Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 05.03.2024
WP 713-15-20/011368
[Largement favorable à l'administration]
Taxe sur la valeur ajoutée - Redevable de la créance fiscale- Prescription - Opération à titre onéreux - Base d’imposition - Amende
Dispositions légales
Articles 22bis, §3, 26, 1§, 1er alinéa, 28, 6°, 70, §1er, 81, 81bis, §1er du Code de la TVA
Tableau G, première section, V de l'AR n° 41 du 30 janvier 1987 déterminant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Articles 17 et 18 de Code judiciaire
Résumé
1) Les faits et les antécédents de procédure
Le litige porte sur la vente d'un cheval. Le 15 décembre 2013, l’assujettie a conclu une convention d'entraînement sportif du cheval avec la propriétaire de ce cheval. Cette convention implique que l’assujettie entraînera le cheval pour une durée indéterminée. Au cours de cette période, l'entraîneuse équestre participera régulièrement à des compétitions avec le cheval. L'entraîneuse prend également en charge tous les coûts liés au cheval et perçoit tous les prix qui seraient gagnés lors des compétitions. En cas de vente ultérieure du cheval, l'entraîneuse équestre percevra également 20 % du prix de vente. Lors de la conclusion du contrat, aucune facture n'a été émise par l’assujettie.
Lors de la vente du cheval, 80 % du prix de vente ont été versés à la propriétaire et l’assujettie a perçu 20 % du prix de vente. Pour ce faire, l’assujettie a par erreur émis une facture à l'attention de l'acheteur du cheval.
En 2018, un contrôle concernant les années 2015, 2016 et 2017 a été effectué chez l’assujettie lors de la cessation de son activité. L'activité de l’assujettie s'est poursuivie sous la forme d'une société. Plusieurs infractions ont été constatées lors de ce contrôle. Ces infractions ont été reprises dans un relevé de régularisation. La partie adverse a marqué son désaccord. La discussion a notamment porté sur le calcul de la base d'imposition de la facture émise le 7 novembre 2016 et sur la question de savoir si la TVA était due ou non sur le montant du prix. Aucun accord n'ayant pu être trouvé avec l’assujettie à ce sujet, un procès-verbal a été dressé.
L'affaire a ensuite été portée devant le tribunal de première instance. Le tribunal a déclaré la demande de l’assujettie recevable et partiellement fondée. L’assujettie a fait appel de ce jugement. L'administration a introduit un recours incident.
2) L'arrêt de la cour d'appel
La redevable de la créance fiscale
L’assujettie soutient que la société dans laquelle son activité s'est poursuivie après la cessation de son entreprise individuelle devait être considérée comme son successeur légal et que, par conséquent, la créance de l’administration avait été adressée à la mauvaise personne.
La cour constate que cette société ne pouvait pas être considérée comme le successeur légal de l’assujettie en ce qui concerne la créance de l’administration. Par conséquent, l’assujettie est la redevable de la créance en question.
La prescription
La Cour constate que l’assujettie a reçu tant sa part du prix de vente que les prix en argent gagnés au cours de l'année 2016 et que la prescription a été interrompue en temps utile dans chaque cas par l’action de l’administration.
Opération à titre onéreux
La Cour juge qu'il existe un lien direct entre les prestations de services d’entraînement fournies par l’assujettie et la contrepartie effectivement reçue par celle-ci.
L’indemnité a été déterminée à l'avance et selon des critères bien définis. Le montant de l’indemnité était donc prévisible et également déterminable à l'achèvement du service.
La convention relative aux prestations d’entraînement est une relation juridique dans le cadre de laquelle des services ont été réciproquement échangés. La partie obtenue du prix de vente et l'argent des prix gagnés présentent la contrepartie réelle des services prestés par l’assujettie.
La base d’imposition
Sur la base de l'arrêt Tulica de la CJCE et des constatations selon lesquelles aucune facture n'a été délivrée au propriétaire du cheval, qu’aucune TVA n'a été mentionnée dans la convention d'entraînement et que la propriétaire du cheval n'est pas une assujettie à la TVA, le tribunal a jugé que les honoraires convenus incluaient la TVA.
L'amende
Enfin, la cour juge que l'amende est légale, suffisamment motivée et raisonnablement proportionnée aux infractions commises ainsi qu'à la nature et à la gravité des faits.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken
Arrest Van 05/03/2024
Rol: 2021/AR/1578
1. R. K., RRN 83...61, wonende te ...,
2.S. R. -K. BV, ON 067...22, met zetel te ...,
eisers in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. V. C. loco mr. S. F., advocaat te
...
tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 16 april 2021, gekend onder rolnummer 20/759/A
tegen
DE BELGISCHE STAAT — FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM MECHELEN TEAM 767, met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG, Spoorwegstraat 22,
verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is de heer X, fiscaal ambtenaar (kenmerk: ...)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 16 april 2021, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 20 september 2021, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
Het geschil heeft betrekking op de BTW-vordering, opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikel 500...31 op 08/07/2019 en uitvoerbaar verklaard op 11/07/2019 en het proces-verbaal van 23/05/2019.
1.2. Voorgaande feiten.
Mevrouw K. R., eerste eiseres in hoger beroep, was als BTW-belastingplichtige geïdentificeerd. Per 31/12/2017 heeft zij haar zelfstandige activiteit stopgezet en werd deze activiteit overgedragen aan BV S. R. -K., tweede eiseres in hoger beroep. Er werd een BTW-aangifte van stopzetting ingediend.
De zelfstandige activiteit van mevr. R. bestond onder meer uit:
- aan- en verkopen van paarden;
- trainen en verzorgen van paarden;
- deelnemen aan paardenwedstrijden.
De moeder van eerste eiseres in hoger beroep, mevr. D., heeft het paard, B., aangekocht van dhr. H. voor een bedrag van 3.000 euro. In oktober 2013 werd het paard aan mevr. D. geleverd. Volgens eisers in hoger beroep besloot mevr. D. om haar dochter, eerste eiseres in hoger beroep, in te schakelen als trainer voor B.. Mevr. D., genoemd 'eigenaar', en eerste eiseres in hoger beroep genoemd 'trainer' sloten een trainingsovereenkomst af op 15/12/2013.
De relevante bepalingen van deze overeenkomst luiden als volgt:
"De eigenaar het paard wil laten trainen door de trainer en de trainer extra wil motiveren door geen vergoeding te betalen in verhouding tot de gepresteerde trainingsuren doch in ruil voor de inspanningen een aandeel toe te kennen aan de trainer in het paard, partijen geloven dat deze manier van samenwerking de belangen van eigenaar en trainer op elkaar kan afstemmen.
Komt overeen wat volgt:
1.De trainer zal het paard van de eigenaar trainen gedurende een vooraf onbepaalde duur. Gedurende deze periode zal de trainer regelmatig met het paard deelnemen aan wedstrijden en zal zij alle kosten m.b.t. het paard dragen en alle prijzengelden die op wedstrijden met het paard worden behaald opstrijken.
2.De eigenaar verleent als vergoeding voor de training aan de trainer een aandeel van 20% in het paard waardoor de trainer het recht verkrijgt om bij een later verkoop van het paard 20% van de verkoopprijs op te strijken."
Eisers in hoger beroep bevestigden dat er op het ogenblik van het afsluiten van de trainingsovereenkomst geen factuur werd opgesteld door eerste eiseres in hoger beroep aan mevr. D. en geen BTW werd afgedragen door eerste eiseres in hoger beroep.
