Principe de neutralité, amende proportionnelle, intérêts, notification préalable · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 18 janvier 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Principe de neutralité, amende proportionnelle, intérêts, notification préalable

https://juriel.be/fr/jurisprudence/principe-neutralite-amende-proportionnelle-interets-tribunal-hasselt-2024-01-18-afc9

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Date
18 janvier 2024

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

160 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Hasselt du 17.08.2023

WF 501-15-22/002568

[Favorable à l’Etat belge]

Principe de neutralité - amende proportionnelle - intérêts - notification préalable - délai de fraude

Dispositions légales

Article art. 84ter du Code de la TVA

Résumé

Six infractions constatées, dont la fraude n'a été démontrée que pour deux d'entre elles.

- La notification préalable (84ter) était suffisamment justifiée, même si toutes les infractions n'ont pas été citées.

- Le principe de neutralité n'est pas violé lorsque l'administration refuse le droit à déduction pour les six infractions, même si quatre d'entre elles auraient normalement été compensées par la déclaration (par exemple, les importations non déclarées).

- Durée de la fraude + amende de 200 % sur les six retenues.

- Pas de violation du principe de discrimination.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rechtbank van eerste aanleg Limburg afdeling Hasselt, 11A kamer

Vonnis van 18/01/2024

Rol: 22/12/A

INZAKE

Mrs. B. M., F. R. en M. B. QQ. curatoren van de NV N. H. M. Z., met maatschappelijke zetel te ..., met ondernemingsnummer BE 042...79, daartoe aangesteld bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren van 16.10.2019,

eisers

Ter zitting vertegenwoordigd door mr. B. S., advocaat bij C. A.,

kantoor houdende te ....

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Directeur te Gewestelijke Directie BBI Antwerpen, met correspondentieadres G. Crommenlaan 6 bus 804 te 9050 Ledeberg, KBO-nummer 0308,357.159

verweerder

Ter zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden de heer X, attaché

VOLGT HET VONNIS

Gelet op:

het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 03.01.2022;

de beschikking overeenkomstig art. 747, §1 Ger.W. van 26.01.2022;

de aanvullende conclusie en stukken van verweerder;

de syntheseconclusies en stukken van eisers.

I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

1. Eisers zijn de curatoren van het faillissement van de NV N. H. M. Z. en werden aangesteld bij vonnis van 16.10.2019 van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren.

De NV N. H. M. Z. was sedert 01.01.2005 als BTW-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van "Vakantieverblijven en andere accommodaties voor kort verblijf". In die hoedanigheid diende zij maandelijks BTW-aangiften in.

Ingevolge de door haar gevoerde activiteiten was zij onderworpen aan de bepalingen van het WBTW en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Verweerder kondigde op 16.11.2017 een controle aan op de toepassing van de BTW-wetgeving en de vennootschapsbelasting met betrekking tot de periode van 01.01.2014 tot 16.11.2017 in navolging van een controle die op 14.11.2016 heeft plaatsgevonden door de dienst KMO Hasselt — controle 7 met betrekking tot dezelfde periode. De verjaring werd uitgebreid tot zeven jaren op basis van art, 81bis, §1, lid 2, 3° WBTW.

Deze controle vond plaats op 12.12.2017.

Op 25.02.2019 verzond verweerder een kennisgeving overeenkomstig art. 84ter WBTW waarbij de NV N. H. M. Z. er van in kennis wordt gesteld dat de 3-jarige termijn wordt uitgebreid krachtens art. 81bis, §1, lid 2, 4' WBTW tot 7 jaar.

2. Op 27,02.2019 werd er een proces-verbaal opgesteld waarbij er overtredingen in de jaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 worden weerhouden. Tijdens de controle bleek dat er een groot omzetverschil was tussen de BTW-aangiften en de jaarrekeningen.

De volgende inbreuken werden vastgesteld in het proces-verbaal van 27.02.2019 :

1) er werd omzetverschil tussen de BTW-aangiften en de jaarrekening vastgesteld: in totaal werd een bedrag van 13.341.697,14 euro niet aangegeven;

2) er werd vastgesteld dat verschuldigde interesten niet werden betaald;.

