Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 18 novembre 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-gand-2008-11-18-a051

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
18 novembre 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

77 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 18.11.2008

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, terechtzitting van 18-11-2008

Nr. 2007/AR/2417

in de .zaak van :

T. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …,

appellante,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. J., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Belastingen en Invordering, Administratie van de BTW in de persoon van :

- de Rekenplichtige van het 1ste BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,

- de E.a. Inspecteur van het 3de BTW-controlekantoor te Kortrijk, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31.

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. M., advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 977

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 24.4.1998 dagvaardde de appellante de geïntimeerde voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk teneinde uitspraak te horen doen over haar verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) op haar naam, uitgevaardigd door R. B., waarnemend eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur van het 1e BTW-ontvangkantoor van Kortrijk op 1.4.1998, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 1.4.1998 door M.C. D., e.a. Inspecteur der derde BTW-controle Kortrijk aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brugge.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld ten laste van de appellante : een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW + een geldboete krachtens artikel 70, § 1 BTW-wetboek van … BEF (… EUR), meer de intrest van 0,8 % per maand, vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.4.1995, de moratoire intrest over de verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving of de betekening van het dwangbevel ingevolge artikel 91, § 4 BTW-wetboek, de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellante dat het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk en/of ongegrond zou worden verklaard en zou worden gezegd voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben. Verder vorderde zij dat de terugbetaling zou worden bevolen van alle sommen die werden betaald of werden ingehouden of in beslag genomen, verhoogd met de moratoire rente vanaf het ogenblik dat de sommen hadden moeten worden terugbetaald, of vanaf de inbeslagname of de betaling.

Bij vonnis van 2.4.2007 van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Kortrijk, tweede kamer, werd het verzet van de appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, werd het dwangbevel hervormd, en werd voor recht gezegd dat de appellante verschuldigd was aan de geïntimeerde : … EUR BTW, … EUR geldboete, de intrest van 0,8 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21.4.1995, de moratoire interest over de verschuldigde geldboete die loopt vanaf de kennisgeving van het dwangbevel, de vervolgingskosten. Er werd gezegd dat elke partij haar eigen kosten zou dragen.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 3.10.2007 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend of dat de appellante er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Met haar hoger beroep streeft de appellante de vernietiging van het bestreden vonnis na en vordert zij dat haar oorspronkelijke vordering zou worden toegewezen, en meer bepaald dat het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond zou worden verklaard en zou worden gezegd voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben. Verder vordert zij dat de terugbetaling zou worden bevolen van de ingehouden sommen verhoogd met de moratoire rente.

Bij conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Gent op 6.2.2008 heeft de geïntimeerde incidenteel beroep ingesteld wat de geldboete betreft. Dit incidenteel beroep strekt ertoe de vermindering van de geldboete door de eerste rechter ongedaan te maken en de geldboete te behouden zoals in het bestreden dwangbevel opgenomen.

2. De appellante voert aan dat de vordering van de geïntimeerde verjaard is in toepassing van de artikelen 81 en 83 BTW-wetboek. De laatste nuttige stuiting van de verjaring gebeurde volgens de appellante op 3.4.1998 (kennisgeving van het dwangbevel) en bij gebrek aan latere stuitingsdaden is nu de invordering verjaard.

Artikel 83 BTW-wetboek voorziet dat de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikel 2244 e.v. Burg. W. en voegt er aan toe dat een nieuwe verjaring die op dezelfde wijze kan worden gestuit in dat geval wordt verkregen 5 jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Met betrekking tot deze bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereidende werken (Bespreking van de artikelen in de Senaat, Pasinom. 1969. p. 1072) gesteld dat bij stuiting een nieuwe verjaring begint te lopen die op dezelfde wijze kan gestuit worden en dat de verjaring verkregen is - zelfs al gaat het om de vordering tot voldoening bedoeld bij artikel 81 BTW-Wetboek die in een termijn van zes jaar (hier vijf jaar) voorziet - twee jaar (hier vijf jaar) na de laatste stuitingsdaad van de vorige verjaring. Er werd echter aan toegevoegd dat de verjaring nochtans niet verkregen wordt wanneer een rechtsgeding hangend is, en bovendien gepreciseerd dat de tekst van artikel 83 niet voorziet dat de verjaring niet loopt wanneer er een rechtsgeding is, maar dat ze niet verkregen wordt indien er een rechtsgeding is twee jaar (hier vijf jaar) na de laatste stuitingsdaad.

