Disposition commune, preuve, mesure de contrôle · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance 5 janvier 1998

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition commune, preuve, mesure de contrôleTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-commune-preuve-mesure-controle-tribunal-kortrijk-1998-01-05-9165

Juridiction
Tribunal de première instance
Date
5 janvier 1998

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

484 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Courtrai du 05.01.1998

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG VAN HET ARRONDISSEMENT KORTRIJK, PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, TWEEDE KAMER MET EEN RECHTER, RECHTSPREKENDE IN BURGERLIJKE ZAKEN :

…, vroeger kleinhandelaar in elektrische huishoudtoestellen, radio- en televisietoestellen en exploitant van wassalons en zonnebanken; wonende te …, …, BTW-nummer …;

eiser,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester J. S., advocaat te …, …;

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, administratie der BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door dhr. Minister van Financiën, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12; op vervolging en benaarstiging van :

1) Dhr. Ontvanger van het eerste BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

2) Dhr. Hoofdcontroleur der BTW te Kortrijk 5 wiens kantoren gevestigd zijn te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31;

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, …;

en in de zaak : AR 52482

…, hiervoren vermeld;

eiser,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester J. S., advocaat te … voormeld;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, …, … hiervoren vermeld;

verweerder,

vertegenwoordigd door en pleitend Meester F. W., advocaat te …, voormeld;

De respectieve raadslieden van partijen hebben de zaak uiteengezet in openbare terechtzitting.

De besluiten en stukken werden ingezien.

De raadslieden van beide partijen hebben ter zitting uitdrukkelijk om de samenvoeging van beide zaken AR 52481 en AR 52482 gevraagd (cfr. PV van de openbare terechtzittingen).

Op dit uitdrukkelijk verzoek gaat de rechtbank in.

Zij voegt de beide zaken samen teneinde er in één en hetzelfde vonnis over recht te doen.


De zaak AR 52481

Bij dagvaarding d.d. 8 februari 1993 betekend door gerechtsdeurwaarder J. v. N. S. met standplaats te … heeft eiser verzet aangetekend tegen :

1. het dwangbevel d.d. 3 november 1992,uitgevaardigd door dhr. P. L., BTW-ontvanger te Kortrijk 1 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op niet vermelde datum door dhr. A. B., adjunct-directeur te Brugge, aangewezen door de gewestelijke directeur der BTW te Brugge en vorderend 1.237.249 fr. als BTW, 2.474.498 fr. boeten, verhoogd met de intrest aan 0,8 % per maand op de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1991, de moratoire intrest op de geldboeten vanaf 22 december 1992, zijnde de datum van betekening van dit dwangbevel en met de vervolgingskosten;

2. de betekening-bevel van dit dwangbevel op 22 december 1992 door het ambt van gerechtsdeurwaarder F. D., vorderend 1.237.249 fr. als BTW, 2.474.498 fr. als geldboeten, de intresten op de BTW a rato van 0,8 per maand, berekend op 227.608 fr. tot 20 december 1992, de moratoire intresten op de boeten vanaf 22 december 1992 en de kasten;

3. elke andere uitvoering, alsook elke hypothecaire inschrijving en andere bewarende af uitvoerende maatregelen, waarvoor uitdrukkelijk voorbehoud;

4. elke onrechtmatige inhouding of compensatie, zelfs toekomstige, door de administratie van aan hem, eiser, verschuldigde tegoeden, welke ontstaan door aftrek krachtens art. 45 e.v. van het BTW­Wetboek of om welke andere reden ook, waarvoor uitdrukkelijk voorbehoud en die al dan niet door de administratie zouden aangerekend worden of zijn op rechten, boeten of intresten en waarvan nu reeds de terugbetaling wordt gevorderd, alsook voor elk ander tegoed dat in de toekomst door de administratie op onrechtmatige wijze zou worden ingehouden, waarvoor uitdrukkelijk voorbehoud;

dit op grond van de onrechtmatigheid of nietigheid der akten, alsmede op elke andere grond, zo naar de vorm als ten gronde, ten gepaste tijde te doen gelden en te ontwikkelen en desgevallend ambtshalve in te roepen, waarvoor uitdrukkelijk voorbehoud.

…, was juridisch gezien tot en met 1900 actief als kleinhandelaar in elektrische huishoudtoestellen, radio- en televisietoestellen en als exploitant van wassalons en zonnebanken.

Hij is als BTW-belanstingplichtige in de zin van art. 4 BTW-Wetboek geregistreerd tot en met 1990 onder het BTW-nummer ….

Blijkbaar wegens een ernstige ziekte in de loop van 1987 wordt de zaak op zijn naam sedert 1988 feitelijk grotendeels verdergezet door zijn echtgenote.

De elektrozaak werd afgebouwd en volledig stopgezet in 1990.

De wassalons en de zonnebanken worden wel actief verder uitgebaat.

Sedert 1991 staat deze zaak, dit is dus enkel nog de wassalons en de zonnebanken, blijkbaar volledig op naam van ….

De controle inzake BTW over de periode van 1 januari 1988 tot 31 december 1990 werd aangevangen op 20 september 1991.

Gelet op het niet akkoord tussen partijen werd op 25 november 1991 een proces-verbaal opgesteld door dhr. F. G., verificateur­accountant verbonden aan de vijfde BTW-controle te Kortrijk, waaronder eiser ressorteert.

Dit proces-verbaal bestaat uit twee delen.

Een eerste deel heeft betrekking op de aftrekregeling op de inkomende handelingen.

Een aantal aftrekken van voorbelasting wordt geweigerd.

Dit deel maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk dwangbevel en derhalve van een afzonderlijk verzet (AR 52482).

Het tweede deel van het proces-verbaal (p. 9 e.v.) heeft betrekking op de uitgaande handelingen (onregelmatigheden met betrekking tot aan te geven ontvangsten).

De omzet wordt verhoogd.

Dit deel maakt het voorwerp uit van het verzet gekend onder Met AR nummer 52481

Wat de uitgaande handelingen betreft moet worden gezegd dat eiser over de voormelde controleperiode van 1988-1989 en 1990 een ambtshalve aanslag opgelegd werd (soms ook wel ambtelijke aanslag genoemd).

* Eiser betwist wel dat de voorwaarden (redenen) zouden voorhanden zijn voor het opleggen van een ambtshalve aanslag lastens hem en houdt voor dat de vastgestelde overtredingen minstens onbeduidend zijn en als louter toevallig moeten worden aangemerkt (art. 66, 3° BTW-Wetboek).

Evenwel wordt geen der na te leven formele vereisten bij het opleggen zelf en vestigen van de ambtshalve aanslag betwist en terzake zijn er evenmin ambtshalve van openbare orde op te werpen redenen door de rechtbank.

(Eiser aanvaardt in besluiten thans ook dat verweerder o.a. aangetoond heeft dat het dwangbevel door een daartoe bevoegd persoon werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard - delegatie d.d. 2 maart 1992 door waarnemend gewestelijk directeur P. V. aan A. B., adjunct-directeur van de directie BTW Brugge. Verweerder legt tevens een kopie voor uit de legger van de geviseerde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevelen : onder het volgnummer … is het kwestieus dwangbevel ingeschreven op 12 november 1992, datum welke mogelijks bij vergetelheid niet werd genoteerd in de clausule van visering en uitvoerbaarverklaring op het dwangbevel).

* Verder vecht eiser de ambtshalve aanslag aan als zijnde willekeurig en overdreven.

De ambtshalve aanslag werd in casu opgelegd in toepassing van art. 66, 2de lid BTW-Wetboek (en derhalve niet in toepassing van art. 66, 1° lid).

Art. 66, 1° lid BTW-Wetboek bepaalt dat wanneer een belastingplichtige om welke reden ook geheel of ten dele in gebreke is gebleven o.a. de door of ter uitvoering van het BTW-Wetboek voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het voorleggen ter inzage van boeken of stukken na te komen, of niet geantwoord heeft op de vraag om inlichtingen, bedoeld in art. 61, § 3 BTW-Wetboek, hem door of vanwege de Minister van Financiën ambtshalve een aanslag kan worden opgelegd te beloop van de belasting die verschuldigd is over het VERMOEDELIJK bedrag van de handelingen die hij heeft verricht gedurende de maand of maanden waarop de overtreding betrekking heeft.

Artikel 66, 2° lid BTW-Wetboek bepaalt vervolgens dat ook ambtshalve een aanslag kan worden opgelegd aan de belastingplichtige die belastbare handelingen niet heeft opgetekend in het voorgeschreven boek of stuk of die ten aanzien van dergelijke handelingen aan de medecontractant geen factuur heeft uitgereikt wanneer hij daartoe gehouden was of een factuur heeft uitgereikt waarin o.a. de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen niet juist zijn vermeld.

In die gevallen (van art. 66, 2° lid BTW-Wetboek) kan de ambtshalve opgelegde aanslag betrekking hebben op het gehele gecontroleerde tijdvak (zoals in casu werd toegepast).

Nog anders en algemeen gezegd heeft de wetgever daar de ambtelijke aanslag (artikelen 66 en 67 BTW-Wetboek) aan de Administratie een middel ter hand gesteld om het verzuim van de belastingplichtige, te verhelpen.

De ambtelijke aanslag moet de heffing van de belasting mogelijk maken ondanks het niet uitreiken en het niet inschrijven door de belastingplichtige van de voorgeschreven stukken of van de reële ontvangsten in de voorgeschreven boeken.

Het proces-verbaal onderaan blz. 17 vermeldt :

"Gelet op de veelvuldige onregelmatigheden kan de boekhouding niet als bewijskracht worden beschouwd, daar ze geen waarborgen van oprechtheid meer bezit.".


A. Het is juist dat een boekhouding om bewijskrachtig te zijn, niet noodzakelijk hoeft te voldoen aan de voorschriften van de Wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.

Een boekhouding moet evenwel een samenhangend en nauwkeurig geheel vormen dat nazicht door de fiscus toelaat en daarbij haar juistheid, rechtzinnigheid (oprechtheid), betrouwbaarheid en volledigheid laat blijken in die mate dat zij toelaat om op een juiste wijze de omzet met consequenties inzake BTW van de belastingplichtige vast te stellen.

De rechtbank is van oordeel dat het geheel van de in het PV opgegeven en vastgestelde overtredingen en onregelmatigheden allen samengenomen voldoende aantoont dat de boekhouding van eiser niet aan de voormelde criteria beantwoordt en terecht verworpen werd.

Verweerder spreekt terecht in besluiten van een boekhouding die nog nauwelijks die benaming waardig is.


In detail uitgedrukt gaat het om volgende onvolkomenheden :

A.I.a. Blijkens het proces-verbaal van 25 november 1991 (stuk nr. 1) pag. 9 heeft eiser geen dagontvangstenboek bijgehouden waarin aantekening diende gemaakt van de ontvangsten van de exploitatie van wassalons en zonnebanken.

A.I.b. Proefondervindelijk werd daarenboven vastgesteld dat slechts een fractie van de werkelijke ontvangsten van de droogkasten in de wassalons te … en te … waren aangegeven (zie proces-verbaal blz. 9 tot 11).

Nochtans bepaalt art. 12, 3° van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 dat belastingplichtigen, van wie de jaaromzet minder dan 20 miljoen fr. (excl. BTW) bedraagt een dagboek dienen te houden waarin zij aantekening houden van alle ontvangsten met betrekking tot de handelingen waarvoor zij gebruik hebben gemaakt van de ontheffing van de factureringsplicht, waarin artikel 8 van dit besluit voorziet. (Alle bladen van het dagboek van ontvangsten worden genummerd en de dagontvangsten worden ingeschreven van dag tot dag en zonder witte vlakken of doorhalingen)

De tekortkomingen onder a. en b. ressorteren onder ''het niet optekenen van belastbare handelingen in het voorgeschreven boek of stuk" vermeld in art. 66, 2° lid BTW-Wetboek.

