Droits et privilèges du Trésor, disposition pénale, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruges 11 février 1991

Rechercher
Texte en néerlandais

Droits et privilèges du Trésor, disposition pénale, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droits-privileges-tresor-disposition-penale-tribunal-bruges-1991-02-11-c95f

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruges
Date
11 février 1991

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

136 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruges du 11.02.1991

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

De rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :

In de zaak AR nr. 43490

J. J., zonder beroep, vroeger wonende te …, …, thans te …, …;

eiser,

voor wie is opgetreden meester P. D., advocaat te …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens kantoren zijn gevestigd te Brussel, Wetstraat nummer 14, in de persoon van de Heer Directeur BTW, registratie en Domeinen te Brugge II, wiens kantoren zijn gevestigd te Brugge, Sint Katelijnestraat nummer 7, en van de Heer Directeur BTW te Brussel, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie te Brussel, waarvan de kantoren gevestigd zijn te Brussel, Hertogstraat 59, op vervolging en benaarstiging van :

1) de Heer Ontvanger der BTW te Brugge, wiens kantoren zijn gevestigd te Brugge, G. Vincke­Dujardinstraat nummer 4;

2) de Heer Hoofdcontroleur der BTW te Knokke-Heist, wiens kantoren zijn gevestigd te Knokke-Heist, Majoor Vandammestraat 6;

3) de Heer Hoofdcontroleur der BTW te Halle, wiens kantoren zijn gevestigd te Halle, Steenweg op Bergen, 501;

verweerster,

voor wie is opgetreden meester J. V. d. P., advocaat te ….

De zaak werd ingeleid bij dagvaarding op 3 en 6 juni 1986 aan verweerster betekend.

Partijen werden gehoord bij monde van hun raadsman in openbare terechtzitting van 21 november 1990.

Gehoord het Openbaar Ministerie in de lezing van zijn schriftelijk advies in openbare terechtzitting van 5 december 1990.

Gezien het verzoekschrift tot heropening van de debatten, neergelegd ter griffie op 17 december 1990.

Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging en van de door de partijen overgelegde bundels.

De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.


1. Bijzonderste gegevens van de zaak

Eiser tekent verzet aan tegen :

1) Het ontwerp proces-verbaal, niet gedagtekend, opgesteld door de Heer M. V. D. E., voornoemd, en vorderende als BTW, 14.836.842 frank, als boeten het dubbel van de BTW krachtens art. 70, § 2 BTW, alsook 650.000 frank krachtens artikel 70, § 4 BTW, meer de intresten aan 1 % per maand op de BTW, vanaf 21 februari 1984;

2) De beslissing nummer 2 van 22 mei 1984 van de Heer Inspecteur V. D. A. voornoemd, tot het vaststellen van een boete krachtens art. 70, § 4 BTW, begroot op 10.000 frank, wegens het niet indienen van een aangifte van aanvang van werkzaamheid, op 10.000 frank wegens het niet houden van een boekhouding, op 58 maal 10.000 frank wegens het niet indienen van periodieke BTW-aangiften, op 5 maal 10.000 frank wegens het niet indienen van de listing-afnemers;

3) Het hem ambtshalve toekennen van een BTW-registratienummer op verzoek van de BBI, door de BTW-controle te Halle, Steenweg op Bergen 501;

4) De voorafgaande kennisgeving en de uiteindelijke beslissing tot vestiging van een ambtshalve aanslag op 8 maart 1985, door de Heer L. V., Gewestelijk Directeur en aan eiser betekend op 15 maart 1985;

5) Het dwangbevel uitgevaardigd door de gedaagde BTW-ontvanger te Brugge, de heer A. R., op 17 februari 1986, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 april 1986 door de Heer R. V., Gewestelijk Directeur BTW te Brugge, en aan eiser ter kennis gebracht bij aangetekende brief d.d. 14 april 1986, door de Ontvanger te Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat, en vorderende als rechten 7.970.756 frank, als boeten krachtens art. 70, § 1 en 2 BTW, 15.941.472 frank, als boeten krachtens art. 70, § 4 BTW 650.000 frank, in totaal 24.562.208 frank, meer de intresten van 1 % per maand op de nog verschuldigde BTW vanaf 21 januari 1984, en op de verschuldigde geldboeten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel, d.i. 14 april 1986;

6) Elke verdere uitvoering, alsook tegen de hypothecaire inschrijving en andere bewarende of uitvoerende maatregelen.