3) er werd vastgesteld dat de verplichting om de aftrek van de BTW op bedrijfsmiddelen te herzien, werd geschonden;

4) er werd vastgesteld dat de verplichting om werken in onroerende staat waarop de verlegging van art. 20 KB/WBTW van toepassing is, aan te geven niet werd nagekomen;

5) er werd een inbreuk op art. 51, §2, lid 1, 1° WBTW betreffende de voldoening van de BTW door de afnemer van de diensten wanneer de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is, vastgesteld;

6) er werd een inbreuk op artikel 52, §1 WBTW en art. 5, §3 KB nr. 7 betreffende invoer vastgesteld.

De administratie stelde dat NV N. H. M. Z. de hierna volgende

bedragen verschuldigd is:

1.920.053,69 euro BTW;

3,840.100,00 euro aan administratieve geldboete gelijk aan het dubbel van de BTW in

toepassing van art. 70, § 1 WBTW; 520.410,24 euro aan intresten bedoeld in en te berekenen volgens art. 91 WBTW over de BTW t,e.m. 20.10.2017;

de lopende intresten vanaf 21.10.2017.

3. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 03,01.2022 hebben de curatoren een vordering in rechte ingeleid.

III. BEOORDELING

1.Ontvankelijkheid:

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

2.Ten gronde:

2.1. Art. 807 Ger.W.:

Op 28,02.2019 werd er door de administratie een dwangbevel uitgevaardigd waarin de schuld werd opgenomen die weergegeven is in het proces-verbaal van 27.02.2019.

Eisers stellen dat indien het proces-verbaal van 27.02.2019 vernietigd of ontheven zou worden, het dwangbevel van 28.02.2019 (met artikelnummer 50...70) iedere grondslag mist. Bij gebrek aan grondslag dient in voorkomend geval tevens het betreffende dwangbevel vernietigd te worden.

Eisers willen hun vordering dan ook overeenkomstig art. 807 Ger.W. uitbreiden en verzoeken de rechtbank om, indien de rechtbank de vordering van eisers zou inwilligen en het betreffende proces-verbaal van 27.02.2019 vernietigen/ontheffen dat dan tevens het dwangbevel van 28.02.2019 wordt nietig verklaren.

Het past om op het verzoek van eisers in de gaan en hen akte te willen verlenen van deze eisuitbreiding.

2.2. Kennisgeving in toepassing van art. 84ter WBTW en verjaring:

1. Overeenkomstig art. 81bis, §1, eerste lid WBTW "is er verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van administratieve geldboeten na et verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan".

Overeenkomstig art. 81bis, § 1, tweede lid, 4' WBTW (van toepassing vanaf 29.09.2008) "is er in afwijking van het eerste lid evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden".

Overeenkomstig art. 84ter WBTW moet de administratie indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in art. 81bis, §1, tweede lid, 4° WBTW toe te passen op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Bij schrijven van 27.02.2019 deelde de administratie aan eisers mee dat er in hoofde van de NV N. H. M. Z. vermoedens van belastingontduiking bestonden en dat derhalve de verjaringstermijn zou worden uitgebreid gedurende een aanvullende termijn meer bepaald voor de jaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 (artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° en artikel 84ter WBTW).

2. Eisers zijn van oordeel dat de wettelijke voorwaarden van art. 81bis, 51, tweede lid, 4° WBTW niet zijn vervuld en dat de bestreden BTW-vordering verjaard is.

De eerste voorwaarde, zijnde een overtreding in de zin van art. 70 of 71 WBTW, specifiek in casu art. 70, § 1 WBTW wordt door eisers niet betwist.

De administratie heeft in haar proces-verbaal van 27.02.2019 het vermoeden van belastingontduiking onderbouwd, zodat de tweede voorwaarde ook bewezen is.

