering tot afgifte van stukken en, in ondergeschikte orde, de vorderingen tot terugbetaling ten aanzien van de tweede en derde geïntimeerde
Appellanten vorderen :
Tevens in hoofdorde D.V. en K.T. te veroordelen tot afgifte van de bewijzen dat de goederen in kwestie voor verbruik werden aangegeven in Duitsland, en dit alles onder de verbeurte van een dwangsom van 2.000€ per dag vertraging, te rekenen vanaf de 15e dag na de betekening van het gerechtelijk bevel.
In ondergeschikte orde D.V. en K.T., indien de aanspraken van concluante jegens de Belgische Staat FOD Ministerie van Financiën ongegrond zouden worden verklaard — solidair, in solidum en minstens de ene bij gebreke aan de andere, te zien en horen veroordelen tot de betaling van de door concluante [sic] voorgeschoten bedragen van 153.376,60 €, meer de wettelijke, vergoedende en gerechtelijke interesten..."
Ter onderbouwing van deze vorderingen voeren appellanten J.F. en KGH aan dat enerzijds, deze vordering gegrond kan worden op hetgeen bepaald in artikel 1999 en 2000 oud BW gezien eerste appellante is opgetreden ais "commissionair-expediteur en dus, volgens vaste rechtspraken en rechtsleer, handelend als lasthebber" voor tweede geïntimeerde bij het doen van de kwestieuze aangiftes, en, anderzijds, dat de niet terugbetaling van de voorgeschoten BTW en toebehoren zou leiden tot een verrijking zonder oorzaken in hoofde van "D.V. (cq. K.T.) Gmbh".
Zij voeren daartoe volgend middel aan :
- indien de hoofdvordering ongegrond is blijft volgens appellanten vaststaan dat J.F. de BTW in België betaalde, dat zij deze voorgeschoten heeft, naar eigen zeggen voor rekening van D.V. én K.T., en dat zij zodoende recht heeft op de terugbetaling daarvan, minstens van D.V. "dan wel van de koper van de goederen K.T.".
Standpunt van de Belgische Staat
De Belgische Staat betwist het standpunt van appellanten en voert aan dat :
-overeenkomstig art. 50§1,1° Iid, 3' WBTW diende D.V. in België geïdentificeerd te worden ais BTW belastingplichtige ingevolge de invoer in België en de niet — vrijgestelde intracommunautaire levering van goederen,
-een teruggaveverzoek op basis van de achtste richtlijn in casu onmogelijk is nu de voorwaarden van art. 2§1 KB nr. 56, dat de achtste richtlijn in intern Belgisch recht omzette, niet vervuld zijn inzake omdat D.V. niet "geïdentificeerd" is (in België),
-er in ondergeschikte orde dient vastgesteld te worden dat noch de formele voorwaarden (bezit van een factuur) voor de uitoefening van het recht op aftrek, noch de materiële voorwaarden voor het ontstaan van het recht op aftrek vervuld zijn,
-een teruggave op grond van art. 77 WBTW niet mogelijk is,
-hij niet kan nagaan of het gevraagde BTW bedrag overeenstemt met de bedragen vermeld op de bijgebrachte onleesbare aankoopfacturen,
-hij geen overeenstemming kan maken tussen de aan- en verkoopfacturen wat betreft de aard, de hoeveelheid van de goederen en de prijs,
-de drie verkoopfacturen uitgereikt door D.V. onmogelijk betrekking kunnen hebben op goederen die werden aangekocht door D.V. en die de Antwerpse haven hebben verlaten in oktober 2012 aangezien de verkochte goederen reeds bij de klant van D.V. werden geleverd op een tijdstip dat de goederen die het voorwerp uitmaken van het teruggaveverzoek nog niet waren aangekomen in Antwerpen,
-er is geen gebrek aan motivatie wat betreft de bestreden beslissing nu in deze niet het recht op aftrek wordt geweigerd maar "gesteld wordt dat het recht op aftrek niet kan worden uitgeoefend op basis van de richtlijn 2008/9/EG",
-uit de e-mail verzonden door E.K. van K.T. gmbh aan de diensten van de fiscale administratie (stuk 9 A.D.) blijkt dat zij zeer goed op de hoogte was van de reden waarom het verzoek tot teruggaaf niet-ontvankelijk is,
-de Belgische Staat wel degelijk in het Duits communiceerde : uit stuk 9 A.D. blijkt dat appellante tijdig, op 23 juli 2013, in een door haar begrijpbare taal werd geïnformeerd omtrent de reden waarom het verzoek tot teruggaaf werd afgewezen,
- de motivering in de beslissing dd. 25 juli 2013 beknopt maar voldoende is,
-in "de brief" geschreven wordt dat er voor bijkomende informatie contact kan worden opgenomen met het "C.K.B.B.",
-indien het hof van oordeel zou zijn dat er een gebrek aan motivering zou zijn dan heeft dit niet automatisch tot gevolg dat het teruggaveverzoek ingewilligd moet worden,
-de belangen van de bestuurde niet geschaad werden,
-appellanten niet bewijzen dat de goederen vermeld op de facturen die werden uitgereikt door M.S. daadwerkelijk werden vervoerd van België naar Duitsland in het kader van een verkoop van een ais zodanig handelende BTW-belastingplichtige/indiener, daarom betreft het in casu geen vrijgestelde intracommunautaire levering in toepassing van art. 39bis WBTW,
-er geen enkel bewijs wordt geleverd dat er in Duitsland BTW zou zijn betaald in het kader van de beweerde intracommunautaire verwerving/overbrenging van de goederen door D.V., -het is onmogelijk dat er wel een intracommunautaire verwerving in Duitsland heeft plaatsgevonden maar geen intracommunautaire levering te België,
Standpunt van D.V. gmbh
D.V. gmbh, nochtans behoorlijk opgeroepen op haar laatst gekende adres waarvan geen wijziging aan het hof werd doorgegeven, Iegt geen conclusies neer, wordt niet vertegenwoordigd en verschijnt niet.
