Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 10 juin 2011

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du TrésorTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2011-06-10-cf98

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
10 juin 2011

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

183 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Bruxelles du 10.06.2011

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL - 33ste Kamer

A.R. 2007/3675/A

- Federale Belastingen - Inkomstenbelastingen - Vennootschapsbelastingen

- op tegenspraak

- eindvonnis

In zake van :

De B.V.B.A. A. B. l., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in de KBO onder het nummer …,

eisende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. C. loco Mr. T. A., advocaat te …, … (ref. : …),

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de e.a. inspecteur van het BTW­ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen zijn gevestigd te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

verwerende partij,

Vertegenwoordigd door Mr. A. H. loco Mr. P. D., advocaat te …, … (ref. : …)

Na beraad op 9 mei 2011 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 19/03/2007,

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 14/5/2010,

• de conclusie van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 15/12/2010 en 9/7/2011,

• de conclusie van eiser neergelegd ter griffie op 15/10/2010,

• de stukkenbundel van eiseres , neergelegd ter zitting van 9/5/2011,

• de stukkenbundel van verweerder, neergelegd ter zitting van 9/5/2011.

Gehoord de raad lieden van partijen ter openbare zitting van 9 mei 2011 waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

1. FEITEN

1. Eiseres is sedert 1 december 1990 als BTW-belastingplichtige geregistreerd en onderworpen aan de BTW.

Bij eiseres werd een controle uitgevoerd over de periode 1 januari 2001 tot 31 december 2002.

Naar aanleiding van deze controle zouden een aantal overtredingen zijn vastgesteld.

Op 21 december 2004 en 5 december 2005 werd eiseres in kennis gesteld van het feit dat de administratie toepassing wenste te maken van artikel 81bis, tweede lid BTW-Wetboek.

Er werd op 12 december 2006 een proces-verbaal opgesteld.

De volgende inbreuken werden vastgesteld :

1. Inbreuken op artikel 53, eerste lid 3° en 4° BTW-Wetboek en artikel 18 van het KB nr. 1 van 29 december 1992 in verband met de aangegeven omzet.

2. Inbreuken op artikel 53, § 1, 3° BTW-Wetboek en artikel 91, § 1 BTW-Wetboek in verband met de voldoening van de belasting.

3. Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatig stuk, factuur, wachtdocument of invoerdocument (toepassing van artikel 45, § 1 BTW-Wetboek en artikel 3 KB nr. 3).

4. Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé- of andere doeleinden dan de economische activiteit (toepassing van artikel 45, § 1 BTW-Wetboek)

5. Inbreuken op de aftrekregeling wegens overdreven aftrek ten gevolge van materiële vergissingen (foutieve inschrijvingen, optellingen, transporten (toepassing van artikel 47, BTW-Wetboek en artikel 4, eerste lid KB nr. 3)

Aldus zou eiseres verschuldigd zijn :

- … euro uit hoofde van BTW

- … euro als geldboete

- 0,8 % per maand vanaf 21 januari 2003

- Als intresten wegens het laattijdig voldoen van de belasting : … euro

Op 14 december 2006 werd een dwangbevel uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 14 december 2006 en ter kennis gebracht van eiseres per aangetekende brief van 19 december 2006.

Voormeld dwangbevel werd betekend aan eiseres op 27 januari 2007.

2. Op 19 maart 2007 legde eiseres een verzoekschrift strekkende tot fiscaal verhaal (art. 1385decies Ger. W.) neer ter griffie van deze rechtbank houdende verzet tegen voormeld dwangbevel.

2. VOORWERP VAN DE VORDERING

3. De vordering van eiseres strekt ertoe, in hoofdorde, te horen zeggen dat het dwangbevel nietig is, in ondergeschikte orde, te horen zeggen dat de gevorderde BTW-bedragen ontheven moeten worden in de mate dat ze worden betwist, de geldboeten te vernietigen of ten minste tot 10 % te herleiden en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten.

Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

3. BEOORDELING

3.1. Ontvankelijkheid

4. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

3.2. Gegrondheid

3.2.1 Verjaring van de vordering

5. Volgens eiseres is er sprake van verjaring overeenkomstig artikel 81bis BTW-Wetboek. Eiseres meent dat er geen sprake kan zijn van bedrieglijk opzet in haren hoofde.

6. Artikel 81bis, § 1 BTW-Wetboek (zoals in casu van toepassing) bepaalde :

"Er is verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

In afwijking van het eerste lid, is er evenwel verjaring na verstrijken van het vijfde kalanderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 en 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.(...)"

Artikel 84ter BTW-Wetboek bepaalt dat de administratie, wanneer zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid toe te passen, op straffe van nietigheid van de rechtzetting voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis moet geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betrokken periode.

Per brief van 21 december 2004 werd eiseres ingelicht van het feit dat uit een onderzoek van de boekhouding was gebleken dat systematisch belangrijke onregelmatigheden bedoeld in artikel 70, BTW-Wetboek werden vastgesteld m.b.t. het jaar 2001 :

- er is geen overeenstemming tussen de voorgelegde journaals voor inkomende en uitgaande facturen en de ingediend periodieke BTW-aangiften, zowel op het vlak van de aangegeven omzet en de erover verschuldigde BTW als op het vlak van de geboekte aankopen en kosten en de aftrekbare BTW;

- er zijn voor het 1e, 2de en 3e kwartaal 2001 ten onrechte nihil-aangiften ingediend hoewel er tijdens deze periodes wel degelijk in artikel 53 van het BTW-Wetboek bedoelde en aan te geven handelingen werden verricht;

- m.b.t. de verhuur van publiciteitswagens (staande of rijdende publiciteit) de brandstofkosten en de personeelskosten altijd ten laste zijn van ABI. Er werden geen bezoldigingen of door derden gefactureerde prestaties geboekt;

- er is een belangrijk verschil tussen de geboekte omzet volgens de boekhouding (… BEF) en deze aangegeven in de periodieke BTW-aangiften (… BEF);

- verscheidene uitgaande facturen werden opgesteld met toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6 %. De ingediende BTW-aangiften vermelden nochtans uitsluitend inkomsten tegen 21 %;

- de lijst van de ingeschreven voertuigen op de dienst van het wegverkeer stemt niet overeen met de voertuigen aangeboden op de technische controle, nochtans werd volgens het D.I.V. een inschrijvingsbewijs afgeleverd voor een zeventiental voertuigen. Er werden echter slechts 7 voertuigen aangeboden bij de technische controle.