Op 08/11/2016 werd een overeenkomst gesloten tussen mevr. D. en eerste eiseres in hoger beroep als verkopers enerzijds en de Amerikaanse onderneming B. B. C. L. als koper anderzijds voor de verkoop van het paard B. voor een verkoopprijs van 1.850.000 euro. 80% van de verkoopprijs werd betaald aan mevr. D. en 20% aan eerste eiseres in hoger beroep, zijnde 370.000 euro. Eerste eiseres in hoger beroep stelde een factuur op d.d. 07/11/2016 t.b.v. 370.000 euro aan de Amerikaanse verkoper met vrijstelling van BTW.
In 2018 vond een fiscale controle plaats in hoofde van eerste eiseres in hoger beroep voor de jaren 2015, 2016 en 2017 en dit naar aanleiding van de stopzetting van haar activiteit per 31/12/2017. De BTW-administratie had een correctieopgave opgesteld. Eerste eiseres in hoger beroep verklaarde zich hiermee niet akkoord.
Op 23/05/2019 stelde de belastingadministratie een proces-verbaal op lastens mevrouw R. waarin de volgende bedragen werden gevorderd:
- 79.254,70 euro aan BTW
- 15.850 euro proportionele geldboete
- te vermeerderen met de interesten en kosten
Volgens de belastingadministratie bedraagt de verschuldigde BTW m.b.t. de diensten verricht voor en in opdracht van mevrouw D. 77.700 euro, zijnde de BTW op een maatstaf van heffing van 370.000 euro. Volgens de Belgische Staat diende het bedrag van 370.000 euro gefactureerd te worden aan mevr. D. en niet aan de Amerikaanse koper. In 2016 had eerste eiseres in hoger beroep bovendien prijzengelden ontvangen t.b.v. 8.958 euro en volgens de belastingadministratie vormde dit een vergoeding voor de door haar verrichte diensten, de BTW verschuldigd op dit prijzengeld bedroeg volgens de belastingadministratie 1.554,70 euro. Tevens werd een proportionele boete opgelegd van 20%.
Deze schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister met schuldnummer 500...31 en uitvoerbaar verklaard op 11/07/2019.
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 31/01/2020 stelden eisers in hoger beroep een vordering in rechte in.
Eisers in hoger beroep vorderden:
- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
dienvolgens:
- de uitvoerbaarverklaring van de bestreden fiscale schuld in het innings- en invorderingsregister d.d. 08/07/2019 met schuldnummer 500...31 nietig te verklaren, minstens ongedaan te maken;
- het bestreden proces-verbaal d.d. 23/05/2019 nietig te verklaren, minstens de
ongegrondheid uit te spreken;
- minstens te zeggen voor recht dat de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;
- te zeggen voor recht dat deze sommen minstens herleid moeten worden;
- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de teruggave van alle op basis van het bestreden proces-verbaal ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen te vermeerderen met de moratoriuminteresten te rekenen vanaf de dag van de betaling en/of de inhouding, zijnde 15/10/2019;
- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. een rechtsplegingsvergoeding begroot op 6.000 euro en de bijdrage van 20 euro van het Begrotingsfonds.
De Belgische Staat verzocht:
- in hoofdorde, de vordering onontvankelijk te verklaren in hoofde van tweede eiseres in hoger beroep, de vordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren in hoofde van eerste eiseres in hoger beroep;
- in ondergeschikte orde de door eerste eiseres in hoger beroep verleende trainingsdiensten voor mevrouw D. met bijhorende trainingsovereenkomst als misbruik te verklaren en bijgevolg de gevorderde bedragen te bevestigen;
- eisers in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding (louter defensief verklaarde verweerder in hoger beroep zich akkoord met een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.000 euro).
- De eerste rechter verklaarde de vordering van tweede eiseres in hoger beroep onontvankelijk. De vordering van eerste eiseres in hoger beroep werd ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard in volgende mate.
De eerste rechter beval het innings- en invorderingsregister BTW met schuldnummer 500...31 opgemaakt op 08/07/2019 en uitvoerbaar verklaard op 11/07/2019 slechts uitvoerbaar in die mate dat rekening moest worden gehouden met wat in het motiverend gedeelte van het vonnis werd bepaald, namelijk dat de verschuldigde BTW in hoofdsom werd herleid van 79.254,70 euro naar 64.214,88 euro en de proportionele boete en interesten in diezelfde overeenstemmende mate. Verweerder in hoger beroep werd veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten overeenkomstig art. 91 WBTW.
De rechtbank vereffende de kosten van het geding op een rechtsplegingsvergoeding van 6.000 euro. Verweerder in hoger beroep werd veroordeeld tot 2/10de van de kosten van het geding vereffend door de rechtbank op een rechtplegingsvergoeding t.b.v. 1.200 euro (2/10 van 6.000 euro) en eisers in hoger beroep werden, passief ondeelbaar, veroordeeld tot het betalen van 8/10 van de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0 euro.
De rechtbank oordeelde dat tweede eiseres in hoger beroep geen hoedanigheid of belang had om de BTW-schulden te betwisten zodat de vordering van tweede eiseres in hoger beroep onontvankelijk was. Tweede eiseres in hoger beroep werd niet aangesproken voor betaling van de BTW-schulden en was niet hoofdelijk gehouden.
De rechtbank oordeelde verder dat de fiscale administratie terecht alle documenten had opgesteld en verzonden aan eerste eiseres in hoger beroep, eerste eiseres in hoger beroep bleef gehouden tot betaling van de belasting die betrekking had op de periode vóór stopzetting.
De rechtbank oordeelde dat de fiscale administratie terecht de BTW had gevorderd op de dienst verricht door eerste eiseres in hoger beroep aan mevr. D., een niet BTW-belastingplichtige, hetgeen een in België belastbare dienst betrof en dat deze dienst voltooid was in 2016, op het ogenblik van de verkoop van het paard B. door mevr. D.. Er was dan ook naar het oordeel van de eerste rechter geen sprake van verjaring.
De rechtbank oordeelde verder dat niet betwist werd dat eerste eiseres in hoger beroep het prijzengeld had opgenomen in haar omzet en dat uit de trainingsovereenkomst niet kon worden opgemaakt dat het prijzengeld deel uitmaakte van de vergoeding. In die mate was de vordering van eerste eiseres in hoger beroep gegrond, naar het oordeel van de eerste rechter.
Wat de maatstaf van heffing betrof, oordeelde de eerste rechter op basis van het feit dat in de trainingsovereenkomst geen BTW werd vernoemd en aangezien mevr. D. geen BTW-belastingplichtige was (onder verwijzing naar rechtspraak Hvj van 07/11/2013 in de zaak T.-P., gevoegde zaken C-249/12 en C-250/12 punten 35-37) dat het bedrag van 370.000 euro de prijs was inclusief BTW en de rechtbank bevestigde de berekening van eiseres in hoger beroep. De opgelegde boete was naar het oordeel van de eerste rechter in redelijke verhouding met de gepleegde inbreuk en zulks rekening houdende met het KB nr. 41.
Tegen dit vonnis hebben eisers in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 20/09/2021, hoger beroep ingesteld.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Bij eerste conclusie neergelegd ter griffie van het hof stelde de Belgische Staat incidenteel beroep in.
Eisers in hoger beroep vorderen:
- het hoger beroep, toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens; de uitvoerbaarverklaring van de bestreden fiscale schuld in het innings- en invorderingsregister d.d. 08/07/2019 met schuldnummer 500...31 nietig te verklaren, minstens ongedaan te maken;
- het bestreden proces-verbaal d.d. 23/05/2019 nietig te verklaren, minstens de ongegrondheid uit te spreken;
- minstens te zeggen voor recht dat de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn; te zeggen voor recht dat deze sommen minstens herleid moeten worden; het incidenteel beroep van de Belgische Staat ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de teruggave van alle op basis van het bestreden proces-verbaal ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen te vermeerderen met de moratoriuminteresten te rekenen vanaf de dag van de betaling en/of de inhouding, zijnde 15/10/2019;
- verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. een rechtsplegingsvergoeding begroot op 7.500 euro in eerste aanleg, 7.500 euro in hoger beroep en de bijdrage van 20 euro van het Begrotingsfonds.