Standpunt van K.T. gmbh
K.T. gmbh, nochtans behoorlijk opgeroepen op haar laatst gekende adres waarvan geen wijziging aan het hof werd doorgegeven, legt geen conclusies neer, wordt niet vertegenwoordigd en verschijnt niet.
Beoordeling
Aangaande de vorderingen van appellanten opzichtens de Belgische Staat.
Ontvankelijkheid
De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.
Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet ontvankelijkheid voorhanden zijn is het tijdig en regelmatig naar vorm ingestelde hoger beroep ontvankelijk.
Gegrondheid
Het thans voorliggende geschil heeft ten gronde betrekking op een verzoek tot teruggaaf van BTW (op naam van D.V., uitgaande van J.F.) op 3 mei 2013 ingediend via de "applicatie" "VAT-REFUND" overeenkomstig Richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf
van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn.
Deze terugbetalingsaanvraag had betrekking op de periode 31/08/2012 tot en met 31/10/2012.
1.Uit het geheel van de aan het hof voorgelegde stukken blijkt dat de goederen in kwestie, niet-communautaire goederen (vgl. art. 23§1,1° WBTW), de haven van Antwerpen binnenkwamen op 17 oktober 2012 en verlaten hebben op 19 oktober 2012 zonder dat het bevoegde douanekantoor hiervan op de hoogte is gesteld.
Dit wordt niet betwist.
Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat er enerzijds een transactie tussen de Turkse onderneming M.S. en D.V. voorhanden is (waaruit de invoer van de goederen door D.V. in België plaatshad) en de (beweerde) transactie tussen D.V. en B.W. en K.T. anderzijds.
2.Luidens de algemene regel vervat in art. 23§3 WBTW vindt de invoer van een goed plaats in de lidstaat op het grondgebied waarvan het zich bevindt ten tijde van het binnenkomen in de gemeenschap. In deze is dat België.
3.De aan de orde zijnde invoer gebeurde niet op de wijze en onder de voorwaarden bepaald in de douaneregeling, hetgeen niet wordt betwist.
De mogelijkheid on) de ingevoerde goederen onder een douaneregeling te plaatsen zoals bepaald in art. 23§§4 en 5 WBTW of onder het regime van vrijstelling bij invoer van een goed gevolgd door een intracommunautaire levering van dat goed zoals bepaald in art. 39 van het KB nr. 7 m.b.t. de invoer van goederen voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : "KB nr. 7") vervalt onder meer in geval van invoer zonder aangifte of poging daartoe of wanneer voor het verbruik aangegeven goederen worden weggenomen voor ze door de douane werden vrijgegeven. Terecht stelt de fiscale administratie dat in dat geval dient teruggevallen te worden op o.m. de artikelen 23§3, 24§1 en 15§3 WBTW en op de artikelen 6§1 en 6§2 van KB nr. 7, hetgeen impliceert dat er in België BTW bij invoer verschuldigd is.
m.b.t. de beweerde nietigheid van de bestreden beslissing van 25 juli 2013 wegens onvoldoende gemotiveerd en wegens de gebruikte taal
m.b.t. het sub middel aangaande de vraag of een Belgisch BTW-nummer wettelijk vereist is om teruggaaf van de (Belgische) BTW te bekomen
4. Uit de bestreden beslissing dd. 25 juli 2013 blijkt dat de fiscale administratie het teruggaveverzoek weigerde op de volgende gronden :
"1. 13103796CL 13/297 6020 H — 210103: andere (admitted reimbursement: 0,00€; verricht intracommunautaire leveringen; Belgische BTW — nummer nodig + periode aanvraag is verschillend van periode van invoerdocumenten).
2. 13103797 CL 13/2986020H-210104: andere (admitted reimbursement : 0,00€ : verricht intracommunautaire leveringen; Belgische BTW — nummer nodig + periode aanvraag is verschillend van periode invoerdocumenten)"
De Achtste Richtlijn is vervangen door Richtlijn 2008/9/EG tot vaststelling van nadere voorschriften voor de in richtlijn 2006/112/EG vastgestelde teruggaaf van de belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen die niet in de lidstaat van teruggaaf maar in een andere lidstaat gevestigd zijn.
Artikel 3 van de richtlijn 2008/9/EG van de Raad van 12 februari 2008 (hierna : De Richtlijn) bepaalt dat ze van toepassing is op de "niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige" die aan de in art. 3 van de Richtlijn opgesomde voorwaarden voldoet. Art. 2 van de Richtlijn verduidelijkt dat onder "niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige" "iedere belastingplichtige in de zin van artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2006/112/EG die niet in de lidstaat van teruggaaf, maar in een andere lidstaat is gevestigd is" wordt verstaan.
Artikel 16 van de Richtlijn bepaalt "het teruggaaftijdvak.". Dit is het tijdvak. waarop het teruggaafverzoek betrekking heeft en bedraagt ten minste drie kalendermaanden en ten hoogste één kalenderjaar.
5. De Richtlijn werd omgezet in de Belgische wetgeving door KB nr. 56 van 9 december 2009 met betrekking tot de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf.
Volgens de bepalingen van art. 2 KB nr. 56 m.b.t. de teruggaaf inzake belasting over de toegevoegde waarde aan belastingplichtigen gevestigd in een andere lidstaat dan de lidstaat van teruggaaf diende D.V. in België geïdentificeerd te zijn (vgl. ook art. 50 WBTW).
6. Rekening houdend met het voormelde had D.V. geïdentificeerd moeten zijn in België.
D.V. was evenwel niet geïdentificeerd.
