Indices de fraude, Droit de se taire · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 28 juin 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Indices de fraude, Droit de se taire

https://juriel.be/fr/jurisprudence/indices-fraude-droit-se-taire-cour-appel-bruxelles-2023-06-28-5ed6

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
28 juin 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

891 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Bruxelles du 28.06.2023

WF 711-15-12/038994

[Favorable à l'administration]

Taxe sur la valeur ajoutée – Indices de fraude – Droit de se taire – Droit au silence - Fausses factures – Sanction à caractère pénal – Force probante d’un procès-verbal

Dispositions légales

Article 59, § 1er du Code de la TVA

Article 84ter du Code de la TVA

Article 6 de la CEDH

Résumé

1. Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie (l’appelante) a déposé des déclarations de TVA concernant son activité professionnelle de transport de marchandises et elle a comptabilisé un grand nombre de factures qui ne correspondaient pas à la réalité. A la suite d'un contrôle portant sur les années 2009 et 2010, un procès-verbal a été établi le 24 mai 2012. Une requête contradictoire s’opposant à la contrainte décernée, qui se référait à ce procès-verbal, a été déposée auprès du tribunal de Louvain. Le jugement a toutefois déclaré la demande de la société de transport non fondée. Elle a, par après, interjeté appel.

2. L’arrêt de la cour d'appel

L'agent contrôleur avait informé l’appelante qu'il existait des indices que, pour les années 2005, 2006, 2007 et 2008, des factures, dont les données ne correspondaient pas à la réalité, c'est-à-dire pour des livraisons de biens et des prestations de services qui n'existaient pas, avaient été comptabilisées. L'administration fiscale avait ainsi notifié, par écrit et de manière précise, à l’appelante les indices de fraude fiscale qui existait à son égard pour la période concernée. Par conséquent, il n'y a pas de violation de l'article 84ter du code de la TVA.

L’appelante estime que l'administration ne peut pas infliger une sanction à caractère pénal si elle viole le droit de l’appelante de garder le silence. Les données et documents obtenus sur la base d'une violation de l'article 6 de la CEDH sont, selon l’appelante, des preuves obtenues illégalement auxquelles s'applique le principe de l'exclusion de la preuve. L’appelante ne peut pas être suivie sur ce point. Le droit de se taire ou droit au silence ne peut être invoqué lorsqu'il est demandé à l’assujettie de produire des documents dont l'existence est incontestable et dont le seul but est de rendre possible la taxation de l’assujettie. En reprenant des factures dans sa comptabilité et en exerçant son droit à déduction de la TVA, l’appelante s'est créé un titre dont elle doit démontrer l'authenticité. Cela ne peut se faire qu'en présentant les documents demandés et en fournissant toutes les informations requises par l'administration fiscale.

La cour constate que l’appelante n’était pas une des parties dans l'affaire pénale à laquelle il est fait référence. Par conséquent, l'arrêt rendu dans l'affaire pénale ne constitue pas une présomption de fait et cet arrêt ne s’est aucunement prononcé « sur des faits identiques à ceux sur lesquels se fonde la procédure en cours ».

Etant donné que le procès-verbal a une force probante particulière et que l’appelante ne présente aucun élément pertinent (bons de commande, documents de transport, etc.) mais se réfère uniquement aux seules mêmes factures, le tribunal considère que les factures en question ne correspondent pas à la réalité. Les mêmes factures auxquelles l’appelante continue de se référer n'ont qu'une valeur probante limitée en ce qui concerne la réalité des opérations qui lui ont été fournies.

Le fait, que les factures ne correspondent pas à la réalité et qu'il ne ressort d’aucun élément que les services sous- jacents ont effectivement eu lieu alors que la TVA a été "récupérée" par le biais de ces factures fictives, constitue une infraction grave à la législation en matière de TVA. Pour ces raisons, une amende de 200% de la TVA indûment déduite constitue une sanction adaptée à la nature et à la gravité des infractions commises.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep Brussel, Fiscale Kamer 6N

Eindarrest van 28/06/2023

Rol: 2018/AF/116

V. H. N.V., ON 042...22, met zetel te 3800 ..., ...,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. S. B., advocaat te ...,

tegen

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Centrumdirecteur KMO HASSELT, met kantoor te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106, ON 0308.357.159,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. D. A., advocaat te ...,

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.

Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid

het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 8 december 2017 (AR 12/1458/A), op tegenspraak uitgesproken,

het verzoekschrift tot hoger beroep uitgaande van appellante, neergelegd ter griffie van het hof op 19 maart 2018,

de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 20 september 2018, 23 april 2019 en op 23 september 2019, de conclusies en conclusies van appellante neergelegd op 22 januari 2019 en op 1 juli 2019,

de stukken van appellante, neergelegd op 7 februari 2013

de stukken van geïntimeerde, neergelegd op 14 februari 2018.

Feiten en procedurele voorgaanden

De vordering van appellante heeft betrekking op een dwangbevel inzake BTW met nummer 412...57 uitgevaardigd op 31 mei 2012, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 juni 2012, en betekend op 7 juni 2012. Aan dit dwangbevel ligt een proces-verbaal van taxatie ten grondslag dat werd opgesteld op 24 mei 2012.

Appellante is BTW belastingplichtige voor activiteiten van goederen over de weg, en dient daarvoor maandelijks een BTW aangifte in.

Met het dwangbevel en het voormelde proces-verbaal worden de volgende navorderingen ten aanzien van appellante geformuleerd:

• BTW: €155.271,46

• geldboete: €310.542,92

• Intresten: p.m.

De navorderingen zijn gebeurd naar aanleiding van een BTW controle voor de periode 1 januari 2009 - 31 december 2010 die startte op 24 en 26 januari 2012 en die leidde tot het

proces-verbaal van 24 mei 2012.

De feiten die ten grondslag liggen aan het dwangbevel zijn samengevat het feit dat appellante in de gecontroleerde periode een heel aantal facturen zou hebben ontvangen die niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen :

• 26 facturen van de vennootschap naar Engels recht C. B. ltd voor in totaal €140.420 excl. BTW,

• 18 facturen van vzw W. voor in totaal €180.000 excl. BTW,

• 17 facturen van de vennootschap naar Engels recht O. L. ltd. voor in totaal €150.170 excl. BTW

• 10 facturen van J. V. voor in totaal €46.195 excl. BTW,

• 1 factuur van V.-D. bvba voor in totaal €20.436,16 excl. BTW,

• 4 facturen van J. A. voor in totaal €15.489,44 excl. BTW

• 1 factuur van G. G. voor in totaal €6.677,68 excl. BTW

Dienaangaande werd voor €155.271,46 BTW in aftrek gebracht.

Middels een tegensprekelijk verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 11 juli 2012 stelde appellante een vordering in rechte in tegen hogervermeld dwangbevel.

Appellante verzocht het dwangbevel nietig te verklaren en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten.

Bij vonnis van deze rechtbank van 8 december 2017 werd de vordering ontvankelijk maar ongegrond verklaard.

Geïntimeerde legde op 13 juni 2012 strafklacht neer tegen vijf vennootschappen van "de groep H.", waartoe appellante behoort, en de zaakvoerders ervan voor "valse facturen" van een dertiental leveranciers.

Bij beschikking van de raadkamer te Hasselt dd. 30 september 2016 werd enkel E. H. doorverwezen naar de correctionele rechtbank.

E. H. werd wat betreft de beweerde valse facturen van D. L. Ltd. vrijgesproken door de rechtbank van Limburg (vonnis 19 februari 2018 en wat betreft de beweerde valse facturen van C. B. L. werd hij vrijgesproken door het hof van beroep te Antwerpen (arrest 19 december 2018. Leveranciers E. c., V. L. bvba en station B. O. werden in de oorspronkelijke dagvaarding voor de correctionele rechtbank te Limburg niet weerhouden.

Procedure voor het hof

Er wordt geen akte van betekening van het bestreden vonnis neergelegd.

Middels verzoekschrift hoger beroep neergelegd ter griffie op 19 maart 2018 stelde appellante hoger beroep in tegen dit vonnis en vordert de hervorming van het bestreden vonnis in die zin dat de oorspronkelijke vordering gegrond dient te worden verklaard.

Daarnaast vordert appellante de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen.

Geïntimeerde vordert de ongegrondverklaring van het hoger beroep, de bevestiging van het eerste vonnis en de veroordeling van appellante tot de kosten van het hoger beroep.

In rechte

Standpunt appellante

Appellante argumenteert dat

- E. H. werd wat de betreft de beweerde valse facturen van D. L. vrijgesproken door de rechtbank van Limburg (vonnis 19 februari 2018 en wat betreft de beweerde valse facturen van C. werd hij vrijgesproken door het hof van beroep te Antwerpen (arrest 19 december 2018. E. c., V. L. bvba en station B. O. werden zelfs in de oorspronkelijke dagvaarding voor de correctionele rechtbank te Limburg niet weerhouden,

- er is verjaring ingetreden m.b.t. de gevorderde BTW voor de jaren 2005 tot 2008 omdat niet voldaan is aan de vereiste van voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 84ter WBTW. Het uitbreiden van de verjaringstermijn is afhankelijk van het voldaan zijn van twee voorwaarden, met name het bestaan van vermoedens van belastingontduiking in hoofde van de BTW belastingplichtige(i) en het doen van een schriftelijke, voorafgaandelijke en nauwkeurige kennisgeving aan de BTW-belastingplichtige van de vermoedens van belastingontduiking die in zijnen hoofde bestaan in de betreffende periode (ii). Welnu er zijn geen dergelijke vermoedens voorhanden en het schrijven van april 2011 waarmee de verjaringstermijn werd uitgebreid door de fiscale administratie voldoet niet aan de voorwaarde van nauwkeurigheid,

- er is een inbreuk op artikel 6 EVRM en art. 14 BUPO omdat appellante onder dreiging van een "criminal charge" medewerking heeft moeten verlenen aan het fiscaal controle onderzoek. Het schrijven van 3 februari 2012 maakt voormelde "criminal charge" uit. Geïntimeerde kan zonder het zwijgrecht van appellante te schenden geen sanctie opleggen die een strafrechtelijk karakter heeft. De gegevens en stukken bekomen op basis van een inbreuk op artikel 6 EVRM zijn onrechtmatig verkregen bewijzen waarop de bewijsuitsluitingsregel van toepassing is,

- een heffing samen met een verdubbeling van de heffing is dermate onevenredig dat de continuïteit van appellante in het gedrang komt. De betwiste BTW vordering van de fiscale BTW administratie maakt een inbreuk op art. 1 van het eerste protocol bij het EVRM uit,

- het proces verbaal van 24 mei 2012 heeft niet de bijzondere bewijswaarde van artikel 59§1 WBTW omdat het niet de vereiste vaststellingen bevat,

- artikel 81bis§l lid 2,4° WBTW wordt ten onrechte toegepast. Er dient bewezen te worden dat de belastingplichtige, inzake appellante, een inbreuk heeft gepleegd op de bepalingen van het WBTW bedoeld in de artikelen 70 en 71 WBTW met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, wat niet het geval is,

- er is geen fictieve facturatie wat betreft C. B. Ltd., D. L. Ltd., J. V., V.-D. bvba, J. A., G. G.,

- de opgelegde geldboete moet de rechter met volle rechtsmacht kunnen beoordelen en dan dient inzake een schending van het evenredigheidsbeginsel te worden vastgesteld. De boete dient daarom kwijtgescholden of verminderd te worden.

Standpunt geïntimeerde

Geïntimeerde argumenteert

- wat betreft het vonnis van de rechtbank van Limburg en het arrest van het hof van beroep van Antwerpen dient erop gewezen dat deze werden uitgesproken lastens natuurlijke personen (i) en dat de bewijsregels in het strafrecht fundamenteel verschillen van de bewijsregels in het burgerlijk recht waaronder ook de BTW-wetgeving,

- art. 6§2 EVRM is niet aan de orde wanneer er een seponering of een buitenvervolging plaatsvindt,

- de bewijsvoering in strafzaken verschilt van die in burgerlijke zaken. Het Hof van beroep in Antwerpen mocht dan misschien geen rekening houden met het proces-verbaal inzake BTW, de burgerlijke rechter dient uiteraard rekening te houden met het proces verbaal inzake BTW.

In tegenstelling tot de correctionele rechtbank en het hof dient de burgerlijke rechter wel rekening te houden met (toenmalig) artikel 60§3, 2° lid WBTW en overweging 10 van de richtlijn 2010/45/EU.

De factuur dient een weerspiegeling te zijn van de feitelijke prestatie en derhalve moeten de authenticiteit, de integriteit en de leesbaarheid ervan worden gewaarborgd,

De fraude werd in de boekhouding van de vennootschappen gepleegd, niet in de boekhouding van de natuurlijke personen,

- de nauwkeurige vermoedens bedoeld in art. 84ter WBTW dienen niet te worden aanzien als "bewijs door vermoedens" zoals voorzien in artikel 1349 BW.

In de betekenis van art. 84ter WBTW zijn het aanwijzingen die de controlerende ambtenaar heeft en die wijzen op belastingontduiking. In de Franstalige versie van art. 84ter WBTW wordt het begrip "indices de fraude" gebruikt, hetgeen zoveel wil zeggen als aanwijzingen van fraude.

In deze fase dient er niets bewezen te worden. Vermoedens of aanwijzingen volstaan.

Het is pas wanneer de administratie een vordering wil stellen dat zij het bewijs van de overtreding moet leveren.

De controleagent stelde appellante in kennis van het feit dat er een vermoeden was dat in de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 facturen in de boekhouding waren ingeschreven waarvan de gegevens niet overeenstemden met de werkelijkheid, m.a.w. facturen voor leveringen van goederen en diensten die er niet geweest zijn. Er is dus voldaan aan de bepalingen van artikel 84ter WBTW.

- de vaststellingen in een proces-verbaal hebben een bijzondere bewijswaarde : ze worden geacht te zijn bewezen behoudens het tegendeel wordt aangetoond, voor zover het gaat om materiële vaststellingen die door de ambtenaar-opsteller persoonlijk werden gedaan,

- het zwijgrecht kan niet worden ingeroepen m.b.t. stukken die bestaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige. Appellante kan niet worden gevolgd waar zij haar haar ganse boekhouding als wilsafhankelijk catalogeert. Het zwijgrecht kan niet worden ingeroepen wanneer enkel wordt gevraagd documenten voor te leggen die onbetwistbaar bestaan en die er enkel op gericht zijn de belastingheffing in hoofde van de belastingplichtige mogelijk te maken,

- de rechter mag de opportuniteit van de boete of de hoogte ervan niet beoordelen; hij kan de boete niet reduceren op grond van loutere billijkheids- of opportuniteitsoverwegingen,

- aangaande de aankoopfacturen van C. B. Ltd. (met zetel te ...)

• blijkt uit het aankoopjournaal van appellante dat zij in 2009 en 2010 voor €16.730 +

€3.513,30 (BTW) en €18.550 + €3.895,50 (BTW) aankopen had gedaan bij C. B. Ltd. terwijl de uitreiker geen opgave van de afnemers-belastingplichtigen indiende en de periodieke aangiften geen omzet vermeldden,

• blijkt dat voor 2008 C. B. Ltd. voor €183.972 + €38.634,13 (BTW) aan

stickers factureerde terwijl er op de listing afnemers €80.310 + €16.865,10 (BTW) vermeld is,

• bleek n.a.v. de BTW controle (evenwel) dat de stickers die op het bedrijf voorhanden waren stickers waren waarop "nv E. 09/376 97 97 was vermeld, en die dus niet van bij C. B. Ltd. kwamen,

• bleek de genaamde J. S., de contactpersoon waarmee appellante bij C.

B. Ltd. zou hebben gehandeld door de controleagent niet contacteerbaar nog vindbaar,

• bleek de genaamde J. S. volgens gegevens uit het rijksregister sedert 2005 uitgeschreven te zijn voor Egypte,

• bleek dat volgens inlichtingen van de Britse fiscus C. B. Ltd een slapende vennootschap zonder activiteiten was,

• bleek dat de marktprijs van stickers één vierde tot de helft bedroeg van de door appellante "betaalde" prijs,

• bleek dat tussen 1 april 2008 en 26 november 2009 de hoeveelheid aangekochte

stickers bij C. B. Ltd. vervijfvoudigde maar steeds aan dezelfde prijs zonder enige korting,

• bevestigde de zaakvoerder van appellante tijdens de controle schriftelijk dat de ontvangen facturen voor de leveringen van goederen ten minste voor een gedeelte overgefactureerd waren,

• bleek dat de genaamde J. S. na internationaal geseind te zijn werd aangehouden en verklaarde geen stickers te hebben gefactureerd en niet te weten wie de facturen opstelde,

• dat de verhouding tussen gefactureerde stickers en gebruikte stickers niet klopt gelet

op de verklaringen van manusje van alles (van appellante en van de heren E. en A. H.) W. C. in het proces-verbaal 78...14 dd. 11 december 2014 (met een doos ter grootte van een curverbox, met daarin 35-60 rollen met stickers werden alle depots van de groep H. bevoorraad met stickers),

• dat de voorzitter van vzw W., de heer P. T. verklaarde dat hij facturen maakte van €10.000+ BTW, deze aan J. S., 'zaakvoerder' van C. B. Ltd overhandigde en in ruil €2.000 + BTW ontving terwijl hij aftekende voor de ontvangst van €10.000 + BTW

- aangaande de facturen van vzw W.

• blijkt dat voor de periode van 12 januari 2009 tot 1 juni 2010 er in de boekhouding van nv V. H. 18 facturen van telkens €10.000 = €2.000 (BTW) ingeschreven voor sponsoring met publicitaire doeleinden,

• blijkt na onderzoek door het controlecentrum Leuven dat P. T. op de lijst van de facturen voor 2009 had geschreven : "120.000 -10% = 108.000 teruggegeven C. B. J. S."; bovendien werd in de boekhouding van de vzw een creditnota aangetroffen voor de creditering van €108.000 en €22.680 (BTW) voor de publiciteit cyclingteam C. Cash retour voor H. V. Sponsoring"; in het dossier is nog zo'n tweede creditnota voor €204.300 + €42.903,

- aangaande de facturen van BO D. L. Ltd :

• deze vennootschap had haar zetel te ...

• bestuurder van deze vennootschap was D. V. (bij vijf faillissementen betrokken)

• op 14 april 2009 werd de vennootschap failliet verklaard,

• bleek dat in de boekhouding van nv V. 17 facturen zijn ingeschreven van D. L. Ltd. voor een totaalbedrag van €150.170 + €31.535,70 uit voor transportdiensten voor in totaal €139.720 + €29.341,20,

• Bij de controle kon geen uitleg gegeven en konden evenmin stukken worden voorgelegd,

• De opsporingsdiensten konden geen spoor van activiteit van D. L. Ltd. terugvinden, noch te ..., noch elders,

• Volgens inlichtingen van de Britse fiscale administratie werden in Groot-Brittanië nooit aangiftes gedaan,

• In België diende D. L. (slechts) vier aangiftes in en dit voor periodes na die waarin gefactureerd werd,

• Volgens haar leverancierslisting had D. L. in 2007 en 2008 maar twee leveranciers,

• Uit niets blijkt dat de gefactureerde prestaties van D. L. aan appellante

werden geleverd,

• W. C. verklaarde n.a.v. zijn verhoor dat D. L. valse facturen leverde,

• Op basis van de stukken voorhanden in het BTW dossier en op basis van de gegevens van de remboursrekeningen werd vastgesteld dat het geld van de betaling van tien aankoopfacturen terechtgekomen is op één van de eigen rekeningen die buiten de boekhouding werd gehouden,

- aangaande de facturen van J. V.

