Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 14 octobre 2003

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuveTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2003-10-14-2758

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
14 octobre 2003

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

171 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 14.10.2003

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5be kamer - terechtzitting van 14-10-2003

BURGERLIJK

Belastingen

Verzet dwangbevel (BTW)

Nr. 1969/AR/40085

in de zaak van :

1. L. D., adviseur, wonende te … (…), …,

2. D. R., zaakvoerder, wonende te …, …,

appellanten,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. J., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur, Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren, wiens kantoor gevestigd is te 9230 WETTEREN, Gentse Steenweg 93,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. V. W., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 5.1.1983 dagvaarden de appellanten de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, teneinde :

"

Onderhavig verzet tegen het dwangbevel, betekend door gedaagde aan aanleggers, bij aangetekende brief d.d. 28 december 1982 ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Vermeld dwangbevel in zijn geheel nietig te horen verklaren.

Te zeggen voor recht dat geen enkele rechtsbasis bestaat tot het heffen van enige BTW lastens aanleggers, op basis van de elementen, vermeld in het aangevochten dwangbevel, en het PV d.d. 22 december 1982, naar hetwelke het dwangbevel verwijst.

Te zeggen voor recht dat dit dwangbevel in hoofde van gedaagde geen enkele der rechten zal openen, vermeld in artikel 85, § 2 BTW-wetboek.

Aanleggers akte te verlenen tot het stellen van een eis tot schadevergoeding, indien in miskenning van deze dagvaarding, de Belgische Staat maatregelen zou nemen ten nadele van aanleggers.

De Belgische Staat te veroordelen tot alle kosten van het geding."

Aldus tekenden de appellanten verzet aan tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 27.12.1982 door P. D. M., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Wetteren (Leg. 28, deel 222, art. 231), geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. d. S., gewestelijke directeur a.i., directie van de belasting over de toegevoegde waarde te Gent op 27.12.1982 (Reg. 127/2154/82), waarin als verschuldigd door de appellanten werd opgenomen : … BEF (thans … EUR) BTW, … BEF (thans … EUR) geldboete, een intrest krachtens artikel 91, § BTW-wetboek vanaf 21.1.1981, de wettelijke intresten vanaf de betekening van het dwangbevel, de vervolgingskosten.

Bij vonnis van 14.11.1989 van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, 13e kamer, werd het verzet ontvankelijk verklaard doch afgewezen als ongegrond en werden de appellanten tot de kosten veroordeeld.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 13.3.1990 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Het blijkt niet dat vermeld vonnis werd betekend of dat de appellanten er in hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

In hun "aangepaste syntheseconclusies in graad van beroep, de vorige vervangend", neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 23.12.2002, hernemen de appellanten hun oorspronkelijke vordering en breiden zij tevens hun vordering uit. Deze uitbreiding strekt ertoe "op grond van een inbreuk op het beginsel van behoorlijk bestuur en/of het vertrouwensbeginsel, de Administratie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding gelijk aan de desgevallend vast te stellen belasting, intresten en boetes en de gerechtelijke compensatie tussen de schadevergoeding en de eventuele belasting uit te spreken."

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis ende veroordeling van de appellanten tot de kosten.

2. Nadat de appellanten hun verzoekschrift hoger beroep neerlegden ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 13.3.1990, heeft de ontvanger van de BTW te Wetteren, per (volgens vermelding op de brieven aangetekende) brieven van 28.3.1990 de appellanten in toepassing van artikel 92, tweede lid BTW-wetboek (in de versie van vóór de wijziging bij artikel 61 van de wet van 15.3.1999), verzocht om binnen de twee maanden na zijn verzoek het bedrag van … BEF (thans … EUR) te consigneren. Het blijkt niet dat dergelijke consignatie is geschied en de geïntimeerde voert in toepassing van zelfde bepaling de onontvankelijkheid van het hoger beroep aan.

a.

De appellanten laten gelden dat het verzoek tot consignatie dateert van na het instellen van het hoger beroep. Het verzoek tot consignatie kan volgens de appellanten niet met terugwerkende kracht de onontvankelijkheid van het hoger beroep met zich brengen.

De appellanten kunnen hierin niet gevolgd worden.

Artikel 92, tweede lid BTW-wetboek vereist niet dat het verzoek tot consignatie het instellen van het hoger beroep zou vooraf gaan.

De stelling van de appellanten houdt bovendien in dat een belastingplichtige elk consignatieverzoek zou kunnen verhinderen door onmiddellijk na kennisname van het vonnis van de eerste rechter hoger beroep in te stellen nog vóór het verzoek tot consignatie zou worden geformuleerd. Op zijn beurt zou de ontvanger dan zo snel mogelijk na het vonnis zijn verzoek tot consignatie moeten formuleren om te beletten dat de belastingplichtige hoger beroep zou instellen vóór dit verzoek, wat dan nutteloos is indien de belastingplichtige geen beroep instelt. Dit alles kan niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

b.

De appellanten laten gelden dat het verzoek tot consignatie ongeldig was omdat het niet getekend was door enige bevoegde ambtenaar van het Ministerie van Financiën.

In het stukkenbundel van de geïntimeerde bevinden zich een fotokopie van het verzoek tot consignatie in drie exemplaren (gericht aan elk van de appellanten en aan AST). Deze exemplaren dragen de handtekening van de ontvanger.