Ter zitting van 06/02/2024 vorderen eisers in hoger beroep de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds per aanleg ten laste van de Belgische Staat te leggen, zijnde 40 euro in eerste aanleg en 20 euro in hoger beroep.
De Belgische Staat vordert:
- in hoofdorde, de vordering onontvankelijk te verklaren in hoofde van tweede eiseres in hoger beroep, de vordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren in hoofde van eerste eiseres in hoger beroep; de vordering van eisers in hoger beroep af te wijzen, de gevorderde bedragen in het innings- en invorderingsbericht en het proces-verbaal van 23/05/2019 integraal te bevestigen;
- in ondergeschikte orde de door eerste eiseres in hoger beroep verleende trainingsdiensten voor mevrouw D. met bijhorende trainingsovereenkomst als misbruik te verklaren en bijgevolg de gevorderde bedragen te bevestigen;
- eisers in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.
Ter zitting van 06/02/2024 werd de zaak hernomen voor de thans anders samengestelde zetel.
Ter zitting van 06/02/2024 zijn partijen het eens dat de rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden op het geïndexeerde basisbedrag voor een in geld waardeerbare vordering van 100.000,0 euro tot 250.000,01 euro, zoals dit geldt op het ogenblik van de uitspraak in eerste aanleg en in hoger beroep.
2. Bespreking
2.1 Ontvankelijkheid van de vordering van S. R. -K. BV/proces-verbaal opgemaakt ten aanzien van de verkeerde persoon?
Artikel 17 Ger. W. bepaalt dat de vordering slechts kan worden toegelaten voor zover de eiser hoedanigheid en belang heeft om ze in te stellen. In artikel 18 Ger. W. preciseert de wetgever wat onder belang moet worden verstaan. Uit de samenlezing van beide artikelen kan worden opgemaakt dat de persoon die de rechtsvordering instelt de vereiste hoedanigheid moet hebben om in rechte op te treden. Hij moet zich voorts beroepen op een belang.
Het hof stelt vast dat het betwiste proces-verbaal, het innings-en invorderingsbericht en het innings-en invorderingsregister is opgesteld op naam van mevrouw R.. Enkel mevrouw R. wordt aangesproken voor de betaling van de betwiste BTW-schulden. S. R. —K. BV wordt niet aangesproken voor de betaling van de betwiste BTW-schulden. Evemin is er sprake van enige hoofdelijke aansprakelijkheid in hoofde van S. R. —K. BV.
De fiscale controle werd ook verricht in het kader van de stopzetting van de activiteit van de eenmanszaak van mevrouw R. (controle stopzetting 2015-2017). Mevrouw R. blijft in principe gehouden tot betaling van de belasting die betrekking heeft op de periode vóór stopzetting.
S. R. —K. BV meent dat zij als rechtsopvolger kan worden beschouwd van mevrouw R..
Het hof is van oordeel dat S. R. -K. BV geenszins de rechtsgrond van de beweerdelijke rechtsopvolging wat betreft onderhavige procedure aantoont.
Teneinde aan te tonen dat zij rechtsopvolger is verwijst zij naar artikel 11 WBTW. De artikelen 11 WBTW en 18 §3 WBTW betreffen echter bepalingen van het WBTW meer bepaald hoofdstuk lll, respectievelijk "Afdeling 1" "Levering van goederen" en "Afdeling 2" "Diensten". Voormelde artikelen bepalen enkel de voorwaarden waaronder dat de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling bij wijze van inbreng in een vennootschap of anderszins, niet als een levering wordt beschouwd in het kader van de BTW-wetgeving. Op basis hiervan toont tweede eiseres in hoger beroep aldus niet aan rechtsopvolger te zijn van mevrouw R..
Uit het verslag van de bedrijfsrevisor (quasi-inbreng) blijkt evenmin dat S. R. -K. BV de rechtsopvolger zou zijn van mevrouw R. in onderhavig geschil met de belastingadministratie. Uit dit verslag blijken slechts dat specifieke goederen en schulden zijn opgenomen in de overdracht. De BTW-vordering die thans voorligt ter beoordeling maakt daar geen deel van uit.
Mevrouw R. blijft dan ook gehouden tot betaling van de belasting die betrekking heeft op de periode vóór haar stopzetting. De fiscale administratie heeft terecht alle documenten (proces-verbaal, innings- en invorderingsregister, innings- en invorderingsbericht enz.) opgesteld op naam van mevrouw R. en verzonden aan mevrouw R..
S. R. -K. BV kan dan ook in het kader van onderhavig geschil niet beschouwd worden als rechtsopvolger.
De eerste rechter heeft de rechtsvordering van S. R. -K. BV dan ook terecht onontvankelijk verklaard bij gebrek aan hoedanigheid en/of belang om onderhavige BTW-schuld te betwisten.
Het hof is tevens van oordeel dat gelet op het voorgaande het proces-verbaal, het innings-en invorderingsbericht en het innings-en invorderingsregister dan ook terecht werd opgesteld in hoofde van mevrouw R., als BTW-belastingplichtige en schuldenaar van onderhavige BTW-vordering.
2.2. Verjaring?
De vordering tot voldoening van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat. (art. 81 WBTW).
Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de nalatigheidsinteresten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, nalatigheidsinteresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan (art. 81bis §1 WBTW).
Niet ter discussie staat dat de trainingsovereenkomst van 15/12/2013 betrekking heeft op het leveren van diensten door mevrouw R. aan mevrouw D..
Ingevolge art. 22 §1 WBTW heeft het belastbaar feit plaats op het tijdstip waarop de dienst is verricht. De algemene regel is dan ook dat de dienst is verricht op het tijdstip waarop de dienst is voltooid. Dit is wanneer de dienstverrichter de essentiële verplichtingen, die normaal op hem rusten ingevolge de met de ontvanger van diensten gesloten overeenkomst, volledig en tot voldoening van deze laatste is nagekomen.
Overeenkomstig art. 22bis §3 WBTW wordt voor diensten verricht aan particulieren en waarvoor het niet verplicht is een factuur op te stellen, de belasting over het ontvangen bedrag opeisbaar op het tijdstip waarop de betaling wordt ontvangen.
Volgens eiseres in hoger beroep is dit op 15/12/2013. Zij stelt dat er op dat ogenblik een eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden.
Volgens de belastingadministratie wordt de BTW opeisbaar op datum van ontvangst van de betaling (zowel voor het ontvangen prijzengeld, als voor het aandeel in de verkoopprijs) en is dit voor beide in 2016.
Mevrouw R. toont niet aan dat er op 15/12/2013 sprake is van een eigendomsoverdracht van het paard B. aan haar.
Dit blijkt niet uit de trainingsovereenkomst zelf (zie ook hierna verder 2.3).
De trainingsovereenkomst bepaalt ook dat de kosten volledig ten laste worden genomen door eerste eiseres in hoger beroep en eerste eiseres in hoger beroep heeft deze kosten 100% in aftrek gebracht, hetgeen enkel kan verklaard worden als de overeenkomst afgesloten op 15/12/2013 kwalificeert als een echte trainingsovereenkomst (dienstverrichtingsovereenkomst) zodat de aftrek van 100% van de kosten overeenkomstig het bestemmingsprincipe van artikel 45 §1 WBTW logisch is. Van een 100% aftrek van de kosten kan er geen sprake zijn wanneer het paard slechts voor 20% eigenaar zou zijn van eerste eiseres in hoger beroep.