• dat in 2009 en 2010 in de boekhouding van appellante voor respectievelijk €10.040 +

BTW en €36.155 + BTW facturen uitgereikt door de heer J. V. ingeschreven terwijl er op diens listing slechts voor respectievelijk €6.040 + BTW en €7.475 + BTW vermeld was,

• de gefactureerde goederen drukwerken en stickers waren,

• V.. verklaarde aan de BTW controlediensten "dat er op elke factuur iets extra werd gezet" en dat alle facturen contant werden betaald, op een enkele uitzondering na,

• Volgens de boekhouding van appellante gebeurden de betalingen evenwel niet contant,

• de prijs van de stickers 5 tot 1Ox hoger is dan de marktprijs,

• uit het proces-verbaal 640...13 dd. 20/09/2013 blijkt dat V. formeel is dat er op systematische wijze werd overgefactureerd voor ondernemingen van de groep H.,

• in het proces-verbaal 16...13 dd. 7 maart 2013 H. ook toegeeft dat "er iets extra op factuur werd gezet",

• in het proces-verbaal 70...13 dd. 16/10/2013 H. verklaart dat er mogelijks voor €5.000 over facturatie was,

-aangaande de aankoopfactuur V.-D. :

• voor de leveringen van bvba V. -D. waren er in het aankoopjournaal van

appellante voor een hoger bedrag aankoopfacturen ingeboekt dan wat op de listing van de leveranciers voorkwam

-aangaande de aankoopfacturen van J. A. :

• in de boekhouding van appellante zijn voor 2008 en 2009 vier aankoopfacturen voor de aankoop van wijnen en champagnes opgenomen,

• volgens de verklaringen van A. werden ze met contante gelden betaald;

volgens de boekhouding van appellante zijn ze betaald met cheques,

• de cheque uitgeschreven voor de betaling van de twee facturen van 2008 werd geïnd

via een eigen rekening (BE...) van appellante die buiten de boekhouding werd gehouden,

• uit het verhoor van P. H., werkzaam als magazijnier bij A. die de contacten met E. H. onderhield, (proces verbaal 46...14 dd. 3 juli 2014) blijkt dat E. H. hem vroeg om aan overfacturatie te doen; H. verklaarde ook nog dat aan overfacturatie werd gedaan voor de ondernemingen van de groep H.

- aangaande de aankoopfactuur van G. G. :

• in de boekhouding van appellante is een factuur ingeschreven van 19 januari 2009

uitgereikt door bvba G. G. voor de levering van diesel terwijl deze leverancier voor 2009 geen listing van de afnemers-belastingplichtigen indiende. De factuur werd voldaan door een cheque die werd geïnd via een tweede eigen rekening van de nv V. H. die buiten de boekhouding werd gehouden (BE...).

- op grond van art. 70§1 bis WBTW is een boete verschuldigd van het dubbel van de ten onrechte afgetrokken belasting. De overtredingen werden begaan met het oogmerk belastingen te ontduiken.

Beoordeling

1. Wanneer de fiscale administratie de verlengde verjaringstermijn van artikel 81bis§l, tweede lid, 4° (met name de zevenjarige verjaringstermijn in geval van fraude) wil toepassen, dan dient de fiscale administratie in toepassing van artikel 84ter WBTW, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Die kennisgeving dient (slechts vooraf te gaan aan de vordering van de BTW (en dus aan de rechtzetting), niet aan het onderzoek (vgl. Cass. 27 maart 2015, AR F.12.0029.N., www.cass.be en Fisc. Koer. 2015, afl. 10, 669-672.

Uit het dossier blijkt dat in voorliggende zaak deze kennisgeving aan appellante plaatshad op 3 februari 2012 en zodoende plaatsvond vooraleer de Belgische Staat tot invordering van de belasting en boeten is overgegaan door het betekenen van het betwiste dwangbevel.

In de voorafgaande kennisgeving van 4 april 2012 wordt uiteengezet dat het vermoeden "het vermoeden van inschrijving in het aankoopfactuurboek van aankoopfacturen waarvan de gegevens niet overeenstemmen met de werkelijkheid" is.

Geïntimeerde verwijst daarbij naar facturen, zoals opgesomd op de tweede pagina van dat schrijven van 3 februari 2012.

In het besluit van dat schrijven, na omschrijving van een aantal tegenstrijdigheden, ongeloofwaardigheden enz. stelt geïntimeerde dat het duidelijk is dat de gegevens op de facturen niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

In de betekenis van art. 84ter WBTW zijn vermoedens aanwijzingen die de controlerende ambtenaar heeft en die wijzen op belastingontduiking. In de Franstalige versie van art. 84ter WBTW wordt het begrip "indices de fraude" gebruikt, hetgeen zoveel wil zeggen als aanwijzingen van fraude.

In deze fase dient er niets bewezen te worden. Vermoedens of aanwijzingen volstaan.

Het is pas wanneer de administratie een vordering wil stellen dat zij het bewijs van de overtreding moet leveren.

De controleagent stelde appellante in kennis van het feit dat er een vermoeden was dat in de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 facturen in de boekhouding waren ingeschreven waarvan de gegevens niet overeenstemden met de werkelijkheid, m.a.w. facturen voor leveringen van goederen en diensten die er niet geweest zijn.

Met de hiervoor aangehaalde overweging (en heeft de fiscale administratie voorafgaandelijk, schriftelijk en nauwkeurig kennis gegeven aan appellante van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestaan voor de betreffende periode.

Er ligt bijgevolg geen schending voor van artikel 84ter van het BTW-Wetboek. Dit middel van appellante is ongegrond.

2. Appellante voert aan dat er een inbreuk op artikel 6 EVRM en art. 14 BUPO voorhanden zou zijn omdat appellante onder dreiging van een "criminal charge" medewerking heeft moeten verlenen aan het fiscaal controle onderzoek (het schrijven van 3 februari 2012 zou voormelde "criminal charge" uitmaken}. Appellante meent dat geïntimeerde zonder het zwijgrecht van appellante te schenden geen sanctie kan opleggen die een strafrechtelijk karakter heeft. De gegevens en stukken bekomen op basis van een inbreuk op artikel 6 EVRM zijn aldus appellante onrechtmatig verkregen bewijzen waarop de bewijsuitsluitingsregel van toepassing is.

Appellante kan hierin niet worden gevolgd.

Het zwijgrecht kan niet worden ingeroepen wanneer aan de belastingplichtige wordt gevraagd om documenten voor te leggen die onbetwistbaar bestaan en die er enkel op gE.ht zijn de belastingheffing in hoofde van de belastingplichtige mogelijk te maken, zelfs indien dit tot gevolg zou hebben dat een misdrijf kenbaar wordt gemaakt (vgl. MAUS, M. "De fiscale controle", Die Keure, Brugge, 2005, blz. 716). Er kan niet op algemene wijze worden toegestaan dat de belastingplichtige, zich beroepend op het zwijgrecht, zou weigeren om de boekhouding en de boekhoudkundige stukken voor te leggen.

Door facturen op te nemen in de boekhouding en de aftrek van BTW uit te oefenen heeft appellante zich een titel gecreëerd waarvan zij de echtheid dient aan te tonen.

Dit kan alleen door de gevraagde stukken voor te leggen en alle inlichtingen te verstrekken die door de fiscale administratie worden gevraagd.

Art. 61§1 WBTW bepaalt dat eenieder is gehouden de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die hij overeenkomstig artikel 60 WBTW dient te bewaren, op ieder verzoek van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.

Uit het proces verbaal van 24 mei 2012 blijkt dat er bij de BTW controles aan appellante werd verzocht om op grond van artikel 61§1 van het BTW - wetboek aan verweerder inzage te verlenen van de facturen, factuurboeken en alle andere bescheiden en registers die betrekking hebben op handels- en beroepswerkzaamheden en waarvan het ontvangen, opmaken, houden , uitreiken, bewaren en voorleggen voorgeschreven is door het BTW­ wetboek (en uitvoeringsbesluiten} en die betrekking hebben op de handels- en beroepswerkzaamheid door appellante uitgeoefend tijdens de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010.

Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat de verplichting tot voorlegging van de door de wet verplicht bij te houden boeken en documenten niet valt onder het zwijgrecht gezien zij onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige reeds bestaan. Appellante gaat er verkeerdelijk van uit dat de gevraagde medewerking gericht is op haar strafvervolging; de medewerking heeft immers een administratieve en publiekrechtelijke finaliteit en geen strafrechtelijke. De eerste vragen werden overigens gesteld naar aanleiding van de BTW controle op 24 en 26 januari 2012, hetzij ruim voor geïntimeerde aan appellante ter kennis bracht dat hij vermoedens van belastingontduiking had.

Nu de gevraagde inlichtingen geen strafrechtelijke finaliteit hadden maar werden gesteld om de juiste heffing van de belasting na te gaan kan er geen sprake zijn van een schending van het zwijgrecht dat wordt gewaarborgd door het EVRM.

3. Aangaande de BTW aftrek bepaalt art. 45§1 WBTW

"§ 1. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:

1 ° belaste handelingen;

2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10° telkens wanneer de

medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen."

Opdat appellante aanspraak zou kunnen maken op aftrek dient zij het bewijs te leveren dat er aan haar goederen en diensten werden verleend en hierop BTW geheven werd.

De voorbelasting is slechts aftrekbaar in de mate dat deze werkelijk verschuldigd is ten gevolge van een concrete levering van goederen of verrichting van diensten. De bewijslast rust immers op degene die een recht wil uitoefenen.

4. Appellante meent dat zij terecht de BTW op alle inzake ter discussie staande facturen in aftrek heeft gebracht. Er is in de ogen van appellante geen sprake van valsheid; de facturen in kwestie stemmen volledig met de werkelijkheid overeen.

Appellante verwijst vooreerst naar "strafrechtelijke voorgaanden"

• een door geïntimeerde neergelegde strafklacht op 13 juni 2012,

• een beschikking van de raadkamer van rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt dd. 30 september 2016,

• een correctioneel vonnis van de rechtbank van Limburg, afdeling Hasselt dd. 19 februari 2018 en

• een arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 19 december 2008

waar over dezelfde feiten en argumenten uitspraak zou zijn gedaan aldus appellante. Appellante zet daarbij uiteen dat de genaamde E. H. wat de betreft de beweerde valse facturen van D. L. Ltd. werd vrijgesproken door de rechtbank van Limburg (vonnis 19 februari 2018) en wat betreft de beweerde valse facturen van C. B. Ltd. werd hij vrijgesproken door het hof van beroep te Antwerpen (arrest 19 december 2018). E. c., V. L. bvba en station B. O. werden zelfs in de oorspronkelijke dagvaarding voor de correctionele rechtbank te Limburg niet weerhouden zijn aldus appellante.

5. Uit de strafzaak (beschikking raadkamer, vonnis en arrest) waarnaar wordt verwezen blijkt dat op 13 juni 2012 door de administratie een strafklacht werd ingediend tegen vijf vennootschappen van de "groep H." en hun bestuurders, en dus o.m. tegen E. T. nv en tegen de heer E. H., diens bestuurder, wegens het gebruik van valse stukken in de vennootschapsbelasting en inzake B.T.W., in het bijzonder wegens valse facturen afkomstig van C. B. Ltd., VZW W., E. C., D.V. L. Ltd., BVBA V. L., SPRL B., J. A., J. V., BVBA V. - D., BVBA G., BVBA G. E., NV R. I. en BVBA D. W. .

Na strafrechtelijk onderzoek werden 137 facturen van C. B. Ltd., VZW W., D.V. L. Ltd., J. A. en J. V.

weerhouden in tenlastelegging A, fiscale valsheid in geschriften inzake B.T.W. en tenlastelegging A, valsheid in geschriften inzake directe belastingen.

Door het Parket werd de buitenvervolgingstelling gevorderd van onder meer de heer H. omdat tegen hem generlei bezwaar bestaat wat betreft de betrokken facturen. Bij beschikking van de raadkamer d.d. 30 september 2016 werd de heer H. niettemin verwezen naar de correctionele rechtbank wat betreft voormelde 5 leveranciers voor beide tenlasteleggingen.

Er werd geen vordering ingesteld lastens E. T. nv.

Bij vonnis d.d. 19 februari 2018 van de rechtbank van eerste aanleg Limburg werd H. (enkel veroordeeld wegens valsheid van de facturen uitgaande van C. B. Ltd., VZW W., J. A. en J. V. .

In hoger beroep begrensde het hof van beroep van Antwerpen de incriminatieperiode en achtte de schuld van H. bij arrest d.d. 19 december 2018 bewezen wat betreft de facturen van VZW W., J. V. en J. A., maar niet m.b.t. de facturen van C. B. Ltd.

Het arrest in de strafzaak is definitief en heeft gezag van gewijsde erga omnes.

Het gezag van het rechterlijk gewijsde is beperkt tot wat de rechter over een punt in betwisting heeft beslist en tot wat de noodzakelijke grondslag van zijn beslissing vormt en strekt zich niet verder uit dan tot hetgeen het voorwerp van de beslissing heeft uitgemaakt.

Het gezag van strafrechtelijk gewijsde geldt ten opzichte van derden die geen partij waren in het strafproces slechts behoudens tegenbewijs (vgl. Cass. 15 februari 1991, AR 6764, Arr.Cass. 1990-91, 641. Het gezag van strafrechtelijk gewijsde staat er dan ook niet aan in de weg dat een partij die niet in het strafproces betrokken was en niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden, in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om de elementen die uit het strafproces zijn afgeleid, te betwisten (cfr. Cass. 2 november 2001, Arr. Cass., 2001, 1840; Cass. 16 september 2011, AR.C.10.0234.F; Cass. 17 mei 2013, AR.F.12.0147.N.

Geïntimeerde was geen partij in de strafzaak.

Dat de strafklacht werd ingediend door de administratie op grond van dezelfde feiten en grieven die in huidige procedure worden opgeworpen, doet hieraan geen afbreuk. Enkel het indienen van een strafklacht heeft immers niet tot gevolg dat de administratie partij wordt in de strafzaak (vgl. conclusie Advocaat-Generaal DE KOSTER bij Cass. 31 mei 2007, AR C.06.0494.F, nr. 11. Ook de loutere mogelijkheid voor de administratie om zich burgerlijke partij te stellen waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt, doet daaraan geen afbreuk.

Geïntimeerde kan zodoende aanvoeren dat de facturen van VZW W., J. A., D. L. Ltd. en C. B. Ltd. vals zijn, maar wat de strafrechter heeft beslist en wat de noodzakelijke grondslag vormt van zijn beslissing geldt als feitelijk vermoeden in deze waarvan de appreciatie aan het oordeel van het hof is overgelaten (vgl. TRAEST, P., "Bewijs en procesvoering betreffende de burgerlijke vordering voortspruitend uit een misdrijf" in STORME, M. (ed., Recht halen uit aansprakelijkheid. XIXe Post Universitaire Cyclus Willy Delvo, Gent, Mys & Breesch, 1993, 250-251 en 255; BOONE, 1., "Gezag van strafrechtelijk gewijsde en de burgerlijke rechter. Wat blijft er nog over?", N. J. W. 2002, 341, nr. 14.

6. Een zaakvoerder/bestuurder is een onderscheiden persoon van een/zijn vennootschap.

Het betreft twee verschillende personen (vgl. o.m. H.v.J. 5 april 2017, gevoegde zaken C- 217/15 en C-350/15.

Dit basisgegeven dient inzake goed voor ogen te worden gehouden. E. H. en appellante zijn dus onderscheiden personen.

7. Het hof wijst i.v.m. het niet vervolgen door het openbaar ministerie erop dat het vandaag de dag een algemeen bekend gegeven is dat het openbaar ministerie meer en meer "zomaar niet" tot onderzoek en/of vervolging overgaat (i) en dat er in fiscale zaken het "una via principe" voorhanden is (wet van 20 september 2012, B.S. 22 oktober 2012, inwerkingtreding 1 november 2012 dat inhoudt dat voor een fiscaal fraudedossier ofwel een administratieve procedure wordt opgestart ofwel een strafrechtelijke procedure omwille van efficiëntie (vermijden van dubbel gebruik van overheidsmiddelen en om dubbele bestraffing te vermijden.

Uit het niet of nauwelijks voeren van een onderzoek en uit het niet vervolgen mag dus geenszins worden geconcludeerd dat er geen vuiltje aan de lucht zou zijn.

8. Inzake kan/mag voorts niet uit het oog worden verloren dat er een proces-verbaal inzake BTW werd opgesteld door de bevoegde controle-ambtenaren (proces-verbaal dd. 24 mei 2012 (stuk 5 A.D.).

In toepassing van de bepalingen van art. 59, §1 WBTW hebben processen-verbaal die door ambtenaren van de fiscale administratie worden opgesteld bijzondere bewijswaarde. Ze hebben bewijskracht tot het bewijs van het tegendeel.

Pv's opgesteld door fiscale ambtenaren hebben weliswaar een bijzondere bewijswaarde, maar die is beperkt tot de materiële vaststellingen die persoonlijk en werkelijk door de verbalisant gedaan werden en als dusdanig door hem in het pv benoemd werden. Deze strekken zich niet uit tot de gevolgtrekkingen die de verbalisant uit de vaststellingen afleidt. De gevolgtrekkingen dienen door de rechter te worden beoordeeld (TIBERGHIEN, A., Handboek voor Fiscaal Recht 201 7 2018, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017, 5930).

Het hof van beroep dat de strafzaak waarnaar wordt verwezen behandelde mag dan wel het proces-verbaal zo goed als genegeerd hebben, dit hof dat in een burgerlijke kamer een fiscale zaak behandelt kan dit proces-verbaal niet zomaar naast zich neerleggen.

De bewijswaarde van de gevolgtrekkingen door de BTW-administratie in het proces-verbaal dd. 24 mei 2012 dient door het hof te worden beoordeeld.

9. Appellante was geen partij in de strafzaak waarnaar verwezen wordt.

Er werd geen vordering lastens haar ingesteld, ze werd niet strafrechtelijk vervolgd en evenmin buiten vervolging gesteld.

Het arrest in de strafzaak geldt dan ook niet als feitelijk vermoeden wat betreft appellante.

10. Het hof stelt voorts vast dat het hof van beroep te Antwerpen zich in de strafzaak geenszins heeft uitgesproken over "identiek dezelfde feiten als diegene waarop huidige procedure gebaseerd is".

Zo heeft de strafzaak betrekking op de incriminatieperiode van 21 februari 2008 tot 30 december 2010 en op 137 facturen van C. B. Ltd., VZW W., D.V. L. Ltd., J. A. en J. V. waar huidige zaak betrekking heeft op :

• 26 facturen van de vennootschap naar Engels recht C. B. ltd voor in

totaal €140.420 excl. BTW,

• 18 facturen van vzw W. voor in totaal €180.000 excl. BTW,

• 17 facturen van de vennootschap naar Engels recht D. L. ltd. voor in totaal €150.170 excl. BTW

• 10 facturen van J. V. voor in totaal €46.195 excl. BTW,

• 1 factuur van V.-D. bvba voor in totaal €20.436,16 excl. BTW,

• 4 facturen van J. A. voor in totaal €15.489,44 excl. BTW

• 1 factuur van G. G. voor in totaal €6.677,68 excl. BTW

uitgereikt in de periode 21 januari 2009 - 31 december 2010.

Zulks dient dan ook in aanmerking te worden genomen bij de beoordeling van de bewijswaarde van het arrest in de strafzaak.

11. C. B. Ltd

Ten aanzien van de facturen van C. B. Ltd. oordeelde het hof van beroep in de strafzaak dat er vragen kunnen worden gesteld omtrent de maatschappelijke zetel, het feit dat de heer J. S. zijn betrokkenheid bij de vennootschap tracht te ontkennen en het gegeven dat omtrent de activiteiten van de vennootschap weinig terug te vinden is maar dat zulks niet volstaat om te oordelen dat de facturen vals zijn. Het hof achtte de verklaring van de heer C. in dit verband onvoldoende als bewijs omwille van strubbelingen tussen betrokkene en H. en het feit dat C. slechts betrokken was bij een beperkt deel van de activiteiten.