Bij gebrek aan gegevens in andere zin moet worden aangenomen dat het fotokopies betreft van de ondertekende originelen. De appellanten blijken vóór hun conclusies neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent nooit te hebben voorgehouden dat de verzoeken tot consignatie, waartegen zij zelfs nog een afzonderlijke procedure startten voor de beslagrechter, niet ondertekend waren. Hun stelling vindt bovendien onvoldoende bevestiging in de fotokopies door de appellanten voorgelegd (stukken C.10.a-b-c) en waarop geen handtekening staat. Het sluitend bewijs dat, in strijd met de stukken voorgelegd door de geïntimeerde, de verzoeken tot consignatie niet ondertekend zouden zijn geweest, kan met zekerheid blijken uit de originelen, welke de appellanten nalaten voor te leggen.

Het door de appellanten aangevoerde middel is ongegrond.

c.

De appellanten voeren aan dat het consignatieverzoek ongeldig is omdat het niet gemotiveerd is.

De verplichting tot consignatie wordt in artikel 92, tweede lid BTW-wetboek afhankelijk gesteld van een verzoek hiertoe door de bevoegde ambtenaar, terwijl er geen wettelijke bepaling kan gevonden worden die deze ambtenaar verplicht dit verzoek tot consignatie te formuleren. Wanneer de betrokken ambtenaar, aldus gebruik makend van zijn discretionaire bevoegdheid dienaangaande, beslist dergelijk verzoek tot consignatie aan de belastingschuldige toe te sturen, neemt hij een bestuurshandeling die om wettig te zijn geschraagd dient te zijn door in feite en in rechte aanvaardbare motieven. Zelfs al legt geen enkele wettekst uitdrukkelijk op het verzoek te motiveren (artikel 92, tweede lid BTW-wetboek voorziet dit niet, en artikel 3 van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, is in toepassing van artikel 7 van deze wet pas in werking getreden op 1.1.1992), dient de beslissing van de ontvanger hoe dan ook gesteund te zijn op objectieve en noodzakelijkerwijze controleerbare gegevens waaruit kan worden opgemaakt dat de beslissing redelijkerwijs verantwoord is rekening houdend met de doelstelling van de wetgever (de rechten van de Schatkist veilig te stellen tegen dilatoire beroepen).

Het Hof is bevoegd om in toepassing van artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet (voorheen artikel 107 van de Grondwet) te onderzoeken of vermelde beslissing van de bevoegde ambtenaar wettelijk is en onder meer te dezen na te gaan of de verzoeken tot consignatie geschraagd zijn zoals hiervoren aangehaald.

Te dezen worden geen gegevens in die zin verschaft door de geïntimeerde, noch in het verzoek tot consignatie, noch op een andere wijze, evenmin tijdens de procedure.

In deze omstandigheden dient het Hof de verzoeken tot consignatie als niet wettelijk en niet toepasbaar te beschouwen, en vast te stellen dat dergelijke niet toepasbare verzoeken geen steun kunnen vormen voor de in artikel 92, tweede lid BTW-wetboek voorziene onontvankelijkheid.

De door de geïntimeerde op deze basis ingeroepen exceptie van onontvankelijkheid is ongegrond.

3. De appellanten voeren aan dat de vordering van de geïntimeerde verjaard is bij toepassing van artikel 83 BTW-wetboek en dat de verjaring werd bereikt op 15.11.1994.

a.

Artikel 81 BTW-wetboek gaat door haar wijzigingen heen er steeds van uit dat de verjaring begint te lopen vanaf de dag waarop de vordering tot voldoening van de belasting, intresten en administratieve geldboeten is ontstaan. Uit de conclusies van partijen dient te worden afgeleid dat zij van het standpunt vertrekken dat de vordering voor een deel is ontstaan in 1977, en meer bepaald in de periode 1.1.1977 tot 31.12.1977.

In zoverre dit het geval is (zie ook in verband met het ontstaan van de vordering artikel 16 van het KB nr. 1 van 23.7.1969) verjaarden deze vorderingen door verloop van 6 jaar (artikel 81, eerste lid BTW-wetboek, vóór de wijziging bij artikel 27 van de wet van 22.12.1977, bepaling in werking getreden op 1.1.1978 volgens artikel 45, 3° van zelfde wet), dus te dezen in elk geval niet vóór 1983.

Vanaf 1.1.1978, datum waarop de vorderingen nog niet waren verjaard, werd de verjaringstermijn gebracht op 5 jaar (zie het geciteerde artikel 27 van de wet van 22.12.1997). Deze kortere verjaringstermijn kan ten vroegste voor de genoemde vorderingen beginnen lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van 1.1.1978 en zou derhalve de oorspronkelijke termijn van 6 jaar overschrijden. In deze omstandigheden dient toepassing te worden gemaakt van de oude verjaringstermijn van 6 jaar op de wijze zoals voorzegd.

b.

Voor de na 1.1.1978 ontstane vorderingen geldt de hiervoren aangehaalde termijn van 5 jaar, zodat deze vorderingen evenmin vóór 1983 verjaarden.

c.

De verjaring werd tijdig gestuit door de kennisgeving van het dwangbevel van 27.12.1982 per aangetekende brief van 28.12.1992 op grond van artikel 85, § 1, tweede lid en 85, § 2, 1° BTW-wetboek (in de versie na wijziging door 67 van de wet van 8.8.1980). Krachtens artikel 85, § 1, tweede lid BTW-wetboek geldt de afgifte ter post van het stuk als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. De appellanten betwisten niet de afgifte van de stukken (zie stukken 5 C van de appellanten) ter post op 28.12.1982, zodat er stuiting was op 29.12.1982.

d.