De aanspraken van verweerster, geconcretiseerd in het dwangbevel van 17 februari 1986, zijn gebaseerd op de diensten die eiser zou geleverd hebben als makelaar of adviseur bij transfers van voetballers in de periode 1980 tot en met 1983; verweerster neemt als belastbare omzet de bedragen aan waarmede het vermogen van eiser in die periode toegenomen is en waaromtrent geen andere verklaarbare, niet-belastbare oorsprong kan gegeven worden.

Eiser werpt in essentie op :

- dat het dwangbevel nietig is gezien het betekend afschrift eensluidend werd verklaard door een blijkbaar onbevoegd persoon;

- dat de ambtshalve aanslag een gevolg is van een strafprocedure die onwettelijk is, zodat ze zelf nietig is.

Eiser verwijst ondermeer :

- naar de schending van de scheiding der bevoegdheden tussen de gerechtelijke macht en de uitvoerende macht.

De ambtenaren van de BBI zouden zelf het onderzoek hebben geleid en hun rol van technisch raadgever van de Onderzoeksrechter hebben overschreden.

- naar de onwettelijkheid van de huiszoekingen, het aanhoudingsbevel en de voorlopige hechtenis;

- naar de schending van het geheim van het onderzoek door het inlichten van de pers; dit maakt volgens eiser een schending uit van de rechten van de mens;

- naar het feit dat de administratie bij het vestigen van de aanslag gebruik kon maken van een strafdossier waarvan hijzelf geen recht van inzage had (tevens schending beroepsgeheim);

- naar het feit dat zijn verklaringen onder druk werden afgelegd;

- naar de schending van het bankgeheim door inzage van de uittreksels uit Zwitserse bankrekeningen;

- dat het PV op bepaalde punten vals is en onbetrouwbaar;

- dat hij geen belastingplichtige is;

- dat de gebruikte Zwitserse bankrekeningen, waaruit de vermogensaanwas zou moeten blijken, niet zijn rekeningen zijn;

- dat voor zover er een verhoging zou zijn van roerend bezit, het zou gaan om wisselkoerswinsten;

- dat verweerster zich ten onrechte laat inspireren door de aanslagen inzake de personenbelasting;

- dat het voorstel van verweerster d.d. 23 mei 1984 om door middel van een "ontwerp van proces-verbaal" de betwisting in der minne te regelen, een verzaking inhoudt aan de faculteit ambtshalve aan te slaan;

- subsidiairlijk : dat de ambtshalve aanslag willekeurig en derhalve nietig is; dat verweerster enkel uitgaat van veronderstellingen.

Eiser vordert tevens de veroordeling van verweerster tot het betalen van schadevergoeding, provisioneel bepaald op 1 frank.

Eiser werpt tevens op dat de zaak niet in staat is; de BTW-taxatie zou steunen op de taxatie inzake directe belastingen, zodat het aangewezen is te wachten op de beslissing betreffende de betwistingen inzake directe belastingen.

In navolging daarvan heeft eiser op 17 december 1990 een verzoekschrift neergelegd tot heropening van de debatten, zich steunend op een brief van de Inspectie der directe belastingen d.d. 26 november 1990, waaruit zou blijken dat zijn bezwaarschriften betreffende de aanslagjaren 1979 tot en met 1985 effectief werden besproken en behandeld, en dat het onjuist is te beweren dat hij dilatoire manoeuvres zou aanwenden.

2. Beoordeling

a) Nopens het verzoek tot uitstel en heropening der debatten

Artikel 772 Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt :

"Indien een verschijnende partij gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, kan zij, zolang het vonnis niet uitgesproken is, de heropening van de debatten vragen".