Vraag is hier of de facturen aan de werkelijkheid beantwoorden of niet.

Nu de controlerende ambtenaren o.m. vaststelden dat

• uit het aankoopjournaal van appellante blijkt dat zij in 2009 en 2010 voor €16.730

+ €3.513,30 (BTW) en €18.550 + €3.895,50 (BTW) aankopen had gedaan bij C. B. Ltd. terwijl de uitreiker geen opgave van de afnemers­ belastingplichtigen indiende en de periodieke aangiften geen omzet vermeldden,

• voor 2008 C. B. Ltd. voor €183.972 + €38.634,13 (BTW) aan stickers factureerde terwijl er op de listing afnemers €80.310 + €16.865,10 (BTW) vermeld is,

• bleek n.a.v. de BTW controle (evenwel) bleek dat de stickers die op het bedrijf voorhanden waren stickers waren waarop "nv C. L. P. nv E. 09/376 97 97 was vermeld, en die dus niet van bij C. B. Ltd. kwamen,

• bleek dat de genaamde J. S., de contactpersoon waarmee appellante bij C. B. Ltd. zou hebben gehandeld door de controleagent niet contacteerbaar nog vindbaar was,

• bleek dat de genaamde J. S. volgens gegevens uit het rijksregister sedert 2005 uitgeschreven zou zijn voor Egypte,

• bleek dat volgens inlichtingen van de Britse fiscus C. B. Ltd een slapende vennootschap zonder activiteiten was,

• bleek dat de marktprijs van stickers één vierde tot de helft bedroeg van de door appellante "betaalde" prijs,

• bleek dat tussen 1 april 2008 en 26 november 2009 de hoeveelheid aangekochte stickers bij C. B. Ltd. vervijfvoudigde maar steeds aan dezelfde prijs zonder enige korting,

• bevestigde de zaakvoerder van appellante tijdens de controle schriftelijk dat de ontvangen facturen voor de leveringen van goederen ten minste voor een gedeelte overgefactureerd waren,

• bleek dat de genaamde J. S. na internationaal geseind te zijn werd aangehouden en verklaarde geen stickers te hebben gefactureerd en niet te weten wie de facturen opstelde,

• dat de verhouding tussen gefactureerde stickers en gebruikte stickers niet klopt gelet op de verklaringen van manusje van alles (van appellante en van de heren E. en A. H.) W. C. in het proces-verbaal 78...14 dd. 11 december 2014 (met een doos ter grootte van een curverbox, met daarin 35-60 rollen met stickers werden alle depots van de groep H. bevoorraad met stickers),

• dat de voorzitter van vzw W., de heer P. T. verklaarde dat hij facturen maakte van €10.000+ BTW, deze aan J. S., 'zaakvoerder' van C. B. Ltd overhandigde en in ruil €2.000 + BTW ontving terwijl hij aftekende voor de ontvangst van €10.000 + BTW en het proces-verbaal inzake bijzondere bewijswaarde heeft, en appellante geen element bijbrengt (bestelbon, afgetekende leveringsbon, transportdocument, enz.) maar enkel naar de facturen zelf verwijst is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen en dat de verklaringen van C. geloofwaardiger zijn dan die van H. .

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

Nu het proces-verbaal van 24 mei 2012 bijzondere bewijswaarde heeft, en appellante geen relevant/nuttig element bijbrengt (bestelbon, afgetekende prestatiebons of overzichten van prestaties, transportdocument, bevestigingen van klanten voor wie er gewerkt zou zijn geweest enz.) maar enkel naar de facturen zelf verwijst is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

Het hof is van oordeel dat de desbetreffende BTW ten onrechte werd afgetrokken door appellante.

12. W. :

Nu de controlerende ambtenaren o.m. vaststelden dat

• blijkt dat voor de periode van 12 januari 2009 tot 1 juni 2010 er in de boekhouding van nv V. H. 18 facturen van telkens €10.000 = €2.000 (BTW) ingeschreven waren voor sponsoring met publicitaire doeleinden,

• blijkt na onderzoek door het controlecentrum Leuven dat P. T. op de lijst van de facturen voor 2009 had geschreven : "120.000 -10% = 108.000 teruggegeven C. B. J. S."; bovendien werd in de boekhouding van de vzw een creditnota aangetroffen voor de creditering van €108.000 en €22.680 (BTW) voor de publiciteit cyclingteam C. Cash retour voor H. V. Sponsoring"; in het dossier is nog zo'n tweede creditnota voor (204.300 + (42.903),

en het proces verbaal inzake bijzondere bewijswaarde heeft, en appellante geen element bijbrengt (bestelbon, afgetekende leveringsbon, transportdocument, enz.) maar enkel naar de facturen zelf verwijst is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen en dat de verklaringen van C. geloofwaardiger zijn dan die van H. .

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

Nu het proces verbaal van 24 mei 2012 bijzondere bewijswaarde heeft, en appellante geen relevant/nuttig element bijbrengt (bestelbon, afgetekende prestatiebons of overzichten van prestaties, transportdocument, bevestigingen van klanten voor wie er gewerkt zou zijn geweest enz.) maar enkel naar de facturen zelf verwijst is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

Het hof is van oordeel dat de desbetreffende BTW ten onrechte werd afgetrokken door appellante.

- aangaande de facturen van BO D. L. Ltd :

Nu de controlerende ambtenaren o.m. vaststelden dat

• deze vennootschap haar zetel had te ...

• bestuurder van deze vennootschap D. V. was (bij vijf faillissementen betrokken)

• op 14 april 2009 de vennootschap failliet werd verklaard,

• dat in de boekhouding van nv V. 17 facturen zijn ingeschreven van D. L. Ltd. voor een totaalbedrag van €150.170 + €31.535,70 uit voor transportdiensten voor in totaal €139.720 + €29.341,20,

• Bij de controle geen uitleg kon gegeven en evenmin stukken konden worden voorgelegd,

• De opsporingsdiensten geen spoor van activiteit van D. L. Ltd. konden terugvinden, noch te ..., noch elders,

• dat volgens inlichtingen van de Britse fiscale administratie in Groot-Brittanië nooit aangiftes werden gedaan,

• In België D. L. (slechts) vier aangiftes indiende en dit voor periodes na die waarin gefactureerd werd,

• Volgens haar leverancierslisting D. L. in 2007 en 2008 maar twee leveranciers had,

• Uit niets blijkt dat de gefactureerde prestaties van D. L. aan appellante werden geleverd,

• W. C. verklaarde n.a.v. zijn verhoor dat D. L. valse facturen leverde,

• Op basis van de stukken voorhanden in het BTW dossier en op basis van de gegevens van de remboursrekeningen werd vastgesteld dat het geld van de betaling van tien aankoopfacturen terechtgekomen is op één van de eigen rekeningen die buiten de boekhouding werd gehouden,

Nu het proces-verbaal van 24 mei 2012 bijzondere bewijswaarde heeft (de vaststellingen hebben bijzondere bewijswaarde, de inlichtingen die van derden werden verkregen hebben een gewone bewijswaarde), en appellante geen enkel nuttig element bijbrengt (bestelbon, afgetekende prestatiebons of overzichten van prestaties, transportdocument, bevestigingen van klanten voor wie er gewerkt zou zij zijn geweest enz.) is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

De "compensatieregeling" waarvan gewag wordt gemaakt wordt niet bewezen, noch enigszins aannemelijk gemaakt. Uit het voorgelegde register van compensaties kan niets worden opgemaakt.

Het hof is van oordeel dat de desbetreffende BTW ten onrechte werd afgetrokken door appellante.

- aangaande de facturen van J. V.

Nu de controlerende ambtenaren o.m. vaststelden dat

• in 2009 en 2010 in de boekhouding van appellante voor respectievelijk €10.040 +

BTW en €36.155 + BTW facturen uitgereikt door de heer J. V. waren ingeschreven terwijl er op diens listing slechts voor respectievelijk €6.040 + BTW en €7.475 + BTW vermeld was,

• de gefactureerde goederen drukwerken en stickers waren,

• V. aan de BTW controlediensten verklaarde "dat er op elke factuur iets extra werd gezet" en dat alle facturen contant werden betaald, op een enkele uitzondering na,

• Volgens de boekhouding van appellante de betalingen niet contant gebeurden;

• de prijs van de stickers 5 tot l0x hoger is dan de marktprijs,

• uit het proces-verbaal 640...13 dd. 20/09/2013 blijkt dat V... formeel is dat er op systematische wijze werd overgefactureerd voor ondernemingen van de groep H.,

• in het proces-verbaal 16...13 dd. 7 maart 2013 H. ook toegeeft dat "er iets extra op factuur werd gezet",

• in het proces verbaal 70...13 dd. 16/10/2013 H. verklaart dat er mogelijks voor €5.000 over facturatie was,

en het proces-verbaal van 24 mei 2012 bijzondere bewijswaarde heeft (de vaststellingen hebben bijzondere bewijswaarde, de inlichtingen die van derden werden verkregen hebben een gewone bewijswaarde), en appellante geen enkel nuttig element bijbrengt (bestelbon, afgetekende prestatiebons of overzichten van prestaties, transportdocument, bevestigingen van klanten voor wie er gewerkt zou zij zijn geweest enz.) is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

-aangaande de aankoopfactuur V.-D. :

Nu de controlerende ambtenaren o.m. vaststelden dat :

• voor de leveringen van bvba V. -D. waren er in het aankoopjournaal van appellante voor een hoger bedrag aankoopfacturen ingeboekt dan wat op de listing van de leveranciers voorkwam

en het proces-verbaal van 24 mei 2012 bijzondere bewijswaarde heeft (de vaststellingen hebben bijzondere bewijswaarde, de inlichtingen die van derden werden verkregen hebben een gewone bewijswaarde), en appellante geen enkel nuttig element bijbrengt (bestelbon, afgetekende prestatiebons of overzichten van prestaties, transportdocument, bevestigingen van klanten voor wie er gewerkt zou zij zijn geweest enz. is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

-aangaande de aankoopfacturen van J. A. :

• in de boekhouding van appellante zijn voor 2008 en 2009 vier aankoopfacturen voor de aankoop van wijnen en champagnes opgenomen,

• volgens de verklaringen van A. werden ze met contante gelden betaald; volgens de boekhouding van appellante zijn ze betaald met cheques,

• de cheque uitgeschreven voor de betaling van de twee facturen van 2008 werd

geïnd via een eigen rekening (BE...) van appellante die buiten de boekhouding werd gehouden,

• uit het verhoor van P. H., werkzaam als magazijnier bij A. die de contacten met E. H. onderhield, (proces verbaal 46...14 dd. 3 juli 2014) blijkt dat E. H. hem vroeg om aan overfacturatie te doen; H. verklaarde ook nog dat aan overfacturatie werd gedaan voor de ondernemingen van de groep H.

en het proces-verbaal van 24 mei 2012 bijzondere bewijswaarde heeft (de vaststellingen hebben bijzondere bewijswaarde, de inlichtingen die van derden werden verkregen hebben een gewone bewijswaarde), en appellante geen enkel nuttig element bijbrengt (bestelbon, afgetekende prestatiebons of overzichten van prestaties, transportdocument, bevestigingen van klanten voor wie er gewerkt zou zij zijn geweest enz.) is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

- aangaande de aankoopfactuur van G. G.

• in de boekhouding van appellante is een factuur ingeschreven van 19 januari 2009 uitgereikt door bvba G. G. voor de levering van diesel terwijl deze leverancier voor 2009 geen listing van de afnemers­ belastingplichtigen indiende. De factuur werd voldaan door een cheque die werd geïnd via een tweede eigen rekening van de nv V. H. die buiten de boekhouding werd gehouden (BE...).

en het proces-verbaal van 24 mei 2012 bijzondere bewijswaarde heeft (de vaststellingen hebben bijzondere bewijswaarde, de inlichtingen die van derden werden verkregen hebben een gewone bewijswaarde), en appellante geen enkel nuttig element bijbrengt (bestelbon, afgetekende prestatiebons of overzichten van prestaties, transportdocument, bevestigingen van klanten voor wie er gewerkt zou zij zijn geweest enz. is dit hof van oordeel dat de facturen in kwestie niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

De facturen zelf waarnaar appellante blijft verwijzen hebben slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de levering.

Appellante voert nog aan dat de betalingsverplichting ten gevolge van de opgelegde boete een overdreven karakter heeft, een fundamentele afbreuk doet aan haar financiële situatie en haar eigendomsrecht schendt. De gevorderde BTW en boete zouden m.a.w. aanleiding geven tot een onevenredige belastingheffing, in die mate zelfs dat dit afbreuk zou doen aan haar recht op het ongestoord genot van haar eigendom (welke haar toekomt o.g.v. artikel 1 van het 1ste aanvullend protocol EVRM. Er zou geen redelijke verhouding bestaan tussen de aard van de inbreuk op het eigendomsrecht en het doel van de wetgever.

De bescherming van het eigendomsrecht verzet zich niet tegen het vestigen en invorderen van belastingen (art. 1, al. 2 is1e Aanv. Prot. E.V.R.M. . In deze leidt het vestigen van de belasting op geen enkele wijze tot het afnemen van enig eigendomsrecht in hoofde van eiseres (art. 1, al. 1 1ste Aanv. Prot. E.V.R.M. en art. 16 gec.G.W. .

Een belasting kan in bepaalde omstandigheden wel onevenredig worden geacht en op onverantwoorde wijze afbreuk doen aan het ongestoord genot van iemands eigendom (vgl. Rb. Namen 27 februari 2008, Fisk.Koer. 2008, afl. 6, p.418 en Arbitragehof nr. 107/2005, 22 juni 2005 (randnummer B.15.2).

Art. 1 van dat 1° protocol verplicht er toe om in te schatten of er een 'fair balance' wordt gehandhaafd tussen het algemeen belang van de gemeenschap enerzijds en de verplichting om de fundamentele mensenrechten te beschermen anderzijds.

Ook al beschikt de fiscale wetgever over een ruime beoordelingsmarge, toch kan een belasting onevenredig zijn en op onverantwoorde wijze afbreuk doen aan het ongestoord genot van iemands eigendom, indien zij het billijk evenwicht verbreekt tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van het recht op het ongestoord genot van eigendom (zie o.m. E.H.R.M. 23 februari 1995, zaak G. D.- und F. GmbH t. Nederland (randnummers 60 e.v.; E.H.R.M. 16 april 2002, zaak s.a. D. t. Frankrijk (randnrs. 51-61; E.H.R.M. 3 juli 2003, zaak B. SRL in vereffening t. Italië (randnummers 32 e.v.))

Een schending van artikel 1, van het 1° Protocol van het EVRM kan alleen weerhouden worden in de mate dat aangetoond wordt dat de door de staat (inzake de decreetgever) genomen maatregel "manifest ontdaan is van enige redelijkheidszin" (V. SEPULCHRE, Droits de l'homme et libertés fondamentales en droit fiscal, Brussel, Larcier, 2005, p. 25.

Er dient op gewezen dat de betrokken bepalingen grondwetsconforme bepalingen zijn die door de wetgever overeenkomstig zijn soevereine belastingbevoegdheid werden uitgevaardigd.

De in casu gevorderde BTW en boete zijn rekening houdende met het legitieme doel van de BTW en de boete niet disproportioneel. De betrokken bepalingen zijn immers onontbeerlijk voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

Anderzijds laat de BTW wetgeving voldoende mogelijkheden om aan de opgelegde boete te ontsnappen. Zo kon appellante om te beginnen zich niet bedienen van overfacturatie of van facturen die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, en al zeker niet de desbetreffende BTW in haar aangiftes in aftrek brengen ...

De opgelegde boete is niet disproportioneel.

14. Het hof kan met volle rechtsmacht oordelen over de gevorderde BTW boete, die, hoewel administratiefrechtelijk opgelegd, van strafrechtelijke aard is (dr. o.a. Gr.H. 2 maart 1995, Gr.H. 24 februari 1999, Gr.H. 17 maart 1999; Hof Mensenrechten arrest E. v. Nederland, 8 juli 1976, Pub/. Eur. Court H.R. Serie A, nr. 22, Hof Mensenrechten arrest L. v. Slovakije, 2 september 1998, Reports 1998 VJ). De rechter kan met volle rechtsmacht oordelen over de opgelegde geldboete inzake BTW, zonder dat hij deze om redenen van opportuniteit of billijkheid kan kwijtschelden (Cass. 5 februari 1999; Cass. 24 januari 2002; Cass. 21 januari 2005; www.juridat.be; G.H. 24 februari 1999).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 E.V.R.M., mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het intern recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht laat aan de rechter toe na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of de Belgische Staat naar redelijkheid overging tot het opleggen van een administratieve sanctie zoals in concreto opgelegd, wat evenwel niet inhoudt dat de rechter om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, de boete kan kwijtschelden of verminderen (dr. Cass. 24 januari 2002, www.cass.be).

In het thans voorliggende geval komt de aldus begrote BTW boete voor als een sanctionering die is aangepast aan de aard en de ernst van de door deze middels de door appellante gedane BTW-aangiften, in de bewuste aangiftetijdvakken inzake BTW begane overtredingen van de BTW reglementering.

Het staat vast dat door appellante inbreuken werden gepleegd zoals aangehaald in het proces-verbaal, zijnde het uitoefenen van het recht op aftrek van BTW, terwijl niet blijkt bewezen dat de toepassingsvoorwaarden daarvoor vervuld waren.

Het feit dat de facturen niet overeenstemmen met de werkelijkheid, dat uit niets blijkt dat de aan de grondslag ervan liggende prestaties werkelijk plaatshadden terwijl met die fictieve facturen toch BTW werd "gerecupereerd" betreft wel degelijk telkens een ernstige overtreding van de BTW-reglementering.

Om die reden leidt een BTW boete, bepaald aan 200 % van de ten onrechte teruggevorderde BTW tot een sanctionering aangepast aan de aard en de ernst van de begane overtredingen. Zij leidt tevens tot een sanctionering evenredig met de omvang van de inbreuken.

In het thans voorliggende geval komt een belastingverhoging uitgaande van een percentage van 200 % redelijk voor.

Er is geen reden of wettelijke grondslag voorhanden - zoals blijkt na onderzoek door het hof-, die toelaat uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen voor die hoofdelijke gehoudenheid.

De kosten

Omdat het hoger beroep van appellante ongegrond is worden de kosten van het hoger beroep in overeenstemming met de bepalingen van artikelen 1017 en 1018 Ger. W. ten laste gelegd van appellante.

1. Rechtsplegingsvergoeding

Betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde; ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr.2010/183, p.720).

Het geschil betreft een in geld waardeerbare vordering, zich in totaal situerend in de schijf €250.000,01 tot €500.000 zodat de rechtsplegingsvergoeding dient te worden begroot op €7.500.

2. Rolrecht

Het rolrecht is vrijgesteld inzake (vgl. artikel 269 '2', §1, tweede lid Wb. Reg. en art. 162, 4° + 2791 Wb.Reg.).

3. Bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19 maart 2017

(inwerkingtreding 1 mei 2017) BS, 31 maart 2017, blz. 46565

De bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand t.b.v. €20,00 blijft ten laste van appellante.