Het artikel 83, eerste lid BTW-wetboek heeft steeds voorzien (op de hierna vermelde wijziging na en zonder rekening te houden met de wijziging bij wet van 15.3.1999, niet van toepassing op grond van artikel 97, eerste lid, tweede gedachtestreepje van die wet) :

"Zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, wordt de verjaring gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. Een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, wordt in dat geval verkregen twee jaar (vanaf 1.11.1980 : vijf jaar, zie artikel 66 van de wet van 8.8.1980, inwerkingtreding; artikel 89, 4° van zelfde wet) na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is."

Met betrekking tot deze bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereidende werken (Bespreking van de artikelen in de Senaat, Pasinom. 1969, p. 1072) gesteld dat bij stuiting een nieuwe verjaring begint te lopen die op dezelfde wijze kan gestuit worden en dat de verjaring verkregen is - zelfs al gaat het om de vordering tot voldoening bedoeld bij artikel 81 BTW-Wetboek die in een termijn van zes jaar (nadien vijf jaar) voorziet - twee jaar (nadien vijf jaar) na de laatste stuitingsdaad van de vorige verjaring. Er werd echter aan toegevoegd dat de verjaring nochtans niet verkregen wordt wanneer een rechtsgeding hangend is, en bovendien gepreciseerd dat de tekst van artikel 83 niet voorziet dat de verjaring niet loopt wanneer er een rechtsgeding is, maar dat ze niet verkregen wordt indien er een rechtsgeding is twee jaar (nadien vijf jaar) na de laatste stuitingsdaad.

Noch in de wettekst, noch in de voorbereidende werken wordt onderscheid gemaakt tussen het geval waarin het rechtsgeding wordt ingeleid op initiatief van de Belgische Staat dan wel op het initiatief van de belastingschuldige. Het rechtsgeding ingeleid door de belastingschuldige bij wijze van verzet met dagvaarding ter stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (artikel 89, BTW-Wetboek), zoals te dezen, is te beschouwen als een rechtsgeding bedoeld bij artikel 83, eerste lid BTW-Wetboek. Hierbij is het ook logisch aan te nemen dat wanneer de wetgever in artikel 83, eerste lid BTW-Wetboek het heeft over de invloed van een rechtsgeding op de verjaring, hij ook denkt aan een rechtsgeding dat hij even verder in de wet onder artikel 89 bespreekt.

Dit vindt ook bevestiging in het feit dat tijdens de voorbereidende werken in de Kamer van Volksvertegenwoordigers met betrekking tot het BTW-Wetboek (de wet van 3.7.1969) (Memorie van Toelichting, Pasinom. 1969, p. 880) werd gesteld dat de regelen in artikel 83 dezelfde zijn als die in artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen.

De tekst van het toenmalige artikel 83 BTW-Wetboek is identiek aan de tekst van het toenmalige artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen. Het eraan voorafgaand toenmalige artikel 2026 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen heeft quasi dezelfde bewoordingen als het artikel 89 BTW-Wetboek en beide bepalingen hebben het over de stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel/dwangschrift door middel van verzet met dagvaarding.

Met betrekking tot het artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen werd ten tijde van het tot stand komen van het BTW-Wetboek (wet van 3.7.1969) evenzeer aangenomen dat er rechtsgeding in de zin van vermeld artikel 2029 was bij verzet tegen dwangschrift met dagvaarding (zie RPDB, deel XIV, V° Timbre (Taxes assimilées au), p. 523, nr. 1812, 6° en p. 527 nr. 1842).

Huidig rechtsgeding (ingeleid voor de eerste rechter bij dagvaarding van 5.1.1983) was hangende op een ogenblik dat de verjaring nog niet bereikt was, dit ingevolge de stuiting door de kennisgeving van het dwangbevel.

Tijdens huidig rechtsgeding, dat als voorwerp heeft de betwisting van de vordering tot voldoening van de BTW en accessoria, kan enige verjaring tegen de geïntimeerde met betrekking tot haar vordering niet lopen gezien gedurende het rechtsgeding de vordering van de geïntimeerde in betwisting blijft (zie De Page, H., Traité Elémentaire de Droit Civil Belge, Brussel, Bruylant, 1943, Tome VII-vol. II, nr. 1211.A, p. 1090; vergelijk met Cass. 7.12.1995, RW 1995-96, 1416 en Cass. 30.6.1997, Pas. 1997, I, p. 772, nr. 309).

De stuiting van de verjaring door een dagvaarding, behoudens andersluidende wetsbepalingen, houdt niet op bij de uitspraak, die de vordering van het betwiste recht heeft afgewezen, in de aanleg die door die dagvaarding werd ingeleid, doch duurt voort tijdens het gehele geding, dit is tot op de dag van de uitspraak van het vonnis of arrest dat een einde maakt aan het geding (vergelijk met Cass. 30.6.1997, Pas. 1997, I, nr. 309 p. 772).

e.

Uit hetgeen voorafgaat dient te worden afgeleid dat de exceptie van verjaring geformuleerd door de appellanten ongegrond is

4. De appellanten voeren aan dat zowel het dwangbevel van 27.12.1982 als het proces-verbaal van 22.12.1982 nietig zijn.

a.

Uit het nazicht van de door de appellanten voorgelegde stukken blijkt dat er slechts één enkel proces-verbaal is, nl. dit van 22.12.1982. Voordien waren er enkel niet gedateerde en door niemand ondertekende "ontwelpen van processen-verbaal" aan het einde waarvan telkens aan de appellanten werd gevraagd voor akkoord te ondertekenen, wat zij niet hebben gedaan. Dit heeft er hen wel toe aangezet zich te richten tot de Minister van Financiën in het kader van artikel 84 BTW-wetboek.

In een (volgens de appellanten) eerste ontwerp van proces-verbaal (stuk A2 van de appellanten) wordt in hoofde van de feitelijke vereniging PDI een nog verschuldigde BTW weerhouden van … BEF (thans … EUR). Dit bedrag wordt niet gedetailleerd.

In een (volgens de appellanten) tweede ontwerp van proces-verbaal (stuk A3 van de appellanten) wordt in hoofde van de feitelijke vereniging PDI opnieuw een nog verschuldigde BTW weerhouden van … BEF (thans … EUR). Hierin wordt dan wel een detail van het bedrag aan BTW weergegeven nl. … BEF (thans … EUR) over het jaar 1977, en de bedragen over de jaren 1978-1979-1980, dit alles leidend tot een totaal van … BEF (thans … EUR).

Een (volgens de appellanten) derde ontwerp van proces-verbaal, steeds lastens PDI (stuk A6 van de appellanten), herneemt het zelfde bedrag aan verschuldigde BTW en het zelfde detail als in het tweede ontwerp.

Een (volgens de appellanten) vierde ontwerp van proces-verbaal, steeds lastens PDI (stuk A9 van de appellanten), herneemt het zelfde bedrag aan verschuldigde BTW en het zelfde detail als in het tweede ontwerp.

Deze vermelde stukken met betrekking tot PDI zijn met elkaar in overeenstemming.

In een (volgens de appellanten) eerste ontwerp van proces-verbaal (stuk B2 van de appellanten) wordt in hoofde van AST een nog verschuldigde BTW weerhouden van … BEF (thans … EUR) volgens detail in dit ontwerp opgenomen, hetzij … BEF (thans … EUR) aan BTW op de ontvangsten AST en … BEF (thans … EUR) op verkopen van bedrijfsmiddelen.

In een (volgens de appellanten) tweede ontwerp van proces-verbaal (stuk B5 van de appellanten) wordt in hoofde van de feitelijke vereniging AST een nog verschuldigde BTW weerhouden van … BEF (thans … EUR), hetzij nog enkel de BTW op de ontvangsten AST, en niet meer op de verkopen van bedrijfsmiddelen, dit laatste nadat de appellanten daaromtrent betwisting hadden gevoerd (zie de stukken B3 en B4).

Deze vermelde stukken met betrekking tot AST zijn met elkaar in overeenstemming, in beschouwing genomen dat blijkbaar een onjuist bedrag van … BEF (thans … EUR) aan BTW niet langer werd weerhouden, dit in het voordeel van de appellanten.

Rechtdoende op het verzoek van de appellanten in toepassing van artikel 84 BTW-wetboek besliste de Minister van Financiën op 29.11.1982 (stuk C.l van de appellanten) dat :

- de BTW niet verschuldigd is voor de dienst die PDI verleent aan AST, zodat BTW enkel moet worden gevorderd met betrekking tot de door de deelnemers van de zogenaamde seminaries betaalde vergoedingen;

- daarentegen de dienst die de Zwitserse vennootschap PTS verleent aan de appellanten wel aan BTW is onderworpen, doch volledig aftrekbaar is;

- aan de bevoegde hoofdcontroleur opdracht zal gegeven worden de zaak opnieuw te onderzoeken en de toestand van de appellanten op het stuk van de BTW vanaf 1.1.1977 te regulariseren.

Vervolgens wordt het proces-verbaal d.d. 22.12.1982 opgesteld, waarin :

het grootste deel van de inhoud van vermelde ministeriële beslissing quasi integraal wordt hernomen;

- de overweging van de Minister dat de dienst die de Zwitserse vennootschap PTS verleent aan de appellanten volledig aftrekbaar is, op deze wijze wordt genuanceerd dat dit niet geldt voor de periode van 1.1.1977 tot 31.12.1977 daar er dan geen recht op aftrek van de voorbelasting was voor de appellanten die toen geen belastingplichtigen waren in de zin van het BTW-wetboek;

- de verschuldigde BTW wordt herberekend, waarbij :

* voor de BTW op de ontvangsten van AST dezelfde cijfers qua ontvangsten worden gehanteerd als in de ontwerpen van proces-verbaal, tevens hetzelfde BTW-tarief, behoudens voor de periode 1.7.1981 tot 30.9.1981 waar het tarief van 17 % gehanteerd wordt in plaats van 16 % zoals in de ontwerpen (terecht: zie het met ingang van 1.7.1981 gewijzigd artikel 1, 3° KB nr. 20);

* de zojuist aangehaalde BTW op de diensten van PTS voor de periode van 1.1.1977 tot 31.12.1977 op dezelfde basis en op dezelfde wijze wordt berekend als in de ontwerpen van processen-verbaal.

Uit dit alles volgt dat het proces-verbaal van 22.12.1982 rekening houdt met zowel de cijfers - basis van de berekening van de BTW - waarvan de vaststelling reeds bleek uit de ontwerpen van processen-verbaal (d.i. uit het bezoek ter plaatse van de Heer V., verificateur, bij de appellanten); als met de ministeriële beslissing, behoudens waar het door de Minister aangegeven recht op aftrek van de belasting voor de diensten van PTS niet toepast voor de periode 1.1.1977 tot 31.12.1977.

Dit laatste vermocht de geïntimeerde te doen, nu het buiten de bevoegdheid van de minister ligt om vrijstelling of vermindering van de belasting te verlenen (artikel 112 tweede lid Grondwet, thans artikel 172, tweede lid, Grondwet/1994).

De situatie van de appellanten werd dan ook heronderzocht zoals de ministeriële beslissing had aangekondigd, in het licht van die beslissing.

Het. blijkt hierbij niet dat de rechten van verdediging werden geschonden of de beginselen van behoorlijk bestuur zoals de appellanten voorhouden.