Verder blijkt niet dat het paard B. werd opgenomen in de voorraadlijst van 31/12/2015 van mevrouw R. (zie proces-verbaal d.d. 23/05/2019, hetgeen op zich ook niet bewist wordt). De bijgebrachte voorraadlijst van 31/12/2016 is niet relevant aangezien het paard B. op dat ogenblik reeds was verkocht.
Uit geen enkel boekhoudkundig stuk van mevrouw R. blijkt dat er sprake zou geweest zijn van een eigendomsoverdracht op 15/12/2013.
Ook het FEI-paspoort van het paard B. brengt desbetreffend niets bij. Dit document toont niet aan dat eerste eiseres in hoger beroep eigendomsrechten had op B.. Er is geen verband tussen de FEI-database en de juridische eigendom van een paard. Er is op geen enkel ogenblik controle of de persoon die de inschrijving verricht ook effectief eigenaar is van het paard (zie mail d.d. 09/11/2018). Op dit FEI-paspoort is zelfs de naam van mevrouw R. niet terug te vinden, enkel de naam van "de S. R. -K.", vermoedelijk omdat het paard aldaar gestald was.
De overige stukken (sale-agreement van 08/11/2016, de invoice van 07/11/2016,
uitvoergeleidedocument van 21/11/2016) tonen evenmin aan dat er sprake zou geweest zijn van een eigendomsoverdracht op 15/12/2013. Deze stukken worden niet ondersteund door de objectieve gegevens van onderhavig dossier en zijn in strijd met de trainingsovereenkomst zelf. Eerste eiseres in hoger beroep verrichtte diensten voor en in opdracht van mevrouw D., zoals bepaald werd in de trainingsovereenkomst en op de vergoedingen voor deze trainingsdiensten is Belgische BTW verschuldigd (zie hierna verder onder 2.3).
Mevrouw D. is particulier en bezit geen BTW-nummer.
Uit de concrete gegevens van onderhavig dossier blijkt dat mevrouw R. het paard getraind heeft tot aan de verkoop, zijnde tot 08/11/2016. Dit wordt ook bevestigd door de wijze van uitvoering van de trainingsovereenkomst door partijen.
Uit de concrete gegevens van onderhavig dossier blijkt dat mevrouw R. in 2016 20% van de verkoopprijs ontving en tevens in datzelfde jaar 2016 voor 8.958 euro aan prijzengeld had ontvangen. Beiden betroffen vergoedingen voor de trainingsdiensten (zie hierna verder onder 2.3).
De aanvoeringen van eiseres in hoger beroep die uitgaan van andere veronderstellingen missen feitelijke en/of juridische grondslag.
De vordering van de Belgische Staat zoals deze thans voorligt kon dan ook ten vroegste pas verjaard zijn vanaf 31/12/2019.
Op 28/09/2018 werd een correctieopgave opgemaakt en op 23/05/2019 werd het proces-verbaal opgemaakt en aangetekend verstuurd. De BTW-vordering werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikel 500...31 op 08/07/2019 en uitvoerbaar verklaard op 11/07/2019.
Voor zover de verjaring van de vordering tot voldoening van de belastingschuld niet reeds is verkregen, is er, wanneer deze schuld wordt opgenomen in een innings- en invorderingsregister slechts verjaring van de vordering tot voldoening van deze schuld na het verstrijken van een termijn van vijf jaar vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister waarin ze is opgenomen (art. 85 §4 WBTW).
Op 11/09/2019 werd het innings- en invorderingsbericht verstuurd aan mevrouw R. K..
De vordering in rechte werd ingesteld begin 2020 en schorst de verjaring vanaf de akte van rechtsingang tot de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan (art. 83 §1 WBTW).
Er is dan ook geen sprake van verjaring.
2.3. Handeling onder bezwarende titel?
Het opzet van de hoger geciteerde trainingsovereenkomst bestaat er duidelijk in om de trainer, mevrouw R., zo veel mogelijk te motiveren om het paard B. zo goed mogelijk te trainen waardoor de eigenaar mevr. D. een zo goed mogelijke verkoopprijs kan behalen.
Uit de trainingsovereenkomst blijkt duidelijk dat mevrouw R. trainingsdiensten levert aan de eigenaar van het paard, mevrouw D., en dit gedurende een vooraf onbepaalde periode. Partijen komen overeen dat in ruil voor de geleverde diensten mevrouw R. het recht verkrijgt om bij een latere verkoop van het paard 20% van de verkoopprijs op te strijken. Bovendien heeft mevrouw R. gedurende de duur van de training recht op alle prijzengelden die op wedstrijden met het paard worden behaald. Dit laatste kaderde eveneens in het opzet van de overeenkomst de trainer te motiveren om het paard zo goed mogelijk te trainen.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is voor de kwalificatie van een dienst als een 'handeling onder bezwarende titel' alleen vereist dat een rechtstreeks verband bestaat tussen deze dienst en een door de belastingplichtige daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie. Een dergelijk rechtstreeks verband bestaat wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst (zie met name arresten van 3 maart 1994, T., C-16/93, EU:C:1994:80, punten 13 en 14, en 29 oktober 2015, S., C-174/14, EU:C:2015:733, punt 32).
Voorts blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat de omstandigheid dat het bestaan van een vergoeding onzeker is, volstaat om de rechtstreekse band tussen de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst en de vergoeding die eventueel wordt ontvangen, te verbreken (zie naar analogie arresten van 3 maart 1994, T., C-16/93, EU:C:1994:80, punt 19, en 27 september 2001, C. P., C-16/00, EU:C:2001:495, punt 43).
Zo oordeelde het Hof van Justitie reeds: "Wanneer de eigenaar van een trainingsstal voor wedstrijdpaarden één enkele prestatie levert bestaande uit de stalling en training van paarden en hun deelname aan wedstrijden, sprake is van een dienst die onder bezwarende titel wordt verricht in de zin van deze bepaling, in het geval dat de eigenaar van de paarden deze prestatie vergoedt door 50 % van het recht op prijzengeld af te dragen dat hem toekomt als zijn paarden een wedstrijd winnen of hoog in het klassement eindigen." (vgl. HvJ (7e k.) nr. C-713/21, 9 februari 2023, https://curia.europa.eu).
Uit de trainingsovereenkomst blijkt dat de vergoeding vooraf en volgens welbepaalde criteria werd bepaald. Deze overeenkomst garandeerde voor mevrouw R. voorspelbaarheid van het bedrag waarop zij recht had. Bij het voltooien van de dienst op het ogenblik van de verkoop van het paard was het bedrag ter vergoeding van de door haar geleverde diensten dan ook bepaalbaar.
Onder de te dezen concrete omstandigheden vormen deze vergoedingen (zowel het verkrijgen van 20% van de verkoopprijs van het paard, als het opstrijken van het prijzengeld) een essentieel onderdeel van genoemde overeenkomst, waarvan mevrouw R. de levering van haar trainingsdiensten afhankelijk heeft gemaakt. Tussen mevrouw R. en mevrouw D. bestond een rechtsbetrekking (trainingsovereenkomst) in het kader waarvan over en weer prestaties werden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoedingen (zowel het verkrijgen van 20% van de verkoopprijs van het paard, als het opstrijken van het prijzengeld) vormden de werkelijke tegenwaarde voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte diensten.
