Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 1er octobre 2002

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, amende administrative, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-amende-administrative-poursuite-cour-appel-gand-2002-10-01-c343

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
1er octobre 2002

Parcours procédural

2 étapes · 2 ans 7 mois
  1. Décision affichéeCour d'appel de Gand01.10.2002
  2. Décision sur pourvoiCour de cassation de Belgique13.05.2005

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

228 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 01.10.2002

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent, 5e Kamer – Terechtzitting van 01.10.2002

Verzet dwangbevel (BTW)

Nr. 1998/AR/1516 - In de zaak van :

1. …, fabrikant van en kleinhandelaar in meubelen, ondernemer van timmer- en schrijnwerk, ingeschreven in het handelsregister te …, onder nummer …, wonende te …, …

2. …, zelfde beroep, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, wonende te …, …

samen handel drijvende onder de benaming F. V. (M. V.), met zetel te …, voor BTW-doeleinden geïdentificeerd onder nummer …

appellanten,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. C. B., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 14 te 1000 Brussel, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur van de BTW te Gent, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Gent 2, wiens kantoor gevestigd is te 9000 GENT, Martelaarslaan 17,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. V. I. loco Mr. P. M., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 2.2.1990 hebben de appellanten de geïntimeerde gedagvaard voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde uitspraak te horen doen over het verzet van de appellanten tegen het dwangbevel Reg.nr. … d.d. 22.2.1988 en op 23.2.1988 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Dit dwangbevel werd bij gerechtsdeurwaardersexploot van 23.1.1990 betekend aan de appellanten op verzoek van de geïntimeerde.

De appellanten vorderen:

- in hoofdorde : het dwangbevel integraal te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en de appellanten te ontslaan van alle in dit dwangbevel van hen gevorderde bedragen;

- in ondergeschikte orde : het dwangbevel in de mate dat er enige administratieve geldboete in wordt nagevorderd, te vernietigen, hetzij de geldboete volledig kwijt te schelden;

- in uiterst ondergeschikte orde : het dwangbevel te vernietigen in de mate dat een verhoging met … BEF van de oorspronkelijk verminderde boete wordt toegepast;

- de geïntimeerde te veroordelen tot de integrale terugbetaling van het bedrag van … BEF dat ten onrechte werd teruggegeven aan BTW-Ontvangsten Mechelen en werd toegerekend op de bedragen vermeld in het dwangbevel waarvan de vernietiging wordt gevorderd, en dit met vermeerdering van de moratoire interesten, evenals tot terugbetaling van eventuele andere ingehouden bedragen.

De geïntimeerde van haar kant vordert dat het verzet tegen het dwangbevel ongegrond zou worden verklaard.

Bij vonnis van 23.4.1998 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, derde kamer, werd het verzet toelaatbaar doch ongegrond verklaard en werden de appellanten veroordeeld tot de kosten.

Vermeld vonnis werd op verzoek van de geïntimeerde bij gerechtsdeurwaardersexploot van 19.6.1998 betekend aan de appellanten (stuk 1.6 van de geïntimeerde).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 26.6.1998 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het voormeld vonnis.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellanten streven de hervorming van het bestreden vonnis na overeenkomstig hun hoger aangehaalde vordering. De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.

2. De appellanten voeren aan dat de vordering van de geïntimeerde verjaard is.

De geïntimeerde vordert BTW, een geldboete in toepassing van onder meer artikel 70, § 1 BTW-Wetboek, intrest in toepassing van artikel 91, § 1 BTW­Wetboek.

Artikel 81, eerste lid BTW-Wetboek in zijn te dezen toepasselijke versie bepaalt dat de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop zij is ontstaan. De vordering ontstaat op het ogenblik dat de indieningtermijn van de aangifte waarin de verrichting moest worden opgenomen, verstreken is, hetzij de 20e dag van de eerste maand na ieder kalenderkwartaal (artikel 16, tweede lid, KB nr. 1 van 23 juli 1969, thans; artikel 18, § 2 KB nr. 1 van 29.12.1992).

Het oudste belastbaar feit greep plaats in januari 1983, en de belaste feiten voorwerp van huidig geschil strekken zich uit over de periode van januari 1983 tot december 1985 (zie het proces-verbaal van de Controle Eeklo, bijlage bij stuk 3bis van de appelanten; stuk 35 van de appellanten). De verjaring begon voor de belastbare feiten van elk kalenderkwartaal te lopen vanaf de 20e dag van de eerste maand na ieder kalenderkwartaal.

a.

De appellanten stellen dat de geïntimeerde dient te bewijzen dat de verjaring van haar vordering rechtsgeldig werd gestuit in het jaar 1987, 1988 of 1989, en dat de geïntimeerde zulks niet doet, terwijl de betekening van het dwangbevel op 23.1.1990 te laat is geschied om nuttig de verjaring voor een BTW-navordering voor de jaren 1983 en 1984 te stuiten.

De geïntimeerde houdt voor dat de verjaring rechtsgeldig werd gestuit door de kennisgeving op 25.02.1988 van het dwangbevel van 23.2.1988. Zij legt twee documenten "kennisgeving van dwangbevel'' gedateerd 25.02.1988 over (stukken I.9 en I.10 van de geïntimeerde).

Artikel 85, § 1 tweede lid BTW-Wetboek voorziet dat de kennisgeving van het dwangbevel gebeurt bij een ter post aangetekende brief en dat de afgifte van het stuk per post geldt als kennisgeving vanaf de daaropvolgende dag. Artikel 85, § 2.1° BTW-Wetboek bepaalt dat de kennisgeving de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten, van de administratieve geldboeten en van het toebehoren stuit.

De geïntimeerde legt geen bewijzen van aangetekende zending voor met betrekking" tot haar stukken I.9 en I.10.

De inschrijving van de wettelijke hypotheek heeft volgens artikel 88, § 2, tweede lid BTW-Wetboek plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend werd verklaard door de ambtenaar aangewezen door de Minister van Financiën en dat melding maakt van de kennisgeving of betekening ervan.

Hieruit volgt dat inschrijving van de wettelijke hypotheek gebeurt zonder voorlegging van de (regelmatige) kennisgevingen zelf, maar dat met betrekking tot die kennisgeving enkel vereist is dat er melding van zou worden gemaakt.

Op zicht van de stukken 1.11 en 1.12 van de geïntimeerde, zijnde de borderellen van hypothecaire inschrijving waarbij de BTW-ontvanger de Hypotheek-bewaarder om inschrijving van de wettelijke hypotheek verzoekt, is dit ook de teneur van deze stukken, waarin de BTW-ontvanger enkel bevestigt dat van het dwangbevel aan de belastingschuldige kennis werd gegeven bij aangetekende brief, waarvan afgifte ter post werd gedaan op 25.02.1988, terwijl uit niets blijkt dat bewijs van aangetekende verzending aan de Hypotheekbewaarder werd voorgelegd (wat wettelijk ook niet vereist is).

Uit de brieven van 6.11.1996 (waarin verwezen wordt naar een brief van 11.9.1996) en 7.8.2000 (stukken II.26 en 27 van de geïntimeerde) van de notarissen van … blijkt dat deze laatste dan (8 jaar na de door de geïntimeerde voorgehouden kennisgeving van dwangbevel) wist dat er een hypothecaire inschrijving was. Uit deze brieven is echter in het geheel niet af te leiden dat de documenten "kennisgeving van dwangbevel" aangetekend werden verstuurd, terwijl niet zonder meer kan verondersteld worden dat de appellanten grondig nazicht hebben gedaan nopens het vervuld zijn van alle wettelijke voorwaarden voor deze hypothecaire inschrijving, en meer bepaald het voorhanden zijn van een rechtsgeldige kennisgeving.

Te dezen levert de geïntimeerde niet het bewijs dat de documenten "kennisgeving van dwangbevel" gedateerd 25.2.1988 met het oog op aangetekende verzending aan de postdiensten werden afgegeven, zodat kennisgeving op de wijze bedoeld bij artikel 85, § 1, tweede lid BTW-Wetboek niet vaststaat, noch op 25.2.1988 noch op een andere nuttige stuitingsdatum.

b.

De appellanten houden voor dat het dwangbevel van 23.2.1988 nietig is omdat niet vaststaat dat dit na een geldige delegatie werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

Het dwangbevel werd uitgevaardigd door de Ontvanger van het BTW-kantoor Gent 2, en werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de Hoofdcontroleur BTW te Eeklo.

Uit het rondschrijven van 23.1.1986 van de Gewestelijke Directeur van de administratie van de BTW Gent 1 registratie en domeinen (stuk ll.22 van de geïntimeerde) blijkt dat alle hoofdcontroleurs van het ambtsgebied werden gemachtigd om "vanaf heden en tot nader order" alle dwangbevelen te viseren en uitvoerbaar te verklaren, uitgezonderd deze die steunen op een proces-verbaal dat niet door de directie werd goedgekeurd.

Het proces-verbaal in kwestie (zie de bijlage bij het dwangbevel) werd door de directie goedgekeurd zoals blijkt uit de brief van 27.1.1988 van de directie (stuk II.28 van de geïntimeerde).

Daar artikel 85, § 1, eerste lid BTW-Wetboek toelaat dat een dwangbevel zou geviseerd en uitvoerbaar worden verklaard door de ambtenaar aangewezen door de gewestelijke directeur, werd het dwangbevel op rechtsgeldige wijze geviseerd en uitvoerbaar verklaard.

De betekening van dit dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot van 23.01.1990 heeft een stuitend effect ten aanzien van de verjaring.

c.

Op grond van hetgeen voorafgaat moet samen met de appellanten worden aangenomen dat de vordering van de geïntimeerde met betrekking tot de jaren 1983 en 1984 verjaard is, gezien de verjaring niet gestuit werd binnen de termijn van vijf jaar voorzien bij artikel 81 BTW-Wetboek te rekenen.

Wat de belastbare feiten van het laatste kwartaal van 1984 betreft diende stuiting te gebeuren binnen de vijf jaar vanaf 20.1.1985, hetzij ten laatste op 20.1.1990. De betekening van dit dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot van 23.01.1990 kon derhalve de verjaring niet stuiten wat dit kwartaal en de eraan voorafgaande kwartalen betreft.

Daarentegen heeft deze betekening wel stuitend effect ten aanzien van de verjaring voor de belastbare feiten van 1985.

d.

De appellanten stellen dat de verjaring is bereikt aangezien er in eerste aanleg meer dan vijf jaar is verlopen tussen het neerleggen van de eerste en het neerleggen van de tweede conclusie.

Het toepasselijke artikel 83, eerste lid BTW-Wetboek bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; tevens dat een nieuwe verjaring, die op dezelfde wijze kan worden gestuit, in dat geval verkregen wordt vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring, indien geen rechtsgeding hangend is.

Met betrekking tot deze bepaling werd tijdens de parlementaire voorbereidende werken (Bespreking van de artikelen in de Senaat, Pasinom. 1969, p. 1072) gesteld dat bij stuiting een nieuwe verjaring begint te lopen die op dezelfde wijze kan gestuit worden en dat de verjaring verkregen is - zelfs al gaat het om de vordering tot voldoening bedoeld bij artikel 81 BTW-Wetboek die in een termijn van zes jaar (thans vijf jaar) voorziet - twee jaar (thans vijf jaar) na de laatste stuitingsdaad van de vorige verjaring. Er werd echter aan toegevoegd dat de verjaring nochtans niet verkregen wordt wanneer een rechtsgeding hangend is, en bovendien gepreciseerd dat de tekst van artikel 83 niet voorziet dat de verjaring niet loopt wanneer er een rechtsgeding is, maar dat ze niet verkregen wordt indien er een rechtsgeding is twee jaar (thans vijf jaar) na de laatste stuitingsdaad.

Noch in de wettekst, noch in de voorbereidende werken wordt onderscheid gemaakt tussen het geval waarin het rechtsgeding wordt ingeleid op initiatief van de Belgische Staat dan wel op het initiatief van de belastingschuldige. Het rechtsgeding ingeleid door de belastingschuldige bij wijze van verzet met dagvaarding ter stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel (artikel 89 BTW-Wetboek), zoals te dezen, is te beschouwen als een rechtsgeding bedoeld bij artikel 83, eerste lid BTW-Wetboek. Hierbij is het ook logisch aan te nemen dat wanneer de wetgever in artikel 83, eerste lid BTW-Wetboek het heeft over de invloed van een rechtsgeding op de verjaring, hij ook denkt aan een rechtsgeding dat hij even verder in de wet onder artikel 89 bespreekt.

Dit vindt ook bevestiging in het feit dat tijdens de voorbereidende werken in de Kamer van Volksvertegenwoordigers met betrekking tot het BTW-Wetboek (de wet van 3.7.1969) (Memorie van Toelichting, Pasinom. 1969, p. 880) werd gesteld dat de regelen in artikel 83 dezelfde zijn als die in artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen.

De tekst van het toenmalige artikel 83 BTW-Wetboek is identiek aan de tekst van het toenmalige artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen. Het eraan voorafgaand toenmalige artikel 2026 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen heeft quasi dezelfde bewoordingen als het artikel 89 BTW-Wetboek en beide bepalingen hebben het over de stuiting van de tenuitvoerlegging van het dwangbevel/dwangschrift door middel van verzet met dagvaarding.

Met betrekking tot het artikel 2029 van het Wetboek van met zegel gelijkgestelde taksen werd ten tijde van het tot stand komen van het BTW­Wetboek (wet van 3.7.1969) evenzeer aangenomen dat er rechtsgeding in de zin van vermeld artikel 2029 was bij verzet tegen dwangschrift met dagvaarding (zie RPDB, deel XIV, v° Timbre (Taxes assimilées au), p. 523, nr. 1812.6 en p. 527 nr. 1842).

De verjaring van de vordering van de geïntimeerde met betrekking tot de belastbare feiten van het jaar 1985 werd gestuit binnen de vijf jaren vanaf de 20e dag van de eerste maand na ieder kalenderkwartaal door de betekening van het dwangbevel bij gerechtsdeurwaardersexploot van 23.01.1990, en huidig rechtsgeding (ingeleid bij dagvaarding van 2.2.1990) was hangende op een ogenblik dat de verjaring nog niet bereikt was. De verjaring met betrekking tot de belastbare feiten van het jaar 1985 is in toepassing van artikel 83, eerste lid BTW-Wetboek niet verkregen.

Tijdens huidig rechtsgeding, dat als voorwerp heeft de betwisting van de vordering tot voldoening van de BTW en accessoria, kan enige verjaring tegen de geïntimeerde met betrekking tot haar vordering niet lopen gezien gedurende het rechtsgeding de vordering van de geïntimeerde in betwisting blijft (zie De Page, H., Traité Elémentaire de Droit Civil Belge, Brussel, Bruylant, 1943, Tome VII-vol.II, nr. 1211.A, p. 1090; vergelijk Cass. 7.12.1995, RW 1995-96, 1416 en Cass. 30.6.1997, Pas. 1997, I, p. 772, nr. 309).

In acht genomen hetgeen voorafgaat kunnen de appellanten niet gevolgd worden in hun stelling dat de vordering van de administratie verjaart tijdens het geding omdat meer dan vijf Jaar is verlopen tussen het neerleggen van de eerste en het neerleggen van de tweede conclusie.

3. Er bestaat betwisting tussen partijen, thans gezien hetgeen voorafgaat nog enkel wat betreft de belastbare feiten van het jaar 1985, omtrent het toe te passen BTW-tarief, meer bepaald of het toe te passen BTW-tarief 19 % bedraagt (stelling van de geïntimeerde) dan wel 6 % (stelling van de appellanten).

a.

Het behoort de geïntimeerde in beginsel in toepassing van de principes neergelegd in de artikelen 870 Ger. W. en 1315 Burg. W., alsmede in artikel 59, § 1 BTW-Wetboek, het bestaan en het bedrag van de belastingschuld aan te tonen.

Te dezen is er geen betwisting over het bestaan en het verschuldigd zijn van belasting, wel over het tarief.

Waar de geïntimeerde voorhoudt dat de appellanten een belasting op de toegevoegde waarde van 19 % verschuldigd zijn, dient zij aan te tonen dat de belastbare feiten, waarover huidig geschil loopt aan dit tarief zijn onderworpen.

Noch artikel 64, § 1 noch artikel 64, § 2 BTW-Wetboek, door de geïntimeerde aangehaald, kunnen tot een ander besluit leiden, nu deze bepalingen enkel een vermoeden van belastbaarheid in het leven roepen en niet handelen over het toe te passen tarief, en de belastbaarheid te dezen niet wordt betwist.

Ook artikel 64, § 3 BTW-Wetboek is te dezen niet van nut. De wetgever heeft met deze bepaling niet de bedoeling gehad om hij elke betwisting over het toepasselijke BTW-tarief het hoogste tarief toepasselijk te maken op last voor de belastingplichtige te bewijzen dat een ander tarief van toepassing was, maar heeft de regeling van artikel 64, § 3 BTW-Wetboek uitgewerkt voor de specifieke situatie waarin de belastingplichtige goederen verkoopt of diensten levert zonder factuur (zie in dit verband het verslag namens de Commissie van Financiën in de Kamer, Gedr. St. Kamer, B.Z. 1968, nr. 88/15, 157; vergelijk Stas, D., De wettelijke vermoedens van artikel 64, 65 en 68 W.BTW, in T.F.R. 2002, p. 3 e.v., meer bepaald p. 11 en 12). Deze situatie is te dezen niet voorhanden.

De belasting over de toegevoegde waarde werd volgens het artikel 1 van het KB nr. 20 van 20.7.1970, in de versie van kracht op het ogenblik van de belastbare feiten, geheven :

1° tegen het tarief van 6 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel A van de bijlage bij dit besluit;

2° tegen het tarief van 17 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel B van de bijlage bij dit besluit;

3° tegen het tarief van 25 % voor de goederen en diensten aangewezen in tabel C van de bijlage bij dit besluit;

4° tegen het tarief van 19 % voor alle andere goederen en diensten bedoeld in het Wetboek.

Deze bepaling stelt niet als principe dat de belastbare feiten onderworpen zijn aan het tarief van 19 % behoudens de uitzonderingen getarifeerd aan 6 %, 17 % of 25 %, maar voorziet daarentegen in verschillende categorieën belastbare feiten elk aan een eigen tarief onderworpen.

Dit houdt in dat de geïntimeerde niet kan volstaan met te verwijzen naar het tarief van 19 % waarbij aan de belastingschuldige de last wordt opgelegd aan te tonen dat een ander tarief van toepassing is, maar dat de geïntimeerde, wil zij belastbare feiten tegen 19 % taxeren, dient aan te tonen gezien de formulering onder cijfer 4° van vermeld artikel 1 van het KB nr. 20 ("alle andere goederen en diensten"), dat de belastbare feiten niet zijn opgenomen in een van de categorieën onder de cijfers 1° (tabel A), 2° (tabel B) of 3° (tabel C).

Van die principiële regeling wordt afgeweken door artikel 1 van het KB van 15.2.1982 dat bepaalt dat artikel 1 van het KB nr. 20 wordt aangevuld met een tijdelijke bepaling luidend als volgt :

"Tot 31 december 1983 (nadien tot 31.12.1985, artikel 1 KB van 23.12.1983) is de belasting over de toegevoegde waarde, voor de onroerende handelingen beoogd in het volgende lid, verschuldigd tegen het tarief van 6 pct.

Deze heffing is van toepassing :

1° op het werk in onroerende staat en op de andere handelingen, bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, indien dat werk in onroerende staat en die andere handelingen betrekking hebben op een woning, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd om te worden gebruikt als privé-woning, en voor zover die verrichtingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker;

2° op het studiewerk en het toezicht die behoren tot de geregelde werkzaamheid van architecten, landmeters en ingenieurs, en die verricht worden ter voorbereiding of ter coördinatie van de uitvoering van een onder 1° verrichte handeling;

3° op de leveringen van goederen, bedoeld in artikel 9, § 3, van h2t Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, indien die goederen woningen zijn, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd om te worden gebruikt als privé-woning, en voor zover zij worden geleverd en gefactureerd aan een eindverbruiker."

Steeds in toepassing van de principes neergelegd in de artikelen 870 Ger. W. en 1315 Burg. W., is het aan de appellanten om aan te tonen dat de voorwaarden waaronder de aangehaalde aanvullende tijdelijke bepaling toelaat af te wijken van de voormelde principiële regeling en waarop zij zich beroepen (te dezen meer bepaald die van het cijfer 1° van de aanvullende bepaling), vervuld zijn.

b.

Er bestaat geen betwisting tussen partijen over het feit dat de in betwisting zijnde handelingen betrekking hebben op een woning, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd om te worden gebruikt als privé-woning en geleverd en gefactureerd werd aan een eindverbruiker, behoudens wat de factuur nr. 75 d.d. 6.6.1985 betreft.

Omtrent deze laatste factuur laat de geïntimeerde opmerken dat zij betrekking heeft op de inrichting van het consultatiebureau van een dierenarts.

De factuur in kwestie vermeldt dat volgende prestaties werden geleverd (stuk II.18) voor de Heer J. L., dierenarts : “Meubelen voor inrichting consultatie bureel, waaronder inbouwbergkasten met giftkast, bureel met aanbouw, pompsteenkasten - Uitvoering: wit/wit hornitex en werkbladen in wbp Formica''.

Hieruit dient te worden afgeleid dat het gaat om prestaties voor de dierenartsenpraktijk.

De appellanten tonen niet aan dat het gaat om prestaties die betrekking hebben op een woning, hoofdzakelijk gebruikt of bestemd om te worden gebruikt als privé-woning, zodat het tarief van 6 % voorzien bij de tijdelijke bepaling van artikel 1 van het KB van 15.2.1982 niet kan worden toegepast.

c.

Uit het proces-verbaal bij lage bij het dwangbevel en de voorgelegde facturen (stukken II.18 van de geïntimeerde) blijkt dat volgende facturen voor volgende prestaties verder in betwisting zijn :

Factuur nr. 1 d.d. 04.01.85 : maken, leveren, plaatsen en inbouwen van hall­kast volgens ontwerp en opgave

Factuur nr. 3 d.d.11.01.85 : Inbouw wandkast aangepast en ingedeeld volgens ontwerp en opgave L 310 m, H 15 m D 046 m in eik nat.

Factuur nr. 8 d.d. 15.01.85 : Uitwerken van studiokasten volgens ontwerp in wit formica en uitbetimmering met gyproc.

Factuur nr. 12 d.d. 21.01.85 : Inbouwen en uitwerken van wand volgens ontwerp en opgave L 410 m, H 236 m, D 047 m & 058 m

Factuur nr. 18 d.d. 05.02.85 : Inbouwkast volgens ontwerp L 350 m Eik natuur, kan later geboend worden

Factuur nr. 19 d.d. 18.02.85 : lnbouwwandkast met inbouw en overbouw van safe, volgens ontwerp

Factuur nr. 20 d.d. 19.02.85 : Uitwerken van TV-kast met dubbel gebruik en vaste plaatsing

Factuur nr. 21 d.d. 25.02.85 : Maken, leveren en inbouwen van wandrekken, met aansluitingen en aanpaslatten volgens meting

Factuur nr. 49 d.d. 12.04.85 : Inbouwmeubelen voor inrichting van slaapkamer, bestaande uit kleerkast met schuin uitgewerkte rug, met bed overbouw en aansluitingen

Factuur nr. 54 d.d. 24.04.85 : Inbouwkasten voor studio kamers volgens ontwerp en opgave met uitwerking aan schuine kant van het dak en wandkast met inbouw van wasbak

Factuur nr. 56 d.d. 25.04.85 : Uitwerken van badkamerkasten in wit formica, en wand met schuifdeur + spiegels

Factuur nr. 65 d.d. 12.05.85 : Inbouwkast volgens ontwerp en meting, met vaste aansluitingen, Satiné lak volgens monster

Factuur nr. 70 d.d. 23.05.85 : Inbouw boekenkast L 100 m en Inbouw kleerkast met schuifdeuren L 153 m

Factuur nr. 71 d.d. 29.05.85 : Inbouwkast volgens ontwerp en opgave, met uitbetimmering en aansluitlatten L 300 m Uitvoering eik natuur

Factuur nr. 74 d.d. 04.06.85 : Maken leveren en plaatsen van boekenkast in eik natuur

Factuur nr. 88 d.d. 02.07.85 : Uitwerk van bureel volgens ontwerp met vaste plaatsing. Uitvoering beuk natuur

Factuur nr. 90 d.d. 04.07.85 : Uitwerken van tellerkast in ontvangstkamer volgens meting en ontwerp Uitvoering : Kersenhout

Factuur nr. 98 d.d. 19.07.85 : Hall-meubel volgens opgegeven ontwerp in lak

Factuur nr. 114 d.d. 03.09.85 : Maken leveren en plaatsen van boekenkast met glasdeuren en aansluiting met latten. Uitvoering : beuk natuur

Factuur nr. 117 d.d.12.09.85 : Maken leveren plaatsen en aanpassen van inbouwkast volgens ontwerp L 310 m, H 243 m, D 060 m

Factuur nr. 125 d.d. 03.10.85 : Maken leveren en plaatsen van Uitbekleding wand met boekenplanken

Factuur nr. 127 d.d. 12.10.85 : Uitwerken van aquariumkast met formica wit

Factuur nr. 129 d.d. 21.10.85 : Uitbetimmering van wanden met legboorden voor boekenopslag

Factuur nr. 130 d.d. 30.10.85 : Inbouwkasten L & R van haard volgens ontwerp en opgave Uitvoering : Eik getint volgens staal

Factuur nr. 131 d.d. 31.10.85 : Uitwerken van bureel volgens ontwerp met vaste plaatsing Uitvoering : witte Formica SP.

Factuur nr. 132 d.d. 05.11.85 : Inbouw boekenkast met ingewerkte nachtkastjes

Factuur nr. 139 d.d. 22.11.85 : Boekenkast inbouw volgens opgave ontwerp met verstelbare boorden en glasdeuren D 125 m, H 230 m – 30/23 Uitvoering in Eik natuur

Factuur nr. 143 d.d. 25.11.1985 : Hallkast met uitwerking van kleerhanger met haken in zwart Uitbetimmering bovendeel kast en Entreekast met schuiven

Factuur nr. 146 d.d. 03.12.85 : Maken leveren en plaatsen van kasten met betimmering vast tapijt plafond, wanden en isolatie, volgens plan en opgave

Factuur nr. 153 d.d. 11.12.85 : Inbouw en betimmering voor barkast volgens ontwerp

Factuur nr. 160 d.d. 19.12.85 : Uitwerken van muziekmeubel volgens ontwerp meting met inwerk van leidingen en bedrading. Eik donker fumé

Factuur nr. 165 d.d. 26.12.85 : Uitwerken van vestiairekast in Eik volgens opmeting en ontwerp.

De appellanten huldigen het standpunt dat de door hen uitgevoerde prestaties vallen onder het begrip werk in onroerende staat en andere handelingen, bedoeld in artikel 17bis van het Koninklijk Besluit nr. 1, van 23 juli 1969, meer bepaald :

- "werk in onroerende staat" in de zin van artikel 19, § 2 BTW-Wetboek, naar hetwelk voormeld artikel 17bis verwijst, en waarbij de appellanten doelen op de in vermeld artikel 19, § 2 BTW-Wetboek aangehaalde "handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt";

minstens:

- "iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw ... e) van …opbergkasten die definitief zijn ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw" zoals aangehaald in artikel 17bis, § 2, 1°, litt. e) van het Koninklijk Besluit nr. 1, van 23 juli 1969.

i.

Onroerend uit hun aard zijn gronderven, alsmede de gebouwen waarmee moeten worden gelijkgesteld de voorwerpen die, duurzaam en gewoonlijk, ermee verenigd zijn of erin vastzitten (artikel 518 en 523 Burg. W.; vergelijk Cass. 15.9.1988, Pas. 1989, I, nr. 30 p. 52)

De gebouwen waarvan te dezen sprake zijn privé-woningen. Hieromtrent bestaat geen betwisting (zie hoger).

De feitelijke toestand met betrekking tot de meubelen, voorwerp van de betwisting wordt als volgt omschreven in het proces-verbaal bijlage bij het dwangbevel :

"De op deze facturen opgenomen handelingen betreffen de fabricatie van meubelen, die op maat gemaakt en geplaatst worden in de diverse lokalen van de woning, hoofdzakelijk de hall, de living, de slaap- en de badkamer, met uitzondering van de keuken.

Nadat ze in de meubelmakerij op maat werden vervaardigd, worden de geprefabriceerde constructies in de voorziene ruimten geplaatst, eventueel vastgemaakt met een bijkomende versteviging aan de muur en afgewerkt aan de zijkanten of het plafond met aansluitlatten (uitbetimmering).

Hierbij dient gesteld dat de uitgespaarde ruimten niet noodzakelijk speciaal ontworpen werden om als kast te worden gebruikt en zeker niet in zodanige mate dat ze zonder plaatsing van deze kastconstructies nutteloos zouden zijn en vanuit esthetisch standpunt zelfs storend.

…

Benevens deze meubels en kasten wordt er ook ander maatwerk uitgevoerd, zoals het vervaardigen van bedden, werktabletten, schrijftafels, rekken, e.d.”.

Er bestaat geen betwisting over het feit dat de meubels waarover het geschil loopt vastgehecht zijn. Aldus schrijft de geïntimeerde p. 10 bovenaan van haar conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 16.11.1999 over de wijze van aanhechting : "tussen vloer en plafond of dak, begrensd door faience, opgevuld met latwerk, dichting met silicone, op sokkel, vastgeschroefd, uitgewerkte plint, steun aan plafond, vastgemaakt in nis, afwerklatwerk, profielbekleding, aansluitlatten, vastgemaakt met ·winkelhaken, kantlijsten, gyprocafsluiting, etc." Deze aanhechtingswijzen worden door de appellanten niet betwist, maar zelfs geciteerd uit de conclusie van de geïntimeerde (p.16 van de laatste syntheseconclusie van de appellanten, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 23.10.2001).

Uit deze aanhechting op zich kan niet worden afgeleid dat het gaat om onroerende goederen uit hun aard, nu aangehechte goederen onder meer ook onroerend door bestemming kunnen zijn (artikel 525 Burg. W.).

Gelet op vermelde bevestigingswijze kan niet gesteld worden dat de meubelen in kwestie in het gebouw vastzitten, geïncorporeerd zijn. Zij worden enkel bevestigd aan de muur en/of aan het plafond (onder meer door schroeven, winkelhaken) en afgewerkt rondom (latten, plinten, silicone, gyproc, e.d. meer).

Van duurzame en gewoonlijke vereniging met het gebouw is evenmin sprake : de meubelen in kwestie kunnen niet beschouwd worden als noodzakelijk deel uitmakend van het te dezen bedoeld gebouw, een privé­woning, rekening houdend met de moderne tijdsgeest. Ook zonder deze meubelen zouden het nog steeds privé-woningen zijn, zonder dat kan gesteld worden dat aan dergelijk gebouw, in zijn algemeen aanvaarde moderne betekenis, iets ontbreekt waardoor het niet meer als zulk een gebouw kan beschouwd worden, als onvoltooid.

Er kan dan ook niet aangenomen worden dat de in betwisting zijnde belastbare feiten handelingen zijn die erin bestaan roerende goederen te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat ze onroerend uit hun aard worden, zoals omschreven in artikel 19, § 2 BTW-Wetboek.

ii.

De precieze opsomming van welbepaalde handelingen in artikel 17bis, § 2, 1°, litt. e) van het Koninklijk Besluit nr. 1, van 23 juli 1969 doet ertoe besluiten dat die handelingen op restrictieve wijze dienen te worden geïnterpreteerd.

Het moet derhalve gaan om :

- opbergkasten, d i niet elke kast maar a) een kast b) om zaken in op te bergen (zijnde : "wegbergen, wegsluiten'' volgens Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, die als voorbeelden geeft : geld, boeken, speelgoed; zie ter vergelijking ook de franse tekst : "placards de rangement", vrij te vertalen als muurkasten bestemd voor het opruimen/opbergen (Van Dale, Groot Woordenboek Frans­Nederlands));

- die definitief zijn ingebouwd

- in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw

(a)

Uit de libellering in de desbetreffende facturen moet afgeleid worden dat in volgende gevallen het niet gaat om opbergkasten :

Factuur nr. 20 d.d. 19.02.85 : Uitwerken van TV-kast met dubbel gebruik en vaste plaatsing

Factuur nr. 21 d.d. 25.02.85 : Maken, leveren en inbouwen van wandrekken, met aansluitingen en aanpaslatten volgens meting

Factuur nr. 88 d.d. 02.07.85 : Uitwerken van bureel volgens ontwerp met vaste plaatsing Uitvoering beuk natuur

Factuur nr. 90 d.d. 04.07.85 : Uitwerken van tellerkast in ontvangstkamer, volgens meting en ontwerp Uitvoering Kersenhout

Factuur nr. 125 d.d. 03.10.1985 : Maken leveren en plaatsen van Uitbekleding wand met boekenplanken

Factuur nr. 127 d.d. 12.10.85 : Uitwerken van aquariumkast met formica wit

Factuur nr. 129 d.d. 21.10.85 : Uitbetimmering van wanden met legboorden voor boekenopslag

Factuur nr. 131 d.d. 31.10.85 : Uitwerken van bureel volgens ontwerp met vaste plaatsing Uitvoering: witte Formica SP.

Factuur nr. 160 d.d. 19.12.85 : Uitwerken van muziekmeubel volgens ontwerp meting met inwerk van leidingen en bedrading Eik donker fumé

(b)

Wat de overige facturen betreft blijkt niet duidelijk uit de erin opgenomen beschrijving of zij al dan niet betrekking hebben op opbergkasten, en ook niet of die kasten definitief zijn ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw, doch dit alles kan niet zonder meer uitgesloten worden.

Uit het proces-verbaal, bijlage bij het dwangbevel, blijkt immers dat de meubelen voorwerp van de betwiste facturen meubelen zijn "die op maat gemaakt en geplaatst ·worden in de diverse lokalen van de woning, hoofdzakelijk de hall, de living, de slaap- en de badkamer, met uitzondering van de keuken”. Uit zelfde proces-verbaal blijkt dat "nadat ze in de meubelmakerij op maat werden vervaardigd, worden de geprefabriceerde constructies in de voorziene ruimten geplaatst, eventueel vastgemaakt met een bijkomende versteviging aan de muur en afgewerkt aan de zijkanten of het plafond met aansluitlatten (uit betimmering)."

Hieruit volgt dat de meubelen in kwestie worden gemaakt specifiek met het oog op het plaatsen ervan in een welbepaalde "voorziene" ruimte.

Bij herhaling is in de desbetreffende facturen ook sprake van "inbouw", terwijl de afwerking van de betrokken meubelen ten opzichte van de omliggende materialen ook soms impliciet blijkt uit andere vermeldingen (zoals "uitbetimmering met gyproc", "aansluiting met latten'', "betimmering''), wat het voorgaande bevestigt.

Gezien het op maat maken van deze meubelen rekening houdend met de ruimte waarin zij moeten geplaatst worden en de afwerking ten opzichte van de omliggende materialen, mag aangenomen worden dat het de bedoeling is dat ze definitief in de voorziene ruimten geplaatst worden.

Niet duidelijk is of de ruimten speciaal daarvoor uitgespaard werden, doch opnieuw mag dit niet uitgesloten worden. In het proces-verbaal, bijlage bij het dwangbevel, wordt hieromtrent meegedeeld dat de uitgespaarde ruimten "niet noodzakelijk" speciaal ontworpen werden om als kast te worden gebruikt, wat ook impliceert dat dit niet uitgesloten is.

De meubelen waarvan sprake in de beschrijvingen op de facturen kunnen opbergkasten zijn, ook al blijkt dit niet op sluitende wijze. Er wordt immers niet gepreciseerd wat voor kasten het precies zijn, terwijl voor bepaalde kasten dit wel kan vermoed worden (zoals bij een kleerkast, een badkamerkast, een boekenkast, een vestiairekast, een hall-kast met kleerhanger, een entreekast met schuiven).

Het is echter in de eerste plaats aan de geïntimeerde om aan te tonen dat het niet gaat om "iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als aanhechting aan een gebouw : ... e) ... van opbergkasten definitief zijn ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw", zoals dit beschreven staat in Tabel B, II.5.e, bijlage bij het KB nr. 20 van 20.7.1970.

Zoals hoger aangehaald dient zij immers, wil zij belastbare feiten tegen 19 %, taxeren, aan te tonen gezien de formulering onder cijfer 4° van artikel 1 van het KB nr. 20 ("alle andere goederen en diensten"), dat de belastbare feiten niet zijn opgenomen in een van de categorieën onder de cijfers 1° (tabel A), 2° (tabel B) of 3°, (tabel C).

De geïntimeerde levert niet het bewijs dat de bedoelde facturen geen betrekking hebben op opbergkasten die definitief zijn ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw, en levert aldus niet het bewijs dat het belastbare feiten betreft onderworpen aan het tarief van 19 %.

4. Gelet op hetgeen voorafgaat heeft geïntimeerde slechts voor volgende facturen en gedeelten van facturen terecht aangenomen dat het belastbaar feit aan het tarief van 19 % diende te worden getaxeerd :

Factuur nr. 75 d.d. 6.6.85 … BEF (thans … EUR)

Factuur nr. 20 d.d. 19 02 85 … BEF (thans … EUR)

Factuur nr. 21 d.d. 25.02.85 … BEF (thans … EUR) (rekenfout in het proces-verbaal)

Factuur nr. 88 d.d. 02.07.85 … BEF (thans … EUR)

Factuur nr. 90 d.d. 04.07.85 … BEF (thans … EUR)

Factuurnr.125 d.d. 03.10.85 … BEF (thans … EUR)

Factuur nr. 127 d.d. 12.10.85 … BEF (thans … EUR)

Factuur nr. 129 d.d. 21.10.85 … BEF (thans … EUR)

Factuur nr. 131 d.d. 31.10.85 … BEF (thans … EUR)

Factuur nr. 160 d.d. 19.12.85 … BEF (thans … EUR)

______________

… BEF (thans … EUR)

waarop een bijkomende BTW verschuldigd is van … BEF (thans … EUR) x 13 % = … BEF (thans … EUR)

5. De appellanten vorderen de vernietiging, dan wel kwijtschelding, dan wel vermindering van de door de geïntimeerde in toepassing van artikel 70, § 1 BTW­wetboek en artikel 2 KB nr. 41 d.d. 30.1.1987 opgelegde geldboete.

Deze geldboete bedraagt …) BEF, hetzij 10 % van de niet betaalde BTW (toepassing van artikel 70, § 1 BTW-wetboek, artikel 1 KB nr. 41 d.d. 30.1.1987, en tabel A-rubriek II van de bijlage bij het KB nr. 41; zie in dit verband het proces-verbaal bijlage bij het dwangbevel) + … BEF (toepassing van artikel 2 KB nr. 41 d.d. 30.1.1987; zie hetzelfde stuk), hetzij … BEF (thans … EUR).

a.

Artikel 109 van de wet van 4.8.1986 houdende fiscale bepalingen bepaalt dat telkens een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht vermeldt : de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en tevens de motieven opgeeft die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.

In het proces-verbaal, bijlage bij het dwangbevel, worden de overtredingen opgegeven en omschreven welke volgens de verbalisanten leiden tot een verschuldigde BTW van … BEF (thans … EUR), wordt tevens uiteengezet op welke wijze de boete berekend wordt vertrekkende van de nog volgens de verbalisanten verschuldigde BTW en met vermelding van de toepasselijke bepalingen (ook hierboven aangehaald), wordt het bedrag van de aldus berekende boete opgegeven.

Aan de verplichting van artikel 109 van de wet van 4.8.1986 is derhalve voldaan.

b.

De geldboete voorzien bij artikel 70, § 1 BTW-Wetboek (al dan niet verminderd of verhoogd in toepassing van andere bepalingen) wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die gehouden is de belasting te voldoen, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

De aan de appellanten in toepassing van voormelde bepalingen opgelegde geldboete is in deze omstandigheden een strafsanctie in de zin van de artikelen 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955) en 14 IVBPR (Internationaal Verdrag van 19.12.1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York, goedgekeurd bij wet van 15.5.1981), ongeacht het antwoord op de vraag of de geldboete in kwestie al dan niet als zwaar te beschouwen is.

Het Hof vermag de wettelijkheid van dergelijke sanctie te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit houdt ook in dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en de geïntimeerde naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde geldboete (vergelijk Cass. 24.01.2002, rolnr. C000234N, www.cass.be ). Zulks heeft geen ongelijke behandeling van de belastingplichtigen tot gevolg nu de omvang van de straf juist getoetst wordt aan de concrete omstandigheden waarin de belastingplichtigen zich bevinden, concrete omstandigheden die verschillend kunnen zijn.

Zoals hoger sub punt 5.a. aangegeven werden de appellanten duidelijk en afdoende ingelicht omtrent de opgelegde geldboete, meer bepaald wat de feiten betreft die eraan ten grondslag liggen, de toepasselijke wettelijke bepalingen, de berekeningswijze en het bedrag van de geldboete. Er werd derhalve voldaan aan de informatieplicht voorzien bij de artikelen 6, § 3, a EVRM en 14, § 3, a IVBPR.

Anders dan door de appellanten gesteld heeft de geïntimeerde de betwiste geldboete niet opgelegd met schending van het door de artikelen 6, § 2 EVRM en 14, § 2 IVBPR gewaarborgde vermoeden van onschuld. Opnieuw dient verwezen te worden naar het proces-verbaal, bijlage bij het dwangbevel, waaruit blijkt dat de geldboete wordt opgelegd omdat op grond van de daarin opgenomen feitelijke vaststellingen nog BTW verschuldigd zou zijn. De verwijzing naar artikel 64, § 3 BTW-Wetboek doet hieraan geen afbreuk.

Tevergeefs stellen de appellanten dat de "redelijke termijn" verstreken is. De appellanten, initiatiefnemers van het verzet tegen het dwangbevel, konden immers zelf de procedure activeren door middel van de hun door het Gerechtelijk Wetboek geboden mogelijkheden om een eventueel onwillige procespartij te dwingen tot in staat stellen van de zaak en om vaststelling van de zaak voor behandeling te bekomen. Ook de beweerde eventuele nalatigheid van hun vorige raadsman is aan de appellanten toerekenbaar, terwijl omtrent de beweerde (onjuiste) mening van de appellanten dat de BTW-navordering verjaard was dient gesteld dat zij zich hieromtrent terdege konden laten inlichten, en dit in hun hoofde geen beletsel kan zijn om de procedure te activeren.

Te dezen hebben de appellanten nooit het bestaan van de belastbare handelingen betwist, en hebben zij voor de in betwisting zijnde handelingen zoals hel hoort telkens facturen opgesteld De betwisting tussen partijen ging hem enkel over de toepasselijke belastingvoet. Hierbij moet vastgesteld worden dat de appellanten te rade zijn gegaan bij twee met name genoemde ambtenaren van de BTW­administratie te Eeklo alsmede bij de Belgische Federatie van Ondernemingen voor de Houtbewerking, die zelf haar advies steunde op een beslissing van de BTW-Administratie van 9.12.1982 (zie stukken 12, 13 en 15 van de appellanten).

De appellanten stellen dat het op basis van de aldus ingewonnen inlichtingen is dat zij het tarief van 6 % hebben toegepast (zelfde stuk). Er zijn geen redenen voorhanden om hieraan te twijfelen, in acht genomen de precisie van de door de appellanten verschafte gegevens (namen van de BTW-ambtenaren die de inlichtingen verschaften, identificatie van de BTW-beslissing) en het gebrek aan betwisting door de geïntimeerde wat de inlichtingen verstrekt door de BTW­ambtenaren betreft.

Het is begrijpelijk dat de appellanten, geconfronteerd met de niet zo eenvoudige problematiek van wat al dan niet te beschouwen was als "werk in onroerende staat en de andere handelingen, bedoeld in artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969", zich door de vermelde inlichtingen laten leiden hebben, mede gezien deze inlichtingen ook afkomstig waren van de BTW­administratie zelf.

In deze omstandigheden is het opleggen van een boete, waar aan de vermelde problematiek een oplossing moest worden gegeven, niet in redelijkheid te verantwoorden, maar onbillijk.

Dit kan echter niet worden gesteld voor wat betreft de factuur nr. 75 d.d. 6.6.1985 t.b.v. … BEF (thans … EUR) die betrekking heeft op de inrichting van het consultatiebureau van een dierenarts, en niet op een privé-woning, wat de appellanten wel wisten.

Gezien niet blijkt dat de appellanten voorheen reeds beboet werden en gezien het slechts één feit betreft, dient voor dit laatste feit in billijkheid een geldboete van … EUR (- 10 % van 13 % BTW op … EUR) te worden opgelegd.

Dispositif

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Ontvangt het hoger beroep.

Verklaart het hoger beroep deels gegrond.

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit het verzet toelaatbaar verklaart, en opnieuw wijzende.

Verklaart het verzet van de appellanten tegen het dwangbevel Reg.nr. … d.d. 22.2.1988 en op 23.2.1988 geviseerd en uitvoerbaar verklaard) deels gegrond;

Vernietigt dit dwangbevel, behoudens voor :

- … EUR aan nog verschuldigde BTW voor het jaar 1985, meer een intrest zoals voorzien bij en te berekenen conform artikel 91, § 1 BTW­Wetboek vanaf 21.1.1986 (thans 0,80 % per maand);

- … EUR als boete, meer de moratoire intrest zoals voorzien bij artikel 91, § 4 BTW-Wetboek vanaf 23.1.1990, datum van betekening van het dwangbevel;

- de vervolgingskosten, doch slechts in zoverre deze betrekking hebben op de nog openstaande hierboven vermelde hoofdsommen;

Veroordeelt de geïntimeerde tot terugbetaling aan de appellanten van elke som uit hoofde van het vernietigde gedeelte van het dwangbevel eventueel geïnd, ingevorderd of ingehouden, meer de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van inning, invordering of inhouding.

Veroordeelt de appellante tot 1/10 en de geïntimeerde tot 9/10 van de kosten van beide aanleggen.

Begroot deze kosten als volgt :

• aan de zijde van de appellanten : op … EUR dagvaarding verzet en rolstelling + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR recbtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op EEN OKTOBER TWEEDUIZED EN TWEE.

Aanwezig :

De heer A. D. M., Raadsheer, Waarnemend Voorzitter,

Mevrouw S. D. B., Raadsheer,

De heer G. T., Raadsheer,

De heer M. V., griffier.

M. V. G. T. S. D. B. A. D. M.

Textes cités

14
CTVA art. 835 occurrences
AR no 20 art. 14 occurrences
CTVA art. 644 occurrences
CTVA art. 704 occurrences
CTVA art. 193 occurrences
CTVA art. 813 occurrences
CTVA art. 853 occurrences
CTVA art. 913 occurrences
AR no 41 art. 22 occurrences
CTVA art. 892 occurrences
AR no 1 art. 181 occurrence
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 881 occurrence

Décisions similaires

8