De jaaragenda's waarnaar door eiser wordt gerefereerd kunnen mogelijk gelijkgesteld worden met het voormelde dagontvangstenboek zoals bedoeld door art. 12, 3° van het KB nr. 1 van 23 juli 1969.

De jaaragenda's vermelden dezelfde maandtotalen als het uitgaand factuurboek en daar waar het uitgaand factuurboek slechts twee totalen vermeldt, namelijk het totaal der ontvangsten van alle wassalons en het totaal der ontvangsten van alle zonnebanken, vermelden de jaaragenda's de maandtotalen voor de verschillende exploitatiezetels samen, doch met een uitsplitsing per soort toestel (zwierder, droogkasten, wasmachines) van de verschillende exploitatiezetels samen…

De jaaragenda's geven derhalve nauwelijks iets meer weer dan het uitgaand factuurboek ... derhalve bijlange na niet de informatie die een dagontvangstenboek zou moeten geven.

De reden die eiser geeft ter rechtvaardiging van zijn handelen overtuigt geenszins.

Eiser wijst op het feit dat de wassalons volautomatisch werken en het praktisch onmogelijk is om iedere avond alle exploitatie (…, …, …, …) aan te doen, al het betaalde kleingeld uit de automaten te halen en te verzamelen, te tellen en in te schrijven.

Er mag niet vergeten worden dat er geen bedienden tewerkgesteld worden en dat alles volledig automatisch gebeurt, stelt eiser.

Eiser verklaarde tijdens de controle dat ieder toestel minstens tweemaal per maand gelicht werd.

Aldus zou er minstens per maand 2 detailcijfers per toestel van elke exploitatie kunnen worden gegeven ... quod non.

Bovendien heeft de echtgenote van eiser, …, tijdens de controle verklaard (cfr. blz. 9 van het PV) dat zij meerdere malen per week iedere exploitatiezetel aandoet voor het onderhoud en de reiniging van de toestellen en de gebouwen.

De vraag stelt zich waarom ook zij bij haar poetsbeurten de·lichting der toestellen niet zou kunnen doen... wat heel wat meer registraties zou toelaten.

Het is bovendien zo dat na controle van de meterstanden der droogkasten te … en toetsing van het verbruik aan de berekende opbrengst per eenheid verbruik de verweerder aan een maandelijkse opbrengst van de droogkasten te … komt die meer dan het dubbele bedraagt van deze die aangetekend was in de voorgelegde jaaragenda's (en die ook aangegeven werd in de periodieke BTW-aangiften - zie blz. 9, 10 en 11 bovenaan van het PV).


A.II. Vervolgens worden in het PV een drietal BTW-overtredingen vermeld die misschien elk op zich beschouwd weinig significant zouden kunnen lijken, doch die gevoegd bij de overige overtredingen de onvolledigheid en onbetrouwbaarheid van de boekhouding van eiser alleen maar onderstrepen.

A.II.c. Drie verkopen aan de BVBA B. werden niet ingeschreven in het uitgaand factuurboek van de elektrohandel.

(betreffende deze drie verkopen werden nochtans door eiser voorgenummerde documenten uitgereikt).

Met betrekking tot voormelde leveringen (verkopen) aan de BVBA B. diende overeenkomstig art. 1 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969, genomen ter uitvoering van art. 50, § 1, 2° BTW-Wetboek, een factuur conform art. 2 van voormeld besluit te worden opgemaakt en uitgereikt, quad non.

…, echtgenote van eiser, werd om voorlegging van de dubbels der facturen gevraagd, wat zij niet kon doen.

Zij antwoordde dat de voorgenummerde stukken :

- nr. 57 d.d. 14 juni (1989 ?) voor levering van een stereo – prijs 25. 000 fr.

- nr. 69 d.d. 24 juni 1989 voor levering van een droogkastprijs 16.000 fr.

- nr. 84 d.d. 18 juli 1989 voor levering van een elektrisch fornuis AEG - prijs 23.000 fr.

geen facturen waren en dat zij zouden zijn in geschreven in het dagontvangstenboek dat bijgehouden werd voor de kleinhandel elektro.

De dubbels van deze stukken kon zij niet voorleggen (en evenmin van de gelijkaardige stukken met tussenliggende nummers...).

Echter ook van dergelijke genummerde stukken dient een dubbel te worden opgemaakt (overeenkomstig art. 7 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969) en gedurende 5 jaar te worden bewaard en ter inzage voorgelegd op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de heffing van de BTW (art. 60, 2° lid en 61, 2° lid BTW-Wetboek dat het o.a. ook heeft over boekingsstukken en bestelbons).

De beweerde overeenstemmende boekingen konden door de controleambtenaren niet worden teruggevonden in het dagontvangstenboek.

Nochtans dienen overeenkomstig art. 12, 3° van het voormelde KB nr. 1 de ontvangsten, voortkomende van leveringen van goederen waarvan de prijs per in de handel gebruikelijke eenheid meer bedraagt dan 5.000 fr., inclusief BTW, AFZONDERLIJK te worden ingeschreven met vermelding van de AARD van het verkochte goed.

Voor de 3 verkopingen zouden dus afzonderlijke inschrijvingen moeten zijn, quad non.

Vervolgens komt er uitleg van eiser via diens raadsman in besluiten dat de inschrijvingen als volgt zouden zijn gebeurd :

- stereo 25.000 fr. ingeschreven voor 33.000 fr., aangezien nog bijkomend een radio van 8.000 fr. werd geleverd;

- elektrisch fornuis 23.000 fr., ingeschreven voor 28.000 fr. aangezien nog klein materiaal werd geleverd tegen forfaitaire prijs van 5.000 fr.;

- droogkast 16.000 fr., ingeschreven voor 20.000 fr., aangezien nog bijkomend een stofzuiger werd geleverd.

Verweerder moet dan weer opmerken dat de leveringsbron nr. 57 (bijlage 3 aan het PV) gedateerd is op 14 juni 1989.

Ondanks de kennelijke contante verkoop van de stereo ten bedrage van 25.000 fr. zijn in de kopie van het dagontvangstenboek per 14 juni 1989 slechts ... 700 fr. ontvangsten genoteerd.

De leveringsbon voor de droogkast is gedateerd op 24 juni 1989 (bijlage 4 aan het PV), dag waarop eiser slechts ... 2.800 fr. ontvangsten noteerde in zijn dagontvangstenboek.

Tenslotte is de verkoop van het elektrisch fornuis ten bedrage van 23.000 fr. volgens eiser samen met wat klein materiaal inbegrepen in 28.000 fr. ontvangsten.

In het dagontvangstenboek is naast die 28.000 fr. evenwel geen datum vermeld ... tenzij de boeking nog betrekking heeft op 30 juni 1989.

Hoe dan ook, de leveringsbon voor het elektrisch fornuis dateert van 18 juli 1989 (bijlage 5 aan het PV).

Waarop eiser dan stelt via diens raadsman in besluiten dat het ontvangstbewijs van 33.000 fr. op 14 juni 1989 betrekking heeft op een cheque.

Kennelijk werd de cheque geïncasseerd op 17 juni 1989 en alsdan ingeboekt.

Hetzelfde geldt voor de 20.000 fr. : ontvangstbewijs voor cheque van 20.000 fr. op 24 juni 1989, kennelijk incassering en boeking contanten op 30 juni 1989.

Wat dan de terechte repliek ontlokt van verweerder in besluiten : de argumenten van eiser zijn allerminst overtuigend.

"Kennelijk'' werden de cheques ten bedrage van respectievelijk 25.000 fr. en 16.000 fr. pas enkele dagen later geïncasseerd.

Vooreerst wordt het bewijs van het tijdstip waarop de incasseringen effectief plaatsvonden niet geleverd.

Eiser zwijgt tenslotte in alle talen over de notitie "stoof en klein materiaal" naast het bedrag van 28.000 fr. in het dagontvangstenboek eind juni 1989, waarbij over het hoofd werd gezien dat het fornuis blijkens de factuur (bijlage 5 aan het PV) pas op 18 juli 1989 werd verkocht.

Eiser levert geenszins het bewijs dat alle verkopen effectief werden opgenomen in het dagontvangstenboek of de BTW-aaangifte.

Dit geval illustreert maar al te goed de waarde van de boekhouding van eiser voor een BTW-controle ...

Het ressorteert onder art. 66, 2° lid BTW-Wetboek - belastbare handelingen niet optekenen in het voorgeschreven boek of stuk alsmede het niet uitreiken aan de medecontractant van een factuur terwijl eiser daartoe gehouden was.

A.II.d. Een levering tegen speciale liquidatie-prijzen aan het feest comité Wijk … te … werd niet ingeschreven in het uitgaand factuurboek, noch afzonderlijk vermeld in het dagontvangstenboek.

In het boek voor uitgaande facturen, dat door …, gehouden werd voor de kleinhandel elektro, was met betrekking tot het jaar 1990 een getypt blad ingekleefd dat melding maakte van een levering van goederen door … aan het Feestcomité van de Wijk … te … tegen speciale likwidatie-prijzen.

Kataloguswaarde van de goederen : 37.095 fr.

Betaalde prijs : 14.200 fr.

De levering aan het feest comité tegen zgn. liquidatie-prijzen kan alleen maar worden bewezen door een officiële verkoopfactuur die voldoet aan de bepalingen van het art. 2 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 en die ingeschreven wordt in het verkoopfactuurboek.

In het dagontvangstenboek van de elektrozaak werd evenmin enige overeenstemmende boeking teruggevonden...

(dezelfde overwegingen gelden nagenoeg als deze voormeld onder A.II.

A.II.e. Verder hebben de controle-ambtenaren een tekortkoming in de facturatie van eiser vastgesteld nopens de weergave er op van de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen.

Cfr. PV blz. 13: factuur nr. 665 werd vernietigd en vervangen door factuur nr. 666 met een andere omschrijving van kennelijk dezelfde goederen :

“Factuur met volgnummer 665 d.d. 23 december 1968, ten name van de NV J., P. … te …, BTW-registratienummer ….

De factuur vermeldt als omschrijving der levering : 1 wasautomaat 0lympia (Ardennen).

Prijs 34.950 fr., inclusief 25 % BTW, hetzij 6.990 fr. BTW.

De factuur was doorstreept en er was met de hand op vermeld : “vernietigd. Zie factuur 666”.

Het dubbel van de factuur met volgnummer 666 vermeldt dezelfde dagtekening en identiteit van koopster evenals dezelfde prijs als de factuur met volgnummer 665, maar de omschrijving van de geleverde goederen luidt thans : “elektrische apparaten studiecentrum”.”

Op de belastingplichtige rust de verplichting om aan de medecontractant een factuur uit te reiken waarop o.a. dient vermeld : de gewone benaming van de geleverde goederen (...) met aanduiding, naargelang van het geval, van de hoeveelheid van de goederen (...) en, meer algemeen, van alle gegevens die nodig zijn om de aard van de verrichte handeling te kunnen vaststellen, alsmede het tarief van de verschuldigde belasting (cfr. art. 50 BTW-Wetboek en art. 2, 4° van het KB nr. 1 van 23 juli 1969).

Het minste dat men kan zeggen is dat de vervangende factuur de aard en hoeveelheid van de verkochte goederen toch wel zèèr vaag omschrijft, daar waar de initiële en geannuleerde factuur zeer precies de aard en hoeveelheid der verkochte goederen omschreef ...

Deze tekortkoming ressorteert onder art. 66, 2° BTW-Wetboek - het uitreiken van een factuur waarin o.a. de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen niet juist (te vaag en te weinig precies zijn vermeld.