Noch in de wettekst, noch in de voorbereidende werken wordt onderscheid gemaakt tussen het geval waarin het rechtsgeding wordt ingeleid op initiatief van de Belgische Staat dan wel op het initiatief van de belastingschuldige. Uit de aanvang van artikel 83 blijkt dat de erin vermelde stuitingsregelen gelden "zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve boeten". Het rechtsgeding ingeleid door de belastingschuldige bij wijze van verzet met dagvaarding ter stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (artikel 89 BTW-Wetboek). zoals te dezen, is te beschouwen als een rechtsgeding bedoeld bij artikel 83, eerste lid BTW-Wetboek. Weliswaar veronderstelt de toepassing van artikel 2244 Burg. W. in beginsel dat er slechts stuiting is door betekening van de akte waarbij het rechtsgeding aanhangig wordt gemaakt aan degene die men wil beletten de verjaring te verkrijgen, doch artikel 83 BTW-wetboek voorziet zelf in een uitzondering nl. indien een rechtsgeding hangend is, zonder de beperking dat het rechtsgeding dan moet ingesteld zijn tegen degene die de verjaring wil bekomen en door degene die de verjaring wil beletten.

Dit vindt ook bevestiging in het feit dat tijdens de voorbereidende werken in de Kamer van Volksvertegenwoordigers met betrekking tot het BTW-Wetboek (de wet van 3.7.1969) (Memorie van Toelichting, Pasinom. 1969. p. 880) werd gesteld dat de regelen in artikel 83 dezelfde zijn als die in artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen.

De tekst van het toenmalige artikel 83 BTW-Wetboek is identiek aan de tekst van het toenmalige artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen. Het eraan voorafgaand toenmalige artikel 2026 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen heeft quasi dezelfde bewoordingen als het artikel 89 BTW-Wetboek en beide bepalingen hebben het over de stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel/dwangschrift door middel van verzet met dagvaarding.

Met betrekking tot het artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen werd ten tijde van het tot stand komen van het BTW-Wetboek (wet van 3.7.1969) evenzeer aangenomen dat er rechtsgeding in de zin van vermeld artikel 2029 was bij verzet tegen dwangschrift met dagvaarding (zie RPDB, deel XIV, v° Timbre (Taxes assimilée au), p. 523, nr. 1812.6° en p. 527 nr. 1842).

De verjaring van de vordering van de geïntimeerde werd tijdig gestuit door het gerechtsdeurwaardersexploot van 24.4.1998 dat huidig rechtsgeding inleidt.

Tijdens huidig rechtsgeding, dat als voorwerp heeft de betwisting van de vordering tot voldoening van de BTW en accessoria, kan enige verjaring tegen de geïntimeerde met betrekking tot haar vordering niet lopen gezien gedurende het rechtsgeding de vordering van de geïntimeerde in betwisting blijft (vergelijk met De Page, H., Traité Elémentaire de Droit Civil Belge, Brussel, Bruylant, 1943, Tome VII-vol. Il, nr. 1211.A, p. 1090; vergelijk met Cass. 7.12.1995, RW 1995-96, 1416 en Cass. 30.6.1997, Pas. 1997, I, p. 772. nr. 309).

De vordering van de geïntimeerde is niet verjaard.

3. Artikel 85 BTW-wetboek bepaalt dat bij gebreke van voldoening van de belasting, intresten. administratieve geldboeten en toebehoren door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel wordt uitgevaardigd. Het uitvaardigen van een dwangbevel wordt van geen andere voorwaarden afhankelijk gesteld, en ook niet de voorwaarde dat eerst toepassing zou worden gemaakt van artikel 84 BTW-wetboek, of dat de belastingschuldige nog niet mag hebben voorgesteld een afstand van de verlopen verjaring te ondertekenen (voorstel waarop de administratie niet verplicht is in te gaan).

Het uitvaardigen en betekenen/kennis geven van een dwangbevel is een middel dat ter beschikking staat van de administratie om de schuld vast te stellen en de verjaring te stuiten, en het kan haar niet verweten worden hiertoe dit middel te hebben gebruikt. De oudste BTW-schulden blijken betrekking te hebben op de periode januari 1993 zodat op het ogenblik van de kennisgeving van het dwangbevel de verjaring nabij was voor deze oudste schulden.