Geen enkele wettelijke bepaling verplichtte de geïntimeerde om, met het oog op de geldigheid ervan, het proces-verbaal van 22.12.1982, de verdere aanmaningen, het dwangbevel voor te leggen aan de Minister, of een afwachtende houding aan te nemen tot dit zou gebeuren. Zulks is ook niet af te leiden uit de ministeriële beslissing zelf, terwijl het een eindbeslissing is waarbij aan de bevoegde hoofdcontroleur de verdere afhandeling van de fiscale toestand van de appellanten opgedragen wordt (zie de beslissing, stuk C1 van de appellanten, in fine).

b.

Volgens het proces-verbaal van 22.12.1982 werd het opgesteld door de Heer V., verificateur verbonden aan de 8e BTW-controle te Gent. Het is ondertekend en de opwerping van de appellanten dat de handtekening onleesbaar is, is niet van aard te doen twijfelen aan de ondertekening van het proces-verbaal door de Heer V.. Het is niet absoluut vereist dat een handtekening leesbaar zou zijn.

Overeenkomstig artikel 59, § 1, tweede lid BTW-wetboek leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen. De wet vereist hiertoe niet dat het proces-verbaal zou goedgekeurd of geviseerd worden door een hiërarchische meerdere of een ander lid van de administratie.

Het afschrift van het proces-verbaal van 22.12.1982 in het bezit van de appellanten (stuk C6 van de appellanten) werd uitdrukkelijk echt verklaard door de ontvanger op 28.12.1982. Het middel van de appellanten volgens welk het proces-verbaal nietig zou zijn naar de vorm omdat het afschrift niet voor eensluidend werd verklaard door de ontvanger is manifest ongegrond.

Het feit dat voorafgaand aan het proces-verbaal er een aantal ontwerpen van processen-verbaal waren is niet van aard de bewijskracht van het proces-verbaal in het gedrang te brengen des te meer nu, zoals hoger werd uiteengezet er in deze ontwerpen en het proces-verbaal overeenstemming is wat de feitelijke vaststellingen betreft.

De oplossing van de vraag of er al dan niet naar de wet BTW verschuldigd is, is niet van aard invloed te hebben op de geldigheid/nietigheid van het proces-verbaal omdat het vermeldt op welke wijze de BTW-wetgeving volgens de opsteller moet worden toegepast. Dit vraagstuk laat de vaststellingen propriis sensibus van de opsteller onaangetast.

c.

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het proces-verbaal van 22.12.1982 niet nietig is, zodat de door de appellanten hieruit afgeleide nietigheid van het dwangbevel niet kan aangenomen worden.

Verder blijkt te dezen geen ambtshalve aanslag (artikel 66 BTW-wetboek) voorhanden te zijn, zodat de argumentatie van de appellanten daaromtrent niet dienend is.

Tevergeefs voeren de appellanten ook aan dat het dwangbevel genomen is in strijd met artikel 84 BTW-wetboek. Te dezen heeft de Minister zijn eindbeslissing genomen en werd deze uitgevoerd door de geïntimeerde met eerbiediging van de wet (zie hoger). De appellanten, die het duidelijk niet eens waren met het standpunt van de Minister zoals blijkt uit de huidige uitvoerige betwistingen ten gronde, hebben tegen het dwangbevel verzet aangetekend zoals de wet hun toeliet en beschikten derhalve ten volle over hun rechten van verdediging. Noch het betekenen van een dwangbevel, noch het inleiden van een rechtsgeding beletten trouwens een eventuele minnelijke regeling (vergelijk ook in die zin de parlementaire voorbereiding van de wet van 3.7.1969, Gedr. St., Kamer, B.Z. 1968, nr. 88/15, 169).

De beginselen van behoorlijk bestuur zijn evenmin geschonden. Anders dan door de appellanten voorgehouden werden niet de "meest uiteenlopende stellingen" naar voor geschoven, maar steunt het proces-verbaal van 22.12.1982 dat als basis dient voor het dwangbevel op de vaststellingen die ook tot uiting komen in de voorafgaande ontwerpen van processen-verbaal, meer bepaald de concrete cijfergegevens wat betreft de basissen waarop de BTW volgens de geïntimeerde moet berekend worden. De vraag of wettelijk BTW is verschuldigd dient hierna te worden onderzocht.

Anders dan door de appellanten voorgehouden blijkt het dwangbevel ondertekend te zijn (zie stuk C4 van de appellanten), eveneens het proces-verbaal (stuk C6 van de appellanten). Enig bevel tot betalen waarvan de appellanten beweren dat het niet ondertekend was, wordt niet voorgelegd.

Voor zoveel als nodig moet worden opgemerkt dat de aangetekende brieven d.d. 28.12.1982 waarbij het dwangbevel werd betekend moeten vermoed worden ondertekend te zijn geweest. De appellanten leggen zelf de ondertekende brief voor gericht aan D. L. (stuk C3). Zij leggen ook nog eens dezelfde brief voor, maar niet ondertekend (stuk C5a). Het is te dezen zeer onaannemelijk dat de geïntimeerde, in hetzelfde dossier, van de aangetekende brieven die zij dezelfde dag verstuurt, aan de belastingplichtigen gehouden tot zelfde belastingschuld, één brief zal ondertekenen en de andere niet. Gezien hetgeen voorafgaat maken de stukken C5b en C5c niet het bewijs van het tegendeel uit.

5. Te dezen wordt niet betwist dat de seminaries gegeven door de appellanten en waarvoor zij vergoed werden, diensten zijn in de zin van artikel 18, § 1, 1° BTW-wetboek in de versie van toepassing voor de betrokken periodes nl. "de uitvoering ingevolge een contract onder bezwarende titel van welke handeling ook die lol voorwerp heeft : 1°. Een materieel of intellectueel werk dat zelfstandig wordt verricht.".