Eiser legt twee stukken voor :

- zijn bezwaarschrift inzake directe belastingen d.d. 20 juli 1990;

- het schrijven van de inspecteur der belastingen d.d. 26 november 1990.

Het eerste document kan uiteraard niet als een "nieuw" stuk beschouwd worden gezien het vóór het sluiten van de debatten reeds in het bezit was van- en gekend was door eiser.

Het schrijven van de inspectie d.d. 26 november 1990 luidt als volgt :

"BETREFT bezwaarschrift inzake personenbelasting gericht tegen aanslagen gevestigd voor de aanslagjaren 1979 t/m 1985.

Aansluitend op ons telefonisch onderhoud van heden kan ik u bevestigen dat reeds herhaaldelijk besprekingen, op mijn kantoor, hebben plaatsgehad met het oog op de afhandeling van hogervermelde bezwaarschriften."

De inhoud van die brief is dermate algemeen dat het zeker niet als een stuk of feit van "overwegend belang" kan beschouwd worden.

De BTW-wetgeving is onafhankelijk van de wetgeving inzake inkomstenbelastingen, zodat de behandeling van huidige zaak niet als een aanhangsel kan beschouwd worden van de betwistingen inzake de directe belastingen.

Er kan dan ook niet worden ingegaan op het verzoek de debatten te heropenen; uiteraard dienen de daarbij neergelegde stukken en conclusies buiten het beraad gehouden te worden (artikel 771 Gerechtelijk Wetboek).

Eiser heeft tevens ruim de gelegenheid gehad om al zijn argumenten ten gronde, desnoods in subsidiaire orde, naar voor te brengen; het was aan hem om al dan niet van die gelegenheid gebruik te maken.

Er is dan ook geen enkele reden om een behandeling ten gronde uit te stellen door een ambtshalve heropening der debatten te bevelen.

b) Nopens het strafonderzoek en de rol van de BBI

Het blijkt inderdaad dat de aanslag vanwege verweerster gevestigd werd naar aanleiding van het strafonderzoek tegen eiser aangaande zijn rol in wat genoemd wordt het “voetbalschandaal” van 1983, waarbij de transfers van diverse spelers zich zouden hebben afgespeeld in een fiscaal-frauduleuze sfeer.

Uiteraard dient huidige rechtbank zich niet in te laten met de penale kant van de zaak.

De rechtbank dient enkel de vraag te stellen of verweerster gebruik mocht maken van de gegevens van het strafdossier en dit zowel met betrekking tot het vestigen van haar betwiste aanslag, als met betrekking tot het gebruik van gegevens van het strafdossier in huidige procedure.

De rechtbank dient vast te stellen dat er verweerster daaromtrent niets kan verweten worden.

Eiser beweert veel, maar bewijst terzake niets.

Het blijkt niet dat de ambtenaren van de BBI buiten hun rol van technische raadgever hebben getreden en het blijkt evenmin dat er daden werden gesteld die tot de nietigheid zouden leiden van de strafinformatie.

De rechtbank verwijst dienaangaande naar de termen van het vonnis van de Correctionele Rechtbank te Brussel d.d. 11 januari 1989 en het arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 22 november 1989, waarin alle desbetreffende excepties en verweermiddelen van eiser afgewezen werden.

De BBI-ambtenaren waren bevoegd om tussen te komen bij de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979 - 1980 (Belgisch Staatsblad 15 augustus 1980) en meer bepaald in artikel 87, werd aan de BBI haar wettelijke grondslag verleend door aan de ambtenaren van de BBI de bevoegdheden toe te kennen die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen verleend worden aan de fiscale administraties en haar ambtenaren; artikel 87 heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 1979 (artikel 89, § 2).