A.III.f. Vervolgens blijkt uit de vaststellingen blz. 13, 14 en 15 van het PV dat de ontvangsten der elektrohandel niet van dag tot dag werden ingeschreven en dat de totalen die voorkomen in het dagontvangstenboek en overgedragen worden op het einde van iedere maand ter centralisatie naar het verkoopfactuurboek, in laatstgenoemd boek worden opgenomen voor hogere bedragen.

Meer specifiek vermeldt het PV :

"De vaststelling op 15 januari 1900 dat de ontvangsten vanaf 5 januari 1988 tot en met 14 januari 1988 niet ingeschreven waren in het ontvangstenboek, en opgetekend waren op een los blad papier.

De boekingen in het dagontvangstenboek waren navermelde data waarvoor geen vermelding werd gemaakt omtrent de aard van het verkochte goed :

- op 11 mei 1988 : 21.000 fr. in de kolom van 33 % BTW;

- op 30 december 1988 : 8.900 fr. in de kolom van 25 % BTW;

- 31 december 1988 : 20.500 fr. in de kolom van 25 % BTW en 11.500 fr, in de kolom van 25 % BTW :

- maanden juli en september 1988 : er werden geen ontvangsten aangetekend in het dagontvangstenboek belastbaar tegen 19 % BTW;

in het verkoopfactuurboek, alwaar totalen werden gecentraliseerd van verschillende exploitaties werd telkens 20.000 fr., overgenomen;

- maanden januari, februari en maart 1990 : geen ontvangsten geboekt, in de ontvangstenbok, wel overdrachten in het verkoopboek genoteerd;

- april 1990 : 35.000 fr. ingevuld in het dagontvangstenboek in de kolom zonder vermelding van de aard van de verkochte goederen;

in het verkoopfactuurboek werd 50.000 fr. als overdracht vermeld;

- mei 1990 : 25.000 fr. blijkbaar achteraf ingevuld in dagontvangstenboek in de kolom 19 %, zonder vermelding van de aard van de verkochte goederen in het verkoopfactuurboek werd 50.000 fr. als overdracht vermeld.".

Voor dergelijke aard van boekhoudkundige tekortkomingen kan men moeilijk een excuus gaan putten in het feit dat het om uitverkoop zou hebben gegaan alsmede in zijn ziektetoestand.

De administratie werd immers verzorgd door …, echtgenote en eiser kon toch leveringsbonnen uitreiken in verband met de verkoop van apparaten (zie ook het voormelde onder A.II.c, A.II.d).

De dubbels van die stukken moesten hoe dan ook toelaten om de dagontvangsten meer gedetailleerd en oprecht in te vullen.

Eiser heeft evenwel die stukken niet voorgelegd en/of niet bewaard wat weerom in strijd is met art. 60 en 61 BTW-Wetboek en er alleszins niet toe leidt om aan te nemen dat de boekhouding van eiser een coherent betrouwbaar en vooral controleerbaar en overzichtelijk geheel zou vormen...·

Het gaat hier duidelijk niet meer over enkele materiële verschrijvingen door onoplettendheid (toevallige overtredingen) en de rechtbank kan het de administratie niet ten kwade duiden dat zij daarin een manipulatiesysteem ziet van de boekhouding ... (een achteraf en grotendeels naar eigen goeddunken bepalen van het gerealiseerde en aan te geven omzetcijfer ...).

Deze overtreding ressorteert eveneens onder art. 66, 2e lid BTW­Wetboek - belastingplichtige die de belastbare handeling niet heeft opgetekend in het voorgeschreven boek of stuk.


A.III.g. Eveneens blijkt de inventaris van de elektrozaak onvoldoende gedetailleerd.

Cfr. PV blz. 14 en 15 :

"Geen enkele inschrijving vermeldt het aantal stuks, een eenheidsprijs noch enige verwijzing naar de aankoopfacturen.

Geen enkele aanduiding werd gemaakt omtrent de kwaliteit der goederen of eventuele waardevermindering.

Zelfs de vermelde aard van bepaalde goederen is onvoldoende om uit te maken over welke specifieke goederen het gaat.

…

Het inventarisboek maakte geen melding van de voorraad goederen op 31 december 1990.

…, verklaarde dat de geschriften die de opnames bevatten bij haar boekhouder berusten om ingeschreven te worden in het inventarisboek.

…, bevestigde dit.

Het inventarisboek werd mij op 7 november 1991 opnieuw voorgelegd en bevatte als dan de voorraad goederen op 31 december 1990.

…

Ik heb aan …, en aan haar boekhouder, gevraagd of er nog andere geschriften konden voorglegd worden die gedetailleerd de voorraad goederen vermelden en in het bijzonder de detailopnames per 31 december 1990 die op 17 oktober 1991 niet konden vertoond worden omdat ze bij de heer P. V. berustten.

…, antwoordde dat de basisdocumenten niet werden bewaard en bijgevolg niet konden voorgelegd worden.”.

Zelfs al bevat de BTW-wetgeving terzake van ondernemingen met een omzet als deze van eiser geen verplichting tot het opmaken van een inventaris en evenmin dwingende richtlijnen desbetreffend, het opmaken van een inventaris die slechts enkele luttele cijfers vermeldt zonder voldoende detail nopens de goederen waar deze cijfers voor staan, staat quasi gelijk met de ontstentenis van inventaris.

Ook al gaat het hier niet om een eigenlijke BTW of boekhoudkundige overtreding voor een onderneming als deze van eiser, het geval illustreert toch weer eens de werkwijze van eiser : eerst voorhouden een inventaris te houden en wanneer de controle-ambtenaar detaillering vraagt voorhouden dat de detailstukken zich bij de boekhouder bevinden... om dan tenslotte te moeten toegeven dat deze detailstukken niet (meer) bestaan (zogezegd niet werden bewaard alhoewel de administratie kort ervoor daar nog achter gevraagd heeft en men toen liet uitschijnen dat de detailstukken bestonden maar bij de boekhouder waren, reden temeer dus om ze wel degelijk te bewaren en ter controle over te maken aan de administratie).

Ook al is een inventaris op zich van geen nut voor de BTW-heffing zelf, een voldoende gedetailleerde inventaris met toegevoegde inventarisstukken is toch een zeer nuttig element voor de BTW-controle omdat het toelaat onder andere de oprechtheid en betrouwbaarheid van de boekhouding te beoordelen, wat ook de aard van de handelszaak weze (zie ook Luik, 13 maart 1985, FJF nr. 85/161 - stuk 19 verweerder).

De rechtbank kan weerom aan het excuus dat eiser tracht te zoeken in zijn ziekte geen gevolg geven, temeer zijn echtgenote de boekhouding verzorgde.


A.III.h. Tenslotte werd nog vastgesteld dat heel wat rekeninguittreksels van de zichtrekening nr. … ontbreken.

De ontbrekende rekeninguittreksels zijn wel degelijk significant voor (het gebrek aan) bewijskracht van de boekhouding van eiser.

Het volstaat met te verwijzen naar de vraag om inlichtingen d.d. 24 mei 1991 vanwege de Administratie der Directe belastingen, door verweerder aldaar opgevraagd op grond van art. 93quaterdecies, § 1 BTW-Wetboek (stuk nr. 17 verweerder).

Uit dit stuk blijkt dat in de periode van 4 april 1988 tot 26 juli 1988 voor 1.854.261 fr. werd gestort of gedeponeerd op de zichtrekening BBL nr. …, terwijl er volgens de boekhouding in die periode van mei tot en met juli 1988 slechts 929.835 fr. ontvangsten, inclusief BTW, werden geboekt.

In de periode van 5 juni 1989 tot 24 oktober 1989 werd op dezelfde rekening voor 2.698.690 fr. gestort of gedeponeerd, terwijl de ontvangsten, inclusief BTW, volgens de boekhouding slechts 1.365.183 fr. bedragen voor die periode.

Verveeld met deze confrontatie heeft eiser het wijselijker gevonden om de rekeninguittreksels met betrekking tot het jaar 1990 ter gelegenheid van de controle door verweerder aangevangen op 20 september 1991 en verder gezet op 17 oktober 1991 en 7 november 1991, niet voor te leggen.

Het verwijt van eiser aan de Administratie der Directe Belastingen dat ze slechts 2 periodes, nl. van april 1988 tot juli 1988 en van juni 1989 tot oktober 1989 heeft beschouwd om tot een omzettekort te besluiten is onterecht in de wetenschap dat eiser de ontbrekende rekeninguittreksels niet heeft voorgelegd.

Eiser heeft andermaal de controlemiddelen aan verweerder ontnomen door de rekeninguittreksels tot en met het jaar 1990 niet voor te leggen en dit in strijd met de bepalingen van de artikelen 60 en 61 BTW-Wetboek.

Dat de Administratie der Directe Belastingen eiser uiteindelijk voor de jaren 1988 en 1989 een indiciaire taxatie heeft gevestigd neemt niet weg dat de niet voorgelegde rekeninguittreksels en de vraag om inlichtingen voormeld uiterst illustratief zijn voor de onwaarde van de boekhouding van eiser.

Het antwoord van de boekhouder van eiser op de vraag om inlichtingen van de Administratie der Directe Belastingen kan niet overtuigen (stuk 8 eiser).

Eiser antwoordde toen :

"Gezien ziekte einde november 1987 en de daaropvolgende hospitalisatie werden de facturen eind 1987 wel opgemaakt maar niet geïnd. De betalingen gebeurden wel in 1988.".

Eiser biedt vooreerst geen enkel bewijs van eventueel in 1988 betaalde facturen, dewelke werden opgemaakt in 1987.

Een vertraging in de inning is n iet zo vanzelfsprekend gezien het administratief werk wordt verricht door de echtgenote van eiser en gezien er kennelijk geen vertraging was in de facturatie van de geleverde prestaties zelf.

Vervolgens blijkt uit de exploitatierekening met betrekking tot het jaar 1987 niet eens een tegoed op klanten per 31 december 1987.

Een eventuele vertraging in de betaling kan bezwaarlijk uitlopen tot april/mei 1988 (althans niet voor een groot aantal normale verrichtingen in de elektro-kleinhandel van eiser).

Eenzelfde discrepantie tussen de stortingen op de bankrekening er aangegeven ontvangsten geldt bovendien ook voor juni tot oktober 1989.

Zelfs een lening van (amper) 500.000 fr. noch de geïnde huur van 5 maanden kan het grote verschil rechtvaardigen.

De bedenking dat het boekjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december pleit alleen maar voor de voorlegging ter inzage van alle rekeninguittreksels, quod non.

Gelet op de omvang van het voormelde, de punten A.I.a tot en met A.III.h te samen genomen, kan eiser bezwaarlijk nog gewagen van enkele minieme tekortkomingen, enkele materiële vergissingen en tekortkomingen van occasionele of toevallige aard...

Eiser zou beter moeten weten en de administratie heeft terecht zijn boekhouding verworpen.

Waar de belastingplichtige een effectieve controle onmogelijk maakt en talrijke tekorten in zijn boekhouding en de bewaring van stukken te situeren zijn ander art. 66, 2e lid BTW-Wetboek, kon verweerder perfect een ambtshalve aanslag opleggen voor gans het gecontroleerde tijdvak.


8. De ambtelijke aanslag zelf, het vermoedelijk bedrag van de handelingen komt niet overdreven of willekeurig voor.

Verweerder stelt terecht dat hij in de mate van het mogelijke - gelet op de onvolledige boekhouding - op een beredeneerde wijze, vertrekkende van vaststellingen, prijsopnamen, meterstanden en verklaringen, het vermoedelijk bedrag van de belastbare handelingen, verricht door eiser gedurende de gecontroleerde periode op grond van art. 66 BTW-Wetboek en niet op grond van art. 59, § 1 BTW-Wetboek heeft berekend.