De administratie heeft o.a. vastgesteld:

- systematische schending van de aangifteplicht; zowel wat betreft verkoopjournalen en herzieningen als wat betreft een poging om verschuldigde BTW te verbergen voor de administratie door deze over te boeken naar de rekening 174017.

- misbruik van de vergunning ET14000 om BTW op invoeren niet aan te geven, niet-aangifte van de verlegde BTW inzake werken in onroerende staat en niet-aangifte van verlegde BTW op diensten geleverd door een niet in België gevestigde dienstverlener.

- niet overhandigen van bepaalde inlichtingen na meerdere vragen.

De verwijzing door eisers naar rechtspraak die betrekking heeft op inkomstenbelasting stellende dat een niet-aangifte geen vermoeden van belastingontduiking is kan niet zondermeer toegepast worden op voorliggend dossier.

De feiten zoals ze hier voorliggen dienen benaderd te worden vanuit BTW-standpunt. De belastingplichtige staat hier in voor de toepassing in de praktijk van de wettelijke bepalingen en voor de inning van de belastingen. De systematische schendingen van de aangifteplicht, niet aangifte van invoer, niet aangifte van de verlegde BTW inzake werken in onroerende staat, niet-overhandigen van bepaalde inlichtingen na herhaaldelijk bevraagd geweest te zijn, doet onmiskenbaar een vermoeden ontstaan van belastingontduiking. Ook het systematisch verbergen in de jaarrekeningen van niet-aangegeven en verschuldigde BTW, doet een vermoeden ontstaan van frauduleus handelen. Het vermoeden van fraude ligt niet enkel in de niet-aangifte maar ook in het aanwenden van mechanismes. De vastgestelde inbreuken zijn een opzettelijk reeks handelingen die gesteld zijn met het doel om de belastingen te ontduiken.

De derde voorwaarde houdt in dat de kennisgeving als bedoeld in art. 84ter WBTW voldoende gemotiveerd dient te zijn.

Eisers stellen dat de administratie niet aantoont dat er in hoofde van NV N. H. M. Z. sprake was van "bedrieglijk opzet" of een "oogmerk om te schaden" voor wat betreft vier inbreuken nl. nrs. 3, 4, 5 en 6:

- inbreuk op de verplichting herziening aftrek btw op bedrijfsmiddelen : 83.968,78 euro.

- inbreuk op de verleggingsregeling werken in onroerende staat : 29.049,76 euro.

- inbreuk op art. 51, §2, lid 1, 10 WBTW betreffende de voldoening van de btw door de afnemer van de diensten wanneer de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is: 25.424,28 euro,

- inbreuk op artikel 52, §1 WBTW en art. 5, §3 KB nr. 7 betreffende invoer : 166.691,76 euro voor 2014 en 201.012,46 euro voor 2015.

Het is evenwel niet vereist dat de administratie het absoluut bewijs levert van het bedrieglijk opzet of van het oogmerk om te schaden. Het volstaat dat zij beschikt over ernstige vermoedens die toelaten te veronderstellen dat er sprake is van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden.

In casu stelt de rechtbank vast dat de administratie in de kennisgeving overeenkomstig art. 84ter WBTW motiveerde dat:

1) er herhaaldelijk de omzet en de BTW niet werd aangegeven alsook dat de verschuldigde BTW niet werd betaald;

2) dat de verschuldigde intresten overeenkomstig art. 91 § 1 WBTW niet werden betaald;

3) het niet vermelden in de boekhouding van alle verschuldigde "belastingen".

Tot slot motiveerde de administratie als besluit:

"Uit het fiscaal onderzoek zijn vermoedens ontstaan van belastingontduiking. Deze vermoedens blijken enerzijds uit het herhaaldelijk niet aangegeven, in de bij toepassing van artikel 53 van het BTW-wetboek in te dienen aangifte van enorme bedragen aan omzet en verschuldigde BTW. De belastingplichtige heeft het nagelaten om de verschuldigde BTW aan de Belgische Staat te betalen. De geboekte BTW-schulden (onder de rubriek "Belastingen" van de jaarrekening) zijn in de boekhouding en de jaarrekening van 2016 niet meer terug te vinden. Op die manier laat de vennootschap uitschijnen dat de BTW betaald is aan de administratie wat helemaal niet het geval is. Zo is de boekhouding en de daaruit voorvloeiende jaarrekening niet waarheidsgetrouw opgesteld zoals voorgeschreven in het Koninklijk Besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen.