Dispositif

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

Rechtsprekend op tegenspraak;

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis,

Veroordeelt appellante tot de kosten van hoger beroep, in hoofde van geïntimeerde begroot op € 7.500 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 28 JUNI 2023

Décision jointe par le SPF

Jugement du tribunal de première instance

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven, Kamer 12

Vonnis van 08/12/2017

Rol: 12/1458/A

In de zaak van:

V. H. NV, KBO nummer 042...822, met maatschappelijke zetel te ...,

eisende partij, van

vertegenwoordigd door B. S. (G.), advocaat te ....

tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, algemene administratie van de fiscaliteit, directe belastingen, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de adviseur-generaal, centrumdirecteur van het Centrum KMO Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voortstraat 43 bus 106.

verwerende partij

I. Procedure

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

De rechtbank nam onder meer kennis van:

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 11 juli 2012;

- de laatste1 besluiten van partijen en de door hen neergelegde stukken;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 10 november 2017. De zaak werd nadien in beraad genomen.

ll. Feiten en voorwerp van de vordering

1 Eiseres is sinds 1 december 1986 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het nummer BE 042...822 voor de activiteit van goederenvervoer over de weg. Zij dient hiervoor maandelijkse BTW-aangiften in.

2 Op 24 en 26 januari 2012 werd door verweerder een BTW-controle uitgevoerd bij eiseres, dit voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010.

1 Zie artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek; Cass. 19 mei 2016, C.14.0301.N. Voor eiseres zijn dit de synthesebesluiten op de griffie neergelegd op 27 april 2017. Voor verweerder betreft het de syntheseconclusie ter griffie neergelegd op 25 augustus 2017.

Voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2008 was voorheen reeds een BTW-controle geweest op 5 oktober 2010, 7 oktober 2010 en 18 november 2010.

Op grond van de vaststellingen die werden gedaan bij de controles voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010 werd bij schrijven van 3 februari 2012 aan eiseres meegedeeld dat inzake BTW de verjaringstermijn op zeven jaar werd gebracht krachtens artikel 81bis, §1, lid 2, 4° BTW-wetboek2.

Daarna werd nog op 16 februari 2012, 1 maart 2012 en 14 maart 2012 een BTW-controle uitgevoerd bij eiseres.

Aan de hand van de voorgelegde boeken en bescheiden, van de stukken voorhanden in het BTW-dossier, en op de grond van de gedane vaststellingen, werd op 24 mei 2012 een proces-verbaal opgesteld door X, eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij de Federale Overheidsdienst Financiën, ter beschikking gesteld van de Algemene administratie van de fiscaliteit en verbonden aan het Controlecentrum Hasselt-Beringen3.

De inhoud van dit proces-verbaal komt er, samengevat, op neer dat eiseres in de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2010:

- 19 + 7 facturen heeft ontvangen van de vennootschap naar Engels recht, C. B. ltd, voor in totaal 140.420,00 euro (exclusief BTW) + 180.000,00 euro (exclusief BTW);

- 18 facturen heeft ontvangen van W. vzw, voor in totaal 180.000,00 euro (exclusief BTW);

- 17 facturen heeft ontvangen van de vennootschap naar Engels recht, D. L. ltd, voor in totaal 150.170,00 euro (exclusief BTW);

- 10 facturen heeft ontvangen van J. V., voor in totaal 46.195,00 euro (exclusief BTW);

- 1 factuur heeft ontvangen van V.-D. bvba, voor in totaal 20.436,16 euro (exclusief BTW);

- 4 facturen heeft ontvangen van J. A., voor in totaal 15.489,44 euro (exclusief BTW);

- 1 factuur heeft ontvangen van G. G. bvba, voor in totaal 6.677,68 euro (exclusief BTW);

, waarvan de gegevens niet zouden overeenstemmen met de werkelijkheid.

2 Stuk 1 verweerder

3 Stuk 5 verweerder

Er werd volgens de belastingadministratie een bedrag van in totaal 155.271,46 euro aan BTW ten onrechte in aftrek genomen door eiseres.

3 Op 31 mei 2012 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op 5 juni 2012 uitvoerbaar werd verklaard. Volgens dit dwangbevel, gekend onder nummer 412...57, is eiseres 155.271,46 euro verschuldigd als BTW, 310.542,92 euro als geldboete en 21.116,72 euro als wettelijke interesten berekend vanaf 21 januari 2011, te vermeerderen met de interest van­ af 21 juni 20124.

4 Tegen dit dwangbevel stelde eiseres bij verzoekschrift van 4 januari 2012 een vordering in rechte in.

Eiseres vraagt in haar synthesebesluiten om:

- Haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- Dienvolgens het bestreden dwangbevel 412...57 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat zij de BTW-wetgeving niet heeft overtreden zodat er uit dien hoofde geen BTW, boeten; interesten en kosten verschuldigd zijn;

- Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding begroot op 7.700,00 euro;

Het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement.

Verweerder vraagt in zijn syntheseconclusie om:

- Het door eiseres ingediend verzoekschrift ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

- Eiseres in haar eisen af te wijzen en haar te veroordelen tot betaling van de bedragen die door de Administratie worden gevorderd in het proces-verbaal van 24 mei 2012;

- Eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding.

4 Stuk 6 verweerder

III. Beoordeling

1 De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De rechtbank ziet ook geen ambtshalve aan te voeren redenen om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

2 Nopens de uitbreiding van de verjaringstermijn

2.1 Eiseres stelt dat het uitbreiden van de verjaringstermijn afhankelijk is van het voldaan zijn van twee voorwaarden, namelijk:

1) het bestaan van vermoedens van belastingontduiking in hoofde van de BTW-belastingplichtige, en

2) een schriftelijke, voorafgaande en nauwkeurige kennisgeving aan de BTW-belastingplichtige van de vermoedens van belastingontduiking die in zijnen hoofde bestaan in de betreffende periode.

Volgens eiseres is in casu aan geen van beide voorwaarden voldaan.

Eiseres houdt voor dat bijgevolg de verjaring is ingetreden met betrekking tot de gevorderde BTW voor de jaren 2005 tot 2008.

2.2 Verweerder stelt dat hij, in tegenstelling tot wat eiseres voorhoudt, een voorafgaandelijk kennisgeving heeft gedaan die voldoet aan de wettelijke vereisten.

Volgens verweerder gaat eiseres er onterecht van uit dat een voorafgaande kennisgeving, zoals voorzien door artikel 84ter BTW-wetboek, een bewijs door vermoedens moet inhouden. Verweerder argumenteert dat er in de fase van de procedure door de administratie niets moet worden bewezen en dat bijgevolg een kennisgeving van vermoedens of aanwijzingen volstaan, zonder dat deze vermoedens of aanwijzingen reeds het bewijs moeten leveren van hetgeen beweerd wordt.

2.3 Artikel 81bis, §1, lid 2, 4° van het BTW-wetboek (zoals van toepassing met ingang van 29 december 2008 en op het moment van de voorafgaande kennisgeving) bepaalt:

"§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende ka­ lenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer :

…

4° de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

…”

Verder bepaalt artikel 84ter van het BTW-wetboek (zoals van toepassing met ingang van 29 december 2008):

"Indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel B1bis, § 1, tweede lid, 4°, toe te passen, moet de administratie bevoegd voor de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode."

Wanneer, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, de BTW-wetgeving werd overtreden, zoals het niet-aangeven van in België belastbare handelingen of het op onwettige wijze toepassen van belastingaftrekken, kan de BTW-administratie dus alsnog een dwangbevel uitvaardigen op voorwaarde dat er nog geen zeven kalenderjaren verstreken zijn volgend op het jaar waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de btw-schuld zich heeft voorgedaan.

Indien de BTW-administratie van plan is om de verjaringstermijn van artikel 81bis, §1, lid 2, 4° van het BTW-wetboek toe te passen, moet zij evenwel voorafgaandelijk aan de belastingplichtige schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

2.4 Uit artikel 84ter van het BTW-wetboek volgt dat de voorafgaande schriftelijke kennisgeving gemotiveerd moet zijn en dat er voldoende en nauwkeurige elementen moeten zijn die de vermoedens van belastingontduiking dragen. Er is evenwel niet vereist dat de administratie reeds het bewijs levert van belastingontduiking5.

5 Zie nuttig: Gent 3 december 2013, www.monKEY.be; Antwerpen 26 november 2013, www.monKEY.be

2.5 Verweerder verzond bij schrijven van 3 februari 2012 volgende kennisgeving naar eiseres:

"Naar aanleiding van het fiscaal toezicht dat inzake Btw werd aangevat op 27 januari 2012 deel ik u mee dat inzake btw de verjaringstermijn wordt uitgebreid.

Overeenkomstig artikel 81 bis, § 1, eerste lid, van het btw-wetboek treedt de verjaring van de vordering tot voldoening van de btw, van de interesten en van de administratieve geldboeten in na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking van deze termijn is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden (artikel 81: bis, § 1, tweede lid, 4" van het Btw-Wetboek).

De administratie is voornemens de verjaringstermijn voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 te verlengen op grond van de hierna vermelde vermoedens van belastingontduiking: vermoeden van inschrijving in het aankoopfactuurboek van aankoopfacturen waarvan de gegevens niet overeenstemmen met de werkelijkheid.

Op grond van artikel 45, § 1, van het Btw-Wetboek, mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van :

1 ° belaste handelingen;

2 ° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3 ° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien ze in het binnenland zouden plaatsvinden;

…

VASTSTELLINGEN MET BETREKKING TOT AANKOOPFACTUREN WAARVAN DE GEGEVENS NIET OVEREENSTEMMEN MET DE WERKELIJKHEID.

A. Opgave van aankoopfacturen waarvan de gegevens niet overeenstemmen met de werkelijkheid.

Tijdens het toezicht dat werd aangevat op 27 januari 2012 en betrekking had op de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2010 werden onder meer de navolgende aankoopfacturen aangetroffen in het aankoopfactuurboek:

[nummer inkomfactuurboek, datum van het stuk, ·naam van de leverancier of dienstverrichter, aard van het goed of de dienst, maatstaf van de heffing, btw]

49 16.01.09 C. B. Ltd 119 rollen stickers x 70,00 euro 8.330,00 1. 749,30

295 27.02.09 C. B. Ltd 120 rollen stickers x 70,00 euro 8.400,00 1.764,00

122 24.02.10 C. B. Ltd 65 rollen stickers x 70,00 euro 4.550,00 955,50

202 25.03.10 C. B. Ltd 67 rollen stickers x 70,00 euro 4.690,01} 984,90

284 20.04.10 C. B. Ltd 68 rollen stickers x 70,00 euro 4.760,00 999,60

369 20.05.10 C. B. Ltd 65 rollen stickers x 70,00 euro 4.550,00 955,50

35.280,00 7.408,80

B. De prijzen van de stickers zijn aanzienlijk hoger dan hetgeen op de markt kan worden bekomen.

In het kader van het fiscaal toezicht bij N. E. ..., ingeschreven onder het btw-identificatienummer BE 046...38, had ik vragen gesteld omtrent de werking van het systeem van de stickers. Uit het antwoord kon worden opgemaakt dat iedere pallet een sticker krijgt opgeplakt om te vermijden dat die pallet in de verkeerde rij terecht kwam. De kleur van de sticker kwam overeen met de postcode. Rood is postcode 10, geel is postcode 30, groen is postcode 40, blauw is postcode 80. Op die manier werden vergissingen bij het vervoer uitgeschakeld.

Eveneens in het kader van het fiscaal toezicht bij NV E. had ik twee leveranciers uit de branche van de drukkerijen. een vraag om inlichtingen gezonden teneinde mij inlichtingen te verschaffen, als bedoeld in artikel 62, § 1, van het Btw-Wetboek. Het was de bedoeling om na te gaan of de door C. B. Ltd gefactureerde bedragen realistisch konden genoemd worden.

Op 14 april 2011 had ik aan NV A. P. gevraagd om offertevoorstellen uit te werken om grote hoeveelheden stickers te leveren. Uit het antwoord van 18 april 2011 blijkt dat NV V. H. de stickers die ze gekocht heeft bij C. B. Ltd veel beterkoop had kunnen kopen bij NV A.P., namelijk voor één kwart van de prijs tot de helft van de prijs, afhankelijk van de wijze van bestelling. De prijzen die door C. B. Ltd werden aangerekend aan NV V. H. zijn even hoog als deze die aangerekend waren aan NV E., namelijk 70,00 euro per rol van 500 stickers.

Zo ook had ik op 14 april aan NV C. L. P. gevraagd om offertevoorstellen uit te werken om grote hoeveelheden stickers te leveren. Uit het antwoord op 26 april 2011 blijkt dat NV V. H. de stickers die ze gekocht heeft bij C. B. Ltd veel beterkoop had kunnen kopen bij NV C. L. P., namelijk voor één kwart van de prijs tot de helft van de prijs, afhankelijk van de wijze van bestelling. De prijzen die door C. B. Ltd werden aangerekend aan NV V. H. zijn even hoog als deze die aangerekend' waren aan NV E., namelijk 70,00 euro per rol van 500 stickers.

Op het ogenblik van het fiscaal toezicht bij NV E. werd, hierom gevraagd, nog steeds een oude rol stickers voorgelegd. De voorgelegde rol met het kleine stickertje NV C. L. P. E. 09…97 en binnenin de tekst: HEND. 7/7…73 had immers het voorwerp uitgemaakt van de verkoopfactuur 34292 van 12.07.05, uitgereikt aan uw onderneming. Door NV C. L. P. werd me een kopie van deze verkoopfactuur overgemaakt. De omschrijving van deze factuur luidde als volgt:

Order. 052673 - Ref.: Tel. …

Etiket 1-4 kleuren

Formaat etiket: rechthoek-149,00 x 149,00 mm Ra/breedte: 152,00 mm

Basismateriaal: Papier vellum permanente belijming Druk voorzijde: 1 kleur

Wikkeling CL: 5 - - - Verpakking: 500 et./rol (kern 76) Overzicht leveringen

Leveringsbon nr.: 013829 van 08-07-2005

Hoeveelheid Omschrijving Eenheidsprijs Bedrag

3.000 VOOR DEPOT 10-ROOD 58,01/1.000 174,03

Ref.CL: 115112 Ons ordernr.: 052673

3.000 VOOR DEPOT 30 -GEEL 58,01/1.000 174,03

Ref.CL: 115114 Ons ordernr.: 052673

3.000 VOOR DEPOT4 0 -GROEN 58,01/1.000 1 74,03

Ref.CL: 115115 Ons ordernr.: 052673

3.000 VOOR DEPOT 80 - BLAUW 58,01/1.000 174,03

Ref.CL: 115116 Ons ordernr.: 052673

3.000 VOOR DEPOT 50-60- 70 ORANJE 58,01/1.000 174,03

Ref.CL: 117975 Ons ordernr.: 052673

Kennelijk had C. B. Ltd bij de bepaling van de verkoopprijs van 70,00 euro per rol zich gebaseerd op de verkoopprijs van 58,01 euro per 1.000 etiketten en hierbij over het hoofd gezien dat een rol slechts 500 etiketten heeft.

C. Tegenstrijdigheden tussen de aangiften, ingediend door C. B. Ltd en de aankoop­ administratie van NV V. H. .

De onderneming naar buitenlands recht C. B. Ltd, ... is geregistreerd sinds 1 juli 2007 onder het Btw-identificatienummer BE 088…45 voor de werkzaamheid van prepress- en mediadiensten. De wettelijke vertegenwoordiger bij de oprichting was de heer J. E. B. R. . De zetel van het bijhuis op het ogenblik van de oprichting was gelegen te .... Vanaf 1 oktober 2008 wordt de heer B. D. S., geboren op …74 te D. (Bulgarije) benoemd als wettelijke vertegenwoordiger voor het Belgische filiaal. Eveneens wordt op 1 oktober 2008 de zetel van het Belgische filiaal verplaatst naar ... . Uiteindelijk werd het Btw-identificatienummer van C. B. Ltd stopgezet op 29 juni 2010.

Ik heb vastgesteld dat door de leverancier C. B. Ltd voor het jaar 2009 geen opgave van de afnemersbelastingplichtigen, bedoeld in artikel 53quinquies van het Btw-Wetboek, werd ingediend terwijl er van die onderneming aankopen waren opgenomen in de aankoop­ administratie van NV V. H. voor een bedrag van 35.280,00 euro en 7.403,80 euro btw.

Voor de periode van 1 januari 2009 tof 30 juni 2010 zijn de door C. B. Ltd ingediende periodieke Btw-aangiften, bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 2 °, van het Btw-Wetboek, telkens nihil-aangiften. Hiermee gaf C. B. Ltd te kennen in die periode geen belaste handelingen te hebben verricht. Dit stemt niet overeen met het feit dat er voor diezelfde periode zes aankoopfacturen van de leverancier C. B. Ltd waren opgenomen in de aankoopadministratie van de NV V. H. .

D. De volgende feiten doen zich niet voor in een normale handelsrelatie:

1. het moederbedrijf van C. B. Ltd in Groot-Brittannië is volgens de Britse autoriteiten slechts een onderneming op papier of een slapende onderneming, die gevestigd is in het kantoor van een internationale vormingsfirma (postbusadres);

2. pogingen om de werkelijke vertegenwoordiger van C. B. Ltd in België, de heer J. S., te contacteren en vragen om inlichtingen, te verschaffen, hebben geen resultaat opgeleverd. Op geen enkel document kon het adres, de geboortedatum of het nationaal nummer van de heer J. S. teruggevonden worden. Blijkbaar worden deze gegevens telkens angstvallig geheim gehouden.

E. De volgende zaken zijn niet geloofwaardig:

1. het systeem van de stickers is na een onderbreking van 27 februari 2009 tot 24 februari 2010 opnieuw gestart voor de periode van 24 februari 2010 tot 20 mei 2010. Vanaf de maand juni 2010 - vanaf het wegvallen van de leverancier C. B. Ltd - is het systeem plots helemaal gestopt;

2. er werden geen overeenkomsten, wijziging van overeenkomsten, ... voorgelegd;

3. door niet gebruik te maken van de mogelijkheid om samen met de overige leden van de groep, namelijk NV E., BVBA J. H. L., BVBA P. H. L. en BVBA. H. T., een groepsaankoop te plaatsen bij C. B. Ltd, heeft men nagelaten om gunstiger handelsvoorwaarden te bedingen;

4. de vervoersector heeft het zeer moeilijk in deze crisistijd; toch heeft NV V. H. het nodig gevonden om veel geld uit te geven aan een te duur systeem.

F. Besluit.

Het is duidelijk dat de gegevens vermeld op de facturen uitgereikt door C. B. Ltd niet overeenstemmen met de werkelijkheid. Uit navraag bij andere ondernemingen uit de branche van de drukkerijen is gebleken dat C. B. Ltd het dubbel tot het viervoudige van de gangbare marktprijs heeft betaald. De Btw werd onrechtmatig in aftrek gebracht.

Gelet op de vaststellingen die betrekking hadden op de periode van 1 januari 2009 tot 31 december 2010 is er thans ten aanzien van de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 het vermoeden van inschrijving in het aankoopfactuurboek van aankoopfacturen, waarvan de gegevens niet overeenstemmen met de werkelijkheid.

Bij toepassing van artikel 81 bis, § 1, tweede lid, 4° van het Btw-Wetboek is, ten aanzien van de handelingen van de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008, er aldus verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan (respectievelijk 31.12.2012, 31.12.2013, 31.12.2014 en 31.12.2015).

Bij toepassing van artikel 84ter wordt uw onderneming thans schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis gegeven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen uw onderneming bestaan in de periode van de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008.”

2.6 Naar het oordeel van de rechtbank gaf verweerder met zijn schrijven van 3 februari 2012, zoals hiervoor weergegeven, voorafgaandelijk, schriftelijk en nauwkeurig aan eiseres kennis van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestonden voor de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008.

De vermoedens van belastingontduiking van verweerder werden door voldoende en nauwkeurige elementen gedragen.

Verweerder verrichtte een geldige kennisgeving overeenkomstig artikel 84ter van het BTW­ wetboek, zodat de verjaringstermijn niet is verstreken omwille van het ontbreken van een geldige kennisgeving, zoals voorgehouden door eiseres.

3 Nopens de beweerde inbreuk op artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO-verdrag

3.1 Eiseres houdt voor dat er sprake is van een schending van het artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het BUPO-verdrag, die het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld, daarin begrepen het zwijgrecht, erkennen.