Het karakteristieke van de ambtshalve aanslag is dat de bewijslast wordt omgekeerd en op de belastingplichtige wordt gelegd.

Het is de belastingplichtige die moet het tegenbewijs leveren dat de ambtshalve aanslag overdreven is en dus boven het vermoedelijk bedrag van de BTW-handelingen werd gelegd (bijvoorbeeld door bepaling ervan op willekeurige wijze).

Eiser vermag dergelijk tegenbewijs niet te leveren door loutere beweringen, gissingen en veronderstellingen te uiten.

* Wat de omzet der droogkasten betreft

De rechtbank merkt vooreerst op dat verweerder wel degelijk vertrekt van proefondervindelijk vastgestelde feiten : de droogkasten zijn voorzien van metertellers.

Eiser moet toegeven dat de prijs voor het gebruik der droogkasten over de ganse gecontroleerde periode dezelfde gebleven is.

S. M., opsteller, verbonden aan de 5e BTW-Controle te Kortrijk heeft op 4 maart 1988 in het wassalon te …, … van eiser, de meterstanden opgenomen van de droogkasten (cfr. haar PV - bijlage 2 aan het PV van G. Frère).

Op 20 sept. 1991, bij de aanvang van de controle werden opnieuw de meterstanden van de droogkasten op dat ogenblik opgenomen.

Vastgesteld werd tevens dat deze meters, bij gebruik van de droogkast, een bepaald verbruik registreren (vaststellingen opgenomen in·het PV).

Aan de hand van het vastgestelde verbruik en rekening houdende met de gevraagde prijs heeft de controleur de opbrengst berekend per eenheid verbruik op de meter.

Hieruit blijkt dat de opbrengst per eenheid verbruik op de meters tussen 71 en 78 fr. bedraagt.

Hieruit blijkt dat de meters op de droogkasten slechts in geringe mate afwijken van het tarief van 75 fr. per uur, berekend in functie van de geldinworp van 5 fr. voor 4 minuten of 20 fr; voor 16 minuten.

Voorafgaandelijk werd ook reeds in de jaarboekjes van eiser gekeken waarin de totaalomzet van de droogkasten voorkomt voor alle exploitatiepunten, dit wil zeggen … en … (… werd pas in februari 1990 geopend en werd als dusdanig door verweerder buiten beschouwing gelaten),

De jaaragenda's van eiser geven volgende aangegeven omzet weer voor alle droogkasten te … en te … :

- voor het jaar 1988 (exclusief maart 1988) - 11 maanden : 222. 775 fr

- voor het jaar 1989 - 12 maanden : 297.550 fr

23 maanden : 520. 325 fr

of 22.623 fr. per maand.

De controleur heeft aangevraagd hoe de verhouding lag tussen de omzet van de exploitaties … en ….

Hij verklaarde dat beide wassalons dezelfde omzet opleverden.

De gemiddelde omzet van de droogkasten te …, die door … werd aangegeven in zijn periodieke BTW-aangiften over de jaren 1988 en 1989, mag dus bepaald worden op de helft van het gemiddelde dat hiervoor werd berekend, hetzij 22.623 fr. : 2 = 11.311 fr. per maand.

De toetsing aan de opgenomen meterstanden en berekende opbrengst per eenheid verbruik geeft tot slot het volgende resultaat :

meterstand op 4.3.1988 459,00 - meterstand op 20.9.1991 4.982 8

1.109,94 5.213,8

1.039,21 4.541,2

802,64 4.120,5

Totaal : 3.410,79 totaal : 18.858,4

Verbruik : 18.856,47 - 3.410,79 = 15.447,68

Het totale verbruik over deze periode vermenigvuldigd met de bevonden opbrengst geeft een totale opbrengst tussen (15.447,68 x 71 fr.) = 1.096.785 fr. en (15.447,68 x 76 fr.)= 1.174.023 fr., of gedeeld door 42 1/2 maanden, een maandelijks opbrengst van 25.806 à 27.624 fr.

Aldus trekt verweerder de terechte conclusie dat uit bovenstaande vaststellingen en berekeningen dus blijkt dat de bevonden maandelijkse opbrengst van de droogkasten te … meer dan het dubbel bedraagt dan deze die aangetekend was in de voorgelegde agenda's (11.311 fr.) en aangegeven werd in de periodieke BTW-aangiften.

De redenering van verweerder is geenszins een opeenstapeling va vermoedens maar integendeel een redenering gesteund op feitelijke en proefondervindelijke vaststellingen gekoppeld aan de verklaring van eiser dat de exploitaties te … en …, wat de droogkasten betreft, nagenoeg dezelfde omzet halen.

De gemaakte extrapolatie naar de omzet van de wasautomaten en de zwierders toe verantwoordt verweerder door te stellen dat er anders een wanverhouding zou ontstaan tussen het gebruik van de droogkasten vergeleken met het gebruik van de andere automaten.

Verweerder heeft berekend dat slechts 43,8 % à 40,9 % van de ontvangsten van de droogkasten werd aangegeven.

Vermits het hier gaat om gemiddelden werd de omzet terzake veiligheidshalve bepaald op "slechts" het dubbele van de aangegeven omzet.

Uit het stuk nr. 17 is ondertussen gebleken dat de aangegeven omzet van de volledige handelszaak van eiser 929.835 fr. inclusief BTW bedroeg, terwijl de stortingen op de zichtrekening en boekingen van ontvangen cheques 1.854.261 fr. bedroeg (periode 4 april 1988 tot 26 juli 1988).

Voor de periode van 5 juni 1989 tot 24 oktober 1989 bedroeg de verhouding 1.386.183 fr. inclusief BTW aangegeven ontvangsten tegenover 2.698.690 fr. boekingen op de zichtrekening.

Uitgedrukt in percentages is het resultaat respectievelijk 50,14 (1988) en 51,36 % (1989) aangegeven ontvangsten !

Dat dan nog de stortingen op de zichtrekeningen slechts de ontvangsten bevatten, na aftrek van de bedragen nodig voor het levensonderhoud en van de contante betalingen aan de leveranciers, illustreert voldoende dat eiser vermoedelijk slechts ongeveer de helft van zijn effectieve ontvangsten van de ganse handelszaak - dus met inbegrip van de elektrozaak en de zonnebanken - heeft aangegeven.

De discrepantie tussen de stortingen op de rekening bij de financiële instelling en de aangegeven ontvangsten - ook al zijn deze beperkt in de tijd - wijst derhalve duidelijk op eenzelfde verhouding.

De opmerkingen die eiser hier tegenin brengt blijven op het niveau van loutere beweringen.

Hij slaagt er niet in een effectief tegenbewijs te leveren.

Op blz. 16 van zijn op 14 januari 1994 neergelegde besluiten moet eiser immers toegeven dat één eenheid op de teller overeenkomt met een opbrengst van 75 fr. wanneer droogkast en ventilator afzonderlijk van elkaar werken, doch dat doen ze ongetwijfeld.

De ventilatoren beginnen te werken samen met de droogkast bij geldinworp.

Zelfs wanneer na het afslaan van de wasmachine deze ventilatoren nog een tijdje zouden werken, dan nog kan dit voor de beoordeling van de zaak geen verschil maken : zoals voormeld zijn er ernstige aanwijzingen dat minstens over zeer ruime periodes slechts de helft van de omzet van de ganse handelszaak werd aangegeven - ook de berekening van verweerder inzake de droogkasten wees uit dat slechts 43,8 % a 40,9 % van de ontvangsten van de droogkasten werd aangegeven...

Verweerder heeft bij dit alles een zekere veiligheidsmarge ingebouwd en de omzet der droogkasten, der wasmachines en der zwierders ''slechts'' verdubbeld terwijl geen de minste wijziging aan de omzet der zonnebanken werd aangebracht...

Bovendien moet eiser zelf toegeven in besluiten neergelegd op 14 januari 1994 (blz. 17) dat de omzet van de wasmachines hoger is dan deze van de droogkasten (wat vrij logisch is, mensen die geen eigen wasmachine hebben kunnen nog altijd wel een eigen oplossing hebben voor het drogen : in open lucht in de tuin, in huis op een droogrek en dergelijke; bovendien is wassen met de wasmachine voor de meesten een absolute noodzaak, terwijl de was drogen in de droogkast dit veel minder is en bovendien de kledij vlugger laat verslijten).

De beweringen van eiser hebben derhalve niet tot gevolg dat de ambtshalve aanslag overdreven zou worden of nietig wegens totale willekeur.

Het PV van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder alleen ten verzoeke van eiser opgesteld ruim één jaar na de controle van verweerder kan het tegendeel niet bewijzen van de bevindingen en berekeningen van verweerder.

De gerechtsdeurwaarder had, net als de controle-agent, het verschil in de meterstand moeten acteren na geldinworp, quad non.

Evenmin werden de ontvangsten van 9 oktober tot 16 oktober 1992 van de diverse apparaten geteld...

Wij mogen niet uit het oog verliezen dat eiser elektricien is van beroep en derhalve in staat om één en ander in verband met de meters te manipuleren teneinde te pogen de relatie tussen de meterstanden der droogkasten en het gebruik ervan te doorkruisen...

Dat de klanten veel naar het wassalon zouden kamen in het bezit van wat eigen aangekocht waspoeder lijkt de rechtbank toch wel overdreven ver gezocht en maakt tenslotte voor de beoordeling van de zaak geen verschil.

Eiser heeft blijkbaar verwarring willen zaaien, doch het eigenlijk bewijs dat de ambtshalve aanslag overdreven zou zijn of totaal willekeurig heeft hij door dit alles (veelal terug te voeren tot eigen beweringen en/of manipulaties) niet geleverd.

* Wat de omzet dor elektrozaak betreft

Er is geen enkele reden waarom het door eiser aan de Directe Belastingen aangegeven brutowinstcoëfficiënt met betrekking tot het jaar 1990 in casu niet eveneens zou mogen toegepast worden op de jaren 1988 en 1989 in het kader van een ambtshalve aanslag.

Blijkens de door eiser ingediende exploitatierekeningen bedroeg de voorraad :

- per 31 december 1987 : 4.314.285 fr.

- per 31 december 1988 : 3.291.420 fr.

- per 31 december 1989 : 1.523.086 fr.

- per 31 december 1990 : 867.906 fr.

De aankopen bedragen :

- voor het jaar 1988 : 1.850.042 fr. (zie voetnoot 1 op de ambtelijke aanslag)

- voor het jaar 1989 : 375.645 fr.

- voor het jaar 1990 : nihil

Hieruit kan worden afgeleid dot eiser gedurende de gecontroleerde periode (1987 tot en met 1990) uitverkoop heeft gehouden van de elektrozaak.

Als er in 1988 en 1989 "veel verouderde Hifi-apparatuur en LP's werden verkocht, met andere woorden goederen die "vlug depreciëren", dan geldt dit des te meer voor 1990, vermits er ondertussen zoveel later nog enkel uit de voorraad werd verkocht.

Wanneer eiser voor dat jaar zelf 22,2 % gerealiseerde brutowinst aangeeft in de bijlage aan de aangifte bij de Directe Belastingen, waarom zou 20 % dan niet gerealiseerd kunnen worden voor de jaren 1900 en 1989; met andere woorden op een tijdstip dat de koopwaar van zoveel recentere datum is...

Bovendien heeft verweerder twee prijsvergelijkingen kunnen maken tussen aan- en verkoopfacturen van telkens een bad verwarmer, die resulteerden in een gerealiseerde brutowinst van respectievelijk 30 % en 26 % en dat in het najaar van 1988 !