Deze overtredingen, bedoeld in art. 70 § 1 en § 1bis van het BTW-wetboek zijn begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Ze rechtvaardigen de toepassing van art. 81bis, §1, 2de lid, 4° van het BTW-wetboek, met als gevolg een verjaringstermijn van 7 jaar".

De administratie heeft op een omstandige wijze in haar kennisgeving weergegeven over welke gegevens zij op dat ogenblik beschikte om belastingontduiking in hoofde van de NV N. H. M. Z. te vermoeden. Wat betreft de overtredingen onder nrs, 3, 4, 5 en 6 werd aangetoond dat er systematisch schendingen zijn van de aangifteplicht. Wat betreft de inbreuken nr. 1 en 2 werd aangetoond dat de NV N. H. M. Z. de te betalen BTW heeft omgeboekt naar een lange termijnrekening om deze te verbergen in de jaarrekening teneinde het aangeven en betalen van de BTW te vermijden. De administratie beschikte wel degelijke over ernstige vermoedens dat de NV N. H. M. Z. zich in de gecontroleerde periode schuldig maakte aan fraude. De administratie had vastgesteld dat de NV N. H. M. Z. systematisch haar aangifteplicht schond. Het bestaan van een dergelijke praktijk is een voldoende vermoeden dat er ook fraude kon gepleegd zijn in de vorige jaren. Zo oordeelde het Hof van Beroep te Antwerpen op 5 oktober 2021 (2020/AR/495, Fisconetplus) dat wanneer er een praktijk is om systematisch te weinig omzet op te nemen in een periodieke BTW-aangifte, dit een voldoende aanwijzing is dat de fraude ook gepleegd kon zijn in andere jaren.

De administratie heeft dan ook de kennisgeving overeenkomstig art. 84ter WBTW correct en voldoende gemotiveerd.

3. De rechtbank besluit dan ook dat de administratie terecht kon gebruik maken van de 7-jarige termijn voorzien in art. 81bis, § 1, lid 2 WBTW.

2.3. Schending van het neutraliteitsbeginsel:

1. Eisers zijn van oordeel dat in de mate dat er sprake zou zijn van fraude in hoofde van NV N. H. M. Z., de verschuldigde BTW dient opgenomen te worden in de rubrieken 4, 5 en 6, en gecompenseerd te worden met de aftrekbare BTW voor eenzelfde bedrag.

Indien aan de NV N. H. M. Z. geen recht op aftrek zou worden toegestaan, wordt volgens eisers het neutraliteitsbeginsel inzake BTW geschonden.

2. De bewijslast dat er een recht op aftrek is, ligt bij de belastingplichtige.

De rechtbank stelt vast dat eisers dit bewijs niet leveren. Het recht op aftrek wordt niet automatisch toegekend, doch dient door de belastingplichtige gevorderd te worden in zijn BTW-aangifte, Art. 4 KB nr. 3 legt hiertoe een termijn van 3 jaar op, Deze termijn is reeds verstreken.

Eisers stellen dat de Europese rechtspraak zou aantonen dat het stellen van een termijn als formele vereiste voor het uitoefenen van het recht op aftrek automatisch het neutraliteitsbeginsel zou schenden.

Eisers verwijzen naar een arrest van het Hof van Justitie (C-95/05, E.) van 08.05.2008,

In dit arrest stelt het Hof niet dat lidstaten geen formele vereisten mogen stellen aan het recht op aftrek. Enkel mogen dergelijke maatregelen niet op zodanige wijze worden aangewend dat zij een systematische belemmering voor het recht op BTW-aftrek opleveren.