Eiseres stelt dat zij onder dreiging van een 'criminaI charge' medewerking heeft moeten verlenen aan het fiscaal controleonderzoek, waardoor haar zwijgrecht werd miskend. De voorafgaande kennisgeving van verweerder van 3 februari 2012 maakt voormelde 'criminal charge' uit, aldus eiseres.

Volgens eiseres heeft dit enerzijds voor gevolg dat verweerder geen sanctie kan opleggen die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 van het EVRM. Anderzijds zouden de gegevens en stukken bekomen op basis van een inbreuk op artikel 6 van het EVRM onrechtmatig verkregen bewijzen zijn, waarop de bewijsuitsluitingsregel van toepassing is.

3.2 Verweerder stelt het zwijgrecht van artikel 6 van het EVRM te erkennen.

Er wordt geargumenteerd dat de fiscale wetten echter van openbare orde zijn waardoor de belastingplichtige zijn boeken en stukken met betrekking tot zijn economische activiteit moet voorleggen met het oog op de controle van de juiste heffing van de BTW.

Bovendien kan volgens verweerder het zwijgrecht niet worden ingeroepen met betrekking tot de stukken die bestaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige. Er kan niet op algemene wijze worden toegestaan dat de belastingplichtige, zich beroepend op het zwijg­ recht, zou weigeren om de boekhouding en de boekhoudkundige stukken voor te leggen.

Door facturen op te nemen in de boekhouding en de aftrek van BTW uit te oefenen heeft eiseres zich een titel gecreëerd waarvan zij de echtheid moet aantonen. Dit kan alleen door de gevraagde stukken voor te leggen en alle inlichtingen te verstrekken die door de administratie worden gevraagd.

3.3 Iedere belastingplichtige is ertoe gehouden de kopieën te bewaren van de facturen die door hemzelf, door zijn afnemer of zijn verkrijger of, in zijn naam en voor zijn rekening, door een derde worden uitgereikt, dit gedurende zeven jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar volgend op de datum van uitreiking (artikel 60, §1 en §3 BTW-wetboek). De boeken en andere stukken, waarvan het BTW-wetboek (en uitvoeringsbesluiten) het houden, het opstellen of het uitreiken voorschrijven, dienen te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgesteld, uitgereikt of ontvangen, eveneens gedurende zeven jaar. Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen, gevestigd in België, zijn tot die verplichting ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen en diensten, tot de verzending, tot de·afgifte en tot de levering van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid (art. 60, §4 BTW-wetboek).

Artikel 61, §1 van het BTW-wetboek bepaalt dat eenieder is gehouden de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.

Verder bepaalt artikel 62, §1 van het BTW-wetboek dat eenieder ertoe gehouden is, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden, teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden na te gaan.

3.4 Uit het proces-verbaal van 24 mei 2012 blijkt dat er bij de BTW-controles aan eiseres werd verzocht om op grond van artikel 61, §1 van het BTW-wetboek aan verweerder inzage te verlenen van de facturen, factuurboeken en alle andere bescheiden en registers, die betrekking hebben op handels- en beroepswerkzaamheden en waarvan het ontvangen, opmaken, houden, uitreiken, bewaren en voorleggen voorgeschreven is door het BTW-wetboek (en uitvoeringsbesluiten) en die betrekking hebben op handels- en beroepswerkzaamheid door de eiseres uitgeoefend tijdens de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2010.

De verplichting tot voorlegging van de door de wet verplicht bij te houden boeken en documenten valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder het zwijgrecht, gezien zij onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige reeds bestaan6.

Overigens blijkt uit het proces-verbaal dat de boekhouding van eiseres voor de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2008 telkens niet beschikbaar was (wel voor de periode 1 januari 2009 - 31 december 2010), en dat er dus door eiseres voor die periode geen boekhoudkundige stukken werden voorgelegd, reden waarom verweerder voor die periode gebruik maakte van bepaalde stukken die werden verkregen bij eerdere BTW-controles (in 2010).

3.5 Verder blijkt uit het proces-verbaal van 23 november 2011 dat er bij de BTW-controle op 1 maart 2012 een verklaring werd afgelegd door E. H., gedelegeerd bestuurder van eiseres. Ook bij de BTW-controle op 14 maart 2012 werden door verweerder een aantal vragen gesteld aan eiseres.

De medewerking die is voorzien in artikel 62, § 1 van het btw-wetboek is erop gericht de administratie alle nodige informatie te verschaffen met het oog op de heffing van de juiste verschuldigde belasting.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat eiseres er verkeerdelijk van uit dat de gevraagde medewerking gericht is op haar strafvervolging. De medewerking heeft immers een administratieve en publiekrechtelijke finaliteit en geen strafrechtelijke7.

6 Zie nuttig: Gent 20 december 2016, www.monKEY.be; Antwerpen 20 maart 2012, FJF 2013/2

7 Zie nuttig: Gent 20 december 2016, www.monKEY.be

Bovendien blijkt uit het proces-verbaal dat de verklaring die door E. H. werd afgelegd en de inlichtingen die werden verstrekt bij de BTW-controle op 14 maart 2012, kaderen in BTW-controles die voorafgaandelijk en schriftelijk werden aangekondigd door verweerder. De rechtbank stelt vast dat de groep H., waarvan eiseres deel uitmaakt, reeds sedert 2011 werd bijgestaan, door een advocaat in het kader van de verschillende BTW-controles die bij de vennootschappen van de groep werden uitgevoerd. De BTW-controle bij eiseres op 14 maart 2012 ging zelfs door in aanwezigheid van één van haar advocaten.

De rechten van eiseres waren dus in casu in ieder geval voldoende gewaarborgd. Indien de bestuurders/gevolmachtigden van eiseres geen verklaringen wilden afleggen of informatie wilden verstrekken, dan konden zij dit doen en hadden zij dit ook ongetwijfeld niet gedaan.

3.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het BUPO-verdrag, die het zwijgrecht beschermen, in casu niet werden geschonden.

4 Ten gronde: de BTW-aftrek

4.1 Algemeen

4.1.1 Artikel 45, §1 BTW-wetboek bepaalt:

"§ 1. Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van : 1 ° belaste handelingen;

2 ° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42;

3 ° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden;

4 ° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4 ° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant

buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de Minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap;

5 ° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4 ° bedoelde handelingen.11

4.1.2 Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige dus in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

Opdat eiseres aanspraak zou kunnen maken op aftrek dient zij het bewijs te leveren dat er aan haar goederen geleverd of diensten verleend werden en hierop BTW geheven werd. De voorbelasting is slechts aftrekbaar in de mate dat deze werkelijk verschuldigd is ten gevolge

van 'een concrete levering van goederen of verrichting van diensten. De bewijslast rust immers op diegene die een recht wil uitoefenen.8

8 Zie nuttig: o.a. Rb. Brussel 8 oktober 2013, FJF 2015/178, Rb. Leuven 6 mei 2011, FJF 2012/145

4.2 De facturen uitgaande van C. B. ltd

4.2.1 Eiseres stelt dat zij terecht de BTW op de volgende (19 + 7) facturen uitgaande van C. B. ltd in aftrek heeft gebracht, namelijk:

De volgende 19 facturen voor de levering van stickers9:

9 Stuk 10 verweerder

- Factuur nr. 2007053, d.d. 30 april 2007, ten bedrage van 12.040,00 euro, BTW 2.528,40 euro;

- Factuur nr. 200710024, d.d. 17 oktober 2007, ten bedrage van 6.720,00 euro, BTW 1.411,20 euro;

- Factuur nr. 200712003, d.d. 3 december 2007, ten bedrage van 7.280,00 euro, BTW 1.528,80 euro;

- Factuur nr. 200801023, d.d. 22 februari 2008, ten bedrage van 7.000,00 euro, BTW 1.470,00 euro;

- Factuur nr. 200801053, d.d. 11 april 2008, ten bedrage van 7.700,00 euro, BTW 1.617,00 euro;

- Factuur nr. 20080115, d.d. 23 mei 2008, ten bedrage van 7.770,00 euro, BTW

1.631,70 euro;

- Factuur nr. 200801131, d.d. 25 juni 2008, ten bedrage van 7.840,00 euro, BTW 1.646,40 euro;

- Factuur nr. 200801155, d.d. 12 juli 2008, ten bedrage van 8.050,00 euro, BTW 1.690,50 euro;

- Factuur nr. 200801186, d.d. 3 september 2008, ten bedrage van 8.400,00 euro, BTW 1.764,00 euro;

- Factuur nr. 200801192, d.d. 15 september 2008, ten bedrage van 8.120,00 euro, BTW 1.705,20 euro;

- Factuur nr. 200801206, d.d. 1 oktober 2008, ten bedrage van 7.770,00 euro, BTW

1.631,70 euro;

- Factuur nr. 200801229, d.d. 5 november 2008, ten bedrage van 8.050,00 euro, BT\/Y 1.690,50 euro;

- Factuur nr. 200801262, d.d. 5 december 2008, ten bedrage van 8.400,00 euro, BTW

1.764,00 euro;

- Factuur nr. 200901008, d.d. 16 januari 2009, ten bedrage van 8.330,00 euro, BTW 1.749,30 euro;

- Factuur nr. 200901034, d.d. 27 februari 2009, ten bedrage van 8.400,00 euro, BTW 1.764,00 euro;

- Factuur nr. 20100021, d.d. 24 februari 2010, ten bedrage van 4.550,00 euro, BTW 955,50 euro;

- Factuur nr. 20100037, d.d. 25 maart 2010, ten bedrage van 4.690,00 euro, BTW 984,90 euro;

- Factuur nr. 20100048, d.d. 20 april 2010, ten bedrage van 4.760,00 euro, BTW 999,60 euro;

- Factuur nr. 20100058, d.d. 20 mei 2010, ten bedrage van 4.550,00 euro, BTW 955,50 euro.

De volgende 7 facturen voor reclamesponsoring van W. vzw10:

- Factuur nr. 20070049, d.d. 27 april 2007, ten bedrage van 25.000,00 euro, BTW 5.250,00 euro;

- Factuur nr. 20070056, d.d. 10 mei 2007, ten bedrage van 25.000,00 euro, BTW 5.250,00 euro;

- Factuur nr. 20070092, d.d. 2 juli 2007, ten bedrage van 30.000,00 euro, BTW 6.300,00 euro;

Factuur nr. 200801005, d.d. 2 januari 2008, ten bedrage van 25.000,00 euro, BTW

5.250,00 euro;

- Factuur nr. 200801050, d.d. 11 april 2008, ten bedrage van 25.000,00 euro, BTW 5.250,00 euro;

- Factuur nr. 200801153, d.d. 12 juli 2008, ten bedrage van 25.000,00 euro, BTW 5.250,00 euro;

- Factuur nr. 200801227, d.d. 5 november 2008, ten bedrage van 25.000,00 euro, BTW 5.250,00 euro.

10 Stuk 13 verweerder

4.2.2 Nopens de facturen voor de levering van stickers

4.2.2.1 Eiseres stelt dat zij het bewijs levert dat de goederen die het voorwerp uitmaken van deze voormelde facturen, werden geleverd.

Het zou gaan om stickers die door eiseres werden aangekocht om de te transporteren goederen te markeren in haar magazijnen, dit met de bedoeling om vergissingen bij bestellingen te voorkomen. Eiseres houdt voor dat deze werkwijze ook blijkt uit verklaringen die werden afgelegd in het kader van het strafonderzoek.

Eiseres stelt de facturen steeds te hebben betaald via cheque of bankoverschrijving.

Ze houdt voor er altijd vanuit te zijn gegaan dat C. B. ltd een bonafide handelspartner was.

Eiseres verwijst in eerste plaats naar de facturen zelf. Verwijzend naar het artikel 25, lid 2 van het Wetboek van Koophandel argumenteert eiseres dat een aanvaarde factuur het bewijs oplevert van een overeenkomst gesloten tussen partijen. De factuur heeft een bewijsrechtelijke functie en wordt geacht een getrouwe weergave te zijn van de overeenkomst zoals die tot stand gekomen is tussen partijen. In casu is er sprake van aanvaarde facturen, zodat volgens eiseres de betreffende facturen het bewijs leveren van het feit dat de betreffende goederen ook geleverd werden.

Volgens eiseres blijkt ook uit de feiten dat de stickers, voorwerp van de facturen, werden geleverd.

Eiser verwijst, naast de verklaring van haar eigen gedelegeerd bestuurder E. H., naar verklaringen die aan de politiediensten werden afgelegd door J. H. en P. H., bestuurders van vennootschappen behorende tot dezelfde groep als eiseres, die zouden hebben verklaard dat ze stickers gebruikten, bestelden bij C. B. ltd en betaalden bij levering.

Er wordt ook verwezen naar de verklaring die werd afgelegd door W. E., een gewezen werknemer van E. nv en PH L. bvba, vennootschappen die behoren tot dezelfde groep als eiseres, en die zou hebben bevestigd dat er effectief stickers werden gebruikt om goederen te markeren in de magazijnen.

Eiseres stelt dat de gefactureerde bedragen in overeenstemming zijn met de werkelijkheid: de facturen leveren het bewijs van de onderliggende handelingen, de facturen werden betaald en de geleverde goederen werden gebruikt in haar onderneming.

4.2.2.2 Verweerder stelt dat de voormelde facturen, uitgaande van C. B. ltd, niet overeenstemmen met de werkelijkheid.

Verweerder baseert zich daarvoor onder meer op de volgende elementen:

De Engelse vennootschap C. B. ltd was vanaf 1 juli 2007 tot 29 juni 2010 (datum van schrapping) in België onder het BTW-identificatienummer 088...45 geregistreerd voor de werkzaamheid van prepress- en mediadiensten;

- C. B. ltd heeft slechts één jaarrekening neergelegd, namelijk deze voor het boekjaar 2007 (1 januari - 31 december 2007);

- C. B. ltd diende voor de jaren 2009 en 2010 geen opgave in van de afnemers-belastingplichtingen (art. 53quinquies BTW-wetboek), terwijl er van die onderneming aankopen waren opgenomen in de aankoopadministratie van eiseres;

Er werd vastgesteld dat in de boekhouding van eiseres het bedrag van aankopen bij C. B. ltd voor het jaar 2008 in belangrijke mate hoger was dan het bedrag dat was terug te vinden in de boekhouding van C. B. ltd. De afwijking bedroeg 103.662,00 euro + 21.769,03 euro BTW;

- C. B. ltd diende voor de periode 1 oktober 2008 tot 30 juni 2010 telkens nihil-aangiften in als periodiek BTW-aangiften, terwijl er in de aankoopadministratie van eiseres voor die periode 11 aankoopfacturen van C. B. ltd waren opgenomen;

- Verweerder probeerde zonder resultaat in contact te komen met J. S., via wie de contacten met C. B. ltd zouden zijn verlopen. Volgens de gegevens van het rijksregister is J. S. sinds 6 september 2005 afgeschreven voor Egypte;

Uit gegevens die op 26 mei 2011 werden verkregen van de Britse autoriteiten blijkt dat C. B. ltd werd opgericht op 20 februari 2007 en dat, hoewel de firma theoretisch bestaat, het slechts een bedrijf op papier is. Er is geen bewijs dat bevestigt dat het bedrijf effectief werkt. C. B. ltd staat geregistreerd als een slapende vennootschap. Het geregistreerd adres van C. B. ltd is het kantoor van een internationiale vormingsfirma;

In het kader van een BTW-controle bij E. nv, die behoort tot dezelfde groep als eiseres (en op hetzelfde adres is gevestigd), vroeg verweerder twee offertes aan om grote hoeveelheden stickers, zoals die zouden zijn geleverd door C. B. ltd, te leveren. Uit de ontvangen offertes bleek dat de prijs voor de stickers, afhankelijk van de wijze van bestelling, een kwart tot de helft van de prijs was van de prijs gefactureerd door C. B. ltd11;

In het kader van een BTW-controle bij E. nv op 2 december 2010 werd verzocht om enkele rollen stickers voor te leggen bij wijze van voorbeeld. Er werden twee rollen met stickers voorgelegd, waarvan bij één kon worden vastgesteld dat deze afkomstig was van C. L. P. nv en niet van C. B. ltd;

- S. N., zaakvoerder van N. & Z0 bvba, een onderneming die ook handel dreef met C. B. ltd, verklaarde op 21 maart 2012 dat er door C. B. ltd werd overgefactureerd en dat het te veel gefactureerde na betaling van de facturen (per cheque of overschrijving) in baar geld werd terugbetaald door J. S.12;

11 Stuk 11 verweerder

12 Stuk 12 verweerder

De tegenstrijdige verklaringen die in het kader van het strafonderzoek werden afgelegd door E. H., (mede)zaakvoerder van eiseres, en J. S. omtrent de handelsrelatie tussen eiseres en C. B. ltd, waardoor er volgens verweerder twijfel bestaat over de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van de facturen13;

De verklaring die in het kader van strafonderzoek werd afgelegd door W. C. die in de periode van 2007 tot begin 2009 werkte voor E. nv en eiseres, die behoren tot dezelfde groep van vennootschappen. Hij verklaarde dat er door E. H., zaakvoerder van onder meer eiseres, bij C. B. ltd, via J. S., grote hoeveelheden stickers werden besteld, zonder dat hij ook kon zeggen dat er effectief zo grote hoeveelheden werden geleverd. Volgens W. C. klopte in ieder geval de verhouding tussen de bestelde hoeveelheid stickers en de gebruikte hoeveelheid stickers helemaal niet. W. C. stelde overtuigd te zijn dat er sprake was van fictieve facturatie.14

4.2.2.3 Een aantal van de hiervoor weergegeven elementen werden door verweerder opgenomen in het proces-verbaal van 24 mei 2012.

De vaststellingen in een proces-verbaal hebben een bijzondere bewijswaarde, namelijk ze worden geacht te zijn bewezen behoudens het tegendeel wordt aangetoond, voor zover het gaat om materiële vaststellingen die door de ambtenaar-opsteller persoonlijk werden gedaan (art 59, §1 BTW-wetboek).

In casu hebben de vaststellingen gedaan bij de controle van de voorgelegde boeken en bescheiden van eiseres, de gegevens van de administratie met betrekking tot C. B. nv, de vaststelling dat er geen contact kon worden bekomen met J. S. en er geen gegevens van hem beschikbaar waren, het gegeven dat er een vraag tot inlichtingen werd gericht aan de Britse autoriteiten en het in het proces-verbaal weergegeven antwoord, de vraag tot inlichtingen aan twee leveranciers van stickers en de offerte door hen gegeven, en de vast­ stelling inzake de rollen stickers in het kader van de BTW-controle bij E. nv, bijzondere bewijswaarde.

Dit geldt niet voor de inhoud (juistheid) van de inlichtingen die van voormelde derden werden verkregen en de deducties die op basis daarvan en op basis van de andere feiten worden gemaakt door de opsteller van het proces-verbaal. Deze 'vaststellingen' hebben een gewone bewijswaarde.

Ook de elementen waarop verweerder zich steunt, maar niet werden opgenomen in het proces-verbaal, hebben geen bijzondere bewijswaarde.

4.2.2.4 De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel concreet bewijs bijbrengt ter staving van haar stelling dat de goederen, voorwerp van de facturen op basis waarvan zij een BTW­ aftrek deed, effectief werden geleverd. De bewijslast rust nochtans bij eiseres.

13 Stukken 29 en 30 verweerder

14 Stukken 33 en 34 verweerder

Eiseres verwijst hoofdzakelijk naar de facturen zelf en argumenteert dat het om aanvaarde facturen gaat, zodat de facturen op zichzelf het bewijs leveren van het feit dat de betreffende goederen ook geleverd werden.