In toepassing van voormeld art, 2 §2 van KB nr. 56 zou D.V., volgens de Fiscale Administratie, dan eigenlijk geen verzoek tot teruggaaf zoals bedoeld in KB nr. 56 en in de Richtlijn kunnen indienen.
7
Evenwel mag een EU-lidstaat een belastingplichtige van een andere EU-lidstaat niet het recht op teruggaaf van BTW weigeren om het enkele feit dat deze belastingplichtige niet in de lidstaat van teruggaaf voor BTW geïdentificeerd is of er geïdentificeerd had moeten zijn (vgl. HvJ 11 juni 2020, zaak C 242/19, CHEP Equipment Pooling, randnummers 49-63 ).
De wijze van teruggaaf van de BTW, in de vorm van aftrek of terugbetaling, hangt af van de plaats van vestiging van de belastingplichtige (vgl. Hvj 16 juli 2009, Commissie/Italië, C-244/08, niet gepubliceerd, EU:C:2009:478, punten 25 en 35).
Artikel 170 van de BTW-richtlijn verleent, onder de daarin gestelde voorwaarden, „een belastingplichtige die in de zin van [...] artikel 2, punt 1, en artikel 3 van richtlijn [2008/9], niet gevestigd is in de lidstaat waar hij goederen en diensten aankoopt of aan BTW onderworpen goederen invoert", het recht op teruggaaf van de BTW.
In dit verband heeft een niet in de lidstaat van teruggaaf gevestigde belastingplichtige in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/9, overeenkomstig artikel 3 van deze richtlijn, recht op teruggaaf van de betaalde BTW op twee voorwaarden. Ten eerste mag de belastingplichtige volgens artikel 3, onder a), van deze richtlijn tijdens het tijdvak. van teruggaaf noch de zetel van zijn bedrijfsuitoefening, noch een vaste inrichting, noch zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats in de lidstaat van teruggaaf hebben gehad. Ten tweede mag hij volgens artikel 3, onder b), van diezelfde richtlijn tijdens hetzelfde tijdvak geen goederenleveringen of diensten hebben verricht waarvan de plaats wordt geacht in die lidstaat te zijn gelegen, met uitzondering van bepaalde in de punten i) en ii) van die bepaling genoemde handelingen (vgl. HvJ 11 juni 2020, zaak C 242/19, CHEP Equipment Pooling, randnr. 55). Deze voorwaarden zijn cumulatief (vgl. HvJ 11 juni 2020, zaak C 242/19, CHEP Equipment Pooling, randnr. 55 met verwijzing naar HvJ 6 februari 2014, E.ON Global
Commodities, C-323/12, EU:C:2014:53, punt 42, en HvJ 21 september 2017, SMS group, C-441/16, EU:C:2017:712, punt 43).
Noch artikel 170 van de btw-richtlijn, noch artikel 3 van richtlijn 2008/9, noch enige andere bepaling van deze richtlijnen stelt het recht van een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige op teruggaaf van de BTW afhankelijk van enige formele voorwaarde dat hij niet in de lidstaat van teruggaaf voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd of niet ertoe verplicht is om zich aldaar voor BTW-doeleinden te identificeren (vgl. HvJ 11 juni 2020, zaak C 242/19, CHEP Equipment Pooling, randnr. 56).
Hieruit volgt dat een lidstaat krachtens zijn nationale wetgeving een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige het recht op teruggaaf van btw niet mag weigeren op de enkele grond dat deze belastingplichtige in eerstbedoelde lidstaat voor BTW-doeleinden geïdentificeerd is of zou moeten zijn, hoewel deze belastingplichtige voldoet aan de in artikel 3 van richtlijn 2008/9 genoemde cumulatieve voorwaarden (vgl. HvJ 11 juni 2020, zaak C 242/19, CHEP Equipment Pooling, randnr. 57).
8. Appellante J.F. kon zodoende namens D.V., in tegenstelling tot hetgeen de Belgische Staat voorhoudt, een teruggaafverzoek indienen ondanks het feit dat D.V. in België niet geïdentificeerd was.
9. Op dit punt kan de bestreden beslissing dd. 25 juli 2013 niet worden bijgetreden.
De aanvraag tot teruggaaf van BTW kon zodoende door J.F. namens D.V. worden ingediend, er was/is voor die aanvraag geen Belgisch BTW nummer nodig, en is dus op ontvankelijke wijze aanhangig voor het hof.
m.b.t. het sub middel dat de bestreden beslissing onvoldoende gemotiveerd zou ziin
10. Uit de bestreden beslissing dd. 25 juli 2013 blijkt dat de fiscale administratie het teruggaveverzoek weigerde op de volgende gronden :
"1. 13103796CL 13/297 6020 H — 210103: andere (admitted reimbursement: 0,00€; verricht intracommunautaire leveringen; Belgische BTW — nummer nodig periode aanvraag is verschillend van periode van invoerdocumenten).
2. 13103797 CL 13/2986020H-210104: andere (admitted reimbursement 0,00€ : verricht intracommunautaire leveringen; Belgische BTW — nummer nodig + periode aanvraag is verschillend van periode invoerdocumenten)"
Deze motivatie is beknopt maar voldoende.
Door de motivering, weliswaar beknopt maar in wezen gedetailleerd, kon eenieder zich voldoende rekenschap geven van de redenen van weigering zodat men zich met kennis van zaken kon verdedigen en het recht van verdediging in voldoende mate gevrijwaard is gebleven.
De bestreden beslissing is zodoende niet nietig wegens gebrek aan motivatie.
Het hof wijst er op dat zelfs al zou de beslissing houdende de weigering tot teruggaaf niet afdoende gemotiveerd zijn, quod non, dit niet tegelijkertijd met zich zou meebrengen dat de BTW in kwestie niet verschuldigd zou zijn.
Met de eerste rechter is het hof bovendien van oordeel dat een gebrek aan motivering niet kan leiden tot de nietigheid van een akte indien wordt aangetoond dat de rechtsonderhorige effectief kennis had van de motieven, hetgeen het geval is (het gedegen kennis hebben van de motieven) inzake zo blijkt uit het geheel van de aan het hof voorgelegde stukken (vgl. de e-mails tussen de fiscale administratie en D.V. uitgewisseld waarbij het hof vaststelt dat de genaamde E.K. zich manifesteert als "vertegenwoordiger/woordvoerder" van D.V. : stukken 7, 8, 9, 10, 11, en 12 : telkens meerdere bladzijden).
m.b.t. het sub middel dat de bestreden beslissing niet in de iuiste taal zou zijn opgesteld
11. lnzake werd de aanvraag tot teruggave gedaan in de Nederlandse taal. Noch D.V. noch J.F. waren/zijn in België gevestigd.
Er bestond dan ook geen enkele verplichting voor de fiscale administratie om de Duitse taal te gebruiken.
Anderzijds maakt het feit dat de Nederlandstalige beslissing in vier talen (Nederlands, Frans, Duits en Engels) naar de aanvrager werd (terug)gestuurd haar niet onwettig.
M.b.t. het middel dat de vordering tot teruggaaf in toepassing van art. 77§1bis, 1° WBTW gegrond zou zijn omdat een intracommunautaire verwerving in Duitsland voorhanden zou zijn in combinatie met de vrijstelling van art. 40§1,1° d) WBTW
12. Appellanten vorderen de teruggaaf van de (door J.F. voor D.V. "voorgeschoten") BTW op grond van de bepalingen van art. 77 §1bis,1° WBTW.
De teruggaaf van de BTW op grond van art. 77 §1bis,1° WBTW is inzake niet mogelijk.
BTW kan slechts worden teruggegeven in de door de wet bepaalde gevallen (vgl. art. 75 WBTW). Deze gevallen worden opgesomd in de artikelen 76, 77 en 77bis WBTW. Het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van deze wetsbepalingen.
Art. 77§1 WBTW bepaalt :
"§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven :
1° wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is;
2° wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering is toegestaan;
Art. 77 §1bis WBTW bepaalt :
"§ 1bis. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die ter zake van de invoer werd geheven tot beloop van het passende bedrag teruggegeven :
1° in de gevallen ais bedoeld in § 1, 1 0 en 2°;
Appellanten argumenteren dat er een intracommunautaire verwerving in Duitsland zou hebben plaatsgehad, hetgeen met zich meebrengt dat er zich tegelijkertijd een intracommunautaire levering door D.V. zou hebben voorgedaan in België (naar Duitsland) waarbij in toepassing van de bepalingen van art. 40§1,1° d) WBTW een vrijstelling van belasting zou zijn. Daarom vorderen zij de, uiteindelijk op 27 februari 2013, betaalde BTW ten bedrage van €153.373,60 in totaal terug.
13. Art. 25bis WBTW definieert de intracommunautaire verwerving van goederen. Het WBTW definieert de intracommunautaire levering van goederen niet.
Appellanten argumenteren dat er inzake sprake zou zijn van een intracommunautaire verwerving in Duitsland én dat de invoer in België door D.V. vrijgesteld is van BTW in toepassing van de bepalingen van art. 40§1,1° d) WBTW.
Bij een intracommunautaire verwerving is er inzake BTW vrijstelling in de lidstaat van vertrek en belastingheffing in de lidstaat van aankomst.
De intracommunautaire verwerving en de intracommunautaire levering komen door eenzelfde juridisch feit tot stand en maken dat eenzelfde intracommunautaire handeling aanleiding geeft tot twee belastbare feiten, namelijk enerzijds de intracommunautaire levering in de lidstaat van vertrek die in principe van BTW vrijgesteld zal zijn (vgl. art. 39bis WBTW) en anderzijds de intracommunautaire verwerving in de lidstaat van aankomst die in principe tot belastingheffing aanleiding geeft.
Bij een intracommunautaire verwerving in Duitsland zullen inzake de Duitse ondernemingen K.T. en BAY WHEELS in principe Duitse BTW betalen op de door hen van D.V. aangekochte goederen in kwestie, terwijl op de levering vanuit België, door D.V. aan K.T. en BAY WHEELS, door verkoper D.V. dan 0% BTW verschuldigd zou zijn in België.
Nu appellanten argumenteren dat er sprake is van een intracommunautaire verwerving in Duitsland én van een vrijstelling van BTW in België in toepassing van art. 40§1,1° d) WBTW rust de bewijslast dienaangaande op appellanten.
Art. 40§1,1° d) WBTW preciseert o.m. dat de invoer van goederen verzonden uit een derdelandsgebied, indien de levering wordt verricht door de persoon op wiens naam de terzake van invoer verschuldigde belasting mag of moet worden voldaan uit hoofde van art. .52§1, tweede Iid, vrijgesteld is overeenkomstig de bepalingen van art. 39bis WBTW.
Appellanten dienen zodoende de intracommunautaire verwerving (het feit dat de goederen vanuit Antwerpen naar Duitsland werden verplaatst) ais, tegelijkertijd, de intracommunautaire levering (het vervoer of de verzending van de velgen en banden vanuit lidstaat België naar lidstaat Duitsland) te bewijzen.
14. Het hof onderzoekt deze vragen dan ook tesamen.
Art. 39bis WBTW, waarnaar door art. 40§1,1° d) wordt verwezen bepaalt
"Van de belasting zijn vrijgesteld:
1° de leveringen van goederen door de verkoper door de afnemer of voor hun
rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet- belastingsplichtinge rechtspersoon, die al zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen.