Er bestaat dan ook een rechtstreeks verband tussen deze door de belastingplichtige, mevrouw R., geleverde trainingsdiensten en door de belastingplichtige daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie.
De aanvoeringen van eiseres in hoger beroep die uitgaan van andere veronderstellingen missen feitelijke en/of juridische grondslag.
2.4. De maatstaf van heffing?
De maatstaf van heffing voor een levering van goederen of een dienst omvat, met uitzondering van de BTW zelf, alles wat de leverancier of dienstverrichter voor deze handeling als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de koper, de afnemer of een derde (Richtlijn 2006/112/EG, artikelen 73 en 78, onder a)(WBTW, artikel 26, § 1, le lid en artikel 28, 6°).
Volgens het Hof van Justitie moet de overeengekomen verkoopprijs, wanneer de prijs van een goed door de partijen vastgesteld is zonder dat de btw genoemd is —terwijl achteraf blijkt dat de btw toegepast moest worden— en de leverancier van het goed degene is die tot voldoening van de verschuldigde belasting over de belastbare handeling gehouden is, opgevat worden als de verkoopprijs inclusief btw ingeval de leverancier naar nationaal recht niet de mogelijkheid heeft de door de belastingdienst nageheven belasting op de koper te verhalen (Ilv.17 november 2013 T. en P. C-249/12, Btw-jurisprudentie).
Er werd te dezen geen factuur opgesteld door eerste eiseres in hoger beroep en gericht aan mevrouw D.. In de trainingsovereenkomst wordt geen BTW vernoemd en aangezien mevrouw D. geen BTW-belastingplichtige is, oordeelt het hof dat de afgesproken vergoeding inclusief BTW was.
In de concrete gegeven omstandigheden van onderhavige zaak voorziet het Belgische recht niet in een wettelijke bepaling die de leverancier of de dienstverrichter de mogelijkheid biedt de belasting als toeslag toe te voegen aan de prijs die de eindverbruiker betaald heeft op grond van de gesloten overeenkomst en aldus de btw op de eindverbruiker te verhalen. Verweerder in hoger beroep toont bovendien ook geen rechtsgrond aan op basis waarvan de BTW kan verhaald worden op mevrouw D.. Het feit dat mevrouw D. de moeder is van eerste eiseres in hoger beroep verandert hier niets aan.
De maatstaf van heffing wat betreft het aandeel in de verkoopprijs bedraagt dan ook 305.785,12 euro (370.000/1,21). Bijgevolg is er een bedrag aan BTW hierop verschuldigd van 64.214,88 euro.
Wat betreft het prijzengeld stelt het hof vast dat de belastingadministratie dit bedrag van 8.958 heeft beschouwd als inclusief BTW. Bijgevolg bedroeg de maatstaf van heffing 7.403,31 euro en was hierop een bedrag van 1.554,70 euro (21% BTW) verschuldigd. Wat betreft de maatstaf van heffing van het prijzengeld op zich bestaat er tussen partijen geen discussie.
2.5 De BTW-boete
Ook thans in hoger beroep voert mevrouw R. geen concrete middelen aan ter betwisting van de geldboete.
De boete van 20% werd opgelegd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen respectievelijk van art. 70, § 1 WBTW en het KB nr. 41.
Het hof is van oordeel dat de voormelde opgelegde boete wettelijk en voldoende gemotiveerd is en dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de aard en de ernst van feiten en dat er geen reden bestaat om uitstel toe te kennen zelfs indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.
2.6. Overige middelen.
Gelet op voorgaande dienen de overige middelen inzake misbruik niet beoordeeld te worden. Het hof wijst deze af als niet ter zake dienend en/of overbodig.
2.7. De rechtsplegingsvergoedinq
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).
Per 'gerechtelijke band' of procesverhouding kan slechts één rechtsplegingsvergoeding worden toegekend.
De in het ongelijk gestelde partij dient een rechtsplegingsvergoeding te betalen aan de in het gelijk gestelde partij indien tussen deze partijen een daadwerkelijke procesverhouding bestaat. Dit veronderstelt dat de ene partij een vordering in rechte instelt strekkende tot de veroordeling van de andere partij of tot het nemen van een rechterlijke beslissing tegen die partij. (Art. 1022, eerste lid Ger.W., Cass. 29 mei 2015, AR. C.13.0390, www.cass.be).
In de procesverhouding tussen de Belgische Staat en S. R. -K. BV, dient S. R. -K. BV, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.
Het hof vereffent de kosten in deze procesverhouding in hoofde van de Belgische Staat op 0 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat.
In de procesverhouding tussen de Belgische Staat en R. K. slaat het hof de rechtsplegingsvergoedingen tussen partijen om in de mate zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest aangezien zij onderscheidenlijk omtrent enig punt van het geschil in het ongelijk werden gesteld.
De vordering is in geld waardeerbaar en het hof bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag voor een in geld waardeerbare vordering in de schaal van 100.000,01 euro tot 250.000,00 euro van 6.000 euro voor de procedure in eerste aanleg (indexering vanaf 01/06/2016, datum uitspraak vonnis eerste rechter op 16/04/2021) en 7.500 euro (indexering vanaf 01/11/2022) voor de procedure in hoger beroep. De Belgische Staat is niet vertegenwoordigd door een advocaat zodat zij geen recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.
Het hof laat de bijdragen begrotingsfonds ten laste van eisers in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Het hof wijst al het overige en/of anders gevorderde af.
Dispositif
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof herneemt de zaak voor de anders samengestelde zetel.
Het hof verklaart het hoger beroep van eisers in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof verklaart het incidenteel beroep van de Belgische Staat toelaatbaar en als volgt deels gegrond.
Het hof bevestigt het bestreden vonnis in de mate de eerste rechter de vordering van S. R. -K. BV onontvankelijk verklaarde.
Het hof hervormt het bestreden vonnis voor het overige in volgende mate.
Het hof verklaart de vordering van R. K. ontvankelijk en deels gegrond in volgende mate.
Het hof verklaart het innings- en invorderingsregister met schuldnummer 500...31, opgemaakt op 08/07/2019 en uitvoerbaar verklaard op 11/07/2019, onwettig en niet uitvoerbaar in de mate er een hoger bedrag aan verschuldigde BTW werd opgenomen dan
65.769,58 euro en de proportionele boete en interesten in diezelfde mate op een hoger bedrag aan verschuldigde BTW werden berekend.
Het hof veroordeelt verweerder in hoger beroep tot terugbetaling van de in voormelde mate ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten overeenkomstig art. 91 WBTW.
Het hof veroordeelt in de procesverhouding tussen de Belgische Staat en S. R. -K. BV, S. R. -K. BV, tot de kosten van het geding.
Het hof vereffent de kosten in deze procesverhouding in hoofde van de Belgische Staat op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 0 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.
Het hof veroordeelt in de procesverhouding tussen de Belgische Staat en R. K., de Belgische Staat tot 2/10d. en R. K. tot 8/l0de van de rechtsplegingsvergoeding in beide aanleggen, begroot:
in hoofde van R. K. op 6.000 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 7.500 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep; in hoofde van de Belgische Staat op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 0 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.
Het hof laat de bijdragen begrotingsfonds van beide aanleggen ten laste van eisers in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Het hof wijst al het overige en/of anders en/of meer gevorderde af.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 05 maart 2024 door
C. P. Raadsheer dd. voorzitter
E. D. B. Raadsheer
K. L. Raadsheer
E. C. Griffier
Décision jointe par le SPF
Jugement du tribunal de première instance
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFil
Vonnis van 16/04/2021
Rol: 20/759/A
Inzake:
1. R. K.
wonende te ..., RRN: 83...61
2.S. R.-K. BVBA
met zetel te ..., KBO: 067...22
eisers
- beiden vertegenwoordigd ter zitting door meester F. S., advocaat, met kantoor te
...,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT,
Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Mechelen, met kantoren gevestigd te 2800 Mechelen, Zwartzustersvest 24 bus 17, KBO: 0308.357.159
verweerder
- vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,
- eveneens vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:
- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 31 januari 2020, ingeschreven op 7 februari 2020,
- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 20 maart 2020,
- de besluiten van partijen.
Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 19 maart 2021.
1. Relevante feiten en procedurele voorafgaanden
Mevrouw K. R., eerste eiseres, was als btw-belastingplichtige geïdentificeerd. Per 31 december 2017 heeft zij haar zelfstandige activiteit stopgezet en werd deze activiteit overgedragen aan Bv S. R. - K., tweede eiseres. Er werd een btw- aangifte van stopzetting ingediend.
De zelfstandige activiteit van mevr. R. bestond onder meer uit:
- aan- en verkopen van paarden;
- trainen en verzorgen van paarden;
- deelnemen aan paardenwedstrijden.
De moeder van eerste eiseres, mevr. D., heeft het paard, B., aangekocht van dhr. H. voor een bedrag van 3.000,00 euro. In oktober 2013 werd het paard aan mevr. D. geleverd. Volgens eisers besloot mevr. D. om haar dochter, eerste eiseres, in te schakelen als trainer voor B.. Mevr. D., genoemd 'eigenaar', en eerste eiseres, genoemd 'trainer', sloten een trainingsovereenkomst af op 15 december 2013 (stuk 3 van eisers).
De relevante bepalingen van deze overeenkomst luiden als volgt:
"De eigenaar het paard wil laten trainen door de trainer en de trainer extra wil motiveren door geen vergoeding te betalen in verhouding tot de gepresteerde trainingsuren doch in ruil voor de inspanningen een aandeel toe te kennen aan de trainer in het paard; partijen geloven dat deze manier van samenwerking de belangen van eigenaar en trainer op elkaar kan afstemmen.
Komt overeen wat volgt:
1. De trainer zal het paard van de eigenaar trainen gedurende een vooraf onbepaalde duur. Gedurende deze periode zal de trainer regelmatig met het paard deelnemen aan wedstrijden en zal zij alle kosten m.b.t. het paard dragen en alle prijzengelden die op wedstrijden met het paard worden behaald opstrijken.
2. De eigenaar verleent als vergoeding voor de training aan de trainer een aandeel van 20% in het paard waardoor de trainer het recht verkrijgt om bij een latere verkoop van het paard 20% van de verkoopprijs op te strijken."
Eisers bevestigen dat er op het ogenblik van het afsluiten van de trainingsovereenkomst geen factuur werd opgesteld door eerste eiseres aan mevr. D. en geen btw werd afgedragen door eerste eiseres.
Op 8 november 2016 werd een overeenkomst gesloten tussen mevr. D. en eerste eiseres als verkopers enerzijds en de Amerikaanse onderneming B. B. C. L. als koper anderzijds voor de verkoop van het paard B. voor een verkoopprijs van 1.850.000,00 euro. 80% van de verkoopprijs werd betaald aan mevr. D. en 20% aan eerste eiseres, zijnde 370.000,00 euro. Eerste eiseres stelde een factuur d.d. 7 november 2016 op t.b.v. 370.000,00 euro aan de Amerikaanse verkoper met vrijstelling van btw (zie verkoopovereenkomst en factuur in stuk 7 van verweerder).
In 2018 vond een fiscale controle plaats in hoofde van eerste eiseres, mevr. R., voor de jaren 2015, 2016 en 2017 en dit naar aanleiding van de stopzetting van haar activiteit per 31 december 2017. De btw-administratie heeft een correctieopgave opgesteld, maar eerste eiseres verklaarde zich niet akkoord met de inhoud van de correctieopgave.
Op 23 mei 2019 heeft de administratie een proces-verbaal opgesteld lastens mevr. R. (stuk 1 van verweerder). De volgende bedragen worden van eerste eiseres gevorderd:
- 79.254,70 euro btw
- 15.850,00 euro proportionele geldboete
- te vermeerderen met de interesten.
Volgens verweerder bedraagt de verschuldigde btw m.b.t. de diensten verricht voor en in opdracht van mevr. D. 77.700,00 euro, zijnde de btw op een maatstaf van heffing van 370.000,00 euro. Volgens verweerder diende het bedrag van 370.000,00 euro gefactureerd te worden aan mevr. D. en niet aan de Amerikaanse koper. In 2016 heeft eerste eiseres bovendien prijzengeld ontvangen t.b.v. 8.958,00 euro en vormt dit een vergoeding voor de door haar verrichte diensten, de btw verschuldigd op het prijzengeld bedraagt volgens verweerder 1.554,70 euro.
Verweerder heeft tevens een proportionele boete van 20% toegepast.
Deze schuld werd op 8 juli 2019 opgenomen in het innings-en invorderingsregister met schuldnummer 500...31 en uitvoerbaar verklaard op 11 juli 2019 (stuk 2 van verweerder).
In het fiscaal verzoekschrift neergelegd namens eisers ter griffie op 31 januari 2020 betwisten zij de btw-vordering.
2. Vorderingen van partijen
De vordering van eisers strekt ertoe de fiscale vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:
- de uitvoerbaarverklaring van de bestreden fiscale schuld in het innings7en invorderingsregister d.d. 8 juli 2019 met schuldnummer 500...31 nietig te verklaren, minstens ongedaan te maken;
- het bestreden proces-verbaal d.d. 23 mei 2019 nietig te verklaren, minstens de ongegrondheid uit te spreken;
- minstens te zeggen voor recht dat de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn; te zeggen voor recht dat deze sommen minstens herleid moeten worden; verweerder te veroordelen tot de teruggave van alle op basis van het bestreden proces-verbaal ten onrechte betaalde en/of ingehouden sommen te vermeerderen met de moratoriuminteresten te rekenen vanaf de dag van de betaling en/of de inhouding, zijnde vanaf 15 oktober 2019;
- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, m.i.v. een rechtsplegingsvergoeding begroot op 6.000,00 euro en de bijdrage van 20,00 euro voor het Begrotingsfonds.
De Belgische Staat verzoekt de rechtbank om:
- in hoofdorde, de vordering onontvankelijk te verklaren in hoofde van tweede eiseres, Bv S. R.-K., de vordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren in hoofde van eerste eiseres, mevr. R.;
- in ondergeschikte orde, de door eerste eiseres verleende trainingsdiensten voor mevrouw D. met bijhorende trainingsovereenkomst als misbruik te verklaren en bijgevolg de gevorderde bedragen te bevestigen; louter defensief verklaart verweerder zich akkoord met een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.000,00 euro; eisers te veroordelen tot de kosten.
3. Ontvankelijkheid - belastingplichtige
Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering in hoofde van tweede eiseres, Bv S. R. - K., wegens gebrek aan belang.
De rechtbank stelt vast dat deze betwisting samenhangt met het middel opgeworpen door eisers in ondergeschikte orde dat het proces-verbaal is opgemaakt ten aanzien van de verkeerde persoon. Eisers verwijzen dienaangaande naar de stopzetting van de eenmanszaak per 31 december 2017 waarbij de handelszaak volledig werd overgedragen aan Bv S.R.-K.. Volgens eisers diende de inning van de eventuele btw-schuld te gebeuren op naam van tweede eiseres en werd de inning gedaan lastens een niet bestaande eenmanszaak.
De rechtbank zal aldus deze middelen samen behandelen.