Het was de appellante mogelijk, zelfs na het uitvaardigen en de kennisgeving van het dwangbevel toepassing te vragen van artikel 84 BTW-wetboek (iets dat weliswaar ook voor de appellante geen verplichting is), en zelfs dit nog te doen na inleiding van haar verzet tegen het dwangbevel, doch blijkbaar heeft zij dit nooit gedaan.

Dat het dwangbevel hier specifiek een drukkingsmiddel zou geweest zijn, en niet de gewone toepassing van de wet, wordt niet aangetoond. Zoal s reeds gesteld bleef de appellante over al haar verweermogelijkheden beschikken ook na betekening van het dwangbevel, waarvan de tenuitvoerlegging trouwens werd gestuit door het verzet van de appellante. Haar rechten van verdediging zijn in geen enkel opzicht geschonden. Enige schending van de beginselen van behoorlijk bestuur wordt evenmin aangetoond.

4. De appellante acht het dwangbevel nietig omdat het. dwangbevel en het bijgevoegd proces-verbaal niet afdoende gemotiveerd zouden zijn.

Het dwangbevel is een bestuurshandeling zoals omschreven in artikel 1 eerste gedachtestreepje van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen nl. een eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur. Zodoende dient dit dwangbevel krachtens artikel 2 van de wet van 29.7.1991 uitdrukkelijk te worden gemotiveerd. Artikel 3 van de wet van 29.7.1991 bepaalt dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat die motivering afdoende moet zijn. Met dit laatste wordt bedoeld dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen.

Het dwangbevel verwijst naar het bijgevoegd proces-verbaal van 16.3.1998. In dit proces-verbaal en de erbij horende bijlagen doet de verbalisant opgave van de boekingen (met datum, bedrag en omschrijving) die als ontvangsten te beschouwen zijn waarop de BTW dient te worden geheven. Aldus wordt kenbaar gemaakt, zodat de appellante dit met kennis van zaken zo nodig kon betwisten, wat de administratie als belastbare ontvangsten beschouwde, en maakt dit een afdoende motivering van het dwangbevel uit.

Dat in het proces-verbaal niet worden opgenomen de overige boekingen die niet als ontvangsten met betrekking tot de inkomsten van de appellante te beschouwen zijn, of dat niet alle verrichtingen op de bankrekening van de appellante worden weergegeven in het proces-verbaal en bijlagen (d.i. ook de verrichtingen welke niet betrekking hebben op belastbare ontvangsten), doet hieraan geen afbreuk. Het is de appellante mogelijk aan te tonen dat de administratie ten onrechte een bedrag als belastbaar weerhouden heeft, en hiertoe alle middelen aan te wenden en argumenten in te roepen die zij nuttig acht, en onder meer aan te tonen dat een bepaald weerhouden bedrag ten onrechte als een dergelijke ontvangst werd beschouwd, criterium dat door de verbalisant werd gehanteerd (zie de vermelding p. 1 van het proces-verbaal, stuk 1 van de geïntimeerde : “In deze bijlagen worden enkel de ontvangsten opgenomen met betrekking tot de inkomsten van de BVBA T.”).

Het dwangbevel is afdoende gemotiveerd.

5. De appellante voert aan dat de geïntimeerde de wet van 11.4.1994 op de openbaarheid van bestuur schond.

In zijn brief van 26.2.1998 (stuk 10 van de geïntimeerde) liet de raadsman van de appellante opmerken dat gelet op de gevraagde maar nog niet toegestane inzage in het strafdossier de belastingplichtige noch de cijfers noch de bezwarende verklaringen kon onderzoeken of controleren. Vervolgens wordt gesteld dat de belastingplichtige enkel inzage kan vragen van het taxatiedossier op grond. van de wet van 11.4.1994 op de openbaarheid van bestuur, in de hoop daarin alle noodzakelijke stukken en verklaringen uit het strafdossier terug te vinden. In fine van de brief (p. 4 en 5) wordt gesteld dat met bespreking van de correctieopgave moet worden gewacht tot de verantwoordelijke van de BVBA T. of haar raadsman inzage heeft gehad van het strafdossier, dit uiteraard niet belette dat ondertussen reeds inzage wordt genomen van het fiscaal dossier, en in afwachting de belastingplichtige akkoord is om te tekenen voor afstand van de verlopen verjaring.

Dit alles kan niet anders opgevat worden dan als een vraag van de appellante om inzage te krijgen van het fiscaal dossier (met inbegrip van de zich erin bevindende kopieën uit het strafdossier').