In de Belgische BTW wetgeving worden meerdere voorwaarden opgelegd wat betreft het bewijs dat moet worden geleverd met het oog op een correcte toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis WBTW :
-in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : KB nr. 52) is bepaald:
"De in artikel 39bis van het Wetboek bedoelde vrijstellingen zijn afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.".
-vervolgens is in artikel 2 van KB nr. 52 bepaald dat deze vrijstelling :
"bovendien afhankelijk is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een
Belastingplichtige die voor de belasting over de toegevoegde waarde
geïdentificeerd is in een andere lidstaat."
Artikel 3, Iid 1, van datzelfde KB nr. 52 bepaalt:
"De verkoper van de goederen moet ten alle tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt;
In dit verband dient benadrukt dat "het vervoer [...] moet gebeuren door de verkoper, de koper of voor hun rekening. Dit heeft voor gevolg dat een vervoer dat geschiedt door of voor rekening van een daaropvolgende klant van de koper (zoals in een geval van kettingverkoop waarbij de goederen worden vervoerd door of voor rekening van de uiteindelijke koper), geen grondslag kan vormen voor een vrijstelling van de vorige leveringen."
In artikel 5, Iid 2, van Koninklijk besluit nr. 18, van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingen ten aanzien van de uitvoer van goederen en diensten naar een plaats buiten de Gemeenschap, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna : KB nr. 18) is bepaald:
"De niet in België gevestigde koper die zelf in België goederen in bezit neemt, moet bij de inbezitneming aan zijn in België gevestigde verkoper een ontvangstbewijs afleveren.
Het aan de verkoper af te leveren ontvangstbewijs moet, benevens de datum van afgifte en de omschrijving van de goederen, het land van bestemming vermelden. Hetzelfde document moet worden afgeleverd aan de verkoper wanneer de goederen in België in bezit worden genomen door een derde persoon die handelt voor rekening van de niet in België gevestigde koper. Het bedoelde document moet in dat geval worden afgeleverd door deze persoon die erin verklaart te handelen voor rekening van zijn opdrachtgever."
In artikel 6 van KB nr. 18 is verder bepaald:
"Het bewijs van uitvoer moet door de verkoper worden geleverd [...] onafhankelijk van het stuk voorgeschreven door artikel 5, § 2". Daarnaast is in artikel 3 van KB nr. 18 bepaald: "De verkoper van de goederen moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de uitvoer blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn, onder meer, de bestelbons, de vervoerdocumenten, de betalingsstukken alsmede de aangifte ten uitvoer bedoeld in artikel 2".
In dat laatste artikel 2 van KB nr. 18 is bepaald:
"Een kopie van de verkoopfactuur of, bij ontstentenis van een verkoopfactuur, een verzendingsstuk dat alle gegevens van een verkoopfactuur bevat, moet worden afgegeven op het douanekantoor waar, overeenkomstig de douanereglementering inzake uitvoer, een aangifte ten uitvoer moet worden ingediend".
15. Voormelde bepalingen vermelden de noodzakelijke bewijskrachtige documenten ais voorbeeld en sluiten niet uit dat de verkoper de echtheid van de verzending of het vervoer aantoont aan de hand van andere documenten dan die welke daar zijn vermeid.
De in het koninklijk besluit nr. 52 bepaalde voorschriften dragen bij aan de voorkoming van belastingfraude, de bepaling van de juiste belastingheffing en de correcte en eenvoudige toepassing van de vrijstellingsgronden. Zij reiken niet verder dan voor die doelstellingen noodzakelijk is (vgl. Cassatie 20 oktober 2011, arrest F.10.0063.N).
Om voor de zoals door appellanten hier aangevoerde vrijstelling in aanmerking te komen, dient inzake, gelet op het hogervermelde, zodoende aangetoond te worden dat
1.de invoer van het goed/de goederen gevolgd wordt door een levering
2.die levering wordt verricht door de schuldenaar van de belasting bij de invoer
3.de levering van belasting moet vrijgesteld zijn bij toepassing van artikel 39bis WBTW
4.(om vrijgesteld te zijn op grond van artikel 39bis WBTW) dient aangetoond dat :
a) de goederen worden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, door de verkoper, de koper of voor hun rekening;
b) de levering wordt verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die ais zodanig optreedt in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen).
Bij niet-naleving van de voorwaarden voor vrijstelling uit hoofde van de artikelen 39 en 39bis WBTW, wordt de levering van goederen belastbaar in België.
16. De bewijslast van het recht op toepassing van een fiscale uitzonderingsmaatregel of toekenning van een belastingvrijstelling rust op degene die aanspraak. maD.V.t op een dergelijk recht (vgl. HvJ, 27 september 2007, Twoh International, C-184/05, punt 26).
De goederenleverancier dient zodoende het bewijs te leveren dat de voorwaarden voor de
vrijstelling van de intracommunautaire levering van een goed zijn vervuld
(vgl. HvJ, 27 september 2007, Twoh International, C-184/05, punt 26).
De bewijslast in deze rust volledig op appellanten. Appellanten beroepen zich op een vrijstelling en dienen het bewijs te leveren dat aan de toepassingsvoorwaarden voor deze vrijstelling voldaan is (vgl. inzake het bewijs van de toepassingsvoorwaarden van artikel 39bis, 1° WBTW Cassatie 1 maart 2011, arrest AR P.10.0521.N).
Vrijstelling wordt pas verleend wanneer de macht om ais eigenaar te beschikken over het goed/de goederen aan de afnemer is overgedragen en de leverancier heeft aangetoond dat dit goed/deze goederen naar een andere Iidstaat is/zijn verzonden of vervoerd, zodat het grondgebied van de Iidstaat van levering fysiek heeft verlaten
(vgl. HvJ, 27 september 2007, Twoh International, C-184/05, punt 23).
17. De voorwaarden voor de vrijstelling van de belasting, bedoeld in artikel 39bis WBTW en in de artikelen 1 tot 3 van het K.B. nr. 52 van 29 december 1992, moeten strikt vervuld zijn, want zij zijn bedoeld om fraude te voorkomen (vgl. artikel 138, punt I, van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006, voordien artikel 28 quater, titel A, punt a), van de Zesde Richtlijn), zodat de belastingambtenaar een zekere gestrengheid aan de dag mag leggen bij de beoordeling van de bij te brengen bewijzen.
18. Art. 39bis WBTW heeft aan de Koning uitdrukkelijk opgelegd om te bepalen welke voorwaarden en beperkingen vereist zijn voor de toepassing van de vrijstelling m.b.t. intracommunautaire leveringen. Zulks impliceert dat de Koning delegatie kreeg om bepaalde bewijsvereisten op te leggen, wat hij ook deed in art. 3 KB nr. 52 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen, op het vlak van de BTW. De belastingplichtige heeft een positieve bewijsplicht. Hij dient zelf zorg te dragen voor het bekomen van bewijsstukken. De vereisten die krachtens art. 39bis WBTW zijn uitgewerkt in KB nr. 52 zijn essentiële controlevereisten zonder dewelke de vrijstellingsregel dode letter zou worden.
19. Appellanten kunnen niet worden gevolgd daar waar ze stellen thans op afdoende wijze het bewijs te hebben geleverd van het vervoer van de goederen naar Duitsland, meer bepaald naar BAY WHEELS en naar K.T., zodat zij ten onrechte voorhouden een beroep te kunnen doen op de vrijstelling.
20. Appellanten leggen facturen voor van D.V. aan B.W. en aan K.T..
Het hof stelt vast dat al deze facturen (vgl. stuk 1 appellanten : 259 blz. aan facturen) zonder enige uitzondering dateren van ruim voor de invoer in de haven van Antwerpen op 17 oktober 2012 (de data van de facturen situeren zich tussen 30 maart 2012 en 31 juli 2012), m.a.w. van voor de aankoop bij M.S. (vgl. stuk 2 A.D.).
Er dient ook vastgesteld dat de facturen geen BTW-nummer van de afnemer vermelden.
De aankoopfacturen van M.S., die zich in het A.D. bevinden zijn onleesbaar en lijken o.m. te dateren van 30/09/2012 en 10/10/2012. Appellanten brengen geen duidelijke versie van deze facturen bij.
De facturen, in de mate ze Ieesbaar zijn, vermelden allen 'Rotterdam invoice', evenals FOB (Free on board).
Appellanten laten na van (de) overeenstemming aan te duiden tussen de aan- en verkoopfacturen wat betreft de aard, de hoeveelheid goederen en de prijs van de goederen.
Alleszins is het onmogelijk dat de goederen al aan B.W. en K.T. geleverd zijn terwijl ze nog niet in Antwerpen waren aangekomen.
Verder blijkt uit niets dat er een verkoop gebeurde aan een BTW belastingplichtige of een als zodanig handelende BTW belastingplichtige.
Er wordt overigens ook geen (afdoend) bewijs voorgelegd m.b.t. het feit dat er in Duitsland BTW zou zijn betaald (in het kader van de beweerde intracommunautaire verwerving van de goederen door D.V. en K.T.).
Nu er geen facturen van transport, geen betalingsbewijzen, geen contracten, geen bestelbons, geen fax-berichten, geen e-mails noch andere in de sector gebruikelijke handelsdocumenten worden bijgebracht die een commerciële transactie aantonen waaruit klaar en duidelijk blijkt dat het precies de van M.S. aangekochte velgen en banden betreft die zich in Azië bevonden en in Jakarta en in Laem Chabang eind september of begin oktober 2012 FREE on BOARD (FOB) verscheept werden naar Antwerpen, en die vervolgens met een Iichter -zoals beweerd door appellanten- op 19 oktober 2012 naar Duitsland (naar een niet door appellanten gepreciseerde haven) zouden zijn vervoerd omdat ze verkocht zouden zijn aan de Duitse ondernemingen K.T. en BAY WHEELS en de bijgebrachte vrachtbrieven grotendeels van november 2012 dateren en een aantal van 26 oktober 2012 en ook niet in verband kunnen worden gebracht met de goederen in kwestie, is voor het hof een intracommunautaire verwerving in Duitsland niet bewezen.
Het hof stelt dan ook vast dat een fysieke verplaatsing van de goederen van België (Antwerpen) naar Duitsland in kwestie niet afdoende wordt aangetoond door appellanten.
Tegelijkertijd stelt het hof vast dat een intracommunautaire levering (het vervoer of de verzending van de velgen en banden vanuit lidstaat België naar lidstaat Duitsland) niet wordt bewezen.
21. De opsomming in art. 3 KB nr. 52 van 29 december 1992 van de noodzakelijke bewijskrachtige documenten waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen biijkt, dient slechts als voorbeeld zodat andere documenten niet uitgesloten zijn voor zover ze te allen tijde in het bezit van de verkoper zijn en aan de bevoegde ambtenaar kunnen worden getoond (vgl. Cassatie 4 november 2005, zaak. C 040 367F). De stukken moeten in het bezit van zijn van de betrokkene (die de vrijstelling wil toegepast zien) op het tijdstip dat bij hem een controle wordt uitgevoerd door ambtenaren van de BTW administratie (vgl. Cassatie 4 november 2005, zaak C 040 367F).
Dit is duidelijk niet het geval inzake, en bovendien stelt het hof vast dat zelfs aan de hand van alle thans (in de loop van de procedure) neergelegde stukken nog steeds geen afdoende bewijs wordt geleverd.
22. In de mate er al leesbare facturen worden neergelegd uitgaande van M.S. en van D.V. die betrekking hebben op de in de haven van Antwerpen ingevoerde goederen en die overeenstemmend zijn, quod non, dient erop gewezen dat het feit dat goederen gefactureerd werden aan een bedrijf in een andere lidstaat op zich niet bewijst dat de gefactureerde goederen effectief werden verzonden of vervoerd naar een andere Iidstaat (vgl. Antwerpen 17 september 2013, AR n° 2012/AR/1128).
23. De beoordeling van de door de belastingplichtige aangebrachte bewijsstukken is en blijft een feitenkwestie waarbij de rechter het geheel van bijgebrachte bewijsstukken beoordeelt.
Zoals hiervoor uiteengezet, is het hof van oordeel dat inzake het geheel van bijgebrachte stukken in deze zaak niet (afdoende) bewijst dat m.b.t. de aan de orde zijnde handeling/handelingen in feite aan de voorwaarden voor vrijstelling van BTW is voldaan.
24. Een leverancier die de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen toepast moet hierbij de nodige omzichtigheid aan de dag leggen, ten einde te voorkomen dat hij niet betrokken raD.V.t bij belastingfraude. Een deel van het ter goeder trouw blijven is het garanderen dat het van BTW vrijgestelde verkochte of overgebrachte goed effectief België verlaat en terechtkomt in een andere Iidstaat.
Minstens door slordig om te gaan met het verzamelen van diverse gegevens die zouden kunnen leiden tot een bewijs door vermoedens, is appellante J.F. blijkbaar niet in de mogelijkheid het vereiste bewijs te leveren.
25. Het bewijs van de materiële voorwaarden om te genieten van de vrijstelling is inzake zoals reeds uiteengezet niet geleverd.
Dit maakt het onderzoek naar het feit of appellante J.F. de formele voorwaarden om te kunnen genieten van de vrijstelling had nageleefd, zodoende zonder voorwerp.
26. Er dient bijgevolg inzake teruggevallen te worden op o.m. de artikelen 23§3, 24§1 en 15§3 WBTW en op de artikelen 6§1 en 6§2 van KB nr. 7, hetgeen tot gevolg heeft dat er inzake (Belgische) BTW bij invoer verschuldigd is door D.V., opeisbaar op het tijdstip waarop de invoer van het goed in België geschiedt en dat geen teruggaaf van BTW in toepassing van art.
77§1bis, 1° mogelijk is inzake.
Aangaande de vorderingen van appellanten opzichtens tweede en derde geïntimeerde
Appellanten vorderen, zoals hoger uiteen gezet, dat D.V. gmbh en K.T. gmbh worden veroordeeld tot afgifte van de bewijzen dat de goederen in kwestie voor verbruik werden aangegeven in Duitsland onder verbeurte van een dwangsom van €2.000 per dag.
In ondergeschikte orde vorderen zij, indien de aanspraken van J.F. jegens de Belgische Staat ongegrond zouden worden verklaard, D.V. en K.T. solidair, in solidum en minstens de ene bij gebreke aan de andere te veroordelen tot betaling van de som van €153.376,60 meer interesten.
M.b.t. de vorderingen tot afgifte van stukken opzichtens tweede en derde geïntimeerde
Gezien het voorgaande en de bevinding van het hof dat, hoe dan ook, de vordering tot teruggaaf ongegrond blijkt gezien het gegeven dat terecht in België BTW is geïnd (waarvan onterecht de teruggaaf is gevorderd), kan de inwilliging van deze vordering niet verder leiden tot omkering van deze bevinding, en is de inwilliging ervan dus niet noodzakelijk tot onderzoek van de hoofdvorderingen van appellanten teneinde verder recht te doen. Deze vorderingen zijn ontvankelijk, doch ongegrond.
Aangaande de vordering tot terugbetaling van de door eerste appellante voorgeschoten bedragen inzake BTW en toebehoren ten bedrage van, in hoofdsom, € 153.376,60 aan BTW opzichtens tweede en derde geïntimeerde
Zoals hoger aangehaald berust deze vordering van appellanten volgens de door hen aangevoerde rechtsgronden op
het bepaalde in artikel 1999 en 2000 oud BW gezien appellante J.F. is opgetreden "ais commissionair-expediteur en dus, volgens vaste rechtspraak en rechtsleer, handelend ais Iasthebber voor rekening van tweede geïntimeerde";
de verrijking zonder oorzaak van "D.V. (cq. K.T.)" door de afwezigheid, volgens appellanten, van het dragen door dezen van BTW verschuldigd in België.
27. Ten aanzien van D.V. argumenteren appellanten dat er een rechtsverhouding voorhanden zou zijn van lastgeving, zodat appellante J.F. voor wat betreft de voorgeschoten bedragen een vergoeding dient te bekomen op grond van de artikelen 1999 en 2000 oud BW.
28. De vordering wat betreft de veroordeling tot terugbetaling van de "voorgeschoten" BTW van appellante J.F. ten aanzien van D.V. zoals in ondergeschikte orde gesteld is bijgevolg gegrond. D.V. dient de voorgeschoten BTW ten bedrage van €153.376,60 te betalen aan eerste appellante J.F., meer wettelijke, vergoedende en gerechtelijke interesten.
Het is aangetoond, en wordt niet weerlegd door tweede en derde geïntimeerde, dat eerste appellante J.F. in het doen van de aangifte inzake invoer voor alle ingevoerde goederen, gehandeld heeft als Iasthebber van tweede geïntimeerde.
Het is gelet op het hoger staande eveneens aangetoond dat de verschuldigdheid van de BTW door tweede geïntimeerde, een eigen wettelijke oorzaak heeft, te weten de invoer door deze in België van de ingevoerde goederen, en dit, eveneens gelet op het hoger staande, zonder aangetoond recht op toepassing van enige BTW-vrijstelling.
De oorzaak van de verschuldigdheid van deze BTW vindt derhalve haar oorsprong in de wet (de hoger bedoelde BTW-wetgeving) en is geen "schade" zoals onder meer bedoeld in artikel 1991 oud BW. Voor zoveel ais nodig merkt het hof op dat tweede en derde geïntimeerde daarvan ook het tegendeel niet aantonen.
Op grond van hetgeen bepaald in artikel 1999 tot en met 2001 oud BW vorderen appellanten dan ook terecht dat de door J.F. "voorgeschoten" BTW en toebehoren door tweede geïntimeerde zou worden terugbetaald.
Wat de vordering van appellanten betreft ten opzichte van derde geïntimeerde, blijkt deze ontvankelijk, doch niet gegrond. Er is geen lastgeving bewezen tussen derde geïntimeerde en appellanten, en gezien de verschuldigdheid van de BTW en toebehoren door tweede geïntimeerde, is van enige verdere verrijking zonder oorzaak in hoofde van derde geïntimeerde ook geen sprake.
De vordering opzichtens K.T. kan niet worden gesteund op de regels van de lastgeving vermits er tussen K.T. en appellanten nooit een contractuele band is tot stand gekomen.
Evenmin wordt aangetoond dat K.T. een buitencontractuele fout zou hebben begaan.
Evenmin is, gezien het voornoemde, nog van een verrijking zonder oorzaak sprake in hoofde van tweede geïntimeerde.
Aangezien tweede appellante de gevorderde BTW en toebehoren verder niet meer draagt, is in hoofde van deze partij enige vordering tot terugbetaling van BTW en toebehoren niet gegrond.
De kosten
Het hoger beroep van appellanten wat betreft de vordering tegen de Belgische Staat is ongegrond, daarom worden de kosten van het hoger beroep, wat de Belgische Staat betreft, in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 1017 en 1018 Ger. W. ten laste gelegd van appellanten.
Het hoger beroep van J.F. wat betreft de vordering tot terugbetaling van BTW en toebehoren tegen D.V. is gegrond, daarom worden de kosten m.b.t. die vordering, wat J.F. betreft, zowel m.b.t. de procedure in eerste aanleg ais m.b.t. de procedure in hoger beroep, in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 1017 en 1018 Ger. W. ten laste gelegd van D.V.. Zij worden niet verder beperkt aangezien beide appellanten door één advocaat worden vertegenwoordigd.
Wat betreft de vordering tot terugbetaling van BTW en toebehoren t.a.v. K.T. is het hoger beroep ongegrond, zodat de kosten van het hoger beroep, wat K.T. betreft, in overeenstemming met de bepalingen van de artikelen 1017 en 1018 Ger. W. ten laste worden gelegd van appellanten.
Rechtsplegingsvergoeding
Betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde; ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr.2010/183, p.720).
Nu de Belgische staat niet door een advocaat werd vertegenwoordigd heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding zodat deze niet dient te worden begroot.
Wat de vordering tegen D.V. betreft wordt, wat betreft appellanten samen, de rechtsplegingsvergoeding begroot op €6.000 voor de procedure in eerste aanleg en op €7.500 voor de procedure in hoger beroep.
Aangaande de vorderingen t.a.v. K.T. wordt, wat betreft K.T., de rechtsplegingsvergoeding begroot op €0 voor de procedure in hoger beroep aangezien K.T. niet werd vertegenwoordigd door een advocaat en voor de procedure in eerste aanleg op €3.000 (vgl. art. 1022, 5° lid) nu K.T. samen met D.V. door één en dezelfde advocaat werd vertegenwoordigd voor de eerste rechter.
Rolrecht
Het rolrecht is vrijgesteld inzake (vgl. artikel 269 '2', §1, tweede lid , artikel 162, 4° en artikel 2791 Wb.Reg.).
Bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19 maart 2017 (inwerkingtreding 1 mei 2017) BS, 31 maart 2017, blz. 46565
De bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand, door appellanten betaald om het verzoekschrift hoger beroep te mogen neerleggen, bedraagt €40 en laat het hof ten laste van appellanten.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Verklaart het hoger beroep van appellanten ontvankelijk en deels gegrond,
Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het besliste over de ontvankelijkheid van de vorderingen en in zoverre het besliste over de hoofdvordering tussen appellanten en de Belgische Staat,
Doet het voor het overige, meer bepaald m.b.t. de vorderingen van appellanten ten opzichte van 2de en 3de geïntimeerde teniet, en opnieuw rechtdoende,
Veroordeelt D.V. gmbh tot betaling van het bedrag van €153.376,60 meer de wettelijke, vergoedende en gerechtelijke interesten aan appellante J.F. gmbh,
Verklaart de overige vorderingen van appellanten opzichtens 2de en 3de geïntimeerde ongegrond,
Veroordeelt appellanten tot de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep van de BELGISCHE STAAT en van K.T. gmbh, vereffend in hoofde van de BELGISCHE STAAT op €0 rechtsplegingsvergoeding voor beide aanleggen en in hoofde van K.T. gmbh op €0 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep en op €3.000 voor de procedure in eerste aanleg,
Veroordeelt D.V. gmbh tot het betalen van de kosten van de procedure van beide aanleggen m.b.t. de vordering van J.F. gmbh opzichtens D.V. gmbh, in hoofde van appellante J.F. gmbh vereffend op €6.000 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg en op €7.500 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep.
Dit arrest werd gewezen door de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel, samengesteld
uit
C.V., voorzitter
M.L., raadsheer
A.B., raadsheer
die alle zittingen hebben bijgewoond en die over de zaak hebben beraadslaagd.
Het werd uitgesproken op 5 MAART 2025 door
C.V., voorzitter, bijgestaan door
J.V., griffier
Note du SPF Finances
Référence WF
Finaliti 54453174/01
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.