Artikel 17 Ger. W. bepaalt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Artikel 18 Ger. W. bepaalt dat het belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn.
De rechtbank stelt vast dat het betwiste proces-verbaal en het innings- en invorderingsbericht enkel werden toegezonden aan eerste eiseres, de betwiste btw-bedragen worden aldus enkel gevorderd van eerste eiseres. De rechtbank dient vast te stellen dat tweede eiseres niet wordt aangesproken voor betaling van de betwiste btw-schulden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat er geen sprake is van enige hoofdelijke aansprakelijkheid in hoofde van tweede eiseres op basis van het voormalig artikel 93undeciesB W.BTW.
De rechtbank stelt vast dat de fiscale controle juist werd verricht gelet op de stopzetting van de activiteit van de eenmanszaak. In het proces-verbaal wordt gesteld (pagina 1) dat het dossier van eerste eiseres werd geselecteerd voor een fiscale controle naar aanleiding van de
- stopzetting van het btw-nummer. Dit blijkt tevens uit de voorgestelde correctieopgave waarin wordt verwezen naar de controle stopzetting 2015-2017 (stuk 5 van verweerder).
De rechtbank oordeelt dat eerste eiseres blijft gehouden tot betaling van de belasting die betrekking heeft op de periode vóór stopzetting. De fiscale administratie heeft dan ook terecht alle documenten opgesteld en verzonden aan eerste eiseres en niet aan tweede eiseres.
De rechtbank oordeelt dat tweede eiseres geen hoedanigheid of belang heeft om de btw-schulden te betwisten.
De vordering van tweede eiseres is onontvankelijk.
De vordering van eerste eiseres is ontvankelijk.
4. Beoordeling
4.1. Is er sprake van verjaring? — wanneer is de btw opeisbaar?
1. Stelling van partijen
Volgens eisers is de btw-vordering verjaard overeenkomstig de artikelen 81 en 81bis W.BTW. Eisers verwijzen naar de trainingsovereenkomst d.d. 15 december 2013 en stelt dat dit het ogenblik is waarop de vordering is ontstaan. Volgens eisers is de btw-vordering per 31 december 2016 dan ook verjaard. Volgens eisers betreft de overeenkomst een ruiltransactie, met name in ruil voor de trainingsdiensten verkreeg eerste eiseres een aandeel van 20% in de eigendom van het paard, B.. De trainingsdiensten werden vergoed in natura, niet in geld. Ingevolge de trainingsovereenkomst is er een koopovereenkomst tot stand gekomen in de zin van artikel 1582 oud BW waarbij er overeenkomst is omtrent de zaak (20% aandeel in de eigendom van B.) en de prijs (het trainen van het paard). Op 15 december 2013 vindt de eigendomsoverdracht t.b.v. 20% plaats en is de btw opeisbaar. De latere verkoop in 2016 betreft een nieuwe en afzonderlijke btw-transactie die losstaat van de trainingsovereenkomst. Volgens eisers is de btw opeisbaar, overeenkomstig artikel 22bis, §3 W.BTW, op het moment dat de vergoeding in natura ontvangen wordt, zijnde op het moment van de eigendomsoverdracht van rechtswege van 20% eigendomsrechten in het paard B..
Volgens verweerder is de btw-vordering niet verjaard aangezien de vordering is ontstaan op 7 november 2016, zodoende zijn het proces-verbaal d.d. 23 mei 2019 en de uitvoerbaar verklaring van het innings- en invorderingsregister d.d. 11 juli 2019 tijdig. De verjaringstermijn verstreek op 31 december 2019. Volgens verweerder betreft de trainingsovereenkomst een dienstverrichting die op het einde van de prestaties is betaald door een aandeel van de verkoopprijs van het paard in 2016. Het belastbaar feit vindt plaats op het tijdstip waarop de dienst is verricht, de dienst is verricht wanneer deze is voltooid.
ii. Beoordeling
De betwisting tussen partijen betreft aldus de vraag op welk ogenblik de btw opeisbaar was m.b.t. de trainingsovereenkomst. Volgens eisers betreft dit 15 december 2013 omdat toen de eigendomsoverdracht t.b.v. 20% in het paard B. in ruil voor de trainingsdiensten plaatsvond. Volgens verweerder betreft dit 7 november 2016 omdat toen de dienstverrichting voltooid was.
De rechtbank stelt vast dat partijen beiden verwijzen naar artikel 22 W.BTW, met name het verrichten van diensten. Partijen voeren aldus geen betwisting dat de trainingsovereenkomst betrekking had op het leveren van diensten door eerste eiseres aan mevr. D..
Ingevolge artikel 22, §1 W.BTW vindt het belastbaar feit plaats op het tijdstip waarop de dienst verricht is. De algemene regel is dan ook dat de belasting opeisbaar wordt op het tijdstip waarop de dienst voltooid is.
Overeenkomstig artikel 22bis, §3 W.BTW wordt voor diensten verricht aan particulieren en waarvoor het niet verplicht is een factuur op te stellen, de belasting over het ontvangen bedrag evenwel opeisbaar op het tijdstip waarop de betaling wordt ontvangen. Volgens eisers betreft dit aldus de eigendomsoverdracht van 20% in het paard op 15 december 2013. Volgens eisers was slechts 126,00 euro btw verschuldigd op 15 december 2013, met name 21% op 3.000,00 euro, de waarde die B. op dat ogenblik had.
De rechtbank dient evenwel vast te stellen dat op basis van de concrete gegevens van het dossier eisers niet aantonen dat er sprake is van een eigendomsoverdracht van eigendomsrechten op het paard B. op 15 december 2013.
Eerste eiseres stelt dat het feit dat B. niet werd opgenomen in de voorraadlijst van eerste eiseres een onnauwkeurigheid betreft. Volgens eerste eiseres was de eerste nauwkeurige voorraadlijst deze van 31 december 2016, maar toen was B. al verkocht. De rechtbank stelt evenwel vast dat uit geen enkel document van de boekhouding van eerste eiseres blijkt dat er sprake was van een eigendomsrecht op het paard B..
Het enige document waarnaar eerste eiseres verwijst, is het 'FEI- paspoort' van B. (stuk 2 van eisers). De rechtbank oordeelt dat dit document nodig was voor de deelname van B. aan wedstrijden en het wordt niet betwist dat het eerste eiseres was die met B. deelnam aan wedstrijden. De rechtbank oordeelt dat dit document niet aantoont dat eerste eiseres eigendomsrechten had op B.. Bovendien wordt namens eerste eiseres zelf gesteld dat er geen verband bestaat tussen de FEI-database en de juridische eigendom van een paard en dat er op geen enkel ogenblik controle is of de persoon die de inschrijving verricht ook effectief de eigenaar is van het paard (zie de e-mail d.d. 9 november 2018 namens eerste eiseres - stuk 6 van verweerder).
De rechtbank oordeelt dat uit de trainingsovereenkomst blijkt dat:
- mevr. D. steeds wordt vernoemd als eigenaar van het paard B.;
er sprake is van een 'samenwerking' van onbepaalde duur tussen mevr. D. als
eigenaar en eerste eiseres als trainer;
er sprake is van diensten om het paard B. te trainen;
- er sprake is van het extra motiveren van de trainer;
er geen sprake is van enige overdracht van eigendomsrechten op het paard B. op
15 december 2013;
- er geen waardebepaling is van het paard B. op 15 december 2013;
- er wordt bepaald dat de trainer het recht verkrijgt om bij een latere verkoop van het paard 20% van de verkoopprijs op te strijken.