In casu is er geen sprake van een systematische belemmering van het recht op aftrek, Eisers hadden drie jaar de tijd om de niet-aangegeven BTW alsnog aan te geven en een recht op aftrek te vragen.

Aangezien niet voldaan is aan de formele voorwaarden voor het recht op aftrek (werd niet gevraagd in een aangifte binnen de gestelde termijn), kan er van enige schending van het neutraliteitsbeginsel geen sprake zijn.

Er dient dan ook niet ingegaan op het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag.

3, Verder werpen eisers op dat ze slechts compensatie vragen van "aftrekbare BTW die per vergissing niet in aftrek werd genomen".

Evenwel blijkt uit de vaststellingen dat er hier systematisch de BTW-wetgeving niet heeft toegepast waardoor men zichzelf een concurrentievoordeel heeft verschaft hetgeen de werking van de markt ontwricht.

Deze grief van eisers is dan ook ongegrond.

2.4. M.b.t. de opgelegde boete van 200%:

1, Eisers streven de kwijtschelding, minstens de vermindering van de opgelegde geldboete na.

2.Krachtens art. 70, § 1, eerste lid W,BTW wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.

Er bestaat geen betwisting over het principe dat fiscale administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden kunnen beschouwd worden als straffen in de zin van art. 6 EVRM (EHRM, 24 februari 1994, B. t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, ) S./Duitsland),

Er bestaat evenmin betwisting over het feit dat de administratieve boete, die in onderhavig geval in principe 200 % bedraagt een strafsanctie betreft in de zin van art. 6 EVRM.

Dit heeft tot gevolg dat de waarborgen, gekoppeld aan art. 6 EVRM gelden, zoals het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie die met volle rechtsmacht kan oordelen (EHRM, 4 maart 2004, S. H. S., TFR, 2004, nr. 264, p.636, met noot B.Coopman, Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg; zie ook Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr. 22/1999; Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, 96/2002).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (zie o.a. Cass., 21 januari 2005, C.02.0572.N; Cass., 16 februari 2007, F.05.0015.1\1; Cass., 16 februari 2007, C,04.0390.N; Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N).

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kan kwijtschelden of verminderen.

3. De administratie is vooreerst van oordeel dat krachtens art. 9 van het Regentsbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 enkel de Minister van Financiën bevoegd is om over te gaan tot kwijtschelding van fiscale geldboeten.

Het genaderecht dat voorzien wordt in artikel 9 van het Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 in deze niet ter zake.

Dit genaderecht, dat behoort tot de prerogatieven van de uitvoerende macht, kan immers geen afbreuk doen aan de volheid van bevoegdheid waarmee een rechter op grond van art. 6 EVRM kan overgaan tot de toetsing van een strafrechterlijke sanctie in de zin van deze bepaling (cfr, F. Koning, Le pourvoi d'appreciation du juge fiscal sur la sanction administratieve infligée au contribuable et le montant du frcours auprès du ministee des Finances, noot onder Cass., 17 januari 2019, JT, 2019, afi.6793, 813). Zo oordeelde het Hof van Cassatie in een arrest van 16 februari 2007 (C.04.0390" www.juportal.be) over een middel dat een schending aanvoerde van artikel 9 van het Organiek Besluit van 18 maart 1831 en van art. 84, tweede lid, van het W.BTW: De genoemde bepalingen die verband houden met het genaderecht van de uitvoerende macht, zijn vreemd aan de opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van de rechter waarover de appelrechters uitspraak hebben gedaan. (zie in dezelfde zin conclusie advocaat-generaal m.a. J. Van der Fraenen, bij Cass., 21 september 2018, F.17.0086.1\1),

Het genaderecht, voorzien in voormeld Regentbesluit is trouwens evenmin te beschouwen als een verplicht administratief beroep, dat overeenkomstig artikel 1385undicies Ger.W. moet worden ingesteld, alvorens een ontvankelijk beroep bij de rechter kan worden ingesteld (Cfr. Cass., 13 april 2012, F.09.0056,F, www,juportal.be; F. Debetva en M. Kelher, Rechterlijke matigingsbevoegdheid btw-boetes bij fraude afhankelijk van voorafgaandelijke procedure, noot onder Cass., 17 januari 2019, TFR, 2020, nr. 583, (505), 507; F. Koning, o.c., JT, 2019, afl.6793, p.814).

In tegenstelling tot hetgeen de administratie voorhoudt kan het feit dat voorafgaand geen genadeverzoek werd gericht tot de minister in toepassing van voormeld Regentbesluit geen gevolgen hebben op de beoordelingsbevoegdheid van de rechter op grond van art. 6 EVRM. De rechter ontleent zijn beoordelingsbevoegdheid rechtstreeks aan art, 6 EVRM en deze bevoegdheid wordt niet ingeperkt doordat de belastingplichtige niet eerst een genadeverzoek heeft ingediend.

Het Hof van Cassatie heeft bij recent arrest van 24 maart 2023 (F.21.0056.N) de principes die het toetsingsrecht van de rechter beheersen duidelijk gesteld:

"De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van art. 70, § 1 BTW-Wetboek te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interen recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginsel.

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie,

in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid moet in acht nemen".

Tevens bevestigde het Hof van Cassatie dat de uitoefening van dit toetsingsrecht, dat de rechter ontleent aan het vereiste van toetsing met volle rechtsmacht dat vervat ligt in art. 6.1 EVRM, niet afhankelijk is van de voorwaarde dat de overtreder voorafgaandelijk op grond van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 bij de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde geldboete heeft ingediend.

De evenredigheid van de boete kan derhalve getoetst worden.

4. In onderhavig geval stelt de rechtbank vast dat de administratieve boete 200% bedraagt.

Eisers houden ten onrechte voor dat NV N. H. M. Z. te goeder trouw heeft gehandeld wat betreft de rubrieken 3, 4, 5 en 6 van het proces-verbaal. Men kan zich niet verschuilen achter goede trouw of onwetendheid. Er is immers in casu duidelijk fraude gepleegd.

Dat het bedrag van de boete hoog oploopt, is louter een gevolg van het feit dat gedurende jaren systematisch werd nagelaten om de BTW-verplichtingen correct na te leven en de BTW door te storten naar de Belgische Staat.

Ook kan de rechtbank niet op basis van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de belastingplichtige en om loutere redenen van opportuniteit de boete kwijtschelden of verminderen,

Gelet op het voorgaande tonen eisers niet aan dat de boete onevenredig is ten aanzien van de gepleegde inbreuken, Er is dan ook geen reden om deze boete verder te verminderen of kwijt te schelden.

2.5. M.b.t. de intresten:

Eisers zijn van oordeel dat een intrest van 9,6% op basis van art, 91 § 1 WBTW discriminatoir is en strijdig is met art. 10, 11 en 172 van de Grondwet.

Art. 11 van de Grondwet legt de wetgevende instanties op de burgers gelijk te behandelen.

Het gelijkheidsbeginsel sluit evenwel niet uit dat er een verschil in behandeling wordt ingesteld (zie Cass., 8 juni 2006, F.J.F., nr. 2006/268; Cass., 30 november 2006, F.J.F., nr. 2007/92). Het gelijkheidsbeginsel belet niet dat een bepaalde categorie anders wordt behandeld voor zover er een redelijke en objectieve verantwoording bestaat.

In casu steunt het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van de schuldeiser, die in het ene geval de Staat is, die het algemeen belang behartigt, en die in het andere geval een particulier kan zijn, die zich door een persoonlijk belang mag laten leiden.

In het arrest V. e.a. t. Griekenland van 25 september 2014 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het niet onverantwoord is dat de Staat, voor de moratoriuminteresten die hij verschuldigd is in de uitvoering van zijn taken van algemeen belang, een rentevoet bepaalt die vier procentpunt lager is dan de rentevoet die van toepassing is op de moratoriuminteresten die particulieren moeten betalen, Een dergelijk beperkt verschil schendt artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet.

Artikel 91, § 5 WBTW geeft de Koning de mogelijkheid om de toegepaste rentevoeten aan te passen wanneer zulks verantwoord is ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten. Het referentiekader dat de wetgever aan de Koning heeft toegereikt om de rentevoeten inzake BTW aan te passen, blijft aldus niet beperkt tot dat van de wettelijke rentevoet.

Aangezien in het stelsel van de BTW de belastingplichtige in de regel zelf ontvanger is van de BTW die aan de schatkist verschuldigd is, is het van fundamenteel belang voor de vlotte werking van het BTW-stelsel dat elke vertraging in de betaling van de BTW door de belastingplichtige een nalatigheidsinterest verschuldigd maakt. Het is in die zin dus terecht dat de nalatigheidsinteresten krachtens de wet en automatisch verschuldigd worden. Het is bovendien eveneens van fundamenteel belang dat het tarief van de nalatigheidsinteresten voldoende hoog is om te vermijden dat de belastingplichtige zichzelf al te gemakkelijk een krediet zou kunnen verschaffen jegens de schatkist,

Wat de renteregeling betreft, is een verschillende werkwijze voor de BTW in vergelijking met deze voor de inkomstenbelastingen ook verantwoord en zelf aangewezen.

Kenmerkend voor het stelsel van de btw — en onderscheidend met dat van de inkomstenbelasting is immers dat de belastingplichtige in de regel (zoals hier) zelf ontvanger is van de btw die aan de Schatkist verschuldigd is, daarvan periodiek aangifte moet doen en deze meteen (vanaf de 20ste dag na het belastbaar tijdperk) uit eigen beweging moet betalen. Het is in die omstandigheden van fundamenteel belang voor de vlotte werking van het BTW-stelsel dat elke vertraging in de betaling van de (netto per aangifteperiode betaalbare) BTW door de belastingplichtige een nalatigheidsinterest verschuldigd maakt. Aangezien de BTW-belastingplichtige zelf aangifte moet doen van de (aftrekbare en te betalen) BTW, weet hij ook (of moet hij minstens geacht worden te weten) dat en hoeveel hij (per saldo) verschuldigd is, minstens afdoende om een gepast voorschot te betalen. Het is in die zin dus terecht dat die nalatigheidsinterest van zelf (krachtens de wet) en automatisch verschuldigd wordt (behalve voor kleine bedragen).

De rechtbank oordeelt ook dat er geen reden is om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof gelet op de bestaande en duidelijke rechtspraak hierover reeds geveld door het Grondwettelijk Hof..

Verder is de rechtbank van oordeel dat de wettelijk verschuldigde nalatigheidinterest niet het karakter van een strafsanctie heeft, maar slechts een compensatie biedt voor het verlies dat de Schatkist lijdt door het niet tijdig beschikken over de verschuldigde belasting (en er dus het genot niet kan van hebben).

De vordering van eisers is dan ook ongegrond.

Eisers werden in het ongelijk gesteld en moet de kosten van de procedure betalen.

De rechtsplegingsvergoeding wordt door de rechtbank ambtshalve (vergelijk Cass. 13 januari 2023, C.22.0158.N en Cass. 16 januari 2O23, C.21.0193.F) bepaald op het meest recent geïndexeerd bedrag (indexatie november 2022).

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

Dispositif

OM DEZE REDENEN

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verleent eisers akte van hun eisuitbreiding.

Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van verweerder op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een advocaat en 22 euro bijdrage juridische tweedelijnsbijstand.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 18 januari 2024 alwaar zetelden:

Mevrouw M. C., alleenzetelend rechter,

Mevrouw G, B., griffier.

Textes cités

11
CTVA art. 84ter9 occurrences
CTVA art. 705 occurrences
CTVA art. 81bis4 occurrences
CTVA art. 513 occurrences
CTVA art. 913 occurrences
AR no 7 art. 52 occurrences
CTVA art. 522 occurrences
AR no 3 art. 41 occurrence
CTVA art. 101 occurrence
CTVA art. 531 occurrence
CTVA art. 711 occurrence

Décisions similaires

8