Volgens artikel 25, lid 2 van het Wetboek van Koophandel levert de factuur die uitdrukkelijk of stilzwijgend werd aanvaard, tussen handelaars het bewijs van het bestaan van de overeenkomst. De bijzondere bewijswaarde die een factuur kan hebben, geldt dus enkel ten opzichte van degene die de factuur opstelde en de geadresseerde (klant) van de factuur.

In casu wendt eiseres ten aanzien van verweerder de facturen op basis waarvan zij een BTW­ aftrek heeft gedaan, aan als bewijs van de levering van de goederen die het voorwerp zijn van deze facturen. Verweerder is in de overeenkomst waarop de facturen betrekking heb­ ben evenwel geen partij, zodat deze facturen ten opzichte van verweerder geen bijzondere bewijswaarde hebben. Dit neemt niet weg dat de facturen een zekere bewijswaarde kunnen hebben die soeverein door de rechter wordt beoordeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de facturen, die op zich de basis vormen voor de toegepaste BTW-aftrek, in casu slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de effectieve levering van de goederen die het voorwerp uitmaken van deze facturen.

Voor het overige stelt eiseres in algemene termen dat zij stickers gebruikte en aankocht bij C. B. ltd, zonder dat ze concreet aantoont dat de stickers die het voorwerp zijn van de in het geding zijnde facturen, effectief werden geleverd.

Er worden met betrekking tot de gefactureerde goederen geen andere documenten, zoals bestelbonnen, leveringsbonnen, vervoerdocumenten of afrekeningsstaten, voorgelegd door eiseres.

Eiseres ontkracht of weerlegt ook op geen enkele concrete wijze de bewijselementen die naar voor worden gebracht door verweerder ter staving van zijn stelling dat de facturen op basis waarvan eiseres een belastingaftrek deed, niet waarheidsgetrouw zijn. Eiseres beperkt er zich tóe de argumenten van verweerder in eerder algemene bewoordingen te betwisten.

4.2.2.5 Gezien eiseres faalt in haar bewijslast, heeft ze ten gronde geen recht op aftrek van de BTW op de voormelde facturen uitgaande van C. B. ltd.

4.2.3 Nopens de facturen voor reclamesponsoring van W. vzw

4.2.3.1 Eiseres stelt dat zij het bewijs levert dat de diensten die het voorwerp uitmaken van deze voormelde facturen, werden verstrekt.

Eiseres houdt voor in de periode 2007-2010 jaarlijks een sponsoringovereenkomst te hebben afgesloten met W. vzw. Bij elk van deze overeenkomsten zou C. B. ltd als vertegenwoordiger van W. vzw zijn opgetreden.

Voor de jaren 2007-2008 zou deze sponsoring door C. B. ltd zijn gefactureerd aan eiseres. C. B. ltd zou dit op haar beurt hebben doorgefactureerd aan W. vzw. Voor de jaren 2009-2010 zou W. vzw rechtstreeks aan eiseres hebben gefactureerd. Eiseres zou evenwel steeds de sponsorgelden hebben overhandigd aan J. S., die steevast als tussenpersoon optrad.

Er kan volgens eiseres niet worden ontkend dat zij W. vzw heeft gesponsord. Ze verwijst daarvoor naar enkele documenten, waaronder foto's van de wielerploeg waarop de naam van eiseres zichtbaar is op de kledij van de wielrenners15.

Eiseres verwijst verder naar de verklaringen die in het kader van strafonderzoek werden afgelegd door J. S. en P. T., die van 1996 tot 2012 bestuurder was van W. vzw, en stelt dat deze verklaringen bevestigen dat er een sponsorovereenkomst was tussen eiseres en W. vzw.

Volgens eiseres bewijzen de facturen de onderliggende verbintenissen. Eiseres houdt voor dat de overeengekomen dienstverlening werd verstrekt en dat de facturen werden betaald, zodat de gefactureerde bedragen overeenstemmen met de werkelijkheid.

4.2.3.2 Verweerder stelt dat de voormelde facturen, uitgaande van C. B. ltd, niet overeenstemmen met de werkelijkheid, en dus vals zijn.

Verweerder baseert zich daarvoor onder meer op de volgende elementen:

De Engelse vennootschap C. B. ltd was vanaf 1 juli 2007 tot 29 juni 2010 (datum van schrapping) in België onder het BTW-identificatienummer 088...45 geregistreerd voor de werkzaamheid van prepress- en mediadiensten;

C. B. ltd heeft slechts één jaarrekening neergelegd, namelijk deze voor het boekjaar 2007 (1 januari - 31 december 2007);

C. B. ltd diende voor de jaren 2009 en 2010 geen opgave in van de afnemers-belastingplichtingen (art. 53quinquies BTW-wetboek), terwijl er van die onderneming aankopen waren opgenomen in de aankoopadministratie van eiseres;

Er werd vastgesteld dat in de boekhouding van eiseres het bedrag van aankopen bij C. B. ltd voor het jaar 2008 in belangrijke mate hoger was dan het bedrag dat was terug te vinden in de boekhouding van C. B. ltd. De afwijking bedroeg 103.662,00 euro + 21.769,03 euro BTW;

C. B. ltd diende voor de periode 1 oktober 2008 tot 30 juni 2010 telkens nihilaangiften in als periodiek BTW-aangiften, terwijl er in de aankoopadministratie van eiseres voor die periode 11 aankoopfacturen van C. B. ltd waren opgenomen;

- Verweerder probeerde zonder resultaat in contact te komen met J. S., via wie de contacten met C. B. ltd zouden zijn verlopen. Volgens de gegevens van het rijksregister is J. S. sinds 6 september 2005 afgeschreven voor Egypte;

15 Stuk 10 eiseres

Uit gegevens die op 26 mei 2011 werden verkregen van de Britse autoriteiten blijkt dat C. B. ltd werd opgericht op 20 februari 2007 en dat, hoewel de firma theoretisch bestaat, het slechts een bedrijf op papier is. Er is geen bewijs dat bevestigt dat het bedrijf effectief werkt. C. B. ltd staat geregistreerd als een slapende vennootschap. Het geregistreerd adres van C. B. ltd is het kantoor van een internationale vormingsfirma;

Hoewel de sponsoringovereenkomsten werden afgesloten tussen eiseres en W. vzw (vertegenwoordigd door C. B. ltd)16, werden de sponsorgelden door C. B. ltd gefactureerd aan eiseres. Dit is volgens verweerder een ongebruikelijke werkwijze in de zakenwereld;

Hoewel de omzet van eiseres daalde, en de activiteiten van eiseres geleidelijk aan werden overgebracht naar E. nv, namen de uitgaven voor sponsoring toe, wat volgens verweerder onlogisch is. Bovendien werd de sponsoring zelfs niet verdergezet door E. nv;

P. T., bestuurder van W. vzw, verklaarde per mail van 1 december 2010 aan verweerder dat hij in het kader van de sponsoring door eiseres, telkens een factuur van 10.000,00 euro (+ BTW) opmaakte en deze factuur overhandigde aan J. S. van C. B. ltd. Hij ontving dan 2.000,00 euro (+ BTW) maar diende af te tekenen voor ontvangst van 10.000,00 euro (+ BTW). Dit gebeurde telkens nadat J. S. het sponsorgeld was gaan halen bij eiseres. Om het half jaar werd dan een creditnota opgemaakt door W. vzw en overgemaakt aan C. B. ltd. Deze creditnota hadden betrekking op verschillende sponsors, waaronder eiseres17;

Uit de verklaringen die in het kader van het strafonderzoek werden afgelegd door J. S. (C. B. ltd), E. T. (bestuurder W. vzw) en R. V. (gedelegeerd bestuurder van B. nv)18 leidt verweerder af dat weliswaar een gedeelte van de sponsorgelden rechtstreeks werden aangewend om de schulden die W. nv had bij B. nv (in totaal 15.000,00 euro) af te betalen, maar dat het grootste deel van de door C. B. ltd gefactureerde bedragen (129.000,00 euro van de 180.000,00 euro die in totaal werd gefactureerd) nooit bij W., nv terechtkwamen. Volgens verweerder kan enkel maar worden besloten dat de gefactureerde bedragen terugvloeiden naar eiseres.

4.2.3.3 Een aantal van de hiervoor weergegeven elementen werden door verweerder opgenomen in het proces-verbaal van 24 mei 2012.

16 Stuk 14 verweerder

17 Stuk 43 verweerder

18 Stukken 29, 36 en 37 verweerder

De vaststellingen in een proces-verbaal hebben een bijzondere bewijswaarde, namelijk ze worden geacht te zijn bewezen behoudens het tegendeel wordt aangetoond, voor zover het gaat om materiële vaststellingen die door de ambtenaar-opsteller persoonlijk werden gedaan (art 59, §1 BTW-wetboek).

In casu hebben de vaststellingen gedaan bij de controle van de voorgelegde boeken en bescheiden van eiseres, de gegevens van de administratie met betrekking tot C. B. nv, de vaststelling dat er geen contact kon worden bekomen met J. S. en er geen gegevens van hem beschikbaar waren, het gegeven dat er een vraag tot inlichtingen werd gericht aan de Britse autoriteiten en het in het proces-verbaal weergegeven antwoord, en de schriftelijke verklaring van P. T. zoals weergegeven in het proces-verbaal, bijzondere bewijswaarde.

Dit geldt niet voor de inhoud (juistheid) van de inlichtingen die van voormelde derden werden verkregen en de deducties die op basis daarvan en op basis van de andere feiten worden gemaakt door de opsteller van het proces-verbaal. Deze 'vaststellingen' hebben een gewone bewijswaarde.

Ook de elementen waarop verweerder zich steunt, maar niet werden opgenomen in het proces-verbaal, hebben geen bijzondere bewijswaarde.

4.2.3.4 Eiseres mag maar de BTW die werd geheven op de aan haar verstrekte dienstverlening in aftrek brengen indien zij bewijst dat de dienstverlening, zoals die aan haar werd gefactureerd, effectief werd verstrekt zoals overeengekomen tussen partijen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs niet levert.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er ernstige twijfels over de waarachtigheid van de facturen van C. B. ltd, maar bepaald of eiseres werkelijk W. vzw voor die bedragen heeft gesponsord zoals die aan haar werden gefactureerd door C. B. ltd.

Uit de door partijen bijgebrachte stukken blijkt weliswaar afdoende dat eiseres in de periode 2007-2010 W. vzw heeft gesponsord, maar niet dat de op de facturen voormelde sponsorgelden overeenstemmen met de werkelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres op geen enkele concrete wijze de bewijselementen ontkracht of weerlegt die naar voor worden gebracht door verweerder ter staving van zijn stelling dat de facturen op basis waarvan eiseres een belastingaftrek deed, niet waarheidsgetrouw zijn.

Eiseres verwijst in hoofdzaak naar de facturen zelf en argumenteert dat de facturen op zichzelf het bewijs leveren van de waarachtigheid van de gefactureerde bedragen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de facturen, die op zich de basis vormen voor de toegepaste BTW-aftrek, in casu slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de bedragen waarvoor eiseres W. vzw effectief zou hebben gesponsord.

4.2.3.5 Gezien eiseres faalt in haar bewijslast, heeft ze ten gronde geen recht op aftrek van de BTW op de voormelde facturen uitgaande van C. B. ltd.

4.3 De facturen uitgaande van W. vzw

4.3.1 Eiseres stelt dat zij terecht de BTW op de volgende (18) facturen19 uitgaande van W. vzw in aftrek heeft gebracht:

- Factuur nr. 2000005, d.d. 12 januari 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 200916, d.d. 12 februari 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 200923, d.d. 12 maart 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 200929, d.d. 20 april 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 200946, d.d. 20 mei 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW 2.100,00

euro;

- Factuur nr. 200950, d.d. 11 juni 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW 2.100,00

euro;

- Factuur nr. 200959, d.d. 1 september 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 200969, d.d. 12 september 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 200979, d.d. 22 september 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 2009/85, d.d. 22 oktober 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 2009/93, d.d. 22 november 2009, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

- Factuur nr. 2009/100, d.d. 22 december 200.9, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW

2.100,00 euro;

19 Stuk 15 verweerder

- Factuur nr. 2010/003, d.d. 7 januari 2010, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW 2.100,00 euro;

- Factuur nr. 2010/007, d.d. 11 februari 2010, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW 2.100,00 euro;

- Factuur nr. 2010/014, d.d. 1 maart 2010, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW 2.100,00 euro;

- Factuur nr. 2010/020, d.d. 26 maart 2010, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW 2.100,00 euro;

- Factuur nr. 2010/030, d.d. 15 april 2010, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW 2.100,00 euro;

- Factuur nr. 2010/050, d.d. 1 juni 2010, ten bedrage van 10.000,00 euro, BTW 2.100,00 euro.

4.3.2 Eiseres stelt dat zij het bewijs levert dat de diensten die het voorwerp uitmaken van deze voormelde facturen, werden verstrekt (zie hoger onder randnummer 4.2.3.1).

De facturen hebben betrekking op de sponsoring door eiseres van W. vzw.

4.3.3 Verweerder stelt dat de voormelde facturen, uitgaande van W. vzw, niet overeenstemmen met de werkelijkheid, en dus vals zijn.

Verweerder baseert zich daarvoor onder meer op de volgende elementen:

- Voor de periode van 12 januari 2009 tot en met 1 juni 2010 waren er de boekhouding van eiseres 18 facturen van telkens 10.000,00 euro + 2.100,00 euro BTW ingeschreven voor sponsoring met publicitaire doeleinden. Voorheen werd deze sponsoring gefactureerd door C. B. ltd;

Bij inzage van het controledossier van W. vzw werd door verweerder vastgesteld dat het dossier een uitgetypte lijst bevatte met de opsomming van 203 verkoopfacturen die door W. vzw waren uitgereikt. Rechts van de opgesomde facturen waren telkens met de hand opmerkingen geschreven door P. T., bestuurder van W. vzw. Rechts van de 12 facturen die in 2009 door W. vzw waren uitgereikt aan eiseres stond met een accolade geschreven "120.000 - 10% = 108.000 teruggegeven C. B. J. S.". Verder vond verweerder een creditnota terug voor het bedrag van 108.000,00 euro + 22.680;00 euro BTW, door W. vzw uitgereikt aan C. B. ltd, met

de vermelding "publiciteit cyclingteam "C. Cash retour voor H. V. sponsoring’’20;

20 Stuk 42 verweerder

- Voor wat betreft het jaar 2010 maakte de voormelde lijst melding van 6 facturen die W. vzw in de loop van 2010 had uitgereikt aan eiseres. Rechts van de 6 facturen stond met een accolade geschreven "60.000 - 10% = 53.000 terug aan C. B.". Op het einde van de lijst stond nog een nota waarin melding werd gemaakt van een creditnota van in totaal 204.300,00 euro (exclusief BTW) voor sponsoring, waaronder de sponsoring van eiseres. Verweerder vond een creditnota terug voor het bedrag van 204.300,00 euro + 42.903,00 BTW, door W. vzw uitgereikt aan C. B. ltd, met de vermelding "publiciteit cyclingteam "C. . Cash retour voor H. V. sponsoring";

- Verweerder stelde vast dat in de boekhouding van eiseres geen spoor terug te vinden is van de voormelde correcties;

Hoewel de omzet van eiseres daalde, en de activiteiten van eiseres geleidelijk aan werden overgebracht naar E. nv, namen de uitgaven voor sponsoring toe, wat volgens verweerder onlogisch is. Bovendien werd de sponsoring zelfs niet verdergezet door E. nv;

P. T., bestuurder van W. vzw, verklaarde per mail van 1 december 2010 aan verweerder dat hij in het kader van de sponsoring door eiseres, telkens een factuur van 10.000,00 euro (+ BTW) opmaakte en deze factuur overhandigde aan J. S. van C. B. ltd . Hij ontving dan 2.000,00 euro (+ BTW) maar diende af te tekenen voor ontvangst van 10.000,00 euro (+ BTW). Dit gebeurde telkens nadat J. S. het sponsorgeld was gaan halen bij eiseres. Om het half jaar werd dan een creditnota opgemaakt door W. vzw en overgemaakt aan C. B. ltd. Deze creditnota hadden betrekking op verschillende sponsors, waaronder eiseres21;

Uit de verklaringen die in het kader van het strafonderzoek werden afgelegd door J. S. (C. B. ltd), E. T. (bestuurder W. vzw) en R. V. (gedelegeerd bestuurder van B. nv)22 leidt verweerder af dat W. nv aanvankelijk nog een schuld van 15.000,00 had bij B. nv en dat initieel een gedeelte van de sponsorgelden rechtstreeks werden aangewend om de schulden die W. nv had bij B. nv af te betalen. De schuld bij B. nv was evenwel op die manier reeds op 12 februari 2008 afgelost. Volgens verweerder moet op basis van het geheel van de verklaringen worden besloten dat het grootste deel van de door W. vzw gefactureerde bedragen (namelijk 162.000,00 euro van de 180.000,00 euro die in totaal werd gefactureerd) nooit bij W. nv terechtkwamen, maar terugvloeiden naar eiseres.

4.3.4 Een aantal van de hiervoor weergegeven elementen werden door verweerder opgenomen in het proces-verbaal van 24 mei 2012.

21 Stuk 43 verweerder

22 Stukken 29, 36 en 37 verweerder

De vaststellingen in een proces-verbaal hebben een bijzondere bewijswaarde, namelijk ze worden geacht te zijn bewezen behoudens het tegendeel wordt aangetoond, voor zover het gaat om materiële vaststellingen die door de ambtenaar-opsteller persoonlijk werden gedaan (art 59, §1 BTW-wetboek).

In casu hebben de vaststellingen gedaan bij de controle van de voorgelegde boeken en bescheiden van eiseres, de gegevens van de administratie met betrekking tot W. vzw en de schriftelijke verklaring van P. T. zoals weergegeven in het proces­ verbaal, bijzondere bewijswaarde.

Dit geldt niet voor de inhoud (juistheid) van de inlichtingen die van voormelde derden werden verkregen en de deducties die op basis daarvan en op basis van de andere feiten worden gemaakt door de opsteller van het proces-verbaal. Deze 'vaststellingen' hebben een gewone bewijswaarde.

Ook de elementen waarop verweerder zich steunt, maar niet werden opgenomen in het proces-verbaal, hebben geen bijzondere bewijswaarde.

4.3.5 Eiseres mag maar de BTW die werd geheven op de aan haar verstrekte dienstverlening in aftrek brengen indien zij bewijst dat de dienstverlening, zoals die aan haar werd gefactureerd, effectief werd verstrekt zoals overeengekomen tussen partijen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs niet levert.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er ernstige twijfels over de waarachtigheid van de facturen van W. vzw, maar bepaald of eiseres werkelijk W. vzw voor die bedragen heeft gesponsord zoals die aan haar werden gefactureerd door W. vzw.

Uit de door partijen bijgebrachte stukken blijkt weliswaar afdoende dat eiseres in de periode 2007-2010 W. vzw heeft gesponsord, maar niet dat de op de facturen voor­ melde sponsorgelden overeenstemmen met de werkelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres op geen enkele concrete wijze de bewijselementen ontkracht of weerlegt die naar voor worden gebracht door verweerder ter staving van zijn stelling dat de facturen op basis waarvan eiseres een belastingaftrek deed, niet waarheidsgetrouw zijn.

Eiseres verwijst in hoofdzaak naar de facturen zelf en argumenteert dat de facturen op zich­ zelf het bewijs leveren van de waarachtigheid van de gefactureerde bedragen.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de facturen, die op zich de basis vormen voor de toegepaste BTW-aftrek, in casu slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft de bedragen waarvoor eiseres W. vzw effectief zou hebben gesponsord.

4.3.6 Gezien eiseres faalt in haar bewijslast, heeft ze ten gronde geen recht op aftrek van de BTW op de voormelde facturen uitgaande van W. vzw.