Het staat vast - en wordt niet betwist - dat de geïntimeerde geen inzage heeft verleend in het BTW-dossier, en dat de appellante hiertegen geen verhaal heeft ingesteld, nl. vragen van advies aan de Commissie Toegang Bestuursdocumenten en verhaal bij de Raad van State tegen de administratieve beslissing tot weigering tot inzage. Dit belet evenwel niet dat de appellante de schending van de wet van 11.4.1994 op de openbaarheid van bestuur als middel kan inroepen voor de rechtbanken.

Aannemen dat ten onrechte en in strijd met de wet van 11.4.1994 geen inzage in het dossier werd verleend, zou echter niet tot gevolg hebben dat het bestreden dwangbevel in zijn geldigheid aangetast zou worden. Dergelijke sanctie is niet specifiek voorzien in de wet van 11.4.1994 en evenmin in andere wetgeving. Ten gevolge van haar verzet tegen het dwangbevel bekwam de appellante recht op mededeling van de stukken door de geïntimeerde en zijn haar rechten van verdediging wat haar verhaal tegen het dwangbevel betreft niet geschonden.

Het middel is ongegrond.

6. De appellante roept een schending van de artikelen 59 § I BTW-wetboek en 1349 Burg. W. in, aanvoerend dat de gegevens uit het strafdossier, opgenomen in het proces-verbaal., bijlage bij het dwangbevel, niet genieten van de bijzondere bewijskracht dat een proces-verbaal voor bepaalde aspecten geniet. Indien de geïntimeerde zich beroept op gegevens uit het strafdossier. dient Zè dit strafdossier voor te leggen, aldus de appellante.

Er moet worden vastgesteld dat de geïntimeerde in haar stukkenbundel in de huidige procedure de processen-verbaal overlegt, terwijl bij de betekening of de kennisgeving van het dwangbevel deze stukken niet mee dienen te worden betekend of mee kennis moet worden van gegeven (Cass. 20.3.2008, rolnr. F.07.0016.N, www.cass.be ).

Het middel is ongegrond.

7. De eerste rechter heeft de opgelegde administratieve geldboete van 200 % herleid tot 50 %. De appellante is (in ondergeschikte orde) van oordeel dat het bestreden vonnis op dit punt dient bevestigd te worden. De geïntimeerde is van oordeel dat de boete niet mag verminderd worden, en stelde om die reden incidenteel beroep in.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 van het BTW-Wetboek te toetsen, mag de wettelijkheid daarvan onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat hij mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige of om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen. De rechter die in zijn beoordeling expliciet wijst op het bewust karakter van de inbreuken, en vervolgens de opgelegde geldboete van 200 % van de ontdoken belasting vermindert om de enkele reden dat die boete onevenredig is, mag niet nalaten te onderzoeken in welke mate het bestuur zelf gebonden was door een sanctie en op welke gronden het bestuur van de vaste schalen had moeten afwijken (Cass. 16.2.2007, rolnummer F060032N, www.cass.be ).

Te dezen staat vast dat de appellante, middels haar bestuurders G. C. en C. K., handelde met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken (zie het vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk d.d. 23.12.2003, stuk 21 van de geïntimeerde).

Dit houdt in dat de schalen voor de vermindering van de fiscale geldboeten voorzien bij het KB nr. 41 van 30.1.1987 tot vaststelling van het bedrag van proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde niet kunnen toegepast worden (artikel 1, laatste lid van dit KB).

In toepassing van de wet (artikel 70, § 1 BTW-wetboek) was de administratie dan ook gehouden een administratieve geldboete van 200 % op te leggen.

Er blijken geen gronden die zouden moeten tot het besluit leiden dat de door de wetgever voorziene sanctie van 200 % onevenredig is met de inbreuk (overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken).

Het incidenteel beroep is gegrond.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoger beroep doch verklaart het ongegrond;

Ontvangt het incidenteel beroep en verklaart het gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar het de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk verklaart, en opnieuw wijzende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante ongegrond;

Veroordeelt de appellante tot de kosten van beide aanleggen, in hun geheel begroot als volgt :

• aan de zijde van de appellante : op … EUR dagvaarding en rolstelling + …0 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op ACHTTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ACHT.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Textes cités

7
CTVA art. 835 occurrences
CTVA art. 703 occurrences
CTVA art. 812 occurrences
CTVA art. 842 occurrences
CTVA art. 892 occurrences
CTVA art. 851 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8