Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d’appel de Gand du 02.05.2023
WF 710-15-20/017091
[ Arrêt favorable ]
Taxe sur la valeur ajoutée – Vente à distance – Droit de restitution – Prescription – Principes de neutralité et d'effectivité – Atteinte au droit de propriété
Dispositions légales
Articles 15, §2, 75, 76, 77 et 82bis CTVA
Résumé de jugement / de l’arrêt
1. Faits et antécédents de procédure
L'assujetti à la TVA a effectué des ventes à des particuliers par l'intermédiaire d'une plateforme en ligne. Une partie de la clientèle était composée de particuliers néerlandais et la TVA belge était facturée à chaque fois sur ces ventes. Cette TVA a été payée au moyen de déclarations de TVA belges. Toutefois, le contribuable était obligé de facturer la TVA néerlandaise sur ces ventes lorsque le montant du seuil légal (article 15 §2 du Code de la TVA) était dépassé.
Fin 2018, cette erreur a été constatée et le contribuable a spontanément régularisé la TVA néerlandaise pour les années 2013 à 2018 (prescription quinquennale aux Pays-Bas).
Parallèlement, une demande de remboursement a été exercée en Belgique pour les années 2015 à 2018 en inscrivant le montant dans la case 62 de la déclaration de TVA de novembre 2018.
La demande de remboursement de la TVA belge pour les années 2013 et 2014 étant déjà prescrite (délai de prescription de trois ans), une demande de remboursement amiable a été introduite auprès de l'État belge pour les deux années par lettre du 28 décembre 2018.
Par décision du 16 avril 2019, l'État belge a rejeté cette demande. Le contribuable a introduit une requête en première instance contre cette décision. Le tribunal a jugé que la demande du contribuable était recevable mais non fondée.
2. Arrêt
- Sur la base juridique fondée sur le droit civil (article 1235 de l'ancien code civil)
La TVA est remboursée, notamment, si la TVA payée dépasse la TVA légalement due (article 77, §1, 1° du Code de la TVA). C'est notamment le cas lorsque la TVA belge a été facturée/payée par erreur alors que la TVA néerlandaise aurait dû être facturée en raison du dépassement du seuil prévu à l'article 15, §2, du Code de la TVA.
En ce qui concerne la prescription, le droit fiscal diffère du droit commun.
Compte tenu de cette différence, les principes de droit commun du paiement indu ne peuvent pas être appliqués à la restitution d’une taxe indue. Compte tenu des dispositions expresses de l'article 82bis du Code de la TVA, l’assujetti aurait dû introduire sa demande de remboursement au titre de l'année 2013 au plus tard le 31 décembre 2016 et celle au titre de l'année 2014 au plus tard le 31 décembre 2017. En l'espèce, la demande de remboursement n'a été introduite que le 28 décembre 2018, ce qui signifie qu’elle est prescrite sur base de l'article 82bis du Code de la TVA.
Étant donné que le moyen des appelants, selon lequel le remboursement pourrait être fondé sur le droit commun, repose sur l’hypothèse erronée qu'il n'existe aucune disposition dans la législation belge sur la TVA prévoyant le remboursement de ces paiements sans cause, tels que ceux intervenus dans la présente affaire, le premier juge a estimé à juste titre que le moyen des appelants n'était pas recevable.
- Sur la base juridique découlant du droit européen (principe de neutralité, d'effectivité, d'égalité et de non-discrimination)
Les principes de neutralité et d'effectivité ne s'opposent nullement à ce que le droit à restitution soit soumis à un délai de prescription. Il est compatible avec le droit communautaire de prévoir des délais de prescription raisonnables dans l'intérêt de la sécurité juridique qui protège à la fois le contribuable et l'administration fiscale. De tels délais ne rendent pas, en pratique, l'exercice des droits conférés par le droit communautaire impossible ou excessivement difficile. Un délai national de prescription de trois ans à compter de la date du paiement contesté semble raisonnable à cet égard.
Le principe d'effectivité signifie que les États membres sont tenus d'assurer en tout état de cause une protection effective des droits conférés par le droit communautaire. Le principe exige que les autorités fiscales des États membres ne rendent pas impossible ou excessivement difficile en pratique l'exercice des droits conférés par l'ordre juridique de l'Union. La Cour d’appel a estimé que les appelants auraient pu exercer le droit à restitution dans le délai de prescription de l'article 82bis du Code de la TVA sans dépendre de tiers ou de formalités sur lesquelles ils n'exerçaient que peu ou aucun contrôle.
Il existe une justification objective, à la lumière du but poursuivi par la règle de prescription de l'article 82bis du Code de la TVA, au fait que le délai de demande de remboursement de la TVA soit plus court que le délai de remboursement des impôts directs, du précompte mobilier, des impôts locaux et régionaux, etc. En ce sens, il est clair qu'il n'y a pas de violation du principe d'égalité ou de non-discrimination.
- Sur la base juridique du premier protocole additionnel à la CEDH et de la Constitution (protection du droit de propriété)
C'est en raison de la propre erreur de l'assujetti à la TVA, qui n'a en outre pas introduit de demande de remboursement dans les délais, que cette TVA belge est désormais irrécupérable. La TVA néerlandaise a entre-temps été spontanément régularisée. Dans ces circonstances, la Cour d’appel estime qu’il ne saurait être question d’une violation du droit de propriété par l’État belge.
Texte intégral (en NL)
2022/AR/214 - In de zaak van:
1.A.M., ON 04…39, met zetel te …,
2.A.I., ON 08…21, met zetel te …,
appellanten,
hebbende als raadsman mr. T.J., advocaat te 2018 ANTWERPEN, … en mr. A.B., advocaat te 6000 CHARLEROI, … en mr. D.T., advocaat te 2018 ANTWERPEN, …,
tegen
BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 03…59,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur KMO Centrum Gent 761, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), G. Crommenlaan 6 bus 761,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. L.G., advocaat te 9030 MARIAKERKE (GENT), …
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 8 februari 2022 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, vijfde kamer, op 24 november 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/…/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van vier april 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De eerste appellante is een vennootschap met maatschappelijke zetel in België en is sedert 1 maart 1995 als btw-belastingplichtige geregistreerd voor haar economische activiteiten waarbij ze via een online platform consumentenartikelen aan particulieren verkoopt. Een deel van het klantenbestand bestaat uit Nederlandse particulieren. De eerste appellante rekende op die verkopen op afstand aan de Nederlandse particulieren steeds de Belgische btw aan en droeg die btw ook af aan de geïntimeerde via periodieke btw-aangiften (ingediend voor rekening van de btw-eenheid Newcraft).
Er bestaat geen betwisting over dat de eerste appellante ertoe gehouden was om op die verkopen, bij overschrijding van het wettelijke drempelbedrag (artikel 15 §2 WBTW), Nederlandse btw aan te rekenen en af te dragen (in plaats van Belgische btw aan te rekenen en aan de Belgische Schatkist af te dragen).
Eind 2018 stelde de eerste appellante die vergissing vast en regulariseerde zij spontaan de Nederlandse btw voor de jaren 2013 tot en met 2018 (waarvoor een vijfjarige verjaringstermijn gold).
Tegelijkertijd hebben de appellanten in België voor de jaren 2015 tot 2018 een vordering tot teruggaaf uitgeoefend door opname van het bedrag in rooster 62 van de btw-aangifte van november 2018 (ingediend voor rekening van de btw-eenheid N.).
Omdat de vordering tot teruggaaf van de Belgische btw voor de jaren 2013 en 2014 al verjaard was (op grond van de driejarige verjaringstermijn voorzien in artikel 82bis WBTW) richtte de advocaat van de eerste appellante per brief van 28 december 2018 aan de geïntimeerde voor die jaren een minnelijke aanvraag tot teruggaaf voor een totaal bedrag van 1.223.171,48 euro. De advocaat stelde dat de Belgische verjaringsregeling in strijd is met de gemeenschapsrechtelijke btw-neutraliteit en dat deze schending de continuïteit van zijn cliënte ernstig in het gedrang brengt.
Bij beslissing van 16 april 2019 wees de geïntimeerde dat verzoek af.
Op 1 januari 2020 werd de btw-eenheid N. stopgezet.
Met een verzoekschrift van 19 maart 2020 stelden de appellanten en de btw-eenheid N. hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Zij vroegen aan de eerste rechter om:
(1) De vordering van verzoekers ontvankelijk en gegrond te verklaren;
(2) De veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van het bedrag van aan Concluanten, van al de geldsommen die onverschuldigd werden betaald door Concluanten aan de Belgische Staat in de jaren 2013-2014, namelijk een totaalbedrag van 1.223.171,50 EUR, vermeerderd met de moratoriuminteresten conform:
a.In hoofdorde, namelijk in het geval de terugbetaling gebeurt op grond van de onverschuldigde betaling in artikel 1235 8W: de moratoriuminteresten van artike11153 BW vanaf het verzoek tot teruggaaf dd. 28 december 2021;
b.In ondergeschikte orde, namelijk in het geval de terugbetaling gebeurt op grond van de BTW-wetgeving: de wettelijke interest in fiscale zaken van 7% overeenkomst artikel 91, §4 WBTW vanaf het verzoek tot teruggaaf dd. 28 december 2020.
(3) De veroordeling van de Belgische Staat tot de betaling van de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen met toepassing van het Koninklijk Besluit dd. 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding zoals bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek begroot op 19.800,00 EUR overeenkomstig de geïndexeerde bedragen sinds 1 juni 2021.
In het vonnis van 24 november 2021 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg
Oost-Vlaanderen, afdeling Gent ais volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de vordering van derde eiser onontvankelijk;
Verklaart de vordering van eerste en tweede eisers ontvankelijk maar ongegrond; Stelt vast dat
er geen kosten van het geding te begroten zijn.
Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld. De btw-eenheid N. tekende geen hoger beroep aan.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellanten
De appellanten vragen in hoger beroep aan het hof om:
(1) In hoofdorde: De vordering tot teruggaaf van Appellanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;
(2) In hoofdorde: De veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van het bedrag van aan Appellanten, van al de geldsommen die onverschuldigd werden betaald door Appellanten aan de Belgische Staat in de jaren 2013 en 2014, namelijk een totaalbedrag van 1.223.171,50 EUR, vermeerderd met de moratoriuminteresten conform: a. In hoofdorde, namelijk in het geval de terugbetaling gebeurt op grond van de onverschuldigde betaling in artikel 1235 BW: de moratoriuminteresten van artikel 1153 BW vanaf het verzoek tot teruggaaf dd. 28 december 2021;
b. In ondergeschikte orde, namelijk in geval de terugbetaling gebeurt op grond van de BTW-wetgeving: de wettelijke interest in fiscale zaken van 7% overeenkomst artikel 91, §4 WBTW vanaf het verzoek tot teruggaaf dd. 28 december 2020.
(3) In meest subsidiaire orde: prejudiciële vragen aan (het Gerecht van) het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen:
a.Verzet de BTW-Richtlijn 2006/112/EG en het daarin opgenomen recht op aftrek, alsmede het beginsel van fiscale neutraliteit samen gelezen met het beginsel van loyale samenwerking, zich tegen een wettelijke regeling volgens welke in de situatie waarbij de BTW-plichtige leverancier van goederen BTW dient af te dragen in de ene Lidstaat en er voldaan is aan de materiële voorwaarden van het recht op teruggaaf in een andere lidstaat, de btw-plichtige toch de btw aldaar niet meer kan terugvragen Jouter omwille van de overschrijding van de termijn tot teruggaaf zoals die is voorzien in de nationale wetgeving van die lidstaat waardoor de BTW-plichtige de financiële last van de BTW zal dragen, de BTW dubbel zal worden geheven terwijl er geen gevaar voor verlies van belastingkomsten bestaat?
b.Verzetten de in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginselen van loyale samenwerking, gelijkwaardigheid en doeltreffendheid of om het even welk ander beginsel van Unierecht, zich tegen een nationale regeling als die van artikel 82bis Belgisch Wetboek BTW, waarbij een vervaltermijn van drie jaar is vastgesteld voor het indienen van verzoeken tot teruggaaf van in strijd met het Unierecht geïnde BTW, terwijl de nationale wetgeving voorziet in een langere termijn voor de uitoefening van het recht op teruggaaf van belastingen die in strijd met het nationale recht zijn geïnd?
(4) De veroordeling van de Belgische Staat tot de betaling van de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen met toepassing van het Koninklijk Besluit dd. 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding zoals bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek begroot overeenkomstig de geïndexeerde bedragen sinds 1 juni 2021:
In eerste aanleg: 19.800,00 EUR;
In hoger beroep: 22.500,00 EUR.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van de appellante ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren;
Het bestreden vonnis d.d. 24.11.2021 te bevestigen in al zijn beschikkingen:
Te zeggen voor recht dat het niet noodzakelijk is om prejudiciële vragen te stellen aan het
Hof van Justitie van de Europese Unie. De appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedragen van € 22.500,00.
4. De betwistingen en hun beoordeling
4.1. Wat betreft de rechtsgrond gesteund op het civiele recht Cart. 1235 Oud BW)
De eerste rechter wees de vordering van de appellanten op basis van het civiel recht
(onverschuldigde betaling) af op grond van de volgende overwegingen:
4.2.1.
De Belgische Stout beroept zich op artikel 82bis WBTW.
Eisers stellen dat artikel 82bis WBTW geen toepassing kan vinden op de vordering tot teruggaaf, aangezien deze situatie niet geregeld zou worden door het WBTW. Zij steunen hun vordering op de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling (artikel 1235 van het Oud Burgerlijk Wetboek) en menen later bijgevolg een verjaringstermijn geldt van 10 jaar vanaf de betaling overeenkomstig artikel 2262bis van het Oud Burgerlijk Wetboek.
4.2.2.
Overeenkomstig artikel 82bis WBTW verjaart de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
De btw kan slechts worden teruggegeven in de gevallen waarin het WBTW voorziet (artikel 75 WBTW). De artikelen 76 tot en met 77bis WBTW sommen die gevallen op.
De btw wordt onder meer teruggegeven indien de betaalde btw de wettelijk verschuldigde btw overtreft (artikel 77, §1, 10 WBTW). Dit is onder meer het geval indien er per vergissing Belgische btw werd aangerekend/afgedragen terwijl Nederlandse btw diende aangerekend/afgedragen te worden ingevolge overschrjjving van het grensbedrag zoals bepaald in artikel 15 §2 WBTW.
A.M. nv heeft deze vergissing wat betreft de jaren 2015 tot en met 2018 rechtgezet via opname van het bedrag van de Belgische btw in rooster 62 van de btw-aangifte van november 2018, ingediend voor rekening van de btw-eenheid. De Belgische btw afgedragen voor de jaren 2013 en 2014 daarentegen werd niet opgenomen in die btw-aangifte.
Het gaat hier wel degelijk om teveel betaalde btw. De teruggaaf kan niet geldig worden verkregen indien de voorwaarden bepaald in de wet en het KB niet werden uitgeoefend. De te vervullen formaliteiten zijn voorgeschreven op straffe van verval.
Inzake verjaring wijkt het fiscaal recht af van het gemeen recht.
Het WBTW bevat een autonome van het gemeen recht afwijkende regeling wat betreft de terugvordering van een onverschuldigde betaling (artikel 75, 77, §1, 10 en 82bis WBTW). Gelet op deze afwijkende regeling kan geen toepassing worden gemaakt van de gemeenrechtelijke principes van de onverschuldigde betaling op de terugvordering van de onverschuldigd betaalde belasting.
Gelet op de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 82bis WBTW had de btw-eenheid haar vordering tot teruggaaf met betrekking tot 2013 ten laatste op 31 december 2016 moeten indienen en deze voor het jaar 2014 ten laatste op 31 december 2017. In voorliggend geval werd de vordering tot teruggaaf pas ingediend op 28 december 2018 waardoor deze vordering op grond van artike182bis WBTW verjaard is. Uit het dossier blijken geen nuttige data van stuiting of schorsing.
De Belgische Staat stelt terecht dat de vordering tot teruggave verjaard is.
4.2.3.
Dit middel van eisers faalt.
Het hof kan slechts vaststellen dat de eerste rechter daarmee een correcte en volledig dragende analyse heeft gemaakt en de juiste conclusie heeft getrokken. Het hof maakt die analyse en de conclusie tot de zijne.
Anders dan wat de appellanten aanvoeren, kan het feit dat er geen belastbaar feit in België heeft plaatsgevonden (omdat 'wet en feit' niet samenvallen — wat niets anders is dan de toepassing van het (fiscaal) legaliteitsbeginsel) niet tot een andere analyse of conclusie leiden. Het is immers onbetwist dat de betalingen die de appellanten gedaan hebben en waarvoor de terugbetaling gevorderd worden 'onverschuldigd' zijn in de civiele zin van dat begrip op grond van het feit dat er een wettelijke grondslag ontbrak om aan de geïntimeerde het recht te verlenen om voor de betreffende bedragen van de appellanten betaling te vorderen. Met andere woorden: er ontbrak een rechtsgrond voor de verschuldigdheid van die bedragen.
Dat de betreffende bedragen door de appellanten 'onverschuldigd betaald' werden aan de geïntimeerde, kan evenwel niet beletten dat voor de terugvordering van die bedragen wel degelijk een specifieke regeling is voorzien in het Belgische btw-wetboek zoals door de eerste rechter op correcte wijze uiteengezet, waardoor deze specifieke regeling de toepassing van het gemeenrecht uitsluit.
Waar de appellanten verwijzen naar rechtspraak met betrekking tot een geval van registratierechten, moet vooreerst worden opgemerkt dat in het Belgisch recht geen precedentenleer geldt. Verder gaan de appellanten er ten onrechte van uit dat de motiveringsplicht die op de rechter rust krachtens artikel 149 GW zou inhouden dat de rechter op elk argument van een (in het ongelijk gestelde) partij zou moeten antwoorden; de appellanten verliezen daarbij kennelijk het onderscheid tussen 'argumenten' en 'middelen' uit het oog. Ten slotte en vooral is hier enkel de vraag aan de orde of de Belgische btw-wetgeving al dan niet een specifieke bepaling bevat voor de (verjaring van de) btw die in de omstandigheden zoals hier onverschuldigd werd betaald. Er valt niet in te zien hoe die vraag zou kunnen beantwoord worden door zich te beroepen op de wetgeving inzake een andere belasting dan de btw zoals de registratierechten. Dat is des te meer het geval omdat de appellanten zelf in conclusies uiteenzetten dat in de rechtspraak waarop zij zich beroepen uitdrukkelijk is vastgesteld dat het Wetboek Registratierechten geen artikel bevat dat toelaat onrechtmatig geheven rechten terug te vorderen.
Volgens de appellanten vragen zij geen terugbetaling van 'belastingen' maar van 'betalingen' (die niet de kwalificatie van belasting hebben). De teruggaaf die in de btw-wetgeving voorzien is, slaat volgens hen niet op de terugbetaling van dergelijke sommen die de geïntimeerde ontvangen heeft ais 'betalingen die niet de kwalificatie van belasting hebben'. De eerste rechter heeft evenwel terecht aangenomen dat het gaat om een vorm van teruggaaf zoals bedoeld in artikel 77, §1, 1° WBTW. De tekst van de bepaling luidt immers ais volgt:
§ 1. Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag
teruggegeven :
1° wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is;
Deze bepaling is zeer ruim en algemeen.
Een betaling van een bedrag dat door een belastingplichtige — zoals hier - ais verschuldigde btw op levering van goederen werd beschouwd en ais zodanig werd aangegeven in de periodieke aangifte en aan de Schatkist werd afgedragen, maar waarvan blijkt dat het niet beantwoordt aan een wettelijk verschuldigde belasting, is niets anders dan een 'belasting die geheven werd van een levering van goederen die - voor het voile bedrag — het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is'. Met de formulering van de betreffende bepaling die inhoudt dat teruggaaf gebeurt van de belasting boven het bedrag dat wettelijk verschuldigd is, heeft de wetgever duidelijk alle gevallen afgedekt waarin er voor de ontvangsten van de Schatkist die zijn gedaan met de bedoeling om belasting te betalen, geen wettelijke grondslag bestaat. Dat is precies wat hier het geval is.
Aangezien het middel van de appellanten dat er toe strekt de terugbetaling op het gemeenrecht te kunnen steunen, uitgaat van de verkeerde veronderstelling dat in de Belgische btw-wetgeving geen bepaling is voorzien voor de terugbetaling van deze betalingen zonder oorzaak zoals die in voorliggend geval hebben voorgedaan, heeft de eerste rechter met reden geoordeeld dat het middel van de appellanten faalt.
4.2. Over de rechtsgrond gesteund op het Europese recht (neutraliteitsbeginsel, Doeltreffendheidsbeginsel, gelijkwaardigheidsbeginsel en niet-discriminatiebegjnsel)
De eerste rechter wees de vordering van de appellanten op basis van het Europees recht (neutraliteitsbeginsel, doeltreffendheidsbeginsel, gelijkwaardigheidsbeginsel en niet-
discriminatiebeginsel) af op grond van de volgende overwegingen:
4.3.1.
Ondergeschikt roepen eisers in dat de weigering tot teruggaaf enkele Europeesrechtelijke beginselen
schendt, met name het neutraliteitsbeginsel, het doeltreffendheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel, en
het niet-discriminatiebeginsel.
4.3.2.
In voorliggend geval oordeelt de rechtbank dat deze beginselen niet geschonden zijn.
Geen enkele richtlijnbepaling bevat regels met betrekking tot de verjaring inzake de btw (vgl. Grondwettelijk Hof 19 januari 2017, arrest nr. 5/2017, overweging B.9.1.).
Het recht van de EU verzet zich er dan ook niet tegen dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke vervaltermijnen voor de teruggave van belastingen worden vastgesteld, mits eerbiediging van de door de Unie gewaarborgde grondrechten en algemene rechtsbeginselen.
Het neutraliteitsbeginsel en doeltreffendheidsbeginsel verzetten zich geenszins tegen de onderwerping van het recht op teruggaaf aan een verjaringstermijn. Het is met het gemeenschapsrecht verenigbaar dat in het belang van de rechtszekerheid waarin zowel de belastingplichtige ais de belastingadministratie bescherming vindt, redelijke vervaltermijnen worden vastgesteld. Dergelijke termijnen maken immers de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de
praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk. Een nationale vervaltermijn van drie jaar te rekenen vanaf de dag van de betwiste betaling, hjkt in dit opzicht redelijk (vgl. Hof van Justitie 11 juli 2002, C-62/00, Marks & Spencer, overweging nr.35, www.curia.europa.eu).
Het doeltreffendheidsbeginsel verzet zich niet tegen een weigering van een verzoek tot teruggaaf dat werd ingediend na het verstrijken van de verjaringstermijn, ook al was de btw oorspronkelijk niet verschuldigd (vgl. Hof van Justitie 20 december 2017, Caterpillar Financial Services, C-500/16; Hof van Justitie 14 oktober 2020, SC Valons SRL/Directia Genera/a, C-677/19, www.curia.europa.eu).
In de zaak C-677/19 oordeelde het Hof van Justitie weliswaar dat het gelijkwaardigheidsbeginsel, in samenhang gelezen met het beginsel van loyale samenwerking, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een regeling van een lidstaat die voor het indienen van verzoeken tot teruggaaf van heffingen die onverenigbaar met het Unierecht zijn geacht een vervaltermijn van ongeveer een jaar vaststelt, wanneer deze lidstaat geen overeenkomstige termijn heeft vastgesteld voor soortgelijke verzoeken tot teruggaaf die zijn gebaseerd op een schending van het nationale recht.
Deze rechtspraak biedt evenwel geen steun voor het standpunt van eisers. Zoals eisers zelf meermaals in hun conclusie aangeven voorziet de Belgische wetgeving in de huidige stand geen uniforme verjaringstermijnen voor de vorderingen tot terugbetaling van de belastingen; dit in tegenstelling tot de Roemeense wetgeving die ter beoordeling voorlag in de zaak C-677/19 en die voorziet in een algemeen geldende termijn van vijfjaar voor de terugvordering van Roemeense belastingen, terwijl specifiek voor milieuheffing voor motorvoertuigen in een vervaltermijn van één jaar was voorzien.
Eisers menen dat de bedrijfsvoorheffing sterke gelijkenissen vertoont met de btw. Nochtans verschilt de wetgeving inzake de inkomstenbelastingen (waaronder de bedrijfsvoorheffing valt) grondig van de btw-wetgeving. De voornaamste kenmerken van de beide belastingstelsels zijn fundamenteel verschillend. Dit verschil is te verklaren vanuit het feit dat de beide belastingstelsels op het vlak van materieel recht wederzijds volledig onafhankelijk zijn. Bovendien is de Belgische btw-reglementering gebaseerd op de btw-richtlijn en dient deze daarmee steeds in overeenstemming te zijn. Een schending van het gelijkwaardigheidsbeginsel is in voorliggend geval niet aan de orde. Ook een schending van het niet-discriminatiebeginsel is niet aangetoond.
4.3.3.
Ook dit middel van eisers faalt.
Het hof kan slechts vaststellen dat de eerste rechter daarmee een correcte en volledig dragende analyse heeft gemaakt en de juiste conclusie heeft getrokken. Het hof maakt die analyse en de conclusie tot de zijne.
4.2.1. De appellanten gaan er aan voorbij dat er naar Belgisch recht wel degelijk recht op teruggaaf is voor de betalingen die ten onrechte zijn gedaan in de omstandigheden zoals hier in het geschil het geval is. De enige reden waarom die teruggaaf aan de appellanten werd geweigerd is de tussengekomen verjaring zoals voorzien in artikel 82bis WBTW. Mochten de appellanten hun vordering tot teruggaaf gesteld hebben voor het verstrijken van de naar Belgisch recht voorziene verjaringstermijn, dan zou niets de appellanten belet hebben om de teruggaaf te krijgen. De stelling van de appellanten dat de regeling in strijd is met het neutraliteitsbeginsel omdat ze tot gevolg heeft dat niet de eindconsument maar zijzelf de belasting over de toegevoegde waarde moet dragen (terwijl er geen kwade trouw was, noch gevaar was voor verlies van belastinginkomsten), miskent dat de appellanten wel degelijk de mogelijkheid hebben gehad om aan dit gevolg te ontsnappen.
4.2.2. Op die manier is duidelijk dat de kernvraag is of er grenzen kunnen gesteld worden aan het neutraliteitsbeginsel door de toepassing van een nationale bepaling die een verjaringstermijn voorziet voor de uitoefening van het recht op teruggaaf.
In de gegeven omstandigheden waren de appellanten alvast niet in omstandigheden vergelijkbaar met deze in het arrest Volkswagen (HvJ 21 maart 2018, C-533/16, via www.curia.eu), aangezien ze voor het recht om de betreffende teruggaaf te vragen in niets afhankelijk waren van enige formaliteit waarvoor een derde, ook niet een derde-lidstaat, moest tussenkomen of is tussengekomen. Het volstond immers de vergissing over de toepassing van de wet (het feit dat zich geen wettelijk voorzien belastbaar feit voordeed dat Belgische btw opeisbaar maakt) op te merken, iets wat de appellanten in wezen op elk moment en volledig autonoom konden doen, om vervolgens autonoom en zonder afhankelijk te zijn van stukken of verklaringen uitgaande van derden een overeenkomstige aangifte met verzoek tot teruggaaf in te dienen.
4.2.3. Waar de appellanten inroepen dat de driejarige verjaringstermijn slechts een 'formele voorwaarde' is, miskennen zij dat verjaringstermijnen voor de terugbetaling van belastingen en bijhorigheden ingegeven zijn door overwegingen van begrotingsstabiliteit. Het is een legitieme recht voor de overheid om absolute beperkingen te stellen aan de mogelijkheden die aan belastingplichtigen worden geboden om terug te keren op betalingen ten gunste van de Schatkist, precies omdat er voor een begrotingsplanning moet kunnen vertrokken worden van een stabiele balans van actieve en passieve overheidsmiddelen. Dat is een aspect van het rechtszekerheidsbeginsel in hoofde van de overheid.
De appellanten erkennen weliswaar dat het Hof van Justitie van de Europese Unie op grond van het rechtszekerheidsbeginsel aanvaardt dat Iidstaten in een verjaringstermijn voorzien voor de toepassing van het recht op teruggaaf dat toekomt aan belastingplichtigen. De appellanten stellen evenwel dat de in artikel 82bis WBTW voorziene verjaringstermijn van drie jaar disproportioneel zou zijn, in het bijzonder gelet op het belangrijke neutraliteitsbeginsel.
De appellanten maken evenwel niet duidelijk waarom het neutraliteitsbeginsel — waarvan hoger is verduidelijkt dat het door een tijdig ingrijpen van de appellanten volledig gevrijwaard had kunnen zijn — hier zou moeten primeren op het rechtzekerheidsbeginsel en de doelstelling van budgettaire stabiliteit waarop de geïntimeerde zich ais overheid kan op beroepen.
4.2.4. De appellanten beroepen zich ook op het doeltreffendheids- en gelijkwaardigheidsbeginsel en verwijzen in dat verband naar diverse arresten van het Hof van Justitie.
Het Hof van Justitie omschrijft o.a. in het arrest Farkas (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Tibor Farkas, randnummer 50) wat het onder het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel verstaat, met name in de volgende overweging:
Het Hof heeft in dat verband reeds geoordeeld dat tell het ontbreken van een Unieregeling op het gebied van verzoeken tot belastingteruggaaf, het een aangelegenheid van het interne recht van elke lidstaat is om de voorwaarden vast te stellen waaronder deze verzoeken kunnen worden gedaan, waarbij deze voorwaarden het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel moeten eerbiedigen, dat wil zeggen dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke voor soortgelijke vorderingen op basis van het nationale recht gelden, en dat zij evenmin van dien aard mogen zijn dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken (zie in die zin arrest van 15 maart 2007, Reemtsma Cigarettenfabriken, C-35/05, EU:C:2007:167, punt 37).
4.2.4.1. Het doeltreffendheidsbeginsel houdt in dat lidstaten gehouden zijn in elk geval een doeltreffende bescherming van de door het Unierecht toegekende rechten te verzekeren. Het beginsel vereist dat de belastingautoriteiten van de lidstaten de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (HvJ 8 september 2011, C-89/10 en C-96/10, Q-Beef en Bosschaert; HvJ 14 september 2017, C-628/15, The Trustees of the BT Pension Scheme).
Hoger heeft het hof evenwel al vastgesteld dat de appellanten het recht op terugbetaling waarop zij hier aanspraak maken hadden kunnen uitoefenen binnen de verjaringstermijn van artikel 82bis WBTW zonder dat zij daarvoor afhankelijk waren van derden, noch van formaliteiten waarover zij geen of onvoldoende controle hadden. Tegen die achtergrond valt niet in te zien dat het feit dat de geïntimeerde zich op die verjaringstermijn beroept, het de appellanten in de praktijk uiterst moeilijk, laat staan onmogelijk zou gemaakt hebben om haar recht uit te oefenen en het neutraliteitsbeginsel te laten toepassen. Het beroep op de wettelijk voorziene verjaring heeft in die omstandigheden op gepaste manier het doel bereikt om op de hoger beschreven wijze tot rechtszekerheid van de overheid te leiden. Dat hier het neutraliteitsbeginsel niet ten voile kon geëerbiedigd worden in omstandigheden waarin geen kwade trouw speelde, kan van het bovenstaande niets afdoen.
4.2.4.2. Wat het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, roepen de appellanten het verschil in wat betreft de verjaringstermijn voor de directe belastingen, de bedrijfsvoorheffing, de lokale en regionale belastingen, omdat deze steeds een termijn van vijf jaar voorzien voor het recht op terugbetaling van onverschuldigde belastingen.
Terecht laat de geïntimeerde evenwel gelden dat hier niet voldaan is aan de vergelijkbaarheid die moet bestaan om de toetsing aan het gelijkwaardigheidsbeginsel te doen. De btw is een belasting die gesteund is op Europese wetgeving en waarvoor de inkomsten in zeer grote mate moeten afgedragen worden aan de Europese overheid. Voor de nationale bepalingen is dat niet het geval. Gelet op het feit dat de verjaring voor de teruggaaf essentieel verband houdt met budgettaire stabiliteit en btw-inkomsten voor de geïntimeerde tegelijk voor een belangrijk deel een schuld jegens de Europese Schatkist doen ontstaan, is een kortere verjaringstermijn objectief verantwoord in het licht van het doel van die verjaringsregeling.
De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarnaar de appellanten verwijzen, betreft geen gevallen die toelaten een andere conclusie te trekken.
4.2.4.3. Hoger is vastgesteld dat er, in het Iicht van de doelstelling van de verjaringsregel van
artikel 82bis WBTW, een objectieve verantwoording is voor de kortere termijn waarbinnen teruggaaf van btw kan worden gevorderd in vergelijking met de termijn voor teruggaaf van de directe belastingen, de bedrijfsvoorheffing, de Iokale en regionale belastingen, enz. In die zin is duidelijk dat er geen sprake is van enige schending van het gelijkheidsbeginsel of discriminatieverbod.
4.3. Over de rechtsgrond op basis van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM en de Grondwet bescherming van het eigendomsrecht)
De eerste rechter wees de vordering van de appellanten op basis van het eigendomsrecht af
op grond van de volgende overwegingen:
4.4.1.
Meest ondergeschikt voeren eisers aan dat hun recht op eigendom geschonden is. Zij menen dat de btw-kost gelijk is aan 700% van de behaalde marge, wat volgens hen een individuele en excessieve last is die onverenigbaar is met het recht op eigendom.
4.4.2.
Het recht op eigendom vindt zijn grondslag in artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol op het EVRM en werkt door in fiscale zaken.
Het toepassen van een verjaringstermijn inzake de vordering tot teruggaaf van btw betreft een bouter gebonden bevoegdheid waarin de Belgische Staat geen enkele beoordelingsbevoegdheid heeft. De wet en de in uitvoering ervan genomen besluiten laten ter zake geen interpretatie toe. Overigens verliepen de handelingen inzake btw in 2013 en 2014 in hoofde van A.M. nv destijds volkomen neutraal in die zin dat A.M. nv de door haar (per vergissing) aangerekende btw ontving van haar klanten en liet toekomen aan de Belgische Staat (voor rekening van de btw-eenheid). Het is ingevolge de eigen vergissing van de btw-belastingplichtige, die bovendien naliet tijdig een verzoek tot teruggaaf in te dienen, dat deze Belgische btw thans niet meer gerecupereerd kan worden. De Nederlandse btw werd inmiddels spontaan geregulariseerd. In die omstandigheden kan van een schending van het eigendomsrecht door de Belgische Staat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake zijn.
Het hof kan slechts vaststellen dat de eerste rechter daarmee een correcte en volledig dragende analyse heeft gemaakt en de juiste conclusie heeft getrokken. Het hof maakt die analyse en de conclusie, die door de appellanten in hun conclusies in hoger beroep niet worden ontkracht, noch weerlegd, tot de zijne.
4.4. Wat de voorgestelde prejudiciële vraagstelling betreft
De appellanten vragen meest subsidiair aan het hof om de prejudiciële vragen te stellen
zoals hoger weergegeven in hun vordering.
De geïntimeerde verzet zich daar tegen.
4.4.1. Wat betreft de eerste door de appellanten voorgestelde prejudiciële vraag, is er hoger op gewezen dat het Hof van Justitie aanvaardt dat lidstaten in een verjaringstermijn voorzien voor de toepassing van het recht op teruggaaf dat toekomt aan belastingplichtigen.
Zelfs bij ontstentenis van specifieke bepalingen met betrekking tot de procedure en de verjaringstermijnen met betrekking tot de btw in het Unierecht, moeten de nationale bepalingen inzake procedure en verjaring -en vervaltermijnen de door de Unie gewaarborgde grondrechten en algemene rechtsbeginselen eerbiedigen (GwH 19 januari 2017, 05/2017, punt B.9.3., met verwijzing naar HvJ, 17 december 2015, C-419/14, WebMindLicenses Kft, punten 66-67, via https://www.const-court.be/public/n/2017/2017-005n.pdf).
De mogelijkheid tot indiening van een verzoek om teruggaaf zonder tijdsbeperking staat volgens het Europees Hof van Justitie in elk geval haaks op het rechtszekerheidsbeginsel, dat verlangt dat de fiscale situatie van de belastingplichtige, gelet op zijn rechten en plichten jegens de belastingdienst, niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse blijft ( HvJ 8 mei 2008, Ecotrade, C-95/07 en C-96/07, punt 44, via www.curia.eu).
Wat in het bijzonder de verjarings- en vervaltermijnen betreft, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de vaststelling van redelijke beroepstermijnen in beginsel voldoet aan het doeltreffendheidsvereiste, voor zover zij een toepassing vormt van het fundamentele rechtszekerheidsvereiste dat zowel de belanghebbende als het betrokken bestuursorgaan beschermt, ook al kan het verstrijken van dergelijke termijnen naar zijn aard verhinderen dat de betrokken personen hun rechten geheel of gedeeltelijk doen gelden (HvJ 14 oktober 2020, Valoris, C-677/19, punt 25, waar verwezen wordt naar arresten van 20 december 2017, Caterpillar Financial Services, C-500/16, EU:C:2017:996, punt 42; 11 september 2019, Câlin, C-676/17, EU:C:2019:700, punt 43, en 19 december 2019, Cargill Deutschland, C-360/18, EU:C:2019:1124, punt 52).
Een vervaltermijn van drie jaar ter rekenen vanaf de dag van de betwiste betaling werd door het Hof van Justitie als redelijk beschouwd (HvJ 11 juli 2002, C-62/00, punt 35, via www.curia.eu). Een verjaringstermijn van drie jaar moet ais een redelijke termijn worden aangemerkt die de uitoefening van het recht niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt: artikel 18, lid 4, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen de regeling van een lidstaat als die aan de orde in het hoofdgeding, die voorziet in een verjaringstermijn van drie jaar voor de indiening van een verzoek om teruggaaf van het overschot van de belasting over de toegevoegde waarde dat de belastingdienst van die staat onverschuldigd heeft geïnd. Een verjaringstermijn van drie jaar is voldoende, aangezien die termijn elke gemiddelde zorgvuldige belastingplichtige in beginsel de mogelijkheid biedt de door hem aan de rechtsorde van de unie ontleende rechten met succes geldend te maken. (HvJ 21 januari
2010, C-472/08, Alstom Power Hydro, punten 20 en 21 en het dictum). Dat werd bevestigd in het arrest van 15 december 2011, zaak C-427/10):
Dit geldt voor een verjaringstermijn van twee jaar, aangezien die termijn in beginsel van dien aard is dat hij elke gemiddeld zorgvuldige belastingplichtige de mogelijkheid biedt de door hem aan de rechtsorde van de Unie ontleende rechten met succes geldend te maken (zie in die zin arrest Alstom Power Hydro, reeds aangehaald, punten 20 en 21). Een dergelijke vaststelling geldt ook voor een verjaringstermijn van twee jaar in het kader van het recht op teruggaaf van aan de belastingadministratie onverschuldigd betaalde btw.
Tegen die achtergrond is duidelijk dat het feit dat een nationale bepaling die — zoals hier — een redelijke verjaringstermijn voorziet, waardoor de belastingplichtige het risico loopt (met name door de verjaringstermijn te laten verstrijken) dat het neutraliteitsbeginsel niet geëerbiedigd kan worden, niet in strijd is met de btw-Richtlijn 2006/112/EG en de eerste prejudiciële vraag niet moet gesteld worden.
4.4.2. Hoger, onder hoofdstuk 4.2., is vastgesteld wat het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel volgens het Hof van Justitie inhouden en dat de krachtens artikel 82bis WBTW geldende verjaringstermijn met die beginselen duidelijk niet in strijd is. Het hof stelde daar ook vast dat die strijdigheid zich niet voordoet. Ook de tweede prejudiciële vraag is in die omstandigheden niet dienend.
5. De gerechtskosten
De appellanten worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
5.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft
De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf boven 1.000.000,00 euro.
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 22.500,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.
De appellanten zijn voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 22.500,00 euro.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist ais volgt:
het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
het bestreden vonnis wordt bevestigd.
het hof veroordeelt de appellanten tot het betalen van de gerechtskosten van het
hoger beroep, vastgesteld ais volgt:
- aan de kant van de appellanten (maar te hunnen laste blijvend):
bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 22,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde:
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 22.500,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 2 mei 2023.
Aanwezig:
D.V., kamervoorzitter, alleenrechtsprekend
J.D., griffier
Note du SPF Finances
Référence W.F.
WF 710-15-20/017091
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.