4.4 De facturen uitgaande van D. L. ltd

4.4.1 Eiseres stelt dat zij terecht de BTW op de volgende (17) facturen23 uitgaande van D. L. ltd in aftrek heeft gebracht:

- Factuur nr. 2007/005, d.d. 31 januari 2007, ten bedrage van 9.460,00 euro, BTW 1.986,60 euro;

- Factuur nr. 2007/007, d.d. 31 januari 2007, ten bedrage van 3.400,00 euro, BTW 714,00 euro;

- Factuur nr. 2007/011, d.d. 28 februari 2007, ten bedrage van 8.400,00 euro, BTW 1.746,00 euro;

- Factuur nr. 2007/017, d.d. 31 maart 2007, ten bedrage van 9.240,00 euro, BTW 1.940,40 euro;

- Factuur nr. 2007/021, d.d. 30 april 2007, ten bedrage van 8.360,00 euro, BTW 1.755,60 euro;

- Factuur nr. 2007/023, d.d. 30 april 2007, ten bedrage van 3.400,00 euro, BTW 714,00 euro;

- Factuur nr. 2007/025, d.d. 31 mei 2007, ten bedrage van 8.740,00 euro, BTW 1.835,40 euro;

- Factuur nr. 2007/029, d.d. 30 juni 2007, ten bedrage van 9.480,00 euro, BTW 1.990,80 euro;

- Factuur nr. 2007/031, d.d. 31 juli 2007, ten bedrage van 9.085,00 euro, BTW 1.907,85 euro;

- Factuur nr. 2007/033, d.d. 31 augustus 2007, ten bedrage van 10.250,00 euro, BTW 2.152,50 euro;

- Factuur nr. 2007/037, d.d. 30 september 2007, ten bedrage van 9.480,00 euro, BTW 1.990,80 euro;

- Factuur nr. 2007/040, d.d. 31 oktober 2007, ten bedrage van 9.085,00 euro, BTW 1.907,85 euro;

- Factuur nr. 2007/043, d.d. 30 november 2007, ten bedrage van 10.125,00 euro, BTW 2.126,25 euro;

23 Stuk 16 verweerder

- Factuur nr. 2007/045, d.d. 31 december 2007, ten bedrage van 11.050,00 euro, BTW 2.320,50 euro;

- ..Factuur nr. 2008/003, d.d. 31 januari 2008, ten bedrage van 10.750,00 euro, BTW 2.257,50 euro;

- . Factuur nr. 2008/006, d.d. 29 februari 2008, ten bedrage van 10.625,00 euro, BTW 2.231,25 euro;

- . Factuur nr. 2008/007, d.d. 29 februari 2008, ten bedrage van 9.240,00 euro, BTW 1.940,40 euro.

4.4.2 Eiseres stelt dat zij het bewijs levert dat de diensten die het voorwerp uitmaken van de voormelde facturen, werden verstrekt.

Het zou gaan om transporten die D. L. ltd in onderaanneming van eiseres verrichtte.

Eiseres verwijst naar een BTW-correctieopgave die werd opgesteld na een BTW-controle bij D. L. ltd, waarin D. V., bestuurder van D. L. ltd, verklaarde dat de diensten, vervat in de voormelde facturen, werden verstrekt en er zich toe verbond om BTW te betalen op de daardoor genereerde omzet24. Er wordt ook verwezen naar een verklaring die door D. V. werd afgelegd in het kader van het strafonderzoek waarin hij formeel stelde dat de facturen echt zijn en er een economische prestatie tegenover staat25.

Eiseres stelt verder dat de facturen steeds werden betaald via cheque of bankoverschrijving.

Verder argumenteert eiseres dat D. L. ltd wel degelijk over de nodige middelen beschikte om vervoersdiensten te verstrekken gezien zij in de loop van de jaren 4 vrachtwagens aankocht bij haar26.

Eiseres houdt voor dat een aantal van de cheques werden teruggestort op een extracomptabele rekening van eiseres omdat D. L. ltd nog gelden verschuldigd was aan eiseres en er op die manier werd gecompenseerd. Er wordt door eiseres verwezen naar een register van compensaties en naar briefwisseling daaromtrent27.

4.4.3 Verweerder stelt dat de voormelde facturen, uitgaande van D. L. ltd, niet overeenstemmen met de werkelijkheid.

24 Stuk 11 eiseres

25 Stuk 16 eiseres

26 Stuk 14 eiseres

27 Stukken 14 en 15 eiseres

Verweerder baseert zich daarvoor onder meer op de volgende elementen:

De Engelse vennootschap D. L. ltd was vanaf 1 april 2008 in België onder het BTW-identificatienummer 087...92 geregistreerd voor de werkzaamheid van goederenvervoer over de weg. De bestuurder van het Belgische filiaal van de vennootschap was D. V.;

Het Belgische filiaal van D. L. ltd was gevestigd te .... Bij drie onaangekondigde controles in 2009 werd vastgesteld dat er niemand aanwezig was op het voormelde adres en dat de daar gelegen woning werd verbouwd en op het eerste gezicht niet bewoond leek te zijn. Ook op 2 december 2010 werd door X (opsteller van het proces-verbaal) vastgesteld dat de deur van het pand niet werd geopend, dat het gebouw in een erbarmelijk staat verkeerde en dat erkennelijk verbouwingswerken aan de gang waren;

- Op 14 april 2009 werd D. L. ltd failliet verklaard door de rechtbank van koophandel te Leuven. Bij vonnis van 10 november 2009 werd het faillissement gesloten verklaard. De gefailleerde werd niet verschoonbaar verklaard. D. V. werd als vereffenaar aangeduid;

Bij een BTW-controle bij E. nv, een vennootschap die behoort tot dezelfde groep als eiseres, op 2 december 2010 werden bijkomende inlichtingen gevraagd met betrekking tot de diensten die aan E. nv werden gefactureerd door D. ltd. A. D., personeelslid van het gevolmachtigd boekhoudkantoor van E. nv, kon daaromtrent geen relevante bijkomende inlichtingen verstrekken, evenmin konden aanvullende stukken worden voorgelegd;

Er werd vastgesteld dat de betalingen van 10 van de facturen die door D. L. ltd werden uitgereikt aan eiseres terug op eigen rekeningen van eiseres terecht kwamen. Deze rekeningen, met de nummers BE… en BE…, waren bovendien niet in de boekhouding van eiseres opgenomen;

Uit gegevens die op 26 mei 2011 werden verkregen van de Britse autoriteiten blijkt dat D. L. ltd in feite op 15 september 2009 werd ontbonden. Hoewel het bedrijf een vennootschapsbelastingnummer had in het Verenigd Koninkrijk, werden er nooit aangiften ingediend. De Britse autoriteiten hadden het vermoeden dat de onderneming noot handel had gedreven op Brits grondgebied;

D. L. ltd diende in totaal slechts vier BTW-aangiften in België in namelijk voor de maand april 2008, de maand mei 2008, de maand juni 2008 en voor het derde kwartaal van 200828;

De 17 aankoopfacturen uitgaande van D. L. ltd maakten niet het voorwerp uit van enige BTW-aangifte ingediend door D. L. ltd. In de periode dat D. ltd facturen uitreikte aan eiseres was zij zelfs niet geregistreerd als BTW­ belastingplichtige. Er vond pas een BTW-registratie plaats per 1 april 2008;

28 Stuk 25 verweerder

De verklaring die in het kader van strafonderzoek werd afgelegd door W. C. die in de periode van 2007 tot begin 2009 werkte voor E. nv en P. bvba, ondernemingen die behoren tot dezelfde groep als eiseres. Hij verklaarde dat D. L. ltd een chauffeur in onderaanneming was die valse facturen leverde, dit op vraag E. H., bestuurder van (onder meer) eiseres.29

4.4.4 Een aantal van de hiervoor weergegeven elementen werden door verweerder opgenomen in het proces-verbaal van 24 mei 2012.

De vaststellingen in een proces-verbaal hebben een bijzondere bewijswaarde, namelijk ze worden geacht te zijn bewezen behoudens het tegendeel wordt aangetoond, voor zover het gaat om materiële vaststellingen die door de ambtenaar-opsteller persoonlijk werden gedaan (art 59, §1 BTW-wetboek).

In casu hebben de vaststellingen gedaan bij de controle van de voorgelegde boeken en bescheiden van eiseres, de gegevens van de administratie met betrekking tot D. L. ltd, het gegeven dat er een vraag tot inlichtingen werd gericht aan de Britse autoriteiten en het in het proces-verbaal weergegeven antwoord, het gegeven dat bijkomende inlichtingen werden gevraagd aan E. nv en de in het proces-verbaal weergegeven antwoorden, en de feitelijke vaststelling van de opsteller van het proces-verbaal met betrekking tot het adres waar het Belgische filiaal van D. L. ltd was gevestigd, bijzondere bewijswaarde.

Dit geldt niet voor de inhoud (juistheid) van de inlichtingen die van voormelde derden werden verkregen en de deducties die op basis daarvan en op basis van de andere feiten worden gemaakt door de opsteller van het proces-verbaal. Deze 'vaststellingen' hebben een gewone bewijswaarde.

Ook de elementen waarop verweerder zich steunt, maar niet werden opgenomen in het proces-verbaal, hebben geen bijzondere bewijswaarde.

4.4.5 De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel concreet bewijs bijbrengt ter staving van haar stelling dat de vervoerdiensten, voorwerp van de facturen op basis waarvan zij een BTW-aftrek deed, effectief werden verstrekt. De bewijslast rust nochtans bij eiseres.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de facturen zelf, die op zich de basis vormen voor de toegepaste BTW-aftrek, in casu slechts een beperkte bewijswaarde voor wat betreft het effectief verstrekken van de diensten die het voorwerp uitmaken van deze facturen.

Er worden met betrekking tot de gefactureerde vervoerdiensten geen andere documenten, zoals bestelbonnen, leveringsbonnen, vervoerdocumenten, rittenlijsten of afrekeningsstaten, voorgelegd door eiseres.

Eiseres ontkracht of weerlegt naar het oordeel van de rechtbank ook niet de bewijselementen die naar voor worden gebracht door verweerder ter staving van zijn stelling dat de facturen op basis waarvan eiseres een belastingaftrek deed, niet waarheidsgetrouw zijn.

29 Stuk 33 verweerder

Het gegeven dat er een correctieopgave werd opgesteld, waarbij D. L. ltd er zich toe verbond om alsnog BTW te betalen op de facturen uitgereikt aan eiseres, bewijst geenszins dat deze gefactureerde diensten effectief verstrekt werden. Deze correctieopgave werd immers gesteund op artikel 51, §1, 3° van het BTW-wetboek dat bepaalt dat de belasting verschuldigd is door eenieder die op een factuur de BTW vermeldt, zelfs indien hij geen goed heeft geleverd of dienst heeft verstrekt.

De verklaring van D. V. van 7 april 2008 waarin hij stellig beweerde dat de facturen echt zijn en er een economische prestatie tegenover staat, heeft naar het oordeel van de rechtbank slechts een geringe bewijswaarde, gezien hij zelf namens D. L. ltd de bewuste facturen uitreikte. Ook D. V. liet trouwens na enig stuk bij te brengen omtrent de vervoersdiensten die door D. L. ltd zouden zijn verstrekt aan eiseres. D. V. beantwoordde de vragen tot inlichtingen van verweerder niet.

De bewering van eiseres dat D. L. ltd over de nodige middelen beschikte om vervoersdiensten te verrichten, wordt niet aangetoond door de stukken waarop eiseres haar bewering steunt. De vier facturen voor de koop-verkoop van een tweedehandse vrachtwagen, hebben betrekking op transacties die werden afgesloten tussen V. H. nv (als verkoper) en V. L. bvba (als koper). Het was dus niet D. L. ltd die deze vrachtwagens aankocht. Bovendien bewijst het gegeven dat een vennootschap vrachtwagens heeft aangekocht, op zich niet dat de concrete vervoersdiensten die het voorwerp zijn van facturen, werden verstrekt.

Verder wordt de compensatieregeling waarvan eiseres gewag maakt, allerminst aannemelijk gemaakt, laat staan bewezen, op basis van de bijgebrachte stukken. Uit het voorlegde register van compensaties kan op zich niets worden opgemaakt. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de facturen van D. L. ltd betrekking hebben op ritten die D. L. ltd voor eiseres zou hebben verricht tussen de diverse vestigingen van de groep H. . Volgens de facturen vervoerde D. L. dus geen goederen naar klanten, zodat zij ook geen betalingen van klanten (rembours-betalingen) in ontvangst diende te nemen.

4.4.6 Gezien eiseres faalt in haar bewijslast, heeft ze ten gronde geen recht op aftrek van de BTW op de voormelde facturen uitgaande van D. L. ltd.

De facturen uitgaande van J. V.

4.5.1 Eiseres stelt dat zij terecht de BTW op de volgende (10) facturen30 uitgaande van J. V. in aftrek heeft gebracht:

- Factuur nr. 09/0383, d.d. 19 november 2009, ten bedrage van 4.890,00 euro, BTW 1.026,90 euro;

- Factuur nr. 09/0399, d.d. 14 december 2009, ten bedrage van 5.150,00 euro, BTW 1.081,50 euro;

30 Stuk 17 verweerder

- Factuur nr. 10/0106, d.d. 7 januari 2010, ten bedrage van 3.960,00 euro, BTW 831,60 euro;

- Factuur nr. 10/0122, d.d. 30 januari 2010, ten bedrage van 4.260,00 euro, BTW 894,60 euro;

- Factuur nr. 10/0139, d.d. 23 februari 2010, ten bedrage van 4.280,00 euro, BTW 898,80 eu ro;

- Factuur nr. 10/0172, d.d. 29 maart 2010, teh bedrage van 4.680,00 euro, BTW 982,60 euro;

- Factuur nr. 10/0208, d.d. 30 april 2010, ten bedrage van 5.985,00 euro, BTW 1.256,85 eu ro;

- Factuur nr. 10/0244, d.d. 21 juni 2010, ten bedrage van 5.225,00 euro, BTW 1.097,25 euro;

- Factuur nr. 10/0278, d.d. 30 juli 2010, ten bedrage van 3.785,00 euro, BTW 794,85 euro;

- Factuur nr. 10/0302, d.d. 26 augustus 2010, ten bedrage van 3.980,00 euro, BTW 835,80 euro.

4.5.2 Eiseres stelt dat de gegevens op de facturen uitgaande van J. V. overeenstemmen met de werkelijkheid.

De facturen zouden betrekking hebben op drukwerken die werden besteld bij J. V. .

Volgens eiseres werden de bestelde drukwerken bij haar geleverd door J. V. persoonlijk, met verzoek om contant te betalen bij levering. Eiseres houdt voor daaraan gevolg te hebben gegeven en de facturen bij levering te hebben betaald per cheque of in contanten. Eiseres stelt dat J. V. om contante betaling vroeg omdat hij in financiële moeilijkheden verkeerde.

Eiseres stelt voor de betaling van J. V. soms contante gelden te hebben gebruikt van haar remboursen. Nadien werd dit door eiseres gecompenseerd door de uitgifte van cheques, die werden geïnd en gestort op de remboursrekening.

Er wordt verwezen naar verklaringen die aan de politiediensten werden afgelegd door P. H. en J. H., zaakvoerders van respectievelijk de ondernemingen P. bvba en J. H. L. bvba die behoren tot dezelfde groep als eiseres. Zij verklaarden dat er bij J. V. drukwerken werden besteld en dat deze werden geleverd en betaald31.

31 Stuk 16 eiseres

4.5.3 Verweerder stelt dat de voormelde facturen uitgaande van J. V., niet overeenstemmen met de werkelijkheid.

Verweerder baseert zich daarvoor onder meer op de volgende elementen:

Er werd vastgesteld dat er in de boekhouding van eiseres voor de jaren 2009 en 2010 respectievelijk voor 10.040,00 euro + 2.108,40 euro BTW en 36.155,00 euro +7.592,55 euro BTW, in totaal tien facturen uitgereikt door J. V., waren ingeschreven terwijl er in de opgave van afnemers-belastingplichtigen van J. V. voor 2009 slechts 6.040,00 euro + 1.268,40 BTW en voor 2010 slechts 7.475,00 euro + 1.569,75 euro BTW was vermeld. Er was dus een belangrijk verschil tussen de cijfers in de boekhouding van eiseres en die vermeld in de boekhouding van J. V.;

- J. V. verklaarde aan X (opsteller van het proces­ verbaal} dat er op vraag van E. H., gedelegeerd bestuurder van eiseres, iets extra op de facturen werd gezet. De facturen werden nagenoeg steeds contant betaald, telkens op de dag van de levering van de goederen. Er werd steeds 2.000,00 à 3.000,00 minder betaald dan vermeld op de facturen;

Er werd vastgesteld dat, volgens de boekhouding van eiseres, de betalingen bijna niet contant gebeurden. Twee facturen werden per overschrijving betaald, waarvan één met als begunstigde E. H., de gedelegeerd bestuurder van eiseres. Eén factuur werd deels contant betaald ná levering en deels per cheque. De overige facturen werden allemaal per cheque betaald. Bij drie van deze betalingen per cheque vloeide het geld terug naar één van de extracomptabele rekeningen van eiseres;

- Voor de meeste facturen werd er een leveringsbon teruggevonden, maar noch de leveringsbonnen noch de facturen maken melding van de prijs per artikel. Er werd steeds slechts één globale prijs vermeld;

De verklaring die in het kader van het strafonderzoek werd afgelegd door J. V. . Hij was formeel dat er op een systematische wijze overfacturatie is geweest voor de vennootschappen van de groep H., waaronder eiseres, dit op uitdrukkelijk verzoek van E. H.. J. V. situeerde de overfacturatie tussen 30% en 50% van het totaalbedrag van de facturen32;

De verklaring die in het kader van het strafonderzoek werd afgelegd door E. H., gedelegeerd bestuurder van eiseres. Hij gaf toe dat er overfacturatie was geweest, doch hij stelde dat dit op vraag van J. V. was gebeurd en dat dit beperkt was gebleven tot ongeveer 5.000,00 euro voor het totaal van de facturen van de groep H.33.

32 Stuk 38 verweerder

33 Stukken 39 en 40 verweerder

4.5.4 Een aantal van de hiervoor weergegeven elementen werden door verweerder opgenomen in het proces-verbaal van 20 april 2012.

De vaststellingen in een proces-verbaal hebben een bijzondere bewijswaarde, namelijk ze worden geacht te zijn bewezen behoudens het tegendeel wordt aangetoond, voor zover het gaat om materiële vaststellingen die door de ambtenaar-opsteller persoonlijk werden gedaan (art 59, §1 BTW-wetboek).

In casu hebben de vaststellingen gedaan bij de controle van de voorgelegde boeken en bescheiden van eiseres, de gegevens van de administratie met betrekking tot J. V., en de vragen tot inlichtingen gesteld aan J. V. en de weergegeven antwoorden, bijzondere bewijswaarde.

Dit geldt niet voor de inhoud (juistheid) van de inlichtingen die van voormelde derde werden verkregen en de deducties die op basis daarvan en op basis van de andere feiten worden gemaakt door de opsteller van het proces-verbaal. Deze 'vaststellingen' hebben een gewone bewijswaarde.

Ook de elementen waarop verweerder zich steunt, maar niet werden opgenomen in het proces-verbaal, hebben geen bijzondere bewijswaarde.

4.5.5 Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er ernstige twijfels over de waarheidsgetrouwheid van de facturen van J. V. .

Eiseres ontkracht of weerlegt op geen enkele concrete wijze, laat staan met bewijskrachtige stukken, de bewijselementen die naar voor worden gebracht door verweerder ter staving van zijn stelling dat de facturen op basis waarvan eiseres een belastingaftrek deed, niet waarheidsgetrouw zijn.

