Procédure, Contrainte, Autorisation de signer · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour de cassation Bruxelles F.19.0042.N 4 décembre 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Procédure, Contrainte, Autorisation de signerTaxe sur la valeur ajoutée – Procédure – Contrainte - Autorisation de signer - Article 85, § 1, alinéa 1er, Code de la TVA

https://juriel.be/fr/jurisprudence/procedure-contrainte-autorisation-signer-article-cassation-bruxelles-2020-12-04-4074

Juridiction
Cour de cassation
Siège
Bruxelles
Numéro de rôle
F.19.0042.N
Date
4 décembre 2020

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

68 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour de cassation du 04.12.2020 (F.19.0042.N)

WF 708-15-16/011062

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Contrainte – Délégation de compétence – Délégation de la compétence de signature – Conservation et présentation des livres et documents – Droit de visite

Dispositions légales

Article 45, § 1er, 59, 61, 63 et 85, § 1er, du Code de la TVA

Résumé

1 Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie est une société de conseil dans le domaine des affaires et de la gestion. L'usufruit d'une villa à Ostende a été acquis pour une période de 20 ans. Le bien est mis à disposition de la société en tant qu’espace de bureaux.

Toutefois, lors d’un contrôle, l'administration a constaté que le bien était utilisé pour des besoins privés pendant le week-end et qu’il n’y avait pas de matériel de bureau présent. La villa semblait également être inoccupée pendant les jours de semaine (volets fermés). La déduction de la TVA, qui avait été opérée, a été rejetée. En appel, la Cour a déclaré la demande de l’assujettie non fondée.

2 L’arrêt de la Cour de cassation

a) Premier moyen : Violation de l’article 85 du Code de la TVA et de l’article159 de la Constitution

Le juge de la Cour d’appel a constaté que :

- la contrainte du 7 octobre 2014 a été signée par un expert fiscal adjoint, avec mention du nom et du grade, sur ordre du receveur ;

- cette mention n'est pas une délégation de compétence mais une délégation du pouvoir de signature ;

- - il n'y a aucun élément ou aucune raison de croire que la délégation du pouvoir de signature était « incorrecte ou illégale ».

Sur la base de ces constatations, la cour d'appel a pu juger que la preuve d'une délégation légale du pouvoir de signature avait été établie.

Par conséquent, il n'y a aucune raison d'annuler la contrainte.

Dans la mesure où le moyen est tiré de la violation de l'article 85 du code de la TVA et de l'article 159 de la Constitution, il ne peut être retenu.

b) Second moyen : violation de l’article 63 du Code de la TVA

Le juge de la cour d’appel a jugé que :

- les constatations faites le 24 mai 2013 ont également été « faites lors du contrôle du 31 mai 2013, au cours duquel les fonctionnaires contrôleurs ont effectué une visite de la maison avec le consentement de l’assujettie, et au cours duquel la comptabilité a été vérifiée, ce qui a conduit à la constatation d’infractions » ;

- les livres et documents sur lesquels se fonde le recouvrement de la TVA ont été présentés conformément à l'article 61 du code de la TVA.

Par conséquent, lors du contrôle du 23 mai 2013, l'article 63 du code de la TVA n'a pas été violé et les droits fondamentaux de la demanderesse n’ont pas été méconnus. Le moyen, à défaut d’intérêt, n’est pas recevable

La Cour rejette le recours en cassation et condamne le requérant en cassation aux dépens.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 04.12.2020 (F.19.0042.N/1)

ITM. bv, met zetel te ..., ingeschreven bij de KBO onder nummer 0430.245.181, eiseres, met als raadsman mr. ..., advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te ...,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Centrum KMO Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. ..., advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te ....

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 oktober 2018.

Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Krachtens artikel 85, § 1, eerste lid, Btw-wetboek wordt het dwangbevel uitgevaardigd door de met invordering belaste ambtenaar, zijnde de ontvanger. Vervolgens wordt het dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie belast met de btw of door de door hem aangewezen ambtenaar.

De ontvanger kan zijn bevoegdheid om een dwangbevel uit te vaardigen niet delegeren. Hij kan wel een door hem uitgevaardigd dwangbevel laten ondertekenen door een ondergeschikte aan wie hij zijn handtekeningsbevoegdheid heeft gedelegeerd.

In zoverre het onderdeel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

2. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de overige als geschonden aangevoerde wetsbepalingen zonder te preciseren hoe het arrest deze wetsbepalingen heeft geschonden, is het, bij gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

3. Het bewijs van het bestaan van een delegatie van handtekeningsbevoegdheid kan door de administratie worden geleverd aan de hand van feitelijke vermoedens.

In zoverre het middel ervan uitgaat dat de delegatie van handtekeningsbevoegdheid noodzakelijk aan de hand van een geschrift moet worden bewezen, faalt het naar recht.

4. De rechter beoordeelt in feite de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zijn beslissing grondt. Het Hof gaat enkel na of de rechter het begrip feitelijk vermoeden niet heeft miskend, en, met name, of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen heeft getrokken die enkel op grond van die feiten geenszins kunnen worden verantwoord.

5. De appelrechter stelt vast dat:

- volgens de vermeldingen van het dwangbevel dit dwangbevel op 7 oktober 2014 werd getekend door T.P., adjunct-fiscaal deskundige, met vermelding van haar naam en graad en dit in opdracht van de ontvanger, M.W.;

- er door deze vermelding geen sprake is van een delegatie van een bevoegdheid, maar van een delegatie van handtekeningsbevoegdheid;

- er geen aanwijzingen of redenen zijn om aan te nemen dat de delegatie van handtekeningsbevoegdheid "onterecht of onrechtmatig gebeurde", waarmee wordt aangegeven dat er geen gerede twijfel bestaat omtrent de rechtsgeldigheid van de delegatie.

Op grond van deze vaststellingen vermocht de appelrechter te oordelen dat het bewijs van een rechtmatige delegatie van handtekeningsbevoegdheid was geleverd.

In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 59, § 1, Btw-wetboek en 1349 tot 1353 Burgerlijk Wetboek, kan het niet worden aangenomen.

6. Bijgevolg is de beslissing dat er geen redenen zijn om het dwangbevel nietig te verklaren, naar recht verantwoord.

In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 85 Btw-wetboek en 159 Grondwet, kan het evenmin worden aangenomen.

Tweede middel

7. De appelrechter oordeelt dat:

- de vaststellingen die op 24 mei 2013 gedaan werden, ook "gedaan [werden] tijdens de controle van 31 mei 2013, waarbij [de controleambtenaren] met toestemming van de heer S. een rondleiding hebben gegeven in het huis en waarbij de boekhouding werd nagezien, wat geleid heeft tot de vastgestelde inbreuken";

- de boeken en documenten, waarop de navordering van de btw is gebaseerd, op grond van artikel 61 Btw-wetboek werden voorgelegd.

Het middel dat opkomt tegen het oordeel van de appelrechter dat tijdens de controle van 24 mei 2013 artikel 63 Btw-wetboek niet werd geschonden en de grondrechten van de eiseres evenmin werden miskend, is, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

Dispositif

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 231,81 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 4 december 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.

Textes cités

5
CTVA art. 856 occurrences
CTVA art. 633 occurrences
CTVA art. 452 occurrences
CTVA art. 612 occurrences
CTVA art. 591 occurrence

Doctrine administrative

1

Voir le document

Décisions similaires

8