Overeenkomstig de vigerende wetgeving heeft verweerster de toelating gekregen van de Procureur-Generaal om inzage te nemen en gebruik te maken van het strafdossier (stuk 3A van verweerster) (artikel 1 van de wet van 27 juli 1938 over de juiste heffing van belastingen, zoals gewijzigd door artikel 34 van de wet van 20 augustus 1947; zie daaromtrent L. Vanheeswyck, De onderzoeksbevoegdheden van de fiscus en de Wet van 28 juli 1938, Tijdschrift voor Fiscaal Recht 1989-90, nr. 83, blz. 11 - 12).

Verweerster kon dan ook gebruik maken van de stukken van het strafdossier die nuttig konden zijn voor de juiste heffing en inning van de aan de staat verschuldigde belastingen.

Tevens kunnen die stukken aangewend worden in huidige procedure.

c) Nopens de geldigheid van het dwangbevel en zijn kennisgeving

Overeenkomstig artikel 85 van het BTW-Wetboek, werd door de met de invordering belaste ambtenaar, in casu de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, een dwangbevel uitgevaardigd op 17 februari 1986;

Dit dwangbevel werd ondertekend door de bevoegde ontvanger en geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de BTW te Brugge op 10 april 1986; de aangebrachte formule van visum en uitvoerbaarverklaring werd aangebracht door middel van een stempel en gevolgd door de handtekening van de gewestelijke directeur.

Eiser duidt niet aan welke wettelijke bepaling aangaande de vormvoorschriften van een dwangbevel zou geschonden zijn en waaraan als sanctie de nietigheid is verbonden van dat dwangbevel.

Verweerster merkt terecht op dat hoe en door wie de eensluidend verklaring van een dwangbevel moet gebeuren, nergens bepaald wordt.

Eiser kan evenmin aantonen dat zijn belangen terzake zouden zijn geschaad.

Het dwangbevel komt dan ook als regelmatig voor.

d) Nopens de vraag of eiser als een "belastingplichtige" dient te worden beschouwd

Artikel 4 van het BTW-wetboek bepaalt dat een belastingplichtige is diegene wiens werkzaamheid erin bestaat geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten te verrichten die in het wetboek zijn omschreven.

Het staat voldoende vast dat eiser geregeld optrad hetzij als voetbalmakelaar, hetzij als adviseur voor diverse clubs en spelers.

In het schrijven opgemaakt voor eiser d.d. 7 juni 1984 (stuk 6 verweerster), wordt toegegeven dat het van algemene bekendheid is dat eiser wel eens een transfert mogelijk maakte, met andere woorden dat hij toen optrad als voetbalmakelaar.

Uit het proces-verbaal d.d. 28 januari 1985 blijkt onder meer dat eiser erkend heeft :

- tussengekomen te zijn in 15 transfers;

- drie achtereenvolgende jaren transfertbeurzen te hebben georganiseerd.

Tevens zou hij voor die activiteiten aangifte hebben gedaan in de personenbelasting.

Het optreden als tussenpersoon wordt tevens bevestigd door de heren W. E., voorzitter van FC Antwerpen L. D. V., manager van FC Antwerp.

Overeenkomstig artikel 59, § 1 BTW-Wetboek leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Een bewijs dat de vaststellingen van het PV ontzenuwt, wordt niet geleverd; loutere beweringen vormen geen tegenbewijs.

Het optreden van eiser was derhalve georganiseerd en kan zeker niet als occasioneel of toevallig worden bestempeld.

Eiser bezit dan ook de hoedanigheid van belastingplichtige in de zin van artikel 4 BTW-Wetboek, zodat er hem terecht een BTW-nummer werd opgelegd en er mogelijkheid was om een ambtelijke aanslag te vestigen overeenkomstig artikel 66 BTW-Wetboek.

e) Nopens de wettelijkheid van de ambtelijke aanslag

Het feit dat verweerster aanvankelijk de verschuldigde rechten probeerde in te vorderen door middel van een minnelijke inregelstelling, houdt uiteraard geen verzaking in aan een ambtelijke aanslag voor het geval het minnelijk voorstel niet zou aanvaard worden.