De bewering van eiseres dat de facturen contant werden betaald bij levering, dat eiseres niet steeds contante gelden ter beschikking had en dat daarom gebruik werd gemaakt van remboursen, en dat nadien een cheque werd uitgegeven om dit te compenseren, komt de rechtbank onaannemelijk voor. De rechtbank stelt vast de cheques die door eiseres werden uitgegeven, J. V. aIs begunstigde hadden34. De rechtbank ziet niet in waar­ om eiseres na levering een cheque zou uitgeven met J. V. als begunstigde, indien J. V. reeds contant was betaald bij levering.

Eiseres mag maar de BTW die werd geheven op aan haar geleverde goederen in aftrek brengen indien zij bewijst dat die goederen effectief werden geleverd én zij aantoont dat de geleverde goederen door haar werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs niet levert.

Gezien eiseres faalt in haar bewijslast, heeft ze geen recht op aftrek van de BTW op de voormelde facturen uitgaande van J. V. .

34 Stuk 17 verweerder

4.6 De factuur uitgaande van V.-D. bvba

4.6.1 Verweerder stelt dat eiseres de BTW op de factuur nr. 09002749 V04 d.d. 16 april 2009 uitgaande van V.-D. bvba (ten bedrage van 20.436,16 euro, BTW 4.291,59 euro) onterecht in aftrek heeft gebracht35•

Verweerder baseert zich daarvoor onder meer op de volgende elementen:

V.-D. bvba is sinds 11 september 2001 onder het BTW­ identificatienummer 047...45 geregistreerd voor de werkzaamheid van detail­ handel in brandstoffen;

- Er werd vastgesteld dat in de boekhouding van eiseres het bedrag van de aankopen bij V.-D. bvba hoger was dan in de boekhouding van V.-D. bvba was vermeld. De afwijking bedroeg 20.436,16 euro en 4.291,59 BTW en stemde overeen met de voormelde factuur;

- Op de voormelde factuur trof verweerder een kleefbriefje waarop stond geschreven

"CN moet volgen" (creditnota moet volgen);

- Op 25 januari 2012 verzond verweerder hieromtrent een vraag tot inlichtingen aan V.-D. bvba. V.-D. bvba antwoordde er door eiseres brandstof was besteld die op 16 april 2009 was geleverd. De factuur voor deze levering werd dan ook verzonden naar eiseres. Achteraf werd gemeld dat er voortaan moest worden gefactureerd op naam van E. nv en niet langer op naam van eiseres. V.-D. bvba deelde mee daarop de factuur voor de levering van 16 april 2009 te hebben aangepast en verzonden naar E. nv. Een kopie van de nieuw uitgereikte factuur werd overgemaakt aan verweerder36;

- Verweerder stelde vast dat eiseres de factuur betaalde middels de uitgifte van drie cheques ten gunste van V.-D. bvba (namelijk op 8 oktober 2009, op 12 oktober 2009 en 22 oktober 2009), niettegenstaande er zich op de factuur een kleefbriefje bevond met de melding dat er een creditnota zou volgen. Bovendien bleek dat de tweede cheque, voor een bedrag van 10.000,00 euro, werd geïnd en gestort op de (extracomptabele) bankrekening met nummer BE… toebehorend aan eiseres. Deze betaling kwam dus niet terecht bij V.-D. bvba, maar vloeide terug naar eiseres.

4.6.2 Gelet op wat hiervoor werd uiteengezet, blijkt dat eiseres geen recht op aftrek van de BTW op de voormelde factuur uitgaande van V.-D. bvba.

35 Stuk 18 verweerder

36 Stuk 18 verweerder

4.7 De facturen uitgaande van J. A.

4.7.1 Eiseres stelt dat zij terecht de BTW op volgende (4) facturen uitgaande van J. A. in aftrek heeft gebracht37:

- Factuur nr. VK 81879, d.d. 11 december 2008, ten bedrage van 8.255,84 euro, BTW 1.733,73 euro;

- Factuur nr. VK 81944, d.d. 16 december 2008, ten bedrage van 1.440,00 euro, BTW 302,40 euro;

- Factuur nr. VK 91122, d.d. 30 juli 2009, ten bedrage van 753,60 euro, BTW 158,26 euro;

- Factuur nr. VK 91784, d.d. 30 november 2009, ten bedrage van 5.040,00 euro, BTW 1.058,40 euro.

De facturen hebben betrekking op de levering van wijn.

Eiseres houdt voor dat de facturen van J. A. beantwoorden aan werkelijke leveringen.

Eiseres stelt dat de bestellingen contant werden betaald bij levering. Omdat ze niet over kasgelden beschikte, werden daarvoor de gelden van de remboursen gebruikt. Nadien werd dit door eiseres gecompenseerd door de uitgifte van cheques, die werden geïnd en gestort op de remboursrekening.

Volgens eiseres wordt niet door verweerder bewezen dat deze facturen vals zijn.

4.7.2 Volgens de inlichtingen die door J. A. werden verstrekt aan verweerder, stemt de datum van levering overeen met de factuurdatum van de facturen. J. A. verklaarde dat de facturen telkens contant werden betaald, enkele dagen na levering.

Verweerder stelde echter vast dat volgens de boekhouding van eiseres maar één van de facturen contant was betaald (daags na levering) (namelijk factuur nr. VK 91122 d.d. 30 juli 2009) en dat de overige facturen per cheque. werden betaald.

De cheques werd telkens door eiseres uitgegeven met als begunstigde J. A. . De cheque die werd uitgegeven voor de twee facturen van 2008 bleek evenwel niet door J. A. te zijn geïnd, maar wel te zijn geïnd via de (extracomptabele) rekening met nummer … toebehorende aan eiseres.38

37 Stuk 19 verweerder

38 Stuk 19 verweerder

Verweerder verwijst verder naar de verklaring die door P. H. werd afgelegd in het kader van het strafonderzoek. P. H. was als chauffeur/magazijnier werkzaam bij de eenmanszaak J. A. . Hij verklaarde dat E. H. een goede klant was bij J. A. en dat hij regelmatig vroeg om aan overfacturatie te doen. P. H. was formeel dat er vanuit J. A. aan overfacturatie werd gedaan voor de firma's van E. H. .39

4.7.3 Eiseres mag maar de BTW die werd geheven op aan haar geleverde goederen in aftrek brengen indien zij bewijst dat die goederen effectief werden geleverd én zij aantoont dat de geleverde goederen door haar werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs niet levert.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaan er ernstige twijfels over de waarheidsgetrouwheid van de facturen van J. A. .

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel concreet bewijs bijbrengt van de effectieve levering van de flessen wijn die het voorwerp zijn van de facturen.

De bewering van eiseres dat de facturen contant werden betaald bij levering, dat eiseres geen contante gelden ter beschikking had en dat daarom gebruik werd gemaakt van remboursen, en dat nadien een cheque werd uitgegeven om dit te compenseren, komt de rechtbank onaannemelijk voor. De rechtbank ziet niet waarom eiseres na levering een cheque zou uitgeven met J. A. als begunstigde, indien J. A. reeds contant was betaald bij levering. Voor wat betreft de factuur met nummer VK 91122 gaat de redenering van eiseres evenmin op. Deze factuur werd immers contant betaald ná de levering, zodat het beweerde probleem van de afwezigheid van contanten bij eiseres, zich helemaal niet stelde.

Gezien eiseres faalt in haar bewijslast, heeft ze geen recht op aftrek van de BTW op de voormelde facturen uitgaande van J. A. .

4.8 De factuur uitgaande van G. G. bvba

4.8.1 Verweerder stelt dat eiseres de BTW op de factuur nr. 90057 d.d. 19 januari 2009 uitgaande van G. G. bvba (ten bedrage van 6.677,68 euro, BTW 1.402,31 euro) onterecht in aftrek heeft gebracht.

Deze factuur heeft betrekking op diesel die voor de vrachtwagens van eiseres zou zijn getankt.

Verweerder baseert zich daarvoor onder meer op de volgende elementen:

- G. G. bvba is sinds 1 juli 1983 onder het BTW-identificatienummer 042...60 geregistreerd voor de werkzaamheid van detailhandel in auto's en lichte vrachtwagens;

39 Stuk 41 verweerder

Er werd door verweerder vastgesteld dat er in de aankoopadministratie van eiseres voor 2009 een bedrag van 6.677,68 euro + 1.402,31 euro BTW aan aankopen bij G. G. bvba was opgenomen, terwijl in de opgave van de afnemers­ belastingplichtingen (art. 53quinquies BTW-wetboek) van G. G. bvba daarvan niets was terug te vinden. Dit bedrag stemt overeen met de voormelde factuur;

- Verweerder stelde vast dat de betaling die door eiseres werd verricht voor deze betaling (per cheque) was terecht gekomen op een eigen, extracomptabele rekening van eiseres, namelijk de rekening met nummer BE…;

- Verweerder verzond een vraag tot inlichtingen naar G. G. bvba. G. G. bvba deelde mee in 2008 voor in totaal 64.401,16 euro + 13.524,25 euro BTW te hebben gefactureerd aan eiseres, dit voor de levering van diesel. In 2009 werd niet gefactureerd aan eiseres. G. G. bvba verklaarde sinds 1 januari 2009 niet langer zelf -haar tankstation uit te baten, maar dit te verhuren aan G. S. nv.40

4.8.2 Eiseres stelt in haar magazijn in Beernem over een eigen tankinstallatie te beschikken.

Volgens eiseres was deze installatie gedurende een aantal weken stuk, zodat zij haar vrachtwagenbestuurders in deze periode liet tanken bij een van haar buren op het industrieterrein van Beernem.

Eiseres houdt voor dat deze tankbeurten contant dienden te worden betaald en dat ze daarvoor gebruik maakte van gelden op haar remboursrekening. Dit diende nadien te worden geregulariseerd, hetgeen eiseres stelt te hebben gedaan door de uitgifte van een cheque die werden geïnd op haar remboursrekening.

4.8.3 Eiseres mag maar de BTW die werd geheven op aan haar geleverde goederen in aftrek brengen indien zij bewijst dat die goederen effectief werden geleverd én zij aantoont dat de geleverde goederen door haar werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs niet levert.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkel concreet bewijs bijbrengt ter staving van haar stelling dat de goederen, voorwerp van de facturen op basis waarvan zij een BTW-aftrek deed, effectief werden geleverd.

Zo worden met betrekking tot de gefactureerde tankbeurten diesel geen leveringsbonnen of kastickets voorgelegd door eiseres.

40 Stuk 20 verweerder

Gezien eiseres faalt in haar bewijslast, heeft ze geen recht op aftrek van de BTW op de voormelde factuur uitgaande van G. G. bvba.

5 Nopens de toepassing van artikel 81bis, §1, lid 2. 4° van het BTW-wetboek

5.1 Eiseres stelt dat verweerder onterecht toepassing heeft gemaakt van artikel 81bis,§1, lid 2, 4° van het BTW-wetboek.

Volgens eiseres bewijst verweerder niet dat er door haar overtredingen van de BTW­ wetgeving werden begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

Gezien dit niet wordt bewezen, kan verweerder zich niet beroepen op de verlengde verjaringstermijn van 7 jaar, aldus eiseres.

5.2 Overeenkomstig artikel 81bis, §1, lid 1 van het BTW-wetboek verjaren de vorderingen tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Artikel 81bis, §1, lid 2, 4° van het BTW-wetboek voorziet evenwel dat, in afwijking daarvan, er pas verjaring is na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer de BTW-wetgeving werd overtreden met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden (zie ook hoger).

'Bedrieglijk opzet' bestaat wanneer de overtreding werd begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. 'Oogmerk om te schaden' is er wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelf zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.

5.3 In casu werd er door verweerder een dwangbevel uitgevaardigd op 31 mei 2012 (uitvoerbaar verklaard op 5 juni 2012).

Dit betekent dat de vordering van verweerder, in zoverre ze betrekking heeft belastingaftrekken die zich situeren in de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012, valt binnen de gewone verjaringstermijn van 3 jaar.

Dit geldt voor: 6 van de 26 (19 + 7) uitgaande facturen van C. B. ltd, voor de 18 facturen uitgaande van W. vzw, voor de 10 facturen uitgaande van J. V., voor de factuur uitgaande van V.-D. bvba, voor 2 van de 4 facturen uitgaande van J. A., en voor de factuur uitgaande van G. G. bvba.

Voor de overige in het geding zijnde facturen situeert de oorzaak van de opeisbaarheid van de BTW zich vóór 2009, zodat moet worden bewezen dat eiseres de BTW-wetgeving heeft overtreden met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, opdat toepassing kan worden gemaakt van de verjaringstermijn van 7 jaar, en bijgevolg de vordering van eiseres niet verjaard is.

5.4 Overeenkomstig artikel 59, §1 van het BTW-wetboek kunnen iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.

De administratie kan zich bijgevolg ook beroepen op feitelijke vermoedens om een bewijs van een overtreding of het misbruik van de bepalingen van het BTW-wetboek te leveren. Feitelijke vermoedens zijn gevolgtrekkingen die uit een bekend feit worden afgeleid om te besluiten tot een onbekend feit (art. 1349 Burgerlijk Wetboek). Het moet gaan om gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens (art. 1353 Burgerlijk Wetboek).41

5.5 Naar het oordeel van de rechtbank bewijst verweerder, middels de elementen die samenvattend werden weergegeven onder hoofdstuk 4 van dit vonnis, dat eiseres bij de onterechte belastingaftrekken met bedrieglijk opzet handelde.

Het is duidelijk dat eiseres met de leveranciers C. B. ltd, D. L. ltd en J. A. een systeem opzette waarbij aan eiseres aanzienlijke bedragen werden gefactureerd die in belangrijke mate fictief waren, dit met de bedoeling om de BTW op deze facturen in aftrek te laten brengen door eiseres en alzo belastingen te ontduiken. Het is ook duidelijk dat eiseres in hetzelfde kader en met dezelfde doelstelling een systeem opzette van parallelle betalingen (een officiële schijnbetaling en een verdoken werkelijke betaling) van facturen.

De overtredingen van de BTW-wetgeving werden onmiskenbaar door eiseres begaan met de bedoeling zichzelf een onrechtmatig voordeel te verschaffen.

6 Nopens de proportionele geldboete

6.1 Eiseres betwist de proportionele geldboete die werd opgelegd door verweerder.

Eiseres stelt dat de opgelegde geldboete met volle rechtsmacht moet kunnen worden beoordeeld, wat inhoudt dat de rechter een sanctie ten gronde moet kunnen beoordelen zowel op juridisch vlak als op feitelijk vlak.

Eiseres houdt voor dat de opgelegde geldboete onevenredig is met de begane inbreuken. Volgens eiseres zal de boete zonder enige twijfel haar faillissement betekenen.

Eiseres vraagt om de opgelegde geldboete kwijt te schelden dan wel te verminderen.

41 Zie nuttig: B. ALLEMEERSCH, 1. SAMOY en W. VANDENBUSSCHE, "Overzicht van rechtspraak - Het burgerlijk bewijsrecht - De vermoedens", TPR 2015, 840-876

6.2 Verweerder stelt dat de overtredingen van de BTW-wetgeving door eiseres werden begaan met het oogmerk om de belastingen te ontduiken.

Verweerder houdt voor dat hij om die reden een proportionele geldboete van 200% moest opleggen en deze niet kon verminderen bij gebrek aan een verzoekschrift tot vermindering of kwijtschelding van de boete.

6.3 De geldboete die door de BTW-administratie aan eiseres werd opgelegd, valt onder het rechterlijk wettigheidstoezicht. De rechtbank kan bijgevolg nagaan of de in casu toegepaste boeten wettelijk gezien wel verschuldigd zijn.

De betwiste geldboete werd opgelegd op grond van artikel 70, §1bis van het BTW-wetboek.

Artikel 70, §1bis van het BTW-wetboek voorziet voor ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht in een proportionele fiscale geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting.

Het bedrag van deze geldboete wordt naar gelang van de aard en de ernst van de overtreding verder bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. De verminderde boeten zoals bepaald door de Koning moeten altijd door de administratie worden toegestaan wanneer de toepassingsvoorwaarden ervan vervuld zijn.

Voor wat betreft de geldboeten beoogd door artikel 70, §1bis van het BTW-wetboek is dit het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 {tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde). Artikel 1, laatste lid van dit KB bepaalt echter dat het KB niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking er­ van mogelijk te maken.

6.4 Naar het oordeel van de rechtbank bewijst verweerder, middels de elementen die samenvattend werden weergegeven onder hoofdstuk 4 van dit vonnis, dat eiseres bij de onterechte belastingaftrekken het oogmerk had de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Er werd door eiseres een systeem opgezet waarbij er door leveranciers aanzienlijk bedragen werden bedragen gefactureerd aan eiseres die in belangrijke mate fictief waren, dit met de bedoeling om de BTW op deze facturen in aftrek te laten brengen door eiseres en alzo belastingen te ontduiken. Eiseres maakte ook bewust boekhoudkundige fouten, met de bedoeling om onrechtmatig belastingaftrekken te realiseren en belastingen te ontduiken.

De opgelegde fiscale geldboete van 310.542,92 euro (= 2 x de onterechte BTW-aftrekken van 155.271,46 euro) werd bijgevolg correct, in overeenstemming met de wettelijke bepalingen, begroot.

6.5 De rechtbank is tevens bevoegd om te controleren of de administratieve sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen42. Tot die algemene rechtsbeginselen behoort het evenredigheidsbeginsel43.

De rechtbank kan bijgevolg nagaan of de geldboete niet moet worden verminderd om evenredig te zijn aan de aard en de ernst van de overtreding, evenals de repressieve en preventieve doelstelling van de administratieve sanctie.

De rechtbank moet om de omvang van een administratieve sanctie aan te passen dezelfde beoordelingsmarge hebben als waarover de fiscale administratie beschikt44. De fiscale administratie kan op basis van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 de administratieve boeten verminderen of kwijtschelden. Bijgevolg beschikt ook de rechtbank over de volle rechtsmacht om een vraag tot kwijtschelding of vermindering van een fiscale geldboete te kunnen beoordelen.

De bewering van eiseres dat de opgelegde geldboete zonder enige twijfel haar faillissement zal betekenen, wordt op geen enkele wijze aangetoond.

De rechtbank acht in casu de opgelegde proportionele geldboete waarvan sprake in het dwangbevel, gekend onder het nummer 412...57, in vergelijking met de inbreuken en rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak niet onevenredig.

6.6 De rechtbank is van oordeel dat de fiscale geldboete werden bepaald met respect voor alle wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen.

7 Nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Zij wordt veroordeeld tot de kosten zoals hierna bepaald.

IV. Beslissing

De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg.

De vordering van V. H. nv is ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt V. H. nv tot de kosten van de procedure. Deze kosten moeten voor V. H. nv niet worden vastgesteld omdat zij te haren laste blijven en worden voor de BELGISCHE STAAT vastgesteld op 0,00 (nul) euro.

42 Zie nuttig: o.a. Cass. 15 maart 2012, Fisc. Koer. 2012, 372; Cass. 8 april 2011, F.J.F. 2011/294; Cass. 11 maart 2011, F.J.F.

2011/292 en 2011/293; Cass. 13 februari 2009, F.J.F. 2009/234, 2009/233, 2009/232, 2009/231

43 Zie nuttig: GwH 24 februari 1999, nr. 22/1999 en Cass. 5 februari 1999, F.J.F. 99/92

44 Zie nuttig: GwH 15 mei 2008, nr.79/2008; Arbitragehof 12 juni 2002, nr. 96/2002

Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer 12 van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op vrijdag 8 december 2017.

...

Textes cités

12
CTVA art. 84ter16 occurrences
CTVA art. 5910 occurrences
CTVA art. 81bis8 occurrences
CTVA art. 705 occurrences
CTVA art. 453 occurrences
CTVA art. 603 occurrences
CTVA art. 613 occurrences
CTVA art. 623 occurrences
CTVA art. 511 occurrence
CTVA art. 711 occurrence

Décisions similaires

8