Commissionnaire en douane, Société de droit français, Importation/Transfert · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 24 mars 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Commissionnaire en douane, Société de droit français, Importation/Transfert

https://juriel.be/fr/jurisprudence/commissionnaire-douane-societe-droit-francais-cour-appel-bruxelles-2026-03-24-d88c

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
24 mars 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

203 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel de Bruxelles du 24.03.2026 – 2014/AF/147

[ FIN 53800483-01 ]

[ Arrêt mixte ]

TVA – Commissionnaire en douane – Société de droit français – Importation/Transfert – Aucune acquisition déclarée

Texte intégral

Corps de la décision

Cet arrêt a été publié uniquement dans la langue originale.

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 24.03.2026 – 2014/AF/147

cie1, ON ..., met maatschappelijke zetel te ... ..., ...,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. GEVERS Jurgen, advocaat te 2110 WIJNEGEM, Stokerijstraat 29D bus 8,

tegen

DE BELGISCHE STAAT, ON ..., Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke Directeur Directie BTW Brussel 2, in de persoon van de rekenplichtige van het Centraal BTW-Ontvangkantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3107, vertegenwoordigd door de Heer E.H., inspecteur, BBI GESCHILLENCEL ..., met kantoren te ... ..., Italiëlei 4 bus 5,

geïntimeerde,

die in persoon verschijnt door tussenkomst van een ambtenaar, de heer B.V.T., attaché.


Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder :

 het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 21 maart 2014 (2012/8457/A), waarvan geen betekeningsakte voorligt;

 het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 5 juni 2014;

- de conclusies en syntheseconclusies van appellante, neergelegd ter griffie op 10 maart 2015, 31 maart 2017, 14 februari 2020, 4 maart 2020 en 4 maart 2025;

- de conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 1 december 2014, 29 mei 2015, 31 mei 2017 en 28 februari 2020;

 de stukken van appellante, elektronisch neergelegd op 27 april 2017 en 19 mei 2017 en ter terechtzitting op 4 maart 2020;

 de stukken van geïntimeerde, neergelegd op 24 augustus 2018 en ter terechtzitting op 4 maart 2020 (de stukken neergelegd door de Belgische Staat op 13 januari 2026 betrof een verkeerd stukkenbundel en werd terug overhandigd aan de Belgische Staat ter terechtzitting op 24 februari 2026).

1. Relevante feiten en voorgaanden

Appellante is douane-expediteur en sinds 1 oktober 2006 erkend als aansprakelijk vertegenwoordiger onder het globaal btw-identificatienummer ... voor de vertegenwoordiging van niet in België gevestigde belastingplichtigen.

In die hoedanigheid vertegenwoordigde appellante in de periode 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2008 de vennootschap naar Frans recht cie2 en dit voor 279 invoeren/overbrengingen van diverse goederen (o.a. kleding, schoeisel, keukengerei, bijouterie, huishoudelijke artikelen,...) voor een totale waarde van 3.544.058,14 euro (stuk 1 van geïntimeerde). In het kader van deze vertegenwoordiging beriep appellante zich op de btw-vrijstelling van artikel 40, §1, 1° d) WBTW wat betreft de invoer en op artikel 39bis, lid 1, 4° WBTW wat betreft de intracommunautaire overbrenging van de goederen naar Frankrijk.

Op 9 december 2010 (stuk 12, p. 10 van geïntimeerde) ontving de Belgische administratie een verzoek om informatie (overeenkomstig artikel 5 van Verordening 1798/2003) van de Franse administratie, verzonden op 30 november 2010 (stuk 11 van geïntimeerde), aangaande de Franse vennootschap cie2. De Franse administratie deelde mede dat er een vermoeden van frauduleuze toepassing van de douaneregeling 42 (btw-vrijstelling onder voorwaarde van aansluitende intracommunautaire levering) is, dat de firma cie2 goederen op Frans grondgebied binnenbrengt onder btw-vrijstelling bij toepassing van regime 42 (hoofdzakelijk textiel afkomstig uit China) en dat de goederen aankomen in een Europese haven, meer bepaald ... (stuk 11, p. 2 van geïntimeerde). Verder deelde de Franse administratie mede dat volgens het VIES-systeem de Belgische belastingplichtige, zijnde appellante, intracommunautaire leveringen heeft verricht aan cie2 doch dat cie2 geen verwerving heeft aangegeven (stuk 11, p. 5 van geïntimeerde).

Op 15 december 2011 werd een proces-verbaal lastens appellante opgesteld waarin de volgende bedragen van appellante werden gevorderd:

 1.436.388,00 euro btw

 2.872.770,00 euro btw-boete (200%)

 te vermeerderen met interesten vanaf 21 april 2008.

De btw-administratie voerde aan dat overeenkomstig artikel 55 WBTW de aansprakelijke vertegenwoordiger in de plaats wordt gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van het btw-wetboek en dat de vertegenwoordiger met zijn lastgever hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die door de lastgever zijn verschuldigd.

Volgens de btw-administratie heeft appellante, optredend als aansprakelijke vertegenwoordiger voor de firma cie2 ten onrechte aangifte gedaan van invoeren met vrijstelling van btw op basis van artikel 40, §1, 1°, d) WBTW aangezien er geen bewijs van intracommunautaire levering of gelijkgestelde overbrenging werd aangetoond. Voor de invoeren gedaan in 2008 werd wel een compensatie voor het verschuldigde bedrag aan btw toegestaan aangezien de nagevorderde belasting wordt geheven van een belastingplichtige-indiener die deze belasting via haar btw-aangiften kan recupereren en het derhalve een nuloperatie betreft. Dit recht op aftrek kan niet meer uitgeoefend worden voor de btw die in 2007 opeisbaar is geworden voor de invoeren van het jaar 2007. Dienvolgens vorderde de btw-administratie een totaal bedrag van de verschuldigde btw bij invoer na compensatie van 707.371,58 euro.

Volgens de btw-administratie blijkt dat cie2 als geadresseerde van de goederen bij invoer, noch een intracommunautaire levering noch een overbrenging in de zin van artikel 39bis, eerste lid, 1° en 4° conform KB nr. 52 heeft verricht en dus niet voldaan werd aan de voorwaarden tot levering met vrijstelling van btw bij toepassing en uitvoering van artikel 39bis, eerste lid, 1° en4° WBTW. Op grond van artikel 15, §3 en 7 WBTW stelt de btw-administratie dat de levering geacht wordt plaats te hebben in België zodat de btw in België opeisbaar is en dit voor een totaalbedrag van 729.016,42 euro.