De appellanten stellen evenwel dat zij dienen te genieten van de vrijstelling voorzien bij artikel 44, § 2, 4° BTW-wetboek, voor de weerhouden periodes luidend als volgt :

" Van de belasting zijn eveneens vrijgesteld :

4° Het verstrekken van school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, en van de daarmee samenhangende diensten, logies, spijzen en dranken daaronder begrepen, door instellingen die daartoe door de overheid zijn erkend of die aan dergelijke instellingen zijn toegevoegd of ervan afhangen; het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing;".

Deze bepaling is de omzetting van artikel 13, A, 1, i), van de Zesde Richtlijn nr. 77/388/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde : uniforme belastinggrondslag (PB. L145, 13.6.1977), luidend als volgt :

"

Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lidstaten vrijstelling voor de onderstaande handelingen, onder de voorwaarden die zij vaststellen om een eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen :

…

i) onderwijs aan kinderen of jongeren, school- en universitair onderwijs, beroepsopleiding en herscholing, met inbegrip van de diensten en goederenleveringen die hiermede nauw samenhangen, door publiekrechtelijke lichamen die daartoe zijn ingesteld of door andere organisaties die door de betrokken Lidstaat als lichamen met soortgelijke doeleinden worden erkend;"

De geïntimeerde bewijst dat de door AST verstrekte diensten in beginsel belastbare diensten uitmaken. Waar de appellanten zich beroepen op een uitzondering hierop (nI. de vrijstelling voorzien bij artikel 44, § 2, 4° BTW-wetboek) is het aan hen om te bewijzen dat de voorwaarden voor het toepassen van die uitzondering voorhanden zijn.

Artikel 44, § 2, 4° BTW-wetboek dient, inzoverre het daartoe ruimte laat, richtlijnconform te worden geïnterpreteerd. Bovendien moeten de bewoordingen waarin de vrijstellingen van artikel 13, A, 1, i van de Zesde richtlijn zijn omschreven, strikt worden uitgelegd, aangezien zij afwijkingen zijn van het algemene beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht (vergelijk met Hof van Justitie, C-287/00, d.d. 20.6.2002, cijfer 43, www.curia.eu.int ).

De eventuele interpretaties van de wettelijke bepalingen door de geïntimeerde in aanschrijvingen gegeven zijn voor de rechterlijke macht niet bindend, ook niet door middel van de door de appellanten ingeroepen toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur. Ook het gegeven dat - naar de appellanten beweren - zij teveel inkomstenbelastingen zouden betaald hebben omdat de administratie der directe belastingen geen BTW van de belaste vergoedingen in mindering bracht terwijl de BTW-administratie de BTW wel inbegrepen acht, is zonder invloed (dan nog afgezien van de vraag of het geschil met de BTW niet op een tijdstip tot stand kwam dat de appellanten nog toeliet bezwaar inzake inkomstenbelastingen aan te tekenen bij de gewestelijke directeur).

Te dezen dienen de appellanten aan te tonen dat hun prestaties bestonden in het verstrekken van (of het geven door leerkrachten van lessen met betrekking tot) school- of universitair onderwijs, beroepsopleiding en -herscholing, zoals bedoeld bij artikel 44, § 2, 4° BTW-wetboek.

Volgens de ontwerpen van processen-verbaal met betrekking tot AST (stukken B2 en B5 van de appellanten) zou de activiteit van AST omschreven zijn als volgt : "AST is een volwassenvorming tot zelfkennis en zelfontplooiing in het algemeen (personal achievement). AST betreft een mentale herscholing van volwassenen. Dit gebeurt tijdens weekendcursussen door AST georganiseerd." De appellanten hebben deze omschrijving tot de hunne gemaakt in hun verzoekschrift op grond van artikel 84 BTW-wetboek (stuk B6 van de appellanten, 7e blad onderaan) en leiden uit deze omschrijving af dat het gaat "om een vorm van permanente educatie, welke een rechtstreekse vorm is van bijscholing of herscholing" (ibidem, 8e blad).

Volgens het verslag van verificatie ter plaatse inzake inkomstenbelastingen van 21.2.1980 (bewijsstuk 4 van de geïntimeerde) worden om de maand cursussen ingericht voor afgestudeerde universiteitsstudenten, omvat de cyclus 4 dagen en wordt dit in een hotel georganiseerd. Over de inhoud van de cursussen zelf blijkt hieruit niets. Wel is deze beperking tot universiteitsstudenten niet in overeenstemming met het door de appellanten voorgehouden publiek in hun conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 23.12.2002 (p. 32). Dit laatste blijft echter enkel bij een bewering.

Er wordt door de appellanten verder geen enkel bewijs of document verschaft waaruit de aard van het door hen verstrekte beweerde onderwijs juist blijkt. Een document met betrekking tot een zekere "Prana Vormingscentrum" brengt niets bij, nu dit geen informatie geeft over de activiteiten van de appellanten en de loutere bewering van de appellanten dat zij een zelfde of gelijkaardige activiteit uitoefenden hieraan niets wijzigt.

De door de geïntimeerde voorgebrachte krantenknipsels brengen evenmin iets bij. Hun inhoud wekt eerder de indruk dat het helemaal niet gaat om een vorm van onderwijs of scholing, doch deze stukken missen voldoende bewijskracht om aan te tonen of het al dan niet om een vorm van onderwijs of scholing gaat.