De rechtbank oordeelt dat het opzet van de overeenkomst erin bestaat om te trainer, eerste eiseres, te motiveren het paard B. zo goed mogelijk te trainen, waardoor de eigenaar, mevr. D. een zo goed mogelijke verkoopprijs kan behalen, waarbij de vergoeding van de trainingsdiensten zal bepaald worden door een eventuele verkoop door mevr. D. van het paard B.. De rechtbank oordeelt dat op basis van de voorgelegde trainingsovereenkomst er wel degelijk een verband bestaat met de verkoop in 2016. Het feit dat er in 2013 evidenterwijze geen zekerheid bestond of er al dan niet een verkoop zou plaatsvinden en zo ja geen zekerheid over het bedrag van de verkoopprijs, verandert niets aan het feit dat te dezen het opzet van de overeenkomst was om de trainer te motiveren om het paard zo goed mogelijk te trainen en zo veel mogelijk in de kijker te laten lopen. Dat blijkt des te meer uit het feit dat de trainer ook de prijzengelden mocht houden.
De rechtbank oordeelt dat de fiscale administratie dan ook terecht de btw heeft gevorderd op de dienst verricht door eerste eiseres aan mevr. D., een niet-btw-belastingplichtige, hetgeen een in België belastbare dienst betreft. Deze dienst is voltooid in 2016, op het ogenblik van de verkoop van het paard B. door mevr. D.. Er is dan ook geen sprake van verjaring.
4.2. Het prijzengeld
De fiscale administratie heeft tevens de btw gevorderd op het prijzengeld behaald in 2016. Volgens de fiscale administratie betreft het een bedrag van 8.958,00 euro. Volgens eisers betreft dit geen vergoeding in het kader van de trainingsovereenkomst.
Het wordt niet betwist dat eerste eiseres het prijzengeld heeft opgenomen in haar omzet.
De rechtbank oordeelt dat uit de trainingsovereenkomst niet kan worden afgeleid dat het prijzengeld deel uitmaakt van de vergoeding. De overeenkomst verwijst wat betreft de vergoeding enkel naar de latere verkoop. De rechtbank oordeelt dat het behoud van het prijzengeld kadert in het motiveren van de trainer dit met het oog op een zo goed mogelijke verkoop.
In die mate is de vordering van eerste eiseres gegrond.
4.3. De maatstaf van heffing
In uiterst ondergeschikte orde stellen eisers dat de maatstaf van heffing niet 370.000,00 euro bedraagt aangezien dit de prijs inclusief btw is. Volgens eisers bedraagt de maatstaf van heffing 305.758,12 euro. Eisers verwijzen dienaangaande naar rechtspraak van het Hof van Justitie (de arresten C-249/12 en C-250/12). In deze arresten heeft het Hof geoordeeld dat in het geval van een levering van een goed waarbij geen btw werd aangerekend en de fiscale administratie later een naheffing van btw oplegt, in dat geval in de overeengekomen prijs, indien deze door partijen is vastgesteld zonder dat de btw is genoemd en de leverancier de persoon is die tot voldoening van de btw is gehouden, de btw inbegrepen is (prijs inclusief btw) indien de leverancier de btw niet op de koper kan verhalen.
Volgens verweerder dient te dezen de maatstaf van heffing niet verlaagd te worden en kan de rechtspraak van het Hof van Justitie in deze feitensituatie niet toegepast worden omdat:
- de klant de moeder is van eerste eiseres, zodoende dat eerste eiseres de btw wel kan verhalen op de klant;
- de voorliggende factuur verwijst naar het bedrag exclusief btw en de factuur aldus duidelijk de maatstaf van heffing (370.000,00 euro) vermeldt.
- De fiscale administratie kan uit hoofde van de btw niet méér ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd (HVJ, 26 april 2012, B. a. S. P. e. P., gevoegde zaken C-621/10 en C-129/11, punt 44). Deze bepaling moet worden toegepast overeenkomstig het basisprincipe van de richtlijn: het btw-systeem beoogt enkel het belasten van de eindverbruiker en niet van de leverancier.
Wanneer echter een verkoopovereenkomst is gesloten zonder dat de btw ter sprake is gekomen en de leverancier naar nationaal recht de door de belastingdienst nageheven btw niet op de koper kan verhalen, heeft de inaanmerkingneming van de totaalprijs zonder aftrek van de btw als maatstaf van heffing waarop de btw wordt toegepast, tot gevolg dat de btw op die leverancier drukt, hetgeen niet strookt met het beginsel dat de btw een verbruiksbelasting is, die door de eindverbruiker moet worden gedragen. Een dergelijke opvatting zou overigens evenmin stroken met de regel dat de fiscale administratie uit hoofde van de btw niet méér kan ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd. Dat zou anders zijn indien de leverancier naar nationaal recht de mogelijkheid zou hebben de op de handeling toepasselijke belasting als toeslag aan de overeengekomen prijs toe te voegen en deze op de koper van het goed te verhalen (HVJ, 7 november 2013, T. — P., gevoegde zaken C-249/12 en C-250/12, punten 35- 37).
Er werd te dezen geen factuur opgesteld door eerste eiseres aan haar moeder. In de trainingsovereenkomst wordt geen btw vernoemd en aangezien mevr. D. geen btw-belastingplichtige is, oordeelt de rechtbank dat de afgesproken vergoeding inclusief btw was.
Verweerder toont geen rechtsgrond aan op basis waarvan de btw kan verhaald worden op mevr. D.. Het feit dat mevr. D. de moeder is van eerste eiseres verandert hier niets aan.
De rechtbank bevestigt dan ook de berekeningsmethode van eisers, met name:
370.000,00 inclusief 21% btw = 370.000/1.21 X 21%, zodoende dat de btw 64.214,88 euro bedraagt.
In die mate is de vordering van eisers gegrond.
4.4. De proportionele geldboete t.b.v. 20%
De fiscale administratie heeft een herleide geldboete opgelegd t.b.v. 20%. Eisers voeren geen concrete middelen aan ter betwisting van deze geldboete. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde geldboete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en zulks rekening houdende met het KB nr. 41.
4.5. De overige middelen
Gelet op hogervermeld oordeel, dienen de overige middelen, in het bijzonder het middel inzake misbruik, niet beoordeeld te worden.
4.6. De kosten van het geding
Partijen werden elk deels in het ongelijk gesteld en dienen derhalve elk als gedeeltelijk in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding. Partijen voeren geen betwisting aangaande het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding, met name 6.000,00 euro. Het past daarom de gerechtskosten als volgt tussen hen te verdelen: 2/10 ten laste van verweerder en 8/10 ten laste van eisers.
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van tweede eiseres onontvankelijk.
Verklaart de vordering van eerste eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond in de volgende mate.
Beveelt dat het innings-en invorderingsregister BTW met schuldnummer 500...31, opgemaakt op 8 juli 2019 en uitvoerbaar verklaard op 11 juli 2019, slechts uitvoerbaar is in die mate dat rekening wordt gehouden met wat voorafgaat, namelijk dat de verschuldigde
btw in hoofdsom wordt herleid van 79.254,70 euro naar 64.214,88 euro en de proportionele boete en interesten in diezelfde overeenstemmende mate.
Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen te vermeerderen met de wettelijke moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91 W.BTW.
De rechtbank vereffent de kosten van het geding op een rechtsplegingsvergoeding van 6.000,00 euro. Veroordeelt verweerder tot het betalen van 2/10 van de kosten van het geding vereffend door de rechtbank op een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.200,00 euro (2/10 van 6.000,00).
Veroordeelt eisers, passief ondeelbaar, tot het betalen van 8/10 van de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.
Dit vonnis werd uitgesproken op zestien april tweeduizend eenentwintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit:
A. B., rechter
N. D., griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.