Er is hier duidelijk geen sprake van verkoop met verlies ( blz. 11 PV).

Als eiser in 1990, het jaar waarin geen nieuwe aankopen meer zijn geschied en alleen de voorraad werd uitverkocht, nog een brutowinst realiseert van 22 % dan is deze winstmarge logischerwijze zeker verantwoord voor de jaren 1988 en 1989, jaren waarin nog nieuw aangekochte goederen werden verkocht.

De enkele mogelijke prijsvergelijkingen hebben dit ten andere aangewezen. (betreffende de bad verwarmers)

De omzet van de elektrozaak met betrekking tot de jaren 1988 en 1989 werd globaal genomen verhoogd met 44,36 %.

Zoals eerder gesteld bedragen de boekingen op de zichtrekening (perioden uit 1988 en 1989) het dubbel van de aangegeven ontvangster (inclusief BTW) van de ganse handelszaak (dan nog na aftrek van de bedragen nodig voor levensonderhoud en van de contante betalingen aan de leveranciers).

Ook hier weer beweert eiser veel, zonder te bewijzen (wie aan het einde van zijn uitverkoop nog gemiddeld 22,2 % brutowinst realiseer doet dit zeker normalerwijze ook in het begin van zijn uitverkoop of presteert in het begin zelfs nog beter).

Eiser toont niet aan en zijn beweringen volstaan niet om aan te nemen dat het bij hem net andersom zou zijn geweest ...

* De geldboetes

De geldboetes wegens het niet voldoen van de BTW bij toepassing van art. 70, § 1 van het BTW-Wetboek zijn door verweerder gemotiveerd in de ambtelijke aanslag en bedragen in de regel tweemaal het bedrag van de verschuldigde BTW, hetzij 1.237.249 fr. x 2 = 2.474.498 fr.

Verweerder vervolgt zijn motivering van deze boetes als volgt : de wettelijke geldboete, die op grond van art. 70, § 1 van het BTW­Wetboek is verschuldigd wegens het niet voldoen van de belasting over de toegevoegde waarde en luxetaks zal in toepassing van art. 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 niet worden verminderd volgens de tabellen van de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal aangezien de overtredingen in kwestie de ontduiking van de belasting hebben mogelijk gemaakt.

Verweerder verwijst verder in de ambtelijke aanslag d.d. 16 juni 1992 (stuk nr. 4), blz. 9, tweede alinea waarin is gesteld dat de wettelijke boete (art. 70, § 1 BTW-Wetboek) evenwel verminderd kan worden tot 50 % van de verschuldigde BTW en luxetaks, mits aanvraag daartoe door middel van een binnen de maand aan de gewestelijke directeur in te dienen verzoekschrift en dat het eiser vrij staat, na afhandeling van onderhavig geding, alsnog een aanvraag in te dienen tot vermindering van de boete.

Tot slot stelt verweerder ter motivering van deze boetes : ingeval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel bedoeld in art. 85 van het BTW-Wetboek wordt de boete bedoeld in voorgaande alinea verhoogd met 50 %, ingevolge art. 2 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, zonder dat het gevorderde bedrag kleiner mag zijn dan 5 % van de verschuldigde belasting.

De rechtbank is het met verweerder eens als volgt : de talrijke vaststellingen en feitelijkheden (de onvolledige, onoprechte en oncontroleerbare boekhouding, alsmede de weigering om inlichtingen te verstrekken aan de daartoe verzoekende ambtenaar, en dergelijke meer) wijzen op zichzelf duidelijk uit dat eiser deze allemaal beging met het oogmerk om belastingen te ontduiken.

Het gaat hier om veel meer dan enkele onbenullige materiële vergissingen, de overtredingen zijn er duidelijk mede op gericht een groot deel van de omzet van eiser voor de fiscus verborgen te houden en aldus belastingen te ontduiken (men kan dit bezwaarlijk nog belastingontwijking noemen).

Aldus is overeenkomstig art. 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 de in de tabellen A tot F van de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal niet van toepassing aangezien de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belastingen te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Eiser moet maar de vermindering vragen die men hem aanbiedt en zou ongelijk hebben dit niet te doen.

Artikel 6.1 EVRM-verdrag is niet van toepassing op deze boetes, noch artikel 14, 1 IVBPR (BUPO).

De rechtbank sluit zich aan met het oog op rechtszekerheid bij de redengeving van het arrest van het Hof van Cassatie van 27 september 1991, RW 91-92, blz. 708 met advies van Advocaat-Generaal Goeminne :

"Overwegende dat krachtens artikel 6 van het EVRM bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige instantie welke bij de wet is ingesteld.

Overwegende dat de administratieve geldboeten bepaald bij artikel 70 van het BTW-Wetboek, die neerkomen op een verhoging van de verschuldigde belasting krachtens de uitdrukkelijke wil van de wetgever geen strafsancties zijn; dat de strafrechtelijke sancties die op de overtredingen van de BTW voorschriften zijn gesteld, bepaald zijn in artikel 73 en volgende van het Wetboek; dat de bedoelde administratieve geldboeten in hoofdzaak ertoe strekken, dankzij een gepaste vergoeding, de rechten van de schatkist te vrijwaren; Overwegende dat bovendien in de wetgeving van de meeste verdragstaten administratieve sancties en verhogingen als vorenbedoeld op de niet nakoming van fiscale verplichtingen zijn gesteld;

Overwegende dat uit het vorenstaande volgt dat de bedoelde administratieve geldboeten geen straffen zijn.".

Aangenomen moet worden dat het hier om overwegend administratieve sancties gaat (die bovendien nog kaderen in het ius tributi).

Er zijn ander andere ook geen lijfstraffen voorzien voor het geval deze boetes niet (kunnen) worden betaald.

De rechtbank kan alleen de regelmatigheid en wettigheid van deze administratieve geldboeten nagaan.

De bevoegdheid van de rechtbank beperkt zich tot het onderzoek van de wettigheid van de gevorderde boeten die de lege worden toegepast.

Omtrent het bedrag van de geldboete die wettig is bepaald zoals in casu, is de rechtbank niet bevoegd deze kwijt te schelden, te verminderen af te herleiden of ze nader op hun merites te beoordelen; de bevoegdheid te verminderen behoort tot de administratie en zij biedt ook aan deze te verminderen conform de terzake toepasselijke wetgeving en haar gebruiken (van de administratie).

De rechtbank is niet van oordeel dat met het arrest van 23 mei 1992 (FJF 92/131) het Hof van Cassatie zijn rechtspraak veranderd heeft.

Het Hof van Cassatie heeft het in dit arrest over :

"Artikel 6, § 1 van het Europees Verdrag van de rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten van 19 december1966 zijn niet toepasselijk in betwistingen over rechten en plichten in fiscale zaken, uitgezonderd in de gevallen waarin de fiscale procedure uitmondt of zal uitmonden in de gevallen waarin de fiscale procedure uitmondt of zal uitmonden in een strafrechtelijke sanctie die voortvloeit uit een inbeschuldigingstelling in de zin van de bovenstaande bepalingen.".

Er is hier in casu geen inbeschuldigingstelling in de zin van het Wetboek van Strafvordering voorhanden af in het vooruitzicht gesteld...


De zaak : A.R. 52482

Bij dagvaarding betekend op 8 februari 1993 door gerechtsdeurwaarder J. v. N. S. met standplaats te … heeft eiser verzet aangetekend tegen :

1. het dwangbevel d.d. 7 december 1992, zgn. uitgevaardigd door dhr. P. L., BTW-ontvanger te Kortrijk 1 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 december 1992 door dhr. G. T., inspecteur, aangewezen door de gewestelijke directeur der BTW te Brugge, en vorderend 200.510 fr. als BTW, 28.500 fr. + 30.000 fr. boeten, verhoogd met de intrest aan 0,8 % per maand op de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1991, de moratoire intrest op de geldboeten vanaf 22 december 1992, zijnde de datum van betekening van het dwangbevel en met de vervolgingskosten;

2. de betekening-bevel van dit dwangbevel op 22 december 1992 door het ambt van gerechtsdeurwaarder F. D., vorderend 200.510 fr. als BTW, 49.000 fr. als geldboeten, de intresten op de BTW a rato van 0,8 % per maand, berekend op 36.000 fr. tot 20 december 1992, de moratoire intresten op de boeten vanaf 22 december 1992 en de kosten;

3. elke andere en verdere uitvoering, alsook elke hypothecaire inschrijving en andere bewarende of uitvoerende maatregelen, waarvoor uitdrukkelijk voorbehoud;

4. elke onrechtmatige inhouding of compensatie, zelfs toekomstige, door de administratie, van aan eiser verschuldigde tegoeden, welke ontstaan door aftrek krachtens artikel 45 e.v. van het BTW­Wetboek, of om welke andere reden ook, waarvoor uitdrukkelijk voorbehoud en die al dan niet door de administratie zouden aangerekend worden of zijn, op rechten, boeten of intresten en waarvan nu reeds de terugbetaling wordt gevorderd, alsook voor elk ander tegoed dat in de toekomst door de administratie op onrechtmatige wijze zou worden ingehouden, waarvoor uitdrukkelijk voorbehoud;

dit op grond van de onrechtmatigheid of nietigheid der akten, alsmede op elke andere grond, zo naar de vorm als ten gronde, ten gepaste tijde te doen gelden en te ontwikkelen en desgevallend ambtshalve in te roepen, waarvoor uitdrukkelijk voorbehoud.

De antecedenten en feiten werden reeds uiteengezet in de zaak AR 52481 en huidige zaak handelt over de in het PV van 25 november 1991 van G. F., verificateur-accountant, verbonden aan de 5de BTW-controle te Kortrijk, vastgestelde overtredingen inzake de BTW-aftrekregeling op de inkomende handelingen, alsmede over de in het PV van dezelfde datum, opgesteld door P. A., Hoofdcontroleur van de 4de BTW-controle te Kortrijk, vastgestelde bedragen van de administratieve geldboeten, verschuldigd krachtens art. 70, § 4 BTW­Wetboek (stuk 2 verweerder).

Wegens niet betaling der volgens verweerder verschuldigde bedragen werd het voormelde dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd, uitvoerbaar verklaard en betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiser in verzet (en waartegen hij verzet doet).

Eiser aanvaardt in besluiten, neergelegd op 1 december 1994, blz. 2, thans uitdrukkelijk dat het dwangbevel door een daartoe bevoegd persoon werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard - delegatie d.d. 2 maart 1992 door wn. gewestelijk directeur P. V. aan G. T., toen wn. adjunct-directeur van de directie BTW Brugge (stuk 24 verweerder op 22 december 1992 was G. T. inspecteur in functie op de BTW­directie te Brugge).

* Eiser stelt vooreerst dat hij destijds bereid zou zijn geweest om 42.799 fr. BTW en luxetaks en 3.000 fr. boete te betalen.

Dat evenwel de administratie hem niet in de gelegenheid gesteld heeft dit bedrag te betalen voor de betekening van het dwangbevel, doordat zij hem geen betalingsbericht met dit bedrag heeft gestuurd.

Dat daaruit volgt dat de verhoging van de boete met 50 % of 1.500 fr. wegens betekening van het dwangbevel in elk geval onwettig is.

Dat het immers geen zin heeft dat eiser betaalt zonder betalingsbericht.

Doet hij dit wel, dan wordt het bedrag binnen hetzelfde invorderingsorder aangerekend op de kosten, intresten, boeten en BTW volgens art. 6 van het KB nr. 24 d.d. 29 december 1992.

Er moet dus eerst een afzonderlijk invorderingsorder gecreëerd worden ten bedrage van de bedragen waarmee hij akkoord gaat en dus een afzonderlijk betalingsbericht, quod non.