Wat eiser daaromtrent voorhoudt steunt op geen enkele wettelijke basis.

f) Nopens de hoegrootheid van de aanslag

Artikel 66, 1 BTW-Wetboek bepaalt dat taxatie moet geschieden over het vermoedelijk bedrag van de handelingen die de belastingplichtige heeft verricht gedurende een bepaalde periode.

Wanneer een belastingplichtige de hem ambtshalve opgelegde aanslag betwist, moet hij bewijzen dat deze aanslag overdreven is (artikel 67 BTW-Wetboek).

Enerzijds staat het vast dat eiser inkomsten heeft genoten uit zijn activiteiten als makelaar.

Anderzijds blijkt uit bankuittreksels van eiser dat er een belangrijke vermogensaanwas is waaromtrent eiser geen overtuigende verklaring kan of wil geven.

Terecht mocht verweerster dan ook aannemen dat deze vermogens aangroei afkomstig is van de kwestieuze belastbare handelingen.

Het verweer van eiser terzake is zwak en niet geloofwaardig :

- de bankrekeningen en de gelden zouden niet van hem zijn, maar de uittreksels werden indertijd door hemzelf, via zijn raadsman, ter beschikking gesteld van de Onderzoeksrechter;

- een rekeninguittreksel van de Kredietbank Suisse vermeldt uitdrukkelijk zijn naam (stuk 30 verweerster);

- in het PV d.d. 3 februari 1984 verklaarde eiser aan de BOB (stuk 31 verweerster) :

Sedert einde 1982 ben ik eveneens klant bij de Zwitserse Bank “Credit SUISSE”. Ik heb geld op deze bank gestort afkomstig van het kapitaal dat op de Kredietbank SUISSE stond, afkomstig van het kapitaal dat op mijn bank in Luxemburg stond maar waarop nu niets meer staat. Deze Luxemburgse Bank was de Credit Européén. Al de bankrekeningen die ik nog heb, staan vermeld in mijn notaboekje, dat in beslag genomen werd;

- in het in beslag genomen notaboekje van eiser wordt verwezen naar de diverse rekeningen (stuk 32 verweerster).

Eiser insinueert dat de aangroei het gevolg zou zijn van wisselspeculaties, maar geeft daaromtrent geen nadere uitleg of samenstelling van de bedragen, zodat met een dergelijke loutere bewering geen rekening kan gehouden worden.

Verweerster heeft haar aanslag gevestigd op gekende cijfer-gegevens waarvan zij, bij gebreke van een overtuigende verklaring van een andere afkomst, mag vermoeden dat ze het gevolg zijn van de kwestieuze activiteiten als makelaar.

Van een willekeurige aanslag is er dan ook geen sprake en eiser bewijst niet dat die aanslag overdreven zou zijn.

Met betrekking tot de voorlegging van de bankuittreksels kan niet gesproken worden van een schending van het bankgeheim, gezien deze stukken deel uitmaken van net strafdossier, zodat artikel 61, § 2 BTW-Wetboek terzake niet van toepassing is.

CONCLUSIE

Het verzet van eiser zoals omschreven in het inleidend dagvaardingsexploot is ongegrond; de vordering tot schadevergoeding is uiteraard eveneens ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende op tegenspraak.

Alle strijdige en meeromvattende besluiten verwerpend als ongegrond, niet dienend of overbodig.

Gezien het schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie.

Verklaart het verzoek tot heropening der debatten ontvankelijk doch ongegrond en wijst het af.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerster te begroten op de rechtsplegingsvergoeding van tienduizendvijfhonderd (10.500) frank.

De kosten in hoofde van eiser dienen niet begroot te worden, gezien zij hem ten laste blijven.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge op elf februari negentienhonderd éénennegentig.

Aanwezig zijn :

C. G., alleenrechtsprekend rechter;

B. V., eerste substituut procureur des Konings;

G. V. W., griffier.

G. V. W. C. G.

Textes cités

7
CTVA art. 42 occurrences
CTVA art. 662 occurrences
CTVA art. 11 occurrence
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 611 occurrence
CTVA art. 671 occurrence
CTVA art. 851 occurrence

Décisions similaires

8