Op 19 april 2012 werd een btw-dwangbevel (nr. 412/0106/31783) uitgevaardigd en betekend aan appellante op 9 mei 2012 (stukken 2-3 van geïntimeerde).

2. Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 juni 2012 stelde appellante een vordering in rechte in tegen deze btw-vordering. De vordering van appellante strekte ertoe het bestreden dwangbevel te vernietigen, onwettig te verklaren, minstens de tenuitvoerlegging ervan te verbieden en in ondergeschikte orde prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.

Geïntimeerde verzocht de rechtbank om de vordering van appellante ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en om appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten.

In het bestreden vonnis verklaarde de rechtbank de vorderingen van appellante ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde appellante tot de betaling van de gerechtskosten, niet te begroten aangezien geïntimeerde niet werd bijgestaan door een advocaat.

De rechtbank oordeelde dat er geen verjaring van de btw-vordering is, dat appellante niet voldoet aan haar bewijslast en dat er geen redenen zijn om prejudiciële vragen te stellen. Tegen dit vonnis tekende appellante hoger beroep aan bij het voormelde verzoekschrift tot hoger beroep.

3. Procedure voor het hof van beroep

De vordering van appellante opgenomen in haar laatste syntheseconclusie luidt als volgt: "Het hoger beroep van cie1 ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens het bestreden vonnis te hervormen als volgt:

IN HOOFDORDE:

 Het proces-verbaal d.d. 15 december 2011, en het dwangbevel nr. R.C.I.V. 412/0106/31783 dat op 19 april 2012 werd opgemaakt door de heer L.R., BTW-ontvanger van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, en dat op 19 april 2012 door Mevrouw B.J., eerstaanwezend Inspecteur, Diensthoofd a.i. van het BTW-Controlekantoor bij het C.K.B.B. te Brussel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, te vernietigen aangezien de vordering tot voldoening van de btw, de interesten en de administratieve geldboeten, bij toepassing van artikel 81bis, § 1, eerste alinea WBTW, zowel wat 2007 als het eerste kwartaal van 2008 betreft, is verjaard.

 Te bevestigen dat geen boete en nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn;

- De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde

en/of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten;

IN ONDERGESCHIKTE ORDE:

- Het proces-verbaal d.d. 15 december 2011, en het dwangbevel nr. R.C.I.V. 412/0106/31783 dat op 19 april 2012 werd opgemaakt door de heer L.R. BTW-ontvanger van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, en dat op 19 april 2012 door Mevrouw B.J., eerstaanwezend Inspecteur, Diensthoofd a.i. van het BTW-Controlekantoor bij het C.K.B.B. te Brussel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, te vernietigen en wel om volgende redenen:

•cie1 trad rechtsgeldig op als btw-aansprakelijk vertegenwoordiger voor cie2;

•cie2 deed een invoer gevolgd door een overbrenging naar Frankrijk;

•De toepassingsvoorwaarden voor de vrijstelling voor de overbrenging van goederen zijn vervuld;

Indien er nog twijfel zou bestaan over de aangevoerde schendingen van de btw-Richtlijn en de interpretatie van de aangevoerde bepalingen, verzoekt cie1 uw Hof om de volgende prejudiciële vragen te verwijzen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie:

"Laat Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-Richtlijn) — onder meer artikel 138, 1. van die Richtlijn — de lidstaten toe om de vrijstelling voor een overbrenging in hoofde van de aansprakelijk vertegenwoordiger te weigeren, wanneer vaststaat dat de goederen daadwerkelijk zijn toegekomen in de andere lidstaat, het btw- nummer van de vertegenwoordigde geldig was op het tijdstip van de overbrengingen, de aansprakelijk vertegenwoordiger de btw-listing voor intracommunautaire leveringen heeft ingediend en steeds te goeder trouw was en ook de CMR-vrachtbrieven, vervoersfacturen, betalingsbewijzen, verkoopfacturen en paklijsten erop wijzen dat de goederen voor rekening van de vertegenwoordigde werden vervoerd naar de andere lidstaat en dat de overbrenging is geschied voor een andere belastingplichtige die als zodanig handelde in die andere lidstaat?"

- Te bevestigen dat geen boete en nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn;

- De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde

en/of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten;

IN ONDERGESCHIKTE ORDE:

- Het proces-verbaal d.d. 15 december 2011, en het dwangbevel nr. R.C.I.V. 412/0106/31783 dat op 19 april 2012 werd opgemaakt door de heer L.R. BTW-ontvanger van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, en dat op 19 april 2012 door Mevrouw B.J., eerstaanwezend Inspecteur, Diensthoofd a.i. van het BTW-Controlekantoor bij het C.K.B.B. te Brussel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, te vernietigen en de BELGISCHE STAAT te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde en/of ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoriuminteresten, en wel om volgende redenen:

•Indien uw Hof van oordeel zou zijn dat de voorwaarden voor de vrijstelling niet voldaan zouden zijn, quod non, staat vast dat de BBI het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel schendt;

•Er kan geen btw worden nagevorderd in hoofde van cie1 als aansprakelijk vertegenwoordiger aangezien dit strijdig is met het evenredigheidsbeginsel zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Indien er nog twijfel zou bestaan over de aangevoerde schendingen van de btw-Richtlijn en de interpretatie van de aangevoerde bepalingen, verzoekt cie1 uw Hof om de volgende prejudiciële vraag te verwijzen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie:

"Laat Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-Richtlijn) — onder meer de artikelen 201 en 204 van die Richtlijn — de lidstaten toe om de aansprakelijk vertegenwoordiger onvoorwaardelijk hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de belasting die verschuldigd is naar aanleiding van het weigeren van de btw-vrijstelling, wanneer de vrijstelling wordt geweigerd voor een overbrenging omwille van de niet-aangifte van de daaropvolgende gelijkgestelde verwerving door de klant, waarvoor de aansprakelijk vertegenwoordiger niet moet instaan, terwijl vaststaat dat de goederen zijn toegekomen in de andere lidstaat, het btw-nummer van de vertegenwoordigde geldig was op het tijdstip van de overbrengingen en de aansprakelijk vertegenwoordiger de btw-listing voor intracommunautaire leveringen heeft ingediend zodat de goede trouw van de aansprakelijk vertegenwoordiger bewezen is en uit alle onderliggende stukken (zoals CMR-vrachtbrieven, vervoersfacturen, betalingsbewijzen, verkoopfacturen en paklijsten) bleek dat de vrijstelling kon worden toegepast zodat hem ook geen fout of nalatigheid kan worden verweten?"

Indien uw Hof zou oordelen dat wel een boete en nalatigheidsinteresten kunnen worden opgelegd, quod non, de boete en de nalatigheidsinteresten kwijt te schelden, minstens te verminderen, of uiterst ondergeschikt de boete en de nalatigheidsinteresten met uitstel van tenuitvoerlegging op te leggen;

Indien er nog twijfel zou bestaan over de aangevoerde schendingen van de btw-Richtlijn en de interpretatie van de aangevoerde bepalingen, verzoekt cie1 uw Hof om de volgende prejudiciële vraag door te verwijzen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie:

"Is een boete van 200%, wegens inbreuken begaan op de btw-wetgeving, en het opleggen van nalatigheidsinteresten van maandelijks 0,8% (jaarlijks 9,6%) verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel, zoals vervat in artikel 49 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, indien een dergelijke boete en nalatigheidsinteresten worden nagevorderd van de hoofdelijk aansprakelijk vertegenwoordiger die te goeder trouw handelde aangezien het bewijs werd geleverd dat aan de voorwaarden voor toepassing van de btw-vrijstelling van de overbrengingen werd voldaan en zonder dat de administratie enig bewijs levert van het bedrieglijk opzet of fraude van de aansprakelijk vertegenwoordiger?"

IN IEDER GEVAL:

- De BELGISCHE STAAT te veroordelen tot de gerechtskosten, met inbegrip van het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding, begroot op:

•Het basisbedrag van 16.500,00 EUR voor de eerste aanleg;

•Het basisbedrag van 22.500,00 EUR voor het hoger beroep."

Appellante voert hiertoe de volgende middelen aan:

- de btw-vordering is verjaard, de btw-administratie bewijst niet dat de Franse inlichtingen aantonen dat de vrijstellingen, zo bewezen, ten onrechte werden toegepast en er is geen bewijs dat de Franse inlichtingen werden verkregen binnen de normale verjaringstermijn van drie jaar;

de btw-vrijstellingen werden terecht toegepast, cie2 deed invoeren gevolgd door overbrengingen naar Frankrijk, er werd voldaan aan de twee materiële voorwaarden, met name een verzending buiten België, maar binnen de Gemeenschap, zijnde een vervoer naar Frankrijk en dit voor een belastingplichtige die als zodanig handelde in een andere lidstaat dan de lidstaat van vertrek van het vervoer van de goederen, zijnde cie2;

de rechtspraak aangehaald door geïntimeerde is niet relevant in onderhavige betwisting;

 de btw-administratie heeft het rechtszekerheids- en het evenredigheidsbeginsel geschonden;

de boete en de nalatigheidsinteresten moeten worden kwijtgescholden, minstens worden verminderd, minstens dient uitstel van tenuitvoerlegging te worden toegekend.

Geïntimeerde verzoekt het hof om het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en om appellante te veroordelen tot de betaling van de gerechtskosten. Geïntimeerde voert hiertoe de volgende middelen aan:

er is geen sprake van verjaring van de btw-vordering, de Franse inlichtingen werden op 9 december 2010 bekomen;

 de bewijslast voor toepassing van de vrijstelling ligt bij appellante, door de handelswijze van appellante zijn de goederen uit het te controleren handelscircuit verdwenen, er wordt geen enkel positief bewijs geleverd dat de vermelde bestemmeling de werkelijke ontvanger van de goederen is, appellante heeft niet zorgvuldig gehandeld, appellante heeft haar taak enkel op administratieve wijze ingevuld zonder rekening te houden met de rechten en plichten die met haar activiteit gepaard gaan;

 er is geen sprake van enige schending van het rechtszekerheids- of

evenredigheidsbeginsel;

de boete werd regelmatig gevestigd en is gerechtvaardigd.

De zaak werd ab initio hernomen en behandeld in openbare terechtzitting van 24 februari 2026 waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist door geïntimeerde. Nu er ook geen ambtshalve op te werpen gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn, is het tijdig en regelmatig ingesteld hoger beroep ontvankelijk.

4.2. Inzake de toepassing van de zevenjarige verjaringstermijn

Appellante voert aan dat de btw-vordering verjaard is aangezien het dwangbevel dateert van 19 april 2012 en de gewone verjaringstermijn in onderhavige betwisting verstreken was per 31 december 2010 (voor de verrichtingen in 2007) en per 31 december 2011 (voor de verrichtingen in 2008). Wat betreft de beweerde toepassing van artikel 81bis, §1, 2de lid, 1° WBTW dient de btw-administratie te bewijzen dat de Franse inlichtingen aantoonden dat de verrichtingen ten onrechte werden vrijgesteld en dat de inlichtingen werden verkregen binnen de normale verjaringstermijn van drie jaar. Volgens appellante zijn de Franse inlichtingen zeer vaag en tonen deze niet aan dat de overbrengingen ten onrechte werden vrijgesteld.

Overeenkomstig artikel 81bis, § 1 WBTW, zoals te dezen van toepassing, is er verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, intresten en geldboeten na het

verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak

van de opeisbaarheid van de belastingzich heeft voorgedaan. In afwijking

van de driejarige verjaringstermijn, is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan wanneer (1°) een inlichting, een onderzoek of een controle, (2°) een rechtsvordering of (3°) bewijskrachtige gegevens aantonen dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld of (4°) een overtreding werd begaan met bedrieglijk opzet of oogmerk te schaden.

In onderhavige betwisting verwijst de btw-administratie naar artikel 81bis, § 1, tweede lid, 1° WBTW wegens inlichtingen verkregen vanuit Frankrijk waaruit zou blijken dat frauduleus een btw-vrijstelling zou zijn toegepast.

Alleszins toont de btw-administratie aan dat de inlichtingen werden verkregen op 9 december 2010 (stuk 12 van geïntimeerde), zijnde aldus binnen de gewone verjaringstermijn van drie jaar, zodoende dat het hof dit middel van appellante niet verder dient te beoordelen.

Voor de toepassing deze zevenjarige verjaringstermijn is vereist dat een inlichting, een onderzoek of een controle aantoont dat er handelingen ten onrechte werden vrijgesteld.

De inlichtingen moeten op zich niet het bewijs leveren van de ten onrechte toegepaste vrijstelling. Het volstaat dat de inlichtingen de ten onrechte toegepaste vrijstellingen aan het licht brengen en dat de administratie vertrekkend van dit gegeven aan de hand van een ander bewijsmiddel kan aantonen welk bedrag aan belastingen verschuldigd is (vgl. Cass. 18 januari 2013, F.11.0126.N). Het gebruik van het begrip aantonen houdt derhalve niet in dat de inlichtingen de ten onrechte toegepaste vrijstellingen moeten bewijzen, doch wel dat de uit het buitenland verkregen inlichtingen moeten toelaten de ten onrechte toegepaste vrijstellingen te identificeren waarna de administratie vervolgens aan de hand van de beschikbare bewijsmiddelen de omvang van de verschuldigde btw kan bepalen. Hiertoe is niet uitgesloten dat door de administratie naar aanleiding van de verkregen inlichtingen een controle wordt aangevat (vgl. ... 12 februari 2013, RABG 2013, afl. 19, 1378) en onderzoekshandelingen worden verricht (vgl. Cass. 27 april 2012, F.11.0069.F, www.cass.be;

Gent 17 november 2015, RABG 2016, afl. 11, 820). Bovendien ligt de bewijslast van een btw-vrijstelling bij de belastingplichtige en niet bij de btw-administratie.

In onderhavige betwisting beroept de administratie zich op de inlichtingen bekomen uit Frankrijk waarin gesteld wordt dat goederen via de haven van ... onder toepassing van regime 42 zijn binnengebracht in Frankrijk en dat de Franse autoriteiten vermoeden dat dit een frauduleuze toepassing is van douaneregeling 42, zijnde de btw-vrijstelling onder voorwaarde van een aansluitende intracommunautaire levering, waarbij de Franse firma cie2 in Frankrijk geen verwervingen heeft aangegeven.

Op basis van het feit dat appellante optrad als aansprakelijke vertegenwoordiger van de Franse vennootschap cie2 en dat de Franse administratie duidelijk verwijst naar het vermoeden van frauduleuze toepassing van de douaneregeling 42, zijnde de toepassing van artikel 40, §1, 1°, d) WBTW, zijnde hetgeen waarvoor appellante aldus is tussengekomen, waarbij het appellante is die code 42 heeft ingevuld in vak 37 (regeling) van de douaneaangiftes (stuk 7 van appellante) en de btw-vrijstelling heeft toegepast, een vrijstelling waarvan de bewijslast bij appellante ligt, toont de btw-administratie wel degelijk aan dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 81bis, § 1, tweede lid, 1° WBTW teneinde de zevenjarige verjaringstermijn toe te passen.

Het hoger beroep van appellante op dit middel is ongegrond.

4.3. Wat betreft de voorwaarden om de btw-vrijstellingen toe te passen

Voorafgaandelijk en relevante bepalingen

Aansprakelijke vertegenwoordiger inzake btw

Het hof stelt vast dat tussen partijen geen betwisting bestaat dat appellante optrad als aansprakelijke vertegenwoordiger voor cie2 overeenkomstig artikel 2 van het KB nr. 31 van 2 april 2002 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, zoals te dezen van toepassing. Dit artikel 2 bepaalt o.a. het volgende, zoals te dezen van toepassing:

"§ 3

De vooraf erkende persoon bedoeld in § 1, eerste lid, wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek voor de handelingen die hij verricht of die hem hier te lande worden verstrekt onder het globale BTW-identificatienummer."

De niet in België gevestigde belastingplichtige stuurt de voor zijn medecontractant bestemde factuur naar zijn aansprakelijke vertegenwoordiger of naar de vooraf erkende persoon die hij vertegenwoordigt zonder het bedrag van de verschuldigde belasting erop te vermelden.

§2

De aansprakelijke vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon stelt in die hoedanigheid een stuk in tweevoud op, waarin de bij artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bedoelde vermeldingen voorkomen. Hij stuurt het origineel van dat stuk naar de medecontractant van de niet in België gevestigde belastingplichtige na de factuur welke die belastingplichtige voor zijn medecontractant heeft bestemd eraan gehecht te hebben. Hij bewaart het dubbel van dat stuk.

Het stuk bedoeld in het voorgaande lid dient te worden beschouwd als noodzakelijk deel uitmakend van de factuur die wordt uitgereikt door de niet in België gevestigde belastingplichtige.

§3

Door of vanwege de Minister van Financiën kan in de gevallen die hij aanwijst en onder de voorwaarden die hij bepaalt de aansprakelijke vertegenwoordiger van de niet in België gevestigde belastingplichtige worden toegestaan het in § 2 bedoelde stuk niet op te stellen."

Wat betreft de btw aansprakelijke vertegenwoordiger bepaalt artikel 55, §4 WBTW, zoals te dezen van toepassing, eveneens het volgende:

„§ 4

De aansprakelijke vertegenwoordiger bedoeld in §§ 1 of 2 wordt in de plaats gesteld van zijn lastgever ten aanzien van alle rechten die aan laatstgenoemde zijn verleend of van alle verplichtingen die hem zijn opgelegd door of ter uitvoering van dit Wetboek.

Die vertegenwoordiger of de vooraf erkende persoon bedoeld in § 3, tweede lid is met zijn lastgever hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten die laatstgenoemde verschuldigd is krachtens onderhavig Wetboek."

De rechten en verplichtingen van de aansprakelijke vertegenwoordiger werden eveneens opgenomen in een circulaire aangaande de toepasselijke regeling voor de door de niet in België gevestigde belastingplichtigen verrichte handelingen (Circ. nr. 4, E.T. 103.925 d.d. 4 maart 2003 — stuk 6 van geïntimeerde).

Overbrenging

Het hof stelt eveneens vast dat partijen aangaande de handelingen die ter betwisting staan, verwijzen naar een overbrenging van de goederen overeenkomstig artikel 12bis WBTW. Partijen bevestigen immers dat er geen eigendomsoverdracht plaatsvond.

Artikel 12bis WBTW, zoals te dezen van toepassing, bepaalt dat de overbrenging door een belastingplichtige van een goed van zijn bedrijf naar een andere lidstaat met een levering van goederen onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld en dat als overgebracht naar een andere lidstaat wordt beschouwd elk lichamelijk goed dat door of voor rekening van de belastingplichtige buiten België maar binnen de Gemeenschap wordt verzonden of vervoerd voor bedrijfsdoeleinden.

Wat betreft de btw-vrijstelling, die in onderhavige betwisting ter discussie staat, verwijzen partijen naar artikel 39bis, eerste lid, 4° WBTW, zoals te dezen van toepassing, dat als volgt luidt:

"Art. 39bis

Van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4;

2°...

3°...

4° de in artikel 12bis bedoelde leveringen van goederen andere dan die onderworpen aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4, waarvoor de vrijstelling als bedoeld in 1° zou gelden, indien zij voor een andere belastingplichtige zouden zijn verricht."

In de mate dat er sprake is van een overbrenging, bepaalt artikel 2 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde dat de belastingplichtige gehouden is een stuk op te maken voor de in artikel 39bis, eerste lid, 4° WBTW bedoelde leveringen van goederen.

Standpunt partijen

Appellante voert aan dat de invoer en daaropvolgende overbrenging naar Frankrijk terecht werd vrijgesteld van btw aangezien zij voldoet aan de twee materiële voorwaarden.

Het bewijs werd geleverd dat de betreffende goederen verzonden of vervoerd werden buiten België, maar binnen de gemeenschap, in casu werden de goederen vervoerd naar Frankrijk en is overeenkomstig artikel 138,1 van de btw-richtlijn niet vereist dat de goederen worden afgeleverd op een specifieke plaats in Frankrijk. Het adres waar de verzending of het vervoer eindigt, is irrelevant, waarbij appellante verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie (arrest Pláckl en Enteco Baltic).

Het bewijs werd geleverd dat de goederen voor beroepsdoeleinden werden overgebracht naar cie2, zijnde een als zodanig handelende belastingplichtige in Frankrijk. cie2 heeft de 279 overbrengingen verricht, dat wordt o.a. bewezen door het feit dat appellante rechtstreeks factureerde aan cie2 die ook rechtstreeks betaalde aan appellante. Door het (gedeeltelijk) verlenen van de btw-compensatie heeft de btw-administratie erkend dat cie2 handelde als btw-belastingplichtige. Dat cie2 de btw in Frankrijk over een intracommunautaire verwerving niet heeft afgedragen kan niet aan appellante worden verweten.

Appellante stelt dat aangezien aan deze twee materiële voorwaarden, hetgeen de enige vereiste voorwaarden zijn, werd voldaan, de vrijstelling door de btw-administratie niet kan worden geweigerd louter omwille van de miskenning van een administratieve verplichting door de aansprakelijke vertegenwoordiger.

Geïntimeerde voert aan dat appellante faalt in de op haar rustende bewijslast en er wordt geen positief bewijs geleverd dat de vermelde bestemming de werkelijke ontvanger van de goederen is.

Beoordeling

Als aansprakelijke vertegenwoordiger draagt appellante de bewijslast van de voorwaarden teneinde te genieten van de btw-vrijstellingen.

Ten onrechte voert appellante aan dat het voldoende is om aan te tonen dat de goederen werden vervoerd van België naar Frankrijk en dit ongeacht op welk specifiek adres in Frankrijk.

Een overbrenging houdt immers in dat er geen eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden en zoals geïntimeerde terecht aanvoert heeft een 'overbrenging' betrekking op ondernemingen die goederen van hun bedrijf materieel verplaatsen van één lidstaat naar een andere lidstaat en het doel van dit stelsel houdt in een controle te behouden op de interne goederenbewegingen.

Er moet aldus o.a. worden aangetoond dat het gaat om een overbrenging van een lichamelijk roerend goed behorend tot het bedrijf en dat dat goed naar een andere lidstaat wordt verzonden of vervoerd voor de bedrijfsdoeleinden van die belastingplichtige.

Het aldus zonder meer vervoeren van goederen naar Frankrijk of het louter bezitten van een Frans btw-nummer is dus geenszins voldoende, zoals ten onrechte geponeerd door appellante. Er moet worden aangetoond dat de betreffende goederen daadwerkelijk aan cie2 materieel werden vervoerd. Geïntimeerde stelt dan ook terecht dat appellante niet aantoont dat de betreffende goederen wel degelijk bij de Franse vennootschap cie2 zijn aangekomen. In tegenstelling tot hetgeen appellante aanvoert, voegt de btw-administratie geenszins een voorwaarde toe aan de in de btw-richtlijn geldende voorwaarden om te kunnen spreken van een van btw vrijgestelde overbrenging. Immers kan op geen enkele wijze de interne goederenbeweging in onderhavige betwisting worden gecontroleerd.

Het louter verwijzen naar een mandaat om op te treden als aansprakelijke vertegenwoordigen en het louter voorleggen van facturen volstaat niet om wat betreft de betwiste handelingen de btw-vrijstelling aan te tonen. Wat betreft de verwijzing naar het mandaat stelt het hof vast dat dit dateert van 1 maart 2007, terwijl er reeds door appellante aangiftes werden ingediend voorafgaandelijk aan deze datum.

Ook de door appellante voorgelegde CMR-documenten vertonen gebreken (onleesbare handtekening, geen firmastempel, geen data,...) en verwijzen naar verschillende adressen (63) waarvan op geen enkele manier de band met cie2 kan worden aangetoond of zelfs aannemelijk wordt gemaakt. Uit niets blijkt dat die adressen verband houden met cie2, nochtans vereist om te spreken over een 'overbrenging'. Voor bepaalde invoeren, maar liefst 54, zijn er zelfs geen CMR-documenten (p. 37 van het proces-verbaal), desondanks dat uit het dossier blijkt dat appellante betrokken was bij de organisatie van het vervoer aangezien appellante bevestigt dat zij transportkosten factureerde aan cie2 en dat het appellante was die de transportfirma's aanduidde.

Op basis van de aan het hof voorgelegde dossiers blijkt dus geenszins dat het cie2 was die de betreffende goederen in het kader van haar btw-activiteit overbracht naar Frankrijk. In tegendeel, op basis van de aan het hof voorgelegde dossiers blijkt dat elke controle van de beweging van de goederen onmogelijk is gemaakt. Dat de goederen ergens in Frankrijk zijn beland, is mogelijk, maar op basis van de voorgelegde gegevens wordt door appellante niet aangetoond dat deze goederen door of voor rekening van de Franse vennootschap cie2 voor haar bedrijfsdoeleinden zijn overgebracht van België naar Frankrijk. Appellante beperkt zich tot algemeenheden met name dat de goederen werden geleverd op diverse adressen rond Parijs en dat de maatschappelijke zetel van cie2 gelegen is in diezelfde regio.

Terecht stelt geïntimeerde dat er geen stukken worden voorgelegd van correspondentie of contactname tussen appellante en cie2 in het kader van elk van de 279 invoeren. Ingevolge verklaringen van de manager van appellante blijkt bovendien dat het een andere Franse firma was (cie3) die de instructies gaf waar de goederen moesten geleverd worden en dat het deze firma was die de facturen van appellante betaalde. De btw-nota 'note de debit' opgesteld door appellante op naam van cie2 werd ook opgestuurd naar die andere Franse firma (p. 37 van het proces-verbaal).

Wat betreft de bewering van het feit dat appellante rechtstreeks werd betaald door cie2 blijkt uit de eigen stukken van appellante dat middels cheques werd betaald die werden gestort op rekening van cie1 met zetel te Frankrijk en dit op een Franse rekening bij cie4 (stuk 8 van appellante) en dat de manager van appellante zelf verklaarde dat het een andere Franse firma was die de facturen betaalde. Appellante stelt dan ook ten onrechte dat zij rechtstreeks werd betaald door cie2.

In tegenstelling tot hetgeen appellante beweert, zijn wat betreft de betwiste handelingen de materiële voorwaarden teneinde beroep te kunnen doen op de btw-vrijstelling geenszins aangetoond door appellante.

Het feit dat de btw-administratie een (gedeeltelijke) compensatie verleende voor de btw verschuldigd bij invoer van de goederen, doet aan dit oordeel geen afbreuk. Het is appellante die de bewijslast draagt van een btw-vrijstelling.

Op basis van het geheel van deze overeenstemmende objectieve elementen staat het vast dat appellante ten onrechte beroep heeft gedaan op de btw-vrijstelling en werd de btw-vrijstelling aldus terecht verworpen door geïntimeerde.

Volledigheidshalve verwijst het hof tenslotte naar de terechte beoordeling door de rechtbank dat appellante bovendien de op haar rustende administratieve verplichtingen niet heeft ingevuld. Van enige louter formele administratieve vergissing is geen sprake. Alleszins ontbreekt het overbrengingsstuk (artikel 2 KB nr. 1), noodzakelijk in het kader van de overbrengingen, teneinde de goederenstroom te controleren.

Ofwel gaat het over een intracommunautaire levering (met name een levering aan een klant van cie2) ofwel gaat het over een overbrenging (met name eventueel een levering bij een opslagruimte van cie2), maar een combinatie van beide is niet mogelijk. Noch een buitenlandse factuur (tussen cie2 en een beweerde klant) noch een overbrengingsstuk zijn in het bezit van appellante en zijn dus niet opgenomen in haar boekhouding.

Appellante kan zich niet verschuilen achter louter (enkele, beperkte en onregelmatig opgestelde) formele documenten. Gelet op haar eigen handelswijze, kan appellante bezwaarlijk stellen dat zij alles gedaan heeft wat redelijkerwijze in haar mogelijkheden lag om te vermijden dat zij bij dergelijke fraude betrokken is geraakt.

Aangezien appellante faalt in de op haar rustende bewijslast wat betreft de door haar ingeroepen vrijstellingen, dient er aldus dienaangaande ook geen prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie.

4.4. Inzake de beweerde schending van het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel

Appellante voert aan dat indien het hof zou oordelen dat niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden voor de vrijstellingen, de btw-administratie het rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Volgens appellante is de onvoorwaardelijke hoofdelijke gehoudenheid niet toegelaten wegens strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel ingevolge rechtspraak van het Hof van Justitie (HvJ 21 december 2011, Vlaamse Oliemaatschappij NV, C-499/10). Volgens appellante moet worden nagegaan of de vertegenwoordiger wist of had moeten weten dat de btw door zijn klant niet zou worden afgedragen en worden in onderhavige betwisting alle bewijsstukken voorgelegd die van appellante kunnen worden verlangd om de toegepaste vrijstellingen te rechtvaardigen. Volgens appellante had zij wel een rechtstreeks mandaat van cie2, die de facturen betaalde en heeft appellante alle documenten zoals verkoopfacturen, paklijsten, CMR-documenten nauwgezet gecontroleerd, bewaard en ook voorgelegd.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie kan, zoals appellante terecht stelt, inderdaad worden afgeleid dat een systeem van onvoorwaardelijke aansprakelijkheid kan leiden tot een schending van het evenredigheidsbeginsel. Wanneer de aansprakelijkheid voor betaling van btw bij een andere persoon dan de schuldenaar wordt gelegd zonder dat hem de mogelijkheid wordt geboden aan deze aansprakelijkheid te ontkomen door te bewijzen dat hij volledig buiten de handelingen van deze schuldenaar staat, is dit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het zou, volgens het Hof van Justitie, immers kennelijk onevenredig zijn om deze persoon onvoorwaardelijk aan te spreken voor een tekort aan belastinginkomsten dat is veroorzaakt door de handelingen van een derde belastingplichtige waarop hij geen enkele invloed had (vgl. HvJ 30 april 2025, C-278/24 en HvJ 12 december 2024, C-331/23).

Gelet op de concrete gegevens en de aan het hof voorgelegde stukken, oordeelt het hof dat appellante evenwel geenszins nauwgezet alles heeft gecontroleerd en opgevolgd. Dit blijkt al duidelijk uit de onregelmatige voorgelegde of ontbrekende CMR-documenten. Het louter verwijzen naar een mandaat is niet voldoende, zeker aangezien uit het dossier blijkt, en zoals ook bevestigd door de zaakvoerder van appellante, er geen contact was met cie2, maar dat alle contacten verliepen via een derde partij. Het is appellante die de keuze heeft gemaakt om op te treden als aansprakelijke vertegenwoordiger van cie2 en het is dan ook appellante die gehouden is tot het nakomen van alle verplichtingen die dat met zich meebrengt. Er kan door appellante geen volledig dossier worden voorgelegd per invoer gevolgd door een beweerde overbrenging. Appellante beperkt zich tot loutere beweringen en verschuilt zich achter louter administratieve vergissingen. Terecht voert geïntimeerde aan dat appellante haar verantwoordelijkheden als aansprakelijke vertegenwoordiger niet kan ontlopen door zich te verschuilen achter derde of zich kan beperken tot louter administratieve verplichtingen. Het staat vast dat appellante, als aansprakelijke vertegenwoordiger van cie2, geen contact opnam met deze vennootschap en zelf geen stappen ondernam om haar dossier te staven of te controleren. En dit ondanks de vele aangiftes die door haar werden gedaan in een periode van 15 maanden.

Van goede trouw in hoofde van appellante is geen sprake, gelet op de concrete gegevens van het dossier, in het bijzonder gelet op de zeer vele aangiftes die door haar werden gedaan als aansprakelijke vertegenwoordiger voor een buitenlandse vennootschap waarmee zij geen rechtstreeks contact had. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de bijzondere positie van de aansprakelijke vertegenwoordiger die juist bedoeld is om fraude te voorkomen en dat aldus van appellante, als professionele speler, de nodige nauwkeurigheid en zorgvuldigheid kan verwacht worden. Appellante heeft zelf niet voldaan aan de administratieve verplichtingen die op haar rustten en heeft bijzonder nalatig opgetreden teneinde enige controle uit te voeren op de vennootschap voor wie zij optrad. Het betreft een persoonlijke tekortkoming. Er is geen sprake van enige schending van het rechtszekerheids- of evenredigheidsbeginsel door geïntimeerde. Appellante is allerminst zorgvuldig geweest zodat enige verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie dienaangaande dan ook niet relevant is.

Appellante dient aldus wel degelijk aangesproken te worden op grond van haar hoofdelijke aansprakelijkheid krachtens artikel 55 WBTW en het hoger beroep van appellante op dit middel is eveneens ongegrond.

4.5. Inzake de geldboete van 200%

Appellante voert aan dat de opgelegde geldboete niet evenredig is met de vermeende inbreuken en verwijst naar de volgende omstandigheden:

 de boete betreft een buitensporige last en is volledig disproportioneel met de kost van een aangifte die door appellante moest worden ingevuld, welke de enige formaliteit was die zij diende te vervullen voor cie2;

 een dergelijke boete is een aanslag op de financiële toestand van appellante, de continuïteit komt in het gedrang;

 een dergelijke boete is niet evenredig met de inbreuk en met het doel van een administratieve boete;

 indien de vrijstelling geweigerd wordt, wordt appellante de facto reeds gesanctioneerd aangezien zij het volledige btw-bedrag zal moeten afdragen en dit btw-bedrag als dusdanig reeds substantieel is.

Tevens voert appellante aan dat geen rekening wordt gehouden met het feit dat zij te goeder trouw is en geen enkel financieel voordeel heeft gehaald uit het feit dat cie2 de btw in Frankrijk kennelijk niet heeft afgedragen. Tenslotte voert appellante aan dat zij wel rechtstreeks contact had met cie2 daar zij rechtstreeks aan cie2 factureerde en cie2 haar ook rechtstreeks betaalde en dat het niet verdacht of onregelmatig is dat een aansprakelijke vertegenwoordiger instructies of documenten zou krijgen via een expediteur-tussenpersoon.

Volgens geïntimeerde kan appellante haar verantwoordelijkheden als aansprakelijke vertegenwoordiger niet ontlopen door te stellen dat zij enkel gehandeld heeft overeenkomstig de instructies die zij van haar opdrachtgever mocht ontvangen. Volgens geïntimeerde werd terecht een boete van 200% opgelegd.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van de artikelen 70, §1 en 70, §2 WBTW een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken (artikel 1 KB nr. 41).

In het proces-verbaal wordt de boete als volgt gemotiveerd:

"Immers, uit de gedane vaststellingen blijkt dat de cie1 bijzonder onnauwkeurig, om niet te zeggen uitermate nonchalant, heeft gehandeld.

Uit de gedane vaststellingen blijkt dat cie1 geen enkel contact heeft gehad met de firma cie2. Alle opdrachten en documenten werden aangebracht door de Franse firma cie3. Zelfs de betalingen gebeurde door cie3. Volgens de Franse autoriteiten was het de bedoeling om via cie2 als schermvennootschap voor cie3 de douaneregeling 42 te misbruiken en dit met de bedoeling de BTW te ontduiken.

De cie1 heeft nooit enige moeite gedaan om contact op te nemen met cie2 om zich te vergewissen over de echtheid van de documenten die cie3 doorspeelde. Meer zelfs om zich te vergewissen over het bestaan, de echtheid van de firma cie2. Bovendien organiseerde cie1 het transport. Dit transport leidde naar 63 verschillende plaatsen in Frankrijk, zonder dat de cie1, zoals voorgeschreven, enige verkoopfactuur of overbrengingsstuk van cie2 kon voorleggen.

Door deze houding is het moeilijk te aanvaarden dat de cie1 heeft gehandeld zoals de BTW-reglementering voorschrijft inzake aansprakelijke vertegenwoordiging."

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Hij mag dus onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een sanctie met de betrokken omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder rekening houden met de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N en Cass. 23 september 2022, F.20.0112.N).

De verplichting tot eerbiediging van het EU-recht — dat ook de BTW-wetgeving omvat — gebiedt de rechter om met volle rechtsmacht de evenredigheid van de administratieve btw-boeten te controleren (vgl. HvJ 8 mei 2019, C-712/17 en HvJ 11 december 2025, C-665/24).

De hoegrootheid van de boete is het gevolg van de grote hoeveelheid aan aangiften die appellante heeft gedaan voor een Franse vennootschap waarbij zij geen contact opnam per specifieke aangifte. Het is de eigen keuze van appellante geweest om op die wijze op te treden als aansprakelijke vertegenwoordiger en zij dient daarvan dan ook de gevolgen te dragen. Het is ook appellante zelf die het transport organiseerde en aldus op de hoogte was dat de vele goederen naar verschillende adressen werden vervoerd waarbij enig verband met de Franse vennootschap ontbrak en waarbij appellante, zich klaarblijkelijk ook geen vragen stelde. Voor appellante was het klaarblijkelijk voldoende dat de goederen werden vervoerd ergens naar Frankrijk. Appellante bevestigt bovendien zelf haar nalatig handelen en onzorgvuldig handelen door te stellen dat de enige formaliteit die zij diende te vervullen voor cie2 was, het invullen van een aangifte. Het staat onomstotelijk vast dat de taak van een aansprakelijke vertegenwoordiger niet kan beperkt worden tot het louter invullen van een aangifte.

Het hof stelt vast dat appellante geen stukken voorlegt aangaande haar financiële situatie teneinde te stellen dat er sprake zou zijn van een buitensporige last of een aanslag op haar financiële toestand.

De btw-inbreuken, zijnde het claimen van een groot bedrag aan btw-vrijstellingen, terwijl niet wordt bewezen dat aan de vrijstellingsvoorwaarden werd voldaan, staan vast en het staat vast dat appellante weinig moeite heeft gedaan om de dossiers van de vele aangiften te onderbouwen en zich beperkt heeft tot het stelselmatig invullen van aangiften zonder enig eigen nazicht of controle. Waarbij appellante, nochtans op de hoogte van de wijze van het transport van de goederen, zich in het kader van de overbrenging tevreden stelde met het louter vervoeren ongeacht waar concreet de goederen werden afgeleverd. Desondanks dat appellante zelf het vervoer organiseerde, vertoonden de voorgelegde CMR-documenten gebreken of ontbraken ze gewoonweg. Appellante heeft dus geen rekening gehouden met de plichten opgelegd in het kader van de aansprakelijke vertegenwoordiging.

Gelet op de concrete gegevens van het dossier en rekening houdende met het feit dat gaat over veelvuldige inbreuken die elkaar zeer snel en in korte tijd hebben opgevolgd, oordeelt het hof dat een btw-boete vastgesteld op 100% in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken, de ernst en de omvang ervan. In die mate dient de geldboete van 200% herleid te worden tot 100% en is het hoger beroep van appellante in die mate gegrond.

De hoofdelijke gehoudenheid van appellante tot de btw-boete moet in die mate aldus verminderd worden. Er is dienvolgens geen reden om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie.

In zoverre artikel 70 WBTW aan de rechtbanken en hoven niet toelaat om een uitstel te verlenen, is het in strijd met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Deze ongrondwettigheid belet een rechter niet om artikel 70 WBTW toch toe te passen wanneer de rechter vaststelt dat de inbreuken vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de inbreuk en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (vgl. GwH 20 februari 2020, nr. 32/2020 en Cass. 12 januari 2018, F.16.0127.F).

Gelet op de bijzondere omstandigheden van het dossier, oordeelt het hof dat een effectieve sanctie nodig is, er is geen reden om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien.

4.6. Inzake de nalatigheidsinteresten

Appellante verzoekt vrijstelling, minstens vermindering van nalatigheidsinteresten. Appellante stelt dat gelet op de zwaarte van de nalatigheidsinteresten deze als een strafrechtelijke sanctie moeten worden beschouwd en verzoekt dienaangaande eveneens uitstel van uitvoering.

Wat de interesten betreft, deze zijn verschuldigd krachtens artikel 91 WBTW en zijn van rechtswege opeisbaar. De interest inzake btw is bovendien geen strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM (vgl. Cass. 24 maart 2023, F.21.0076.N en Cass. 13 februari 2026, F.22.0122.F).

Het hof verwijst naar artikel 84bis WBTW, zoals te dezen van toepassing (huidig artikel 70 WMGI), dat bepaalde dat in bijzondere gevallen de bevoegde adviseur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling mag verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan. De mogelijkheid om een dergelijke vrijstelling te bekomen is een gunstmaatregel die tot de discretionaire bevoegdheid van de adviseur-generaal behoort. Wanneer een bijzondere bepaling uitdrukkelijk aan de adviseur-generaal een discretionaire bevoegdheid toekent omtrent een te nemen beslissing mag de rechtbank niet in zijn plaats treden (vergelijk Cassatie, 4 maart 2004, C.03.0346.N, C.03.0448.N en C.03.0449. N).

In onderhavige betwisting heeft appellante dergelijk verzoek nooit voorgelegd aan de bevoegde adviseur-generaal, er is dan ook geen reden om de interesten, die wettelijk verschuldigd zijn, kwijt te schelden of te verminderen of om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie.

4.7. Gerechtskosten

Aangezien partijen onderscheidenlijk omtrent een geschilpunt in het ongelijk worden gesteld en gelet op de concrete omstandigheden van onderhavige betwisting, laat het hof de gerechtskosten van beide aanleggen ten laste van de partij die ze gemaakt heeft. Zodoende dient er geen rechtsplegingsvergoeding begroot te worden.

Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 4° en 2791 Wb.Reg.).

Derhalve worden de kosten van de procedure vereffend zoals hierna uiteen gezet.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep van appellante ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre de vorderingen van appellante ontvankelijk werden verklaard,

Opnieuw rechtsprekende, verklaart de vorderingen van appellante in die mate gegrond dat de in het dwangbevel nr. 412/0106/31783 gevorderde geldboete moet beperkt worden tot 100% van de gevorderde btw en de hoofdelijke gehoudenheid van appellante eveneens aldus beperkt moet worden,

Wijst de overige vorderingen van appellante af,

Het hof slaat de gerechtskosten van beide aanleggen tussen partijen om, zodat elke partij zijn eigen gerechtskosten van beide aanleggen draagt.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 24 MAART 2026

waar aanwezig waren

Aag Bellens, raadsheer

Jan Van den Bossche, griffier

Textes cités

20
CTVA art. 39bis4 occurrences
CTVA art. 704 occurrences
CTVA art. 81bis4 occurrences
CTVA art. 403 occurrences
CTVA art. 553 occurrences
AR no 1 art. 22 occurrences
CTVA art. 12bis2 occurrences
AR no 1 art. 51 occurrence
AR no 31 art. 21 occurrence
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 151 occurrence
CTVA art. 84bis1 occurrence
CTVA art. 911 occurrence
règlement 1798/2003 art. 51 occurrence

Décisions similaires

8