De hoger aangegeven omschrijving door de appellanten hernomen in het verzoekschrift op grond van artikel 84 BTW-wetboek is bijzonder vaag en weinigzeggend. Hieruit kan niet gehaald worden dat het gaat om beroepsopleiding of beroepsherscholing, terwijl het zeker geen schoolonderwijs dan wel universitair onderwijs betreft.

De appellanten falen in hun bewijslast. Zij tonen niet aan dat zij dienen te genieten van de vrijstelling voorzien bij artikel 44, § 2, 4° BTW-wetboek.

6. De Zwitserse vennootschap PTS en de appellanten (feitelijke vereniging PDI) sloten een franchisingovereenkomst waarbij de appellanten de exclusieve exploitatierechten bekwamen voor het AST-systeem ("Advanced Success Training") in België (zie de ontwerpen van proces-verbaal, stukken A2, A3, A6, A9 van de appellanten; zie ook het verzoekschrift artikel 84 BTW-wetboek cijfer 1.A, tweede blad, stuk A10 van de appellanten; zie ook de conclusie van de appellanten neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 23.12.2002, p. 3). In het jaar 1977 werd aan PTS daarvoor een bedrag van … BEF (thans … EUR) (zie het proces-verbaal van 22.12.1982) betaald door de appellanten (waarbij het van geen belang is of zij onder de naam PDI dan wel ATS handelden, nu het feitelijke verenigingen betreft).

De appellanten stellen dat het “royalties” betreft verschuldigd op intellectuele rechten inzake vormingscursussen die vrijgesteld zijn van BTW. De geïntimeerde daarentegen is van oordeel dat het diensten zijn bedoeld in artikel 18, § 1, 7° BTW-wetboek die bij toepassing van artikel 21, § 3, 7°, a BTW-wetboek aan BTW zijn onderworpen.

Artikel 18, § 1, 7° BTW-wetboek bepaalt dat onder verrichten van diensten wordt verstaan "de uitvoering ingevolge een contract onder bezwarende titel van welke handeling ook die tot voorwerp heeft ... 7°. De overdracht van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een auteursrecht, een industrie tekening, een industriemodel of andere soortgelijke rechten, of het verlenen van licenties inzake deze rechten".

Anders dan door de appellanten voorgehouden valt het verlenen van de exploitatierechten van het AST-systeem onder de diensten opgesomd in artikel 18, § 1, 7° BTW-wetboek. Hiertoe is niet vereist dat de door de appellanten gebruikte termen waarmee zij de dienst kwalificeren uitdrukkelijk of tekstueel zou opgenomen worden in de opsomming van diensten. De opsomming van artikel 18, § 1, 7° heeft een ruime inhoud, het precieze voorwerp van octrooi of auteursrecht wordt algemeen gehouden en niet nader gedetailleerd, en ook overdracht of licentie van soortgelijke rechten worden als diensten beschouwd.

De verwijzing door de appellanten naar de regeling met betrekking tot de belastingen op de royalties in de dubbelbelastingverdragen, hetzij te dezen het Belgisch-Zwitsers dubbelbelastingverdrag is niet dienend nu dit verdrag niet van toepassing is op de BTW (artikel 2 van het verdrag). Belasting inzake directe belastingen en BTW-heffing kunnen tevens naast elkaar worden toegepast, nu dit niet wettelijk wordt uitgesloten, zodat er geen schending is van het non-bis-in-idem-principe.

Waar de geïntimeerde heeft aangetoond dat BTW verschuldigd was, is het desgevallend aan de appellanten om aan te tonen dat deze niet meer kan gevorderd worden omdat de BTW werd voldaan. De appellanten brengen dit bewijs niet bij. Uit het proces-verbaal van 22.12.1982 blijkt bovendien dat werd nagegaan of de BTW al dan niet voldaan werd door PTS, en werd meer bepaald vastgesteld dat PTS geen aansprakelijke vertegenwoordiger in België had in de zin van het toepasselijke artikel 55, eerste lid BTW-wetboek en tevens dat de BIW nooit werd voldaan op de wijze voorzien bij artikel 6, 2° KB nr. 31 (d.d. 29.12.1970) (aanbrengen en onbruikbaar maken van fiscale plakzegels op de door PTS uitgereikte factuur).

Bij ontstentenis van een erkende aansprakelijke vertegenwoordiger kunnen de belasting, de intresten en de geldboeten worden geheven ten laste van de medecontractant (de appellanten) van de belastingplichtige (PTS) (artikel 55, vierde lid BTW-wetboek).

7. Afgezien van de vraag of de appellanten zich te dezen in hun relatie tot de geïntimeerde wel kunnen beroepen op artikel 1134, derde lid, Burg. W., blijkt niet dat de geïntimeerde te kwader trouw handelde.

Het stuk C3 naar hetwelk de appellanten verwijzen is de kennisgeving van het dwangbevel die verjaringsstuitend is. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan de stelling van de geïntimeerde dat zij overging tot uitvaardigen en kennisgeven van een dwangbevel om de verjaring te stuiten. Hieruit blijkt op zich niet de kwade trouw.

8. Tevergeefs voeren de appellanten aan dat de geïntimeerde de beginselen van behoorlijk bestuur of het vertrouwensbeginsel zou hebben geschonden.

De geïntimeerde heeft aanvaard dat de activiteit van de appellanten vrijgesteld was van BTW voor de periode voorafgaand aan 1.1.1978. Wanneer zij vanaf die datum een andere houding aanneemt dan is dit ingevolge de wijziging van de tekst van artikel 44, § 2, 4° BTW-wetboek, die ten aanzien van de mogelijkheid van vrijstelling veel minder ruim is dan de vorige tekst. De geïntimeerde diende de gewijzigde wetsbepaling toe te passen en schond hierbij het vertrouwensbeginsel of enig ander beginsel van behoorlijk bestuur niet.

De beslissing van de Minister van 29.11.1982 liet de appellanten niet geloven dat zij vielen onder de vrijstelling van artikel 44 BTW-wetboek maar liet verstaan dat zij dienden te bewijzen dat zij onder de vrijstelling vielen. Wat de BTW betreft verschuldigd op de diensten verstrekt door PTS stelde de Minister dat de appellanten wel degelijk tot de BTW gehouden waren, maar wordt de aandacht er op gevestigd dat de belasting aftrekbaar is. Dit laatste was voor het jaar 1977 echter niet juist en werd door de geïntimeerde rechtgezet ongeveer een maand na de ministeriële beslissing. De appellanten kunnen niet voorhouden dat bij hen een gerechtvaardigd vertrouwen werd gewekt dat door de geïntimeerde diende te worden gehonoreerd. Een houding in strijd met de wet kan trouwens geen rechtmatig vertrouwen wekken.

De vordering tot schadevergoeding van de appellanten is ongegrond.

9. De appellanten vorderen kwijtschelding van de door de geïntimeerde opgelegde geldboete.

In het dwangbevel werd een boete van … BEF (thans … EUR) opgenomen. Deze boete werd berekend in toepassing van artikel 70, § 1 BTW-wetboek (zie het proces-verbaal van 22.12,1982), hetzij het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

De geldboete voorzien bij artikel 70, § 1 BTW-Wetboek strekt ertoe, dit om de heffing van de BTW te verzekeren, zowel ten aanzien van de leverancier of de dienstverrichter als zijn medecontractant, hen zowel aan te zetten tot nakoming van de verplichtingen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van die verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De aan de appellanten in toepassing van voormelde bepaling opgelegde geldboete is in deze omstandigheden een strafsanctie in de zin van de artikelen 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955) en 14 IVBPR (Internationaal Verdrag van 19.12.1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York, goedgekeurd bij wet van 15.5.1981).

Het Hof vermag de wettelijkheid van dergelijke sanctie te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit houdt in dat het Hof vermag na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, en derhalve te onderzoeken of de geïntimeerde te dezen naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van de hoger aangehaalde omvang, zonder evenwel de boete te mogen kwijtschelden of verminderen om loutere redenen van opportuniteit en tegen de wettelijke regels in (vergelijk met Cass. 24.01.2002, rolnr. C000234N, www.cass.be ). Van schending van de gelijkberechtiging tussen belastingplichtigen, zoals de geïntimeerde laat gelden, kan hier geen sprake zijn, nu alle belastingplichtigen in de situatie van de appellanten de mogelijkheid hebben zich te beroepen op de vermelde bepalingen en zich hiertoe zo nodig tot de rechtbank kunnen richten.

Te dezen blijkt niet dat de appellanten de bedoeling hadden de BTW te ontduiken en er niet van overtuigd waren, weliswaar ten onrechte, dat zij de door de geïntimeerde gevorderde BTW niet verschuldigd waren. Enige informatie met betrekking tot vroegere inbreuken wordt niet meegedeeld.

In deze omstandigheden is de opgelegde geldboete (200 %) onevenredig met de inbreuk en niet in redelijkheid te rechtvaardigen. Het deel van de boete dat de perken van de evenredigheid en redelijkheid te boven gaat moet vernietigd worden, te dezen het gedeelte dat 10 % van de verschuldigde BTW, hetzij … BEF (thans … EUR) te boven gaat.

10. De appellanten stellen dat aan de geïntimeerde geen verwijlintresten kunnen worden toegekend "gezien onderhavige procedure vanaf het dwangbevel tot een eindarrest een onredelijke lange termijn heeft gekend".

Intresten zijn verschuldigd krachtens artikel 91 BTW-wetboek. Niet alleen reiken de appellanten geen enkele rechtsgrond aan ter ondersteuning van hun stelling, maar bovendien blijkt niet dat de geïntimeerde in strijd met de wet intresten vordert.

Het middel is ongegrond.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit de vordering van de appellanten ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende.

Verklaart de vordering van de appellanten zoals uitgebreid deels gegrond.

Verklaart deels gegrond het verzet van de appellanten tegen het dwangbevel uitgevaardigd op 27.12.1982 door P. D. M., ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Wetteren (Leg. 28, deel 222 art. 231), geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. d. S., gewestelijke directeur a.i., directie van de belasting over de toegevoegde waarde te Gent op 27.12.1982 (Reg. 127/2154/82).

Vernietigt dit dwangbevel in de mate waarin het voor de geldboete een hoger bedrag vaststelt dan … BEF (thans … EUR);

Veroordeelt de appellanten tot 1/3 en de geïntimeerde tot 2/3 van de kosten van beide aanleggen, in hun totaal als volgt begroot :

• aan de zijde van de appellanten : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening debatten + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde op : … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR aanvullende rechtsplegingsvergoeding heropening debatten + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in burgerlijke zaken, op VEERTIEN OKTOBER TWEEDUIZEND EN DRIE.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Textes cités

19
CTVA art. 447 occurrences
CTVA art. 846 occurrences
CTVA art. 835 occurrences
CTVA art. 925 occurrences
CTVA art. 184 occurrences
CTVA art. 854 occurrences
CTVA art. 813 occurrences
CTVA art. 552 occurrences
CTVA art. 702 occurrences
CTVA art. 892 occurrences
AR no 1 art. 161 occurrence
AR no 20 art. 11 occurrence
AR no 31 art. 61 occurrence
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 661 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8