- Op de lijst van de ingeschreven voertuigen zijn verscheidene personenwagens vermeld, voor dewelke nooit een huurovereenkomst werd afgesloten;

- De rekening diensten en diverse goederen vertoont een debetsaldo van … euro, daarin begrepen het bedrag van de brandstofkosten. Het betreft de aankoop van brandstoffen. De facturatie gebeurt door Shell maandelijks, doch voor december 2001 is er geen factuur, door S. NV geglobaliseerd driemaandelijks zonder vermelding van, leveringsdata zodat elke mogelijke controle onmogelijk wordt gemaakt. De aankopen brandstoffen nemen onredelijke proporties aan en zijn niet-beroepsmatig.

- Onder bepaalde kostenrekeningen zijn privé-uitgaven geboekt, onder meer :

- Aankoopfacturen M. S. - BTW te voldoen door de medecontractant, KB nr. 1, artikel 20 BTW-Wetboek - het zou gaan om de herstelling van hel dak aan de privé woning en kosten van een mobilhome

- Aankoopfacturen Makro nr. 392 van 17/12/2001 zijn traiteurdiensten, terwijl de laatst opgestelde uitgaande factuur voor traiteurdiensten leveringen betreft uitgevoerd op 11, 12, 13 en 14 december.

- Er werd geen kasboek bijgehouden alhoewel er op het ogenblik van de controle een map met 550 kas en uitgavenstukken werd voorgelegd Het gaat voornamelijk om restaurantnota's, individuele brandstofnota's, postzegels en kleine aankopen zonderfactuur :

- Meerdere nota's maken dubbel gebruik uit met geboekte facturen;

- Sommige stukken dateren van vorige jaren vb. 465 (1998 en 466 (2000)

- De betaling van deze uitgaven niet door verantwoordingsstukken wordt gestaafd.

Volgens de administratie werden deze onregelmatigheden onmiskenbaar begaan met het bedrieglijk opzet en met het oogmerk te schaden.

Per brief van 5 december 2005 werd eiseres ingelicht van het feit dat uit een onderzoek van de boekhouding was gebleken dat systematisch belangrijke onregelmatigheden bedoeld in artikel 70 BTW-Wetboek werden vastgesteld m.b.t. het jaar 2002 :

- er zijn voor het 1e, 3e en 4de kwartaal 2002 ten onrechte nihil-aangiften ingediend hoewel er tijdens deze periodes wel degelijk in artikel 53 van het BTW-Wetboek bedoelde en aan te geven handelingen werden verricht;

- voor het 2e kwartaal 2002 werd geen BTW-aangifte ingediend hoewel er tijdens deze periodes wel degelijk in artikel 53 van het BTW-Wetboek bedoelde en aan te geven handelingen werden verricht.

- de volledige omzet 2002 werd laattijdig aangegeven en werd opgenomen in de periodieke aangiften van de handelingen voor het kwartaal van 2003;

- de aangegeven omzet 2002 bevat tevens een aantal facturen die werden uitgereikt in 2001;

- de verschuldigde belasting over de belastbare handelingen voor een gedeelte van 2001 en het jaar 2002 werd derhalve niet tijdig voldaan;

- er is een belangrijk verschil tussen de geboekte omzet volgens de boekhouding (… euro) en de laattijdig aangegeven omzet BTW-aangiften (… euro);

- m.b.t de verhuur van publiciteitswagens (staande of rijdende publiciteit) de brandstofkosten en de personeelskosten altijd ten laste zijn van ABI. Er werden geen bezoldigingen of door derden gefactureerde prestaties geboekt;

- de lijst van de ingeschreven voertuigen op de dienst van het wegverkeer stemt niet overeen met de voertuigen aangeboden op de technische controle, nochtans werd volgens het D.I.V. een inschrijvingsbewijs afgeleverd voor een zeventiental voertuigen. Er werden echter slechts 3 voertuigen aangeboden bij de technische controle.

- Op de lijst van de ingeschreven voertuigen zijn verscheidene personenwagens vermeld, voor dewelke nooit een huurovereenkomst werd afgesloten;

- De rekening diensten en diverse goederen vertoont een debetsaldo van … euro, daarin begrepen hel bedrag van de brandstofkosten (… euro). Hel betreft de aankoop van brandstoffen.

- Er werd geen kasboek bijgehouden alhoewel er op het ogenblik van de controle een map met 566 kasuitgavestukken werd voorgelegd. Het gaat voornamelijk om restaurantnota's, individuele brandstofnota's, postzegels en kleine aankopen zonder factuur:

- In het aankoopfacturenboek werden verschillende facturen geboekt ten aanzien van aankopen die niet bestemd zijn voor de economische activiteit van de onderneming, maar duidelijk zijn bestemd voor de privé-behoeften van de zaakvoerder.

Volgens de administratie werden deze onregelmatigheden onmiskenbaar begaan met het bedrieglijk opzet en met het oogmerk te schaden.

7. Uