Ventes à distance, Droit à restitution, Prescription · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 24 novembre 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Ventes à distance, Droit à restitution, Prescription

https://juriel.be/fr/jurisprudence/ventes-distance-droit-restitution-prescription-tribunal-gand-2021-11-24-e57e

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
24 novembre 2021

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

113 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 24.11.2021

WF 710-15-20/017091

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Ventes à distance – Droit à restitution – Prescription - Principes de neutralité et d'effectivité – Violation du droit de propriété

Dispositions légales

Articles 15 §2, 75, 76, 77 et 82bis CTVA

Résumé

1- Les faits et les antécédents de procédure

L'assujettie à la TVA a réalisé des ventes à des particuliers via une plateforme en ligne. Une partie de sa clientèle était constituée de particuliers néerlandais et elle a facturé à plusieurs reprises la TVA belge sur ces ventes à distance destinées à des particuliers néerlandais. Cette TVA a été payée via les déclarations-TVA belges. Toutefois, l'assujettie était obligée de facturer la TVA néerlandaise sur ces ventes si le seuil légal (article 15, §2, du code de la TVA) était dépassé.

Fin 2018, cette erreur a été constatée et l’assujettie a spontanément régularisé la TVA néerlandaise pour les années 2013 à 2018 (délai de prescription de cinq ans aux Pays-Bas). Dans le même temps, une demande de restitution de la TVA a été exercée en Belgique pour les années 2015 à 2018 en incluant le montant dans la grille 62 de la déclaration-TVA de novembre 2018.

Le délai pour exercer la demande en restitution de la TVA belge pour les années 2013 et 2014 étant déjà prescrit (prescription triennale), une demande à l’amiable en restitution a été déposée auprès de l'État belge pour ces deux années dans une lettre datée du 28 décembre 2018.

L'État belge a rejeté cette demande par une décision prise le 16 avril 2019.

L’assujettie a déposé une requête contre cette décision.

2- Le jugement du tribunal de première instance

* En ce qui concerne la restitution de la TVA

La TVA ne peut être remboursée que dans les cas prévus par le code de la TVA (article 75 du code de la TVA). Les articles 76 à 77 bis du code de la TVA énumèrent ces cas.

Elles concernent en effet la TVA payée en trop. La restitution ne peut pas être valablement obtenue si les conditions prévues par la loi et l'arrêté royal ne sont pas réunies. Les formalités à accomplir sont prescrites sous peine de déchéance.

L’assujettie a correctement corrigé son erreur concernant les années courant de 2015 à 2018 en mentionnant le montant de la TVA belge dans la case 62 de la déclaration-TVA de novembre 2018. En revanche, la TVA belge payée pour les années 2013 et 2014 n'a pas été reprise dans cette déclaration-TVA.

La TVA est restituée si la TVA payée dépasse la TVA légalement due (article 77, §1, 1° du Code de la TVA). C'est le cas si, par erreur, la TVA belge a été facturée ou payée alors que c’est la TVA néerlandaise qui aurait dû être facturée en raison du dépassement du seuil, tel que prévu à l'article 15, §2, du Code de la TVA.

En matière de prescription, le droit fiscal diffère du droit commun.

Vu cette disposition dérogatoire, les principes du droit commun relatif au paiement indu ne peuvent pas être appliqués en matière de restitution de la taxe indûment payée. Compte tenu des dispositions explicites de l'article 82bis du Code de la TVA, l’assujettie aurait dû introduire sa demande en restitution pour l’année 2013 au plus tard le 31 décembre 2016 et pour l’année 2014 au plus tard le 31 décembre 2017. En l'espèce, la demande en restitution n’a été introduite que le 28 décembre 2018, de sorte que cette demande est prescrite sur la base de l'article 82bis du Code de la TVA.

* En ce qui concerne l’action en restitution au regard des principes du droit européen en matière de TVA

Les principes de neutralité et d'effectivité ne s'opposent en aucun cas à l'imposition d'un délai de prescription du droit à restitution. Il est compatible avec le droit communautaire de fixer des délais de prescription raisonnables dans l'intérêt de la sécurité juridique, qui protègent à la fois les assujettis et l’administration fiscale. Ces délais ne rendent pas impossible ou excessivement difficile en pratique l'exercice des droits conférés par le droit communautaire. Un délai national de trois ans à compter de la date du jour du paiement contesté semble raisonnable à cet égard (voir CJUE, 11 juillet 2002, C-62/00, Marks & Spencer, point 35, www.curia.europa.eu).

C'est suite à la propre erreur de l’assujettie, qui n'a d'ailleurs pas introduit de demande en restitution à temps, que cette TVA belge ne peut plus être récupérée. Entre-temps, la TVA néerlandaise a été spontanément régularisée.

Dans ces circonstances, le tribunal juge que l'État belge n'a pas violé le principe du droit au respect de la propriété.

Le tribunal estime que la demande du contribuable est recevable mais non fondée.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 6° burgerlijke kamer

Vonnis van 24 november 2021

Rol: 20/810/A

IN DE ZAAK VAN:

1. A.C.M. NV, met ondernemingsnummer 045...39, met maatschappelijke zetel te ...,

2. A.C.I. BV, met ondernemingsnummer 082...21, met maatschappelijke zetel te ...,

3. Eenheid NCT, met ondernemingsnummer 083...23, met maatschappelijke zetel te ...,

eisende partii, allen vertegenwoordigd door meesters ..., advocaten te ... voor en namens ..., met zetel en kantoor gevestigd te ...;

tegen:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert Il-laan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit: KMO GENT - EXPERTISE 2, met kantoren te 9050 Gent, Gaston Crommenlaan 6 bus 304, verwerende partii, voor wie verschijnt de heer X, attaché bij een fiscaal bestuur;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1. RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 27 oktober2021 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS EN VOORGAANDEN

A.C.M. nv met maatschappelijke zetel te ... is sedert 1 maart 1995 als btw-belastingplichtige gekend onder het nummer BE 045...39.

Via een online platform verkoopt zij consumentenartikelen aan particulieren. Een deel van het klantenbestand bestaat uit Nederlandse particulieren. A.C.M. nv rekende op deze verkopen op afstand aan de Nederlandse particulieren telkenmale de Belgische btw aan dewelke zij afgedragen heeft aan de Belgische Staat via periode btw­ aangiften (ingediend voor rekening van de btw-eenheid NCT). Nochtans was A.C.M. nv ertoe gehouden om op deze verkopen, bij overschrijding van het wettelijke drempelbedrag (artikel 15 §2 WBTW), Nederlandse btw aan te rekenen en af te dragen (en geen Belgische btw).

Eind 2018 merkte A.C.M. nv haar vergissing op en regulariseerde zij spontaan de Nederlandse btw voor de jaren 2013 tot en met 2018 (vijfjarige verjaringstermijn).

Tegelijkertijd werd in België voor de jaren 2015 tot en met 2018 een vordering tot teruggaaf uitgeoefend door opname van het bedrag in rooster 62 van de btw-aangifte van november 2018 (ingediend voor rekening van de btw-eenheid NCT).

Omdat de vordering tot teruggaaf van de Belgische btw voor de jaren 2013 en 2014 reeds verjaard was (driejarige verjaringstermijn) richtte de advocaat van A.C.M. nv per brief van 28 december 2018 aan de Belgische Staat voor de beide jaren een minnelijke aanvraag tot teruggaaf voor een totaal bedrag van 1.223.171,48 EUR. De advocaat motiveerde dat de Belgische verjaringsregeling in strijd is met de gemeenschapsrechtelijke btw-neutraliteit en dat deze schending de continuïteit van zijn cliënte ernstig in het gedrang brengt.

Bij beslissing van 16 april 2019 wees de Belgische Staat dit verzoek af. De btw-eenheid NCT werd stopgezet sinds 1 januari 2020.

Bij verzoekschrift, neergelegd op 19 maart 2020, maakten A.C.M. nv, A.C.I. bv en de btw-eenheid NCT de zaak aanhangig bij deze rechtbank.

3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN

3.1.

Eisers vorderen in laatste conclusie:

"(1) De vordering van verzoekers ontvankelijk en gegrond te verklaren;

(2) De veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van het bedrag van aan Concluanten, van al de geldsommen die onverschuldigd werden betaald door Concluanten aan de Belgische Staat in de jaren 2013-2014, namelijk een totaalbedrag van 1.223.171,50 EUR, vermeerderd met de moratoriuminteresten conform:

a. In hoofdorde, namelijk in het geval de terugbetaling gebeurt op grond van de onverschuldigde betaling in artikel 1235 BW: de moratoriuminteresten van artikel 1153 BW vanaf het verzoek tot teruggaaf dd. 28 december 2021;

b. In ondergeschikte orde, namelijk in het geval de terugbetaling gebeurt op grond van de BTW-wetgeving: de wettelijke interest in fiscale zaken van 7% overeenkomst artikel 91, §4 WBTW vanaf het verzoek tot teruggaaf dd. 28 december 2020.

(3) De veroordeling van de Belgische Staat tot de betaling van de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen met toepassing van het Koninklijk Besluit dd. 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding zoals bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek begroot op 19.800,00 EUR overeenkomstig de geïndexeerde bedragen sinds 1 juni 2021,,

3.2.

Verweerder vordert in laatste conclusie:

"De vordering van verzoeker ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; Verzoeker in al haar eisen af te wijzen;

Verzoeker te veroordelen tot alle kosten van het geding.,,

4. BEOORDELING

4.1. Omtrent de ontvankelijkheid van de vordering van derde eiser

Verweerder voert zelf geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden.

Ingevolge het vereiste ambtshalve onderzoek naar de ontvankelijkheid dient de rechtbank vast te stellen dat derde eiser werd stopgezet sinds 1 januari 2020 (cf. p. 1 van de laatste conclusie van eisers). Derde eiser bestond dus niet meer op het ogenblik van de neerlegging van het verzoekschrift op 19 maart 2020.

Artikel 7, §2 KB/BTW nr. 55b bepaalt dat vanaf het tijdstip van de stopzetting van de werkzaamheid van de btw-eenheid, de leden in de plaats treden van de btw-eenheid, voor hun rechten en verplichtingen vermeld in het Wetboek en de besluiten genomen ter uitvoering.

Aldus is de vordering van derde eiser onontvankelijk. De vordering van eerste en tweede eisers (hierna "eisers”) is ontvankelijk.

4.2. Omtrent de vordering tot teruggaaf op grond van de leer van de onverschuldigde betaling

4.2.1.

De Belgische Staat beroept zich op artikel 82bis WBTW.

Eisers stellen dat artikel 82bis WBTW geen toepassing kan vinden op de vordering tot teruggaaf, aangezien deze situatie niet geregeld zou worden door het WBTW. Zij steunen hun vordering op de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling (artikel 1235 van het Oud Burgerlijk Wetboek) en menen dat er bijgevolg een verjaringstermijn geldt van 10 jaar vanaf de betaling overeenkomstig artikel 2262bis van het Oud Burgerlijk Wetboek.

4.2.2.

Overeenkomstig artikel 82bis WBTW verjaart de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

De btw kan slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin het WBTW voorziet (artikel 75 WBTW). De artikelen 76 tot en met 77bis WBTW sommen die gevallen op.

De btw wordt onder meer teruggegeven indien de betaalde btw de wettelijk verschuldigde btw overtreft (artikel 77, §1, 1° WBTW). Dit is onder meer het geval indien er per vergissing Belgische btw werd aangerekend/afgedragen terwijl Nederlandse btw diende aangerekend/afgedragen te worden ingevolge overschrijding van het grensbedrag zoals bepaald in artikel 15 §2 WBTW.

A.C.M. nv heeft deze vergissing wat betreft de jaren 2015 tot en met 2018 rechtgezet via opname van het bedrag van de Belgische btw in rooster 62 van de btw­ aangifte van november 2018, ingediend voor rekening van de btw-eenheid. De Belgische btw afgedragen voor de jaren 2013 en 2014 daarentegen werd niet opgenomen in die btw-aangifte.

Het gaat hier wel degelijk om teveel betaalde btw. De teruggaaf kan niet geldig worden verkregen indien de voorwaarden bepaald in de wet en het KB niet werden uitgeoefend. De te vervullen formaliteiten zijn voorgeschreven op straffe van verval.

Inzake verjaring wijkt het fiscaal recht af van het gemeen recht.

Het WBTW bevat een autonome van het gemeen recht afwijkende regeling wat betreft de terugvordering van een onverschuldigde betaling (artikel 75, 77, §1, 1° en 82bis WBTW). Gelet op deze afwijkende regeling kan geen toepassing worden gemaakt van de gemeenrechtelijke principes van de onverschuldigde betaling op de terugvordering van de onverschuldigd betaalde belasting.

Gelet op de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 82bis WBTW had de btw-eenheid haar vordering tot teruggaaf met betrekking tot 2013 ten laatste op 31 december 2016 moeten indienen en deze voor het jaar 2014 ten laatste op 31 december 2017. In voorliggend geval werd de vordering tot teruggaaf pas ingediend op 28 december 2018 waardoor deze vordering op grond van artikel 82bis WBTW verjaard is.

Uit het dossier blijken geen nuttige data van stuiting of schorsing.

De Belgische Staat stelt terecht dat de vordering tot teruggave verjaard is.

4.2.3.

Dit middel van eisers faalt.

4.3. Omtrent de vordering tot teruggaaf op grond van de Europeesrechtelijke beginselen inzake de btw

4.3.1.

Ondergeschikt roepen eisers in dat de weigering tot teruggaaf enkele Europeesrechtelijke beginselen schendt, met name het neutraliteitsbeginsel, het doeltreffendheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel, en het niet-discriminatiebeginsel.

4.3.2.

In voorliggend geval oordeelt de rechtbank dat deze beginselen niet geschonden zijn.

Geen enkele richtlijnbepaling bevat regels met betrekking tot de verjaring inzake de btw (vgl. Grondwettelijk Hof 19 januari 2017, arrest nr. 5/2017, overweging B.9.1.).

Het recht van de EU verzet zich er dan ook niet tegen dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke vervaltermijnen voor de teruggave van belastingen worden vastgesteld, mits eerbiediging van de door de Unie gewaarborgde grondrechten en algemene rechtsbeginselen.

Het neutraliteitsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel verzetten zich geenszins tegen de onderwerping van het recht op teruggaaf aan een verjaringstermijn. Het is met het gemeenschapsrecht verenigbaar dat in het belang van de rechtszekerheid waarin zowel de belastingplichtige als de belastingadministratie bescherming vindt, redelijke vervaltermijnen worden vastgesteld. Dergelijke termijnen maken immers de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk. Een nationale vervaltermijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag van de betwiste betaling, lijkt in dit opzicht redelijk (vgl. Hof van Justitie 11 juli 2002, C- 62/00, Marks & Spencer, overweging nr.35, www.curia.europa.eu).

Het doeltreffendheidsbeginsel verzet zich niet tegen een weigering van een verzoek tot teruggaaf dat werd ingediend na het verstrijken van de verjaringstermijn, ook al was de btw oorspronkelijk niet verschuldigd (vgl. Hof van Justitie 20 december 2017, Caterpillar Financia/ Services, C-500/16; Hof van Justitie 14 oktober 2020, SC Valoris SRL/Directia Generala, C-677/19, www.curia.europa.eu).

In de zaak C-677/19 oordeelde het Hof van Justitie weliswaar dat het gelijkwaardigheidsbeginsel, in samenhang gelezen met het beginsel van loyale samenwerking, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die voor het indienen van verzoeken tot teruggaaf van heffingen die onverenigbaar met het Unierecht zijn geacht een vervaltermijn van ongeveer een jaar vaststelt, wanneer deze lidstaat geen overeenkomstige termijn heeft vastgesteld voor soortgelijke verzoeken tot teruggaaf die zijn gebaseerd op een schending van het nationale recht.

Deze rechtspraak biedt evenwel geen steun voor het standpunt van eisers. Zoals eisers zelf meermaals in hun conclusie aangeven voorziet de Belgische wetgeving in de huidige stand geen uniforme verjaringstermijnen voor de vorderingen tot terugbetaling van de belastingen; dit in tegenstelling tot de Roemeense wetgeving die ter beoordeling voorlag in de zaak C-677/19 en die voorziet in een algemeen geldende termijn van vijf jaar voor de terugvordering van Roemeense belastingen, terwijl specifiek voor milieuheffing voor motorvoertuigen in een vervaltermijn van één jaar was voorzien.

Eisers menen dat de bedrijfsvoorheffing sterke gelijkenissen vertoont met de btw. Nochtans verschilt de wetgeving inzake de inkomstenbelastingen (waaronder de bedrijfsvoorheffing valt) grondig van de btw-wetgeving. De voornaamste kenmerken van de beide belastingstelsels zijn fundamenteel verschillend. Dit verschil is te verklaren vanuit het feit dat de beide belastingstelsels op het vlak van materieel recht wederzijds volledig onafhankelijk zijn. Bovendien is de Belgische btw-reglementering gebaseerd op de btw-richtlijn en dient deze daarmee steeds in overeenstemming te zijn. Een schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel is in voorliggend geval niet aan de orde. Ook een schending van het niet-discriminatiebeginsel is niet aangetoond.

4.3.3.

Ook dit middel van eisers faalt.

4.3. Omtrent de vordering tot teruggaaf op grond van het recht op eigendom 4.4.1.

Meest ondergeschikt voeren eisers aan dat hun recht op eigendom geschonden is. Zij menen dat de btw-kost gelijk is aan 700% van de behaalde marge, wat volgens hen een individuele en excessieve last is die onverenigbaar is met het recht op eigendom.

4.4.2.

Het recht op eigendom vindt zijn grondslag in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol op het EVRM en werkt door in fiscale zaken.

Het toepassen van een verjaringstermijn inzake de vordering tot teruggaaf van btw betreft een louter gebonden bevoegdheid waarin de Belgische Staat geen enkele beoordelingsbevoegdheid heeft. De wet en de in uitvoering ervan genomen besluiten laten ter zake geen interpretatie toe. Overigens verliepen de handelingen inzake btw in 2013 en 2014 in hoofde van Art&Craft Media nv destijds volkomen neutraal in die zin dat Art&Craft Media nv de door haar (per vergissing) aangerekende btw ontving van haar klanten en liet toekomen aan de Belgische Staat (voor rekening van de btw­ eenheid). Het is ingevolge de eigen vergissing van de btw-belastingplichtige, die bovendien naliet tijdig een verzoek tot teruggaaf in te dienen, dat deze Belgische btw thans niet meer gerecupereerd kan worden. De Nederlandse btw werd inmiddels spontaan geregulariseerd. In die omstandigheden kan van een schending van het eigendomsrecht door de Belgische Staat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn.

5. DE GERECHTSKOSTEN

Eisers worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen.

Eisers moeten conform artikel 1017 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek, naast hun eigen kosten, de gedingkosten van verweerder dragen. Vermits de Belgische Staat niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, heeft deze geen recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien ook geen andere gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK, RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend; Verklaart de vordering van derde eiser onontvankelijk;

Verklaart de vordering van eerste en tweede eisers ontvankelijk maar ongegrond; Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op woensdag vierentwintig november tweeduizend éénentwintig, waar aanwezig waren: ...

Ondertekeningen

Textes cités

9
CTVA art. 82bis8 occurrences
CTVA art. 156 occurrences
CTVA art. 753 occurrences
CTVA art. 773 occurrences
CTVA art. 762 occurrences
CTVA art. 77bis2 occurrences
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8