Verweerder antwoordde daar terecht op dat niets eiser belette om bij ontvangst van het eerste betalingsbericht d.d. 6 juli 1992, het bedrag van 42.799 fr. BTW en luxetaks, vermeerderd met de verminderde boete, waaromtrent geen discussie bestond, spontaan te betalen, quad non.

Op dit ogenblik was er immers nog geen sprake van een verhoging van de boete met 50 % noch van kosten en moratoire intresten.

De betaling van het niet betwiste gedeelte zou alsdan in geen geval op deze laatstvernoemde elementen zijn toegerekend.

Verweerder is thans zeker niet verplicht of begaat geen fout doordat hij weigert om thans, hangende het geding, de invorderingsorders mag verder op te splitsen.

* In besluiten neergelegd op 14 januari 1994, blz. 6 III B 1, a) zet eiser uiteen dat hij het standpunt van de administratie betreffende de post A) I a) van het PV kan aanvaarden.

Deze past beloopt in totaal 13.618 fr. aan boekingen die dubbel gebruik uitmaken.

* Met betrekking tot de post A I b) van het PV : de factuur vermeldt de naam en het adres van een andere medecontractant dan …, meerbepaald de naam van diens schoonzoon (dus de eerste 4 facturen).

Verweerder haalt aan dat vooreerst de bewijslast inzake het recht op aftrek van BTW bij de BTW-belastingplichtige zelf ligt.

Dat overeenkomstig art. 3 van het KB nr. 3 van 10 december 1969, genomen ter uitvoering van de art. 45 en 49 BTW-Wetboek, een belastingplichtige om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in het bezit moet zijn van een regelmatige factuur, conform art. 2 van voormeld KB nr. 1 d.d. 29 december 1992.

Dit houdt in dat die factuur de naam en het adres van de medecontractant vermeldt (KB nr. 1 - art. 2 - 2°).

Verweerder vervolgt dat uit stuk nr. 13 blijkt dat de facturen in kwestie niet staan op naam van de belastingplichtige aan wie de goederen en diensten moeten worden geleverd en die van het recht op aftrek wil gebruik maken.

De rechtbank kan het eens zijn met eiser en aanvaardt het beroepsmatig karakter van de facturen … in hoofde van eiser … en derhalve deze laatsten van de BTW desbetreffend.

Op de facturen in kwestie gericht aan … komt immers het BTW-nr. van …, eiser, voor (nr. …).

… blijkt een gewone particulier te zijn (dus zonder BTW-nummer).

Uit de vermeldingen op de facturen betreffende de verkochte goederen en de geringe prijs voor nochtans vrij grote hoeveelheden van goederen mag aangenomen worden dat het hier inderdaad om onderdelen en wisselstukken van televisietoestellen gaat, met andere woorden om uitgaven die enkel beroepsmatig kunnen aangewend worden.

Ook de hoeveelheid van elk aangekocht artikel is significant : een particulier zou geen dergelijke hoeveelheden (tot zelfs 40 stuks) aankopen.

Elk privaat gebruik door een particulier van dit soort goederen mag worden uitgesloten, zeker in dergelijke grote hoeveelheden.

Bovendien zijn zij (deze goederen) dienstig voor de beroepsactiviteit van eiser, …, en vermelden de facturen in kwestie zijn BTW-nummer.

Het is eveneens aanneembaar dat eiser … degene is geweest die uiteindelijk de goederen heeft betaald (hetzij doordat hij geld meegaf ter betaling aan zijn schoonzoon, hetzij doordat hij zijn schoonzoon die de betaling aan de kas had voorgeschoten, terugbetaalde.

Eiser stelt dat het hier in werkelijkheid een aantal goederen betreft die tengevolge van de omstandigheden werden afgehaald door de heer …, dit is de schoonzoon van eiser (zie neergelegd stuk nr. 1 door eiser).

Zoals dit zo dikwijls gebeurt moet men bij afhalen zijn naam opgeven.

De facturen werden achteraf blijkbaar verkeerdelijk opgesteld op naam van … in plaats van eiser.

Wel wordt het BTW-nummer van eiser vermeld.

Dat de schoonzoon als geadresseerde wordt vermeld, neemt op zich niet weg dat …, eiser, - die de goederen meer dan waarschijnlijk ook heeft betaald - de goederen heeft gebruikt voor het verrichten van BTW-belastbare handelingen.

De rechtbank kan deze uitleg van eiser … aanvaarden en ook al eiste hij van de leverancier geen factuur die ook de correcte naam en adres van de afnemende handelaar (hijzelf) vermeldde, het is duidelijk, de rechtbank neemt alvast aan dat de juiste naam en adres van de bestemmeling in casu niet onontbeerlijk waren voor de inning en de controle van de BTW.

De vermeldingen nopens de verkochte goederen, evenals het BTW­nummer van eiser refereren voldoende naar eiser en diens beroepsactiviteit zodat het feit dat per vergissing door de leverancier naam en adres van de schoonzoon van eiser werden vermeld, het recht van eiser op aftrek van de BTW niet aantast.

Wat de laatste factuur betreft op naam van … ging eiser reeds d.d. 27 juni 1992 akkoord met het standpunt van de administratie.

* Post II van het PV wordt thans ook door eiser aanvaard.

* Post III voordelen in natura

Het eerste en enige onderdeel van deze post is terug te vinden op blz. 3 van het PV waarvan het voornaamste letterlijk weergegeven luidt als volgt :

"Voor de jaren 1988, 1989 en 1900 heeft … bij zijn aangifte inzake inkomstenbelasting, die hij heeft ingediend bij de Administratie der Directe Belastingen telkens een opgave gevoegd van de algemene onkosten.

Van het totaal van deze kosten brengt hij ieder jaar 300.000 fr. in mindering : 'V.I.N.', wat normaal de afkorting is voor : voordelen in natura.

Ik heb aan … en … om uitleg gevraagd omtrent de inhoud van deze correctieboeking.

…, boekhouder verklaarde dat hij slechts de aangifte had opgemaakt voor de inkomsten over het jaar 1990 en dat hij deze correctieboeking had overgenomen analoog met vorige jaren.

Hij beaamde onze zienswijze dat dergelijke correctieboeking normaal de waarde vertegenwoordigt van de algemene onkosten die aangewend werden voor privédoeleinden van belastingplichtige.".

Het is eiser zelf die in zijn aangifte tegenover de Directe Belastingen een dergelijk bedrag aangeeft zonder de juiste aard en hoeveelheid ervan te kunnen rechtvaardigen (en dit doet hij niet en bewijst hij niet tot op heden).

Gelet op het feit dat ook de accountant V. van eiser, kan aannemen dat deze correctieboeking betrekking heeft op algemene onkosten, aangewend voor privé-doeleinden, kan het verweerder geenszins kwalijk worden genomen als hij dit voor waarheid neemt, temeer als hij dan nog een omslagsleutel hanteert om een overdreven taxatie te vermijden (dit wil zeggen een omslagsleutel zoals omstandig weergegeven blz. 3 en 4 van het PV, in het kort samengevat als volgt :

"Hierna volgt de berekening van de ten onrechte afgetrokken BTW. Aangezien de aangegeven onkosten zowel kosten begrijpen waarover BTW werd geheven als kosten die buiten de werkingssfeer van de BTW vallen heb ik vooreerst voor beide soorten kosten het percentage berekend dat ze vertegenwoordigen ten opzichte van het totaal deer kosten. Vervolgens heb ik dit percentage toegepast op het bedrag van 300.000 fr., teneinde het bedrag te bekomen der kosten waarover BTW werd geheven. Voorts heb ik het resultaat verder uitgesplitst per BTW-tarief volgens het belangrijkheidspercentage dat bekomen wordt door het totaal der kosten die belastbaar zijn tegen eenzelfde BTW-tarief te vergelijken met het totaal van alle kosten waarover BTW werd geheven.

Tenslotte heb ik van het totaal der te veel afgetrokken BTW de BTW in mindering gebracht die belastingplichtige zelf niet had afgetrokken wegens de gedeeltelijke privébestemming en die ik als zodanig heb aangetroffen in het boek voor inkomende facturen.").

In eerste besluiten neergelegd door verweerder op 16 april 1993 blz. 5 onderaan motiveert verweerder als volgt :

"Enerzijds kunnen de telkenjare door eiser zelf aangegeven voordelen in natura ten belope van 300.000 fr. per jaar niet gerechtvaardigd worden (door eiser).

Ze hebben hoofdzakelijk tot doel de aangegeven verliescijfers - te wijten aan het ongenoegzaam aangeven van gerealiseerde belastbare verkopen en dienstverrichtingen – wat te milderen.

Anderzijds blijkt uit het voormelde proces-verbaal (derde blad) dat ook de heer V., boekhouder het eens is met verweerder dat een dergelijke “correctieboekhouding” betrekking heeft op algemene onkosten, aangewend voor privé-doeleinden van belastingplichtige.”.

De rechtbank is het met verweerder eens dat in dergelijke motivering (vooral de 1ste § van blz. 5 onderaan van de besluiten door verweerder op 16 april 1993 neergelegd) geen tegenstrijdigheid schuilt met de voormelde motivering van blz. 3 van het PV.

Het is geen geheim dat de modale Belg zijn belastbare inkomsten probeert te minimaliseren door de kosten maximaal in te brengen en de inkomsten zoveel mogelijk te verzwijgen.

Beide feiten hebben een directe invloed op het belastbaar inkomen.

Zoals gesteld mildert de kwestieuze correctiepost het boekhoudkundig verlies.

Overeenkomstig art. 12, § 1 - 3° BTW-Wetboek zijn onttrekkingen voor privé-doeleinden, voor privé-doeleinden van zijn personeel en meer algemeen, voor andere dan beroepsdoeleinden of het om niet verstrekken (tenzij het gaat om een handelsmonster, of om een handelsgeschenk van geringe waarde) gelijkgesteld met een belastbare levering, waarvoor krachtens art. 6 van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 een factuur – op eigen naam - dient opgesteld, quad non.

Een dergelijk verzuim wordt in de praktijk veelal geregulariseerd via een correctieboeking (onder de noemer 'voordelen in natura').

Het ene ligt in de lijn van het andere.

Er is dus geenszins sprake van een tegenstrijdigheid in de motivering.

Dergelijke correctieboeking dekt dus eigenlijk private aanwending van geboekte algemene onkosten, alsmede de onttrekking van goederen uit voorraad voor privégebruik of voor gebruik andere dan voor beroepsdoeleinden.

Eiser dient te bewijzen dat hij recht op aftrek heeft.

Als hij met dergelijke correctieboeking ten bedrage van 300.000 fr. toegeeft (ook nog tijdens de controle bij monde van zijn boekhouder) geen recht op aftrek te hebben dan volstaat het niet om daarna te gaan beweren dat hij voor 150.000 fr. (de helft van de correctieboeking) toch recht op aftrek zou hebben, zonder hierbij de aard en de samenstelling ervan te verantwoorden en meteen dus aan te tonen dat hij slechts voor 150.000 fr. en niet voor 300.000 fr. zoals geboekt en aanvankelijk ook toegegeven private aanwending van geboekte algemene onkosten of onttrekkingen van goederen uit de voorraad voor privégebruik of voor andere dan beroepsdoeleinden heeft gehad. (het is niet omdat 150.000 fr. onroerende investeringen in het privégedeelte “zouden” zijn weggevallen dat er geen andere privé-uitgaven of onttrekkingen zouden kunnen in de plaats ervan zijn gekomen ... ).

* Wat de post IV betreft : deze bestaat uit 2 onderdelen.

Eerste onderdeel : levering PC, monitor, printer en toebehoren

Tweede onderdeel : levering video-recorder.

Het PV vermeldt desbetreffend op blz. 5 :

"… had mij voordien verklaard dat zij een cursus volgde teneinde met de computer te kunnen werken.

Voorts had ze mij verklaard dat ze de videorecorder nodig had bij het oefenen op de computer.

Bij het plaatsbezoek op 7 november heb ik haar gevraagd waar de toestellen zich bevonden. Zij is me voorgegaan naar het bureel dat ondergebracht is in het magazijn en heeft me de toestellen aangewezen.

Ik heb haar gevraagd welke programma’s voorhanden waren voor de computer, waarop … geen antwoord kon verstrekken.

Ik heb haar vervolgens gevraagd of ze mij om ’t even welke listing kon vertonen die het resultaat was van computerverwerking teneinde de beroepsaanwending te bewijzen van deze toestellen.

… gaf hierop als antwoord dat alle inkomsten en uitgaven van de wassalons en zonnebanken verwerkt worden op de computer maar dat ze weigert om het even wat dienaangaande te vertonen als haar advocaat er niet bij aanwezig is.”.

- Wat het eerste onderdeel betreft is de rechtbank van oordeel dat de administratie overdreven streng is ten aanzien van de belastingplichtige en de BTW-aftrek op de aankoop ten onrechte heeft geweigerd.

Een P.C. wordt nu eenmaal in se in hoofdzaak aangekocht voor beroepsdoeleinden ofwel als educatief materiaal voor kinderen die minstens in het middelbaar onderwijs zitten (en die blijken in het huisgezin van eiser niet meer aanwezig te zijn, evenmin blijken er kleinkinderen te zijn van die leeftijd en aan wie eiser een dergelijk cadeau (nieuwe P.C. en alle toebehoren) zou hebben willen doen …).

De aankoop van de computer dateert weliswaar van februari 1990 en 20 maanden later kon de echtgenote van eiser blijkbaar nog steeds niet met de computer werken en weigerde zij enige boekhoudkundige outprint voor te leggen...

Volgens haar heeft zij tegen de controleur gelogen en was het haar dochter die de computerles volgde...

Blijkbaar volgde men de lessen op de BRT-TV.

Aan dergelijk tempo (van deze lessen) en indien eerst de dochter alles moest leren het daarna als men tijd vond aan haar moeder moest tonen, is het begrijpbaar dat er van het computerboekhouden ten tijde van de controle nog slechts weinig in huis was gekomen.

Het is immers zo dat men de computer reeds goed moet beheersen voordat men er rendement mee begint te halen.

Eiser legt stukken voor die voldoende aantonen dat sinds 1992 alvast de boekhouding blijkbaar wèl en effectief meer en meer met computer is doorgevoerd (in 1994 is er zelfs al een modem bankbetalingen …).

Verweerder die nochtans sinds 1990 al nieuwe controles heeft uitgevoerd haalt niet aan dat nochtans ook bij deze controles zou zijn vastgesteld dat de boekhouding van de echtgenote van eiser integraal in handschrift zou zijn.

Voor iemand van middelbare leeftijd zoals de echtgenote van eiser, is het inderdaad niet evident dat deze van vandaag op morgen met P.C. de boekhouding voert... het zou zelfs kunnen dat ze er zelf uiteindelijk de brui aan geeft en zich volledig op haar dochter moet verlaten...

Gelet op de voorhanden zijnde aankoopfactuur van de P.C. en toebehoren waaromtrent verweerder geen vormgebreken inroept en gelet ook op de aard van het aangekochte, de feitelijke gezins­ en leeftijdssituatie van eiser en diens echtgenote, het bestemmingscriterium en de op heden voorgelegde bewijzen die niet voldoende worden tegengesproken, acht de rechtbank eiser in de voorwaarden om het recht op aftrek uit te oefenen daar de computer van bij de aankoop al bestemd was voor beroepsgebruik, ook al kon dit gebruik pas geruime tijd later effectief uitgevoerd worden.

- Wat het tweede onderdeel betreft van post IV van het PV, de video-apparatuur, is de rechtbank het eens met verweerder.

Eiser bewijst zijn recht op BTW-aftrek in casu niet voldoende.

De rechtbank is het eens met verweerder dat op de al dan niet recente foto's van de huiskamer, voorgelegd door eiser, slechts een verouderd en dus aan vervanging toe zijnde videotoestel te zien is (aangekocht in 1979).

Zelfs indien dit toestel van 1979 nog werkzaam zou zijn dan zal het in alle geval zo zijn dat het nieuwe toestel zoveel handiger, praktischer en beter is op bepaalde punten ...

Mogelijk bewaart eiser ook zijn oud toestel als verzamelobject of heeft het voor hem een zekere affectieve waarde.

Niets belette eiser en zijn echtgenote om de reeds gemaakte video-opnames met het nieuwe toestel aan de controle-ambtenaar voor te leggen, waarbij deze dan ten volle de aard van het gebruik van het videotoestel effectief had kunnen controleren.

De computerlessenreeks uitgezonden door de BRT-N en later heruitgezonden, was inderdaad bij de BRT-N zelf op videocassette verkrijgbaar.

Eiser zou deze lessen van dergelijke cassette thans 'pour les besoins de la cause' kunnen gekopieerd hebben.

Eiser bewijst het overwegend beroepsmatig gebruik van de video-recorder niet afdoende.

Het is ten andere een voorwerp dat zich uit zijn aard eerder tot privégebruik leent (familiefeesten, reizen, hobby ... ).

* Wat oost V van het PV betreft : bedrijfskarakter onroerende verrichtingen.

a) Factuur D. :

Het is de belastingplichtige die gelet op het bestemmingsprincipe van art. 45, § 1 BTW-Wetboek de beroepsmatige aanwending van de verleende dienst moet bewijzen.

Het PV vermeldt desbetreffend :

"Ik heb aan … gevraagd ons uitleg te willen verstrekken omtrent de juiste plaats waar de werken werden uitgevoerd en of ze, gelet op de summiere omschrijving van de werken op de factuur, een detailafrekening had ontvangen van de aannemer.

… heeft een plaats aangeduid tussen de winkel en het aangebouwde woonhuis waar volgens haar de werken werden uitgevoerd.

Zij verklaarde zich niet meer te herinneren of ze een detailafrekening van de aannemer had ontvangen.

Ik heb op 16 oktober 1991 met … getelefoneerd, bestuurder van de BVBA D., die verklaarde dat bedoelde werken werden uitgevoerd aan het pannendak boven de keuken van het woonhuis en die paalt aan de aangebouwde winkel en magazijn. Hij verklaarde verder dat de vage omschrijving op de factuur hem werd opgedrongen door de klant. Hij verklaarde verder dat zijn firma gespecialiseerd was in pannendaken maar niet in asfaltdaken.

Ik heb vastgesteld dat het woonhuis van … gedekt is met pannen terwijl de aangrenzende winkel en magazijn een plat dak hebben.

Ik heb verder vastgesteld dat bij … slechts 7 maanden later opnieuw een factuur was ingeschreven in het boek voor inkomende facturen met betrekking tot dakwerken. Onder nr. … werd de factuur geboekt d.d. 4 mei 1990, uitgereikt door asfaltwerken … te … met als omschrijving : werken verricht aan magazijn. Prijs : 193.544 BTW te voldoen door de medecontractant overeenkomstig artikel 17bis van hete Koninklijk Besluit nr. 1 van 23 juli 1969. Deze factuur vermeldt gedetailleerd de gebruikte materialen, een eenheidsprijzen per m2 en de uurlonen.”.

Zowel bepaalde vermeldingen op de door eiser voorgelegde factuur als de verklaringen van de zaakvoerder van de BVBA D. aan verweerder, gekoppeld aan de uiterst summiere omschrijving der werken op de factuur en de ontstentenis van enige detailafrekening of voorafgaande prijsofferte, wijzen overwegend genoeg op een niet beroepsmatig gebruik der uitgevoerde werken.

Het gaat hier om het volgende :

- er is BTW aangerekend op de factuur, terwijl indien het om werken zou gaan die voor eiser een zuiver beroepsmatig karakter zouden hebben gehad, de verlegging van heffing zoals bedoeld in art. 17bis van het KB nr. 1 van 23 juli 1969 zou moeten zijn vermeld op de factuur en er geen BTW moest worden aangerekend;

- er is de verklaring van …, zaakvoerder van de BVBA D. aan verweerder, de BTW-administratie, dat zijn bedrijf werken heeft uitgevoerd aan het pannendak en zijn bedrijf ook vooral gespecialiseerd is in pannendaken en dat de vage omschrijving der factuur hem werd opgedrongen door de klant (eiser).

Ondanks het feit dat ook eiser de BVBA D. om een schriftelijke verklaring heeft verzocht (stuk 8 eiser), is deze BVBA nooit verder willen gaan dan een opsomming van al de activiteiten die zij uitvoert (waaronder asfalteringswerken), doch zij (BVBA D.) heeft haar verklaring aan de fiscus nooit herroepen dat zij private werken aan het pannendak van de woning van eiser heeft uitgevoerd... en eiser haar de vage omschrijving voorkomend op de factuur opdrong.

Er bestaat geen discussie over het feit dat de vochtigheid zich manifesteerde in de keuken, hetgeen ontegensprekelijk ook mede wijst op het private karakter van de herstellingswerken.

Er mag naar verluidt door eiser, misschien wel geen pannendak liggen op de keuken (noch foto's noch een kopie van het architectenplan worden in deze voorgelegd... ), doch alles wijst erop dat er aan het pannendak boven het woongedeelte werd gewerkt.

Blijkens het PV van 25 november 1991 (zesde blad) heeft de controle-agent vastgesteld dat het woonhuis gedekt is met pannen en de aangrenzende winkel en magazijn een plat dak hebben.

Indien … beweert dat zijn firma werken heeft verricht aan het pannendak en zijn firma ook gespecialiseerd is in pannendaken, dan is de bewering van eiser dat de asfaltbedekking boven de winkel diende herlegd, wel erg onwaarschijnlijk, (werken aan het pannendak boven het woonhuis impliceren niet per se het vervangen van enkele pannen, maar kunnen evengoed het aanbrengen van menuiserite of het vervangen van het zinkwerk aan het pannendak inhouden... ).

- slechts 7 maanden later is er opnieuw een factuur ingeschreven in het boek voor inkomende facturen van eiser met betrekking tot asfalteringsdakwerken aan de winkel of magazijn (stuk 19 verweerder) : deze factuur is gedetailleerd en is met verlegging van BTW-heffing overeenkomstig art. 17 bis van het KB nr. 1 opgemaakt...

Het PV is terzake duidelijk en overtuigend genoeg, het is heus niet nodig dat verweerder tegen de zaakvoerder van de BVBA D. klacht wegens valsheid in geschrifte zou neerleggen (zie ook de bewijskracht van de vaststellingen en geacteerde verklaringen van het PV - art. 59, § 1 BTW-Wetboek).

De beweringen die eiser tegen deze vaststellingen en verklaringen inbrengt volstaan niet om het bewijs van het beroepsmatig karakter te leveren.

b) Oprichting veranda en vloeren :

Eiser aanvaardt het standpunt van de administratie betreffende :

- factuur V. d.d. 13 december 1989 voor levering en plaatsing veranda;

- factuur … d.d. 10 november 1989.

Wat betreft :

- factuur ingeschreven in het boek voor inkomende facturen onder nr. 214 d.d. 10 november 1989, uitgereikt door de NV D’H. te … voor levering van beton voor de prijs van 9.405 fr. + 1.787 fr. BTW;

- factuur ingeschreven in het boek voor inkomende facturen onder nr. 215 d.d. 15 november 1989, uitgereikt door NV … te … voor levering van 116 m2 vloeren en 60 meter plinten voor de totale prijs van 70.340 fr; + 13.355 fr. BTW;

- factuur ingeschreven in het boek voor inkomende facturen onder nr. 222 d.d. 23 november 1989, uitgereikt door … te … voor het plaatsen van vloeren en voor het leveren en plaatsen van faience voor de prijs van 48.620 fr. + 8.265 fr. BTW, is het zo dat, teneinde de boekhouder in te lichten omtrent de aard of de bestemming van sommige aankopen, notities aanbracht op de ontvangen facturen.

Op voormelde drie facturen heeft zij met de hand bijgeschreven : '”onkosten wassalon”.

Wat de facturen betreft uitgereikt door de NV … heeft deze firma verweerder op verzoek een fotokopie toegestuurd van de overeenstemmende leveringsbons.

Deze leveringsbons vermelden de … te … als leveringsplaats.

Wat de factuur betreft uitgereikt door … heeft deze aannemer van vloerwerken aan verweerder schriftelijk laten weten via zijn boekhouder, dat bedoelde werken werden uitgevoerd in een private woning en dat om die reden de BTW in rekening werd gebracht op de factuur in plaats van de verlegging van heffing van de BTW in te roepen naar de medecontractant, bedoeld in art. 17bis van het Koninklijk Besluit nr. 1.

Verweerder legt vervolgens het aanvullend PV van vaststelling voor, opgemaakt door de Heren G. D. C. en E. B., respectievelijk Hoofdcontroleur en opsteller van de BTW-controle te Tielt, d.d. 11 april 1994 (stuk nr. 27 verweerder), waaruit blijkt dat er tot dan in het wassalon te … geen nieuwe vloer werd gelegd.

Verweerder legt tenslotte het aanvullend PV d.d. 9 januari 1995 neer (stuk nr. 28 verweerder), waaruit blijkt dat er geen vloer werd aangetroffen onder de machines in het wassalon te ….

Uit dit alles kan hoogstens aangenomen worden dat mogelijks eiser zelf wat vloeroverschotjes heeft verwerkt op de sokkels onder de machines van zijn wassalon te ….

Eiser brengt weerom hoogstens enkele beweringen aan tegen de diverse vaststellingen in de PV's en schriftelijke verklaringen, wat niet volstaat om een beroepsmatig karakter van 50 % te bewijzen.

* Wat betreft post VI van het PV : factuur d.d. 20 januari 1990

Het PV vermeldt desbetreffend :

"Bij hetzelfde plaatsbezoek op 7 november 1991 heb ik aan … eveneens om uitleg gevraagd in verband met navermelde factuur die bij … eveneens als investering geboekt was.

Factuur ingeschreven in het boek voor inkomende facturen onder nr. 30, d.d. 20 januari 1990 uitgereikt door … te … met als omschrijving op de factuur : “schilderen wassalons en zonnebanken”. Prijs 94.639 fr., BTW te voldoen door de medecontractant overeenkomstig artikel 17bis van het Koninklijk Besluit nr. 1.

… antwoordde : “Ik weiger nog verder te antwoorden op uw vragen. Het zijn allemaal zaken die ge al weet en die ge bijgevolg aan mij niet meer moet vragen.”.

Ingevolge artikel 61, § 3 van het BTW-Wetboek is een belastingplichtige gehouden op ieder verzoek van de ambtenaren belast met de controle op de heffing van de BTW, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hun gevraagd worden om de voldoening van de door hen of door anderen verschuldigde belasting na te gaan.

Ik heb vastgesteld dat de datum van deze factuur aansluit op de periode waarin de veranda werd opgericht en vloerwerken werden uitgevoerd in het woonhuis van … en waarvan sprake in Post V b) plaatsen veranda en vloerwerken hiervoor.

Tevens was de omschrijving van de werken op de factuur zeer summier en werd geen stuk weergevonden die maar enig detail bevatte omtrent de verwerkte materialen en aangerekende uurlonen.

Bij ontstentenis van de vermelding van het adres waar de werken werden uitgevoerd worden deze werken, behoudens tegenbewijs, geacht te zijn uitgevoerd aan de woning van ….”.

De factuur in kwestie is daar geen enkele partij bij de stukken gevoegd.

De rechtbank neemt, gelet op de uiteenzetting van partijen in besluiten, aan dat de vermeldingen die voorkomen op de factuur door de controle-ambtenaar in zijn PV werden opgenomen (eiser betwist zulks alvast niet en stelt niet dat er daarnaast ook nog andere vermeldingen op de factuur zouden voorkomen.

De rechtbank is het eens met verweerder dat eiser zijn recht op aftrek, dit wil zeggen de beroepsmatige aanwending in zijnen hoofde der verrichte handelingen, niet afdoende bewijst :

- de factuur is uiterst summier;

- iedere factuur moet de gewone benaming en de hoeveelheid van de geleverde goederen of de aard van de dienst aanduiden, met vermelding van alle gegevens die voor het bepalen van het toe te passen tarief nodig zijn;

(zie art. 2, 4° van het KB nr. 1 van 23 juli 1969)

een factuur waarin de omschrijving van de verrichte diensten op onvoldoende wijze is vermeld, kan niet dienen om de uitoefening van de aftrek te rechtvaardigen;

verweerder verwijst naar de nrs. 23 tot 28, 31, 34 en 37 van de aanschrijving nr. 5 van 10 maart 1976, o.a. gepubliceerd in de BTW­revue nr. 25 pag. 110 e.v. (zie stuk nr. 22 verweerder);

evenzo volstaan inzake diensten, vermeldingen zoals ''werken'', “herstellingen”, “werken op uw werf”, "X uren arbeid”, in het geheel niet;

de aard (bouw, plaatsing van centrale verwarming, buitenschilderwerf, afbraak, vervanging van dak, herstelling aan de sanitaire installatie, ...) en het voorwerp (een bepaalde goed gepreciseerde eigendom, een bepaald roerend voorwerp of een bepaalde machine) van de werken moeten worden gepreciseerd;

de factuur in kwestie preciseert de eigendom(men) (welke wassalon(s) en zonnebank(en) ?) waar de schilderwerken (van welke aard) werden uitgevoerd zeer vaag, om te zeggen praktisch niet;

- wanneer de echtgenote van eiser, …, om uitleg gevraagd wordt betreffende de factuur in kwestie dan weigert ze hieromtrent enige verklaring af te leggen waardoor verweerder verder in het ongewisse wordt gelaten o.a. omtrent de juiste aard van de schilderwerken (deuren, ramen, plafond, muren, binnen- of buitenschilderwerk ...) ;

aldus wordt verweerder elke vorm van verdere controle desbetreffend ontnomen;

- een factuur van 94.639 fr. voor het schilderen van deuren, plafonds en muren en papieren van drie wassalons, nr. te …, … en … lijkt dan weer wat goedkoop ...

- de schilderwerken gefactureerd door de firma … situeren zich qua periode rond dezelfde periode waarin de private werken aan de veranda en dakwerken werden uitgevoerd (en eiser kon reeds de BVBA D. overhalen om werken te omschrijven als zijnde verricht aan de beroepsgedeelten).

Verweerder heeft terecht aangenomen dat eiser het beroepsmatig karakter der schilderwerken onvoldoende bewijst.

Vooral de weigering om enige verdere verduidelijking te geven, wat verdere controle onmogelijk maakte, is hier doorslaggevend (facturen zijn immers slechts een bewijsmiddel voor de belastingsplichtige dat door de administratie desgevallend verder moet kunnen gecontroleerd worden, in casu quad non).

Initieel is het immers nog altijd de belastingplichtige die zijn recht op aftrek moet bewijzen ...


* De geldboetes

Wij moeten duidelijk een onderscheid maken tussen de 30.000 fr. administratieve boeten en de 28.000 fr. verhoogde proportionele geldboeten.

De laatste categorie, de wettelijke geldboeten, bedoeld in art. 70, § 1 en 70, § 1bis BTW-Wetboek werden verminderd conform art. 1 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, tot 19.000 fr. (zie proces-verbaal d.d. 25 november 1991, 17de blad).

Deze boete wordt, op grond van art. 2 van voormeld besluit, verhoogd met 50 % in geval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel (ibidem) tot 28.500 fr.

De administratieve boeten van 1.000 fr. tot 10.000 fr., bedoeld in art. 70, § 4 BTW-Wetboek, werden door de bevoegde Hoofdcontroleur bij proces-verbaal van 25 november 1991 vastgesteld op het maximum van 10.000 fr. per overtreding, hetzij 30.000 fr. in totaal.

Ze werden na kennisgeving/betekening van het dwangbevel niet verder verhoogd, omdat de verhoging met 50 %, bedoeld in voormeld art. 2 op deze boeten niet van toepassing is.

De rechtbank kan enkel vaststellen dat verweerder de lege gehandeld heeft en dat zij niet bevoegd is om deze boetes kwijt te schelden (enkel de administratie kan zulks en heeft op het verzoekschrift van 27 juni 1992 van eiser tot kwijtschelding of vermindering der boete ontkennend geantwoord).

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de art. 2, 34, 36, 37 en 41 van de taalwet van 15 juni 1935.

Wijzende op tegenspraak.

Verklaart het verzet van eiser in de zaak AR 52481 tijdig, regelmatig naar de vorm, toelaatbaar en ontvankelijk maar integraal ongegrond.

Verklaart het verzet in de zaak AR 52482 tijdig, regelmatig naar de vorm, toelaatbaar en ontvankelijk en slechts in beperkte mate gegrond, meer bepaald wat de post AI b) van het PV betreft en de post IV van het PV zoals hierna gesteld.

Zegt voor recht dat de BTW met betrekking tot de facturen :

- nr. 184/1880 ten name van 1.615 fr.

- nr. 224/1990 ten name van 146 fr.

- nr. 235/1990 ten name van 439 fr.

- nr. 236/1990 ten name van 61 fr.,

zijnde in totaal 2.261 fr. wel degelijk aftrekbaar is in hoofde van eiser en evenzo de BTW op de factuur d.d. 28 februari 1990 van de NV E. aan eiser voor levering van een P.C., monitor, printer en toebehoren ten bedrage van 13.884 fr.

Zegt dat de administratie haar invorderingsorder conform de voormelde toegestane aftrekken van BTW dient te herzien.

Gezien de geringe mate van gegrondheid der verzetten, laat alle kosten van dagvaarding ten laste van eiser (evenals de aan zijn zijde gevallen rechtsplegingsvergoeding) en veroordeelt eiser slechts tot betaling van 11.000 fr. rechtsplegingsvergoeding aan verweerder.

Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, spijts elke voorziening, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement, voor wat betreft de veroordeling tot de geding- en gerechtskosten.

Aldus gevonnist en uitgesproken in het Gerechtsgebouw te Kortrijk in openbare terechtzitting op VIJF JANUARI NEGENTIENHONDERD ACHTENNEGENTIG.

Aanwezig :

M. B., alleen zetelend rechter,

G. H., griffier.

G. H. M. B.

Textes cités

20
CTVA art. 708 occurrences
CTVA art. 454 occurrences
CTVA art. 614 occurrences
CTVA art. 664 occurrences
AR no 1 art. 17bis3 occurrences
AR no 41 art. 13 occurrences
AR no 41 art. 22 occurrences
CTVA art. 502 occurrences
CTVA art. 592 occurrences
CTVA art. 602 occurrences
AR no 1 art. 21 occurrence
AR no 1 art. 81 occurrence
AR no 24 art. 61 occurrence
AR no 3 art. 31 occurrence
CTVA art. 41 occurrence
CTVA art. 491 occurrence
CTVA art. 671 occurrence
CTVA art. 731 occurrence
CTVA art. 851 occurrence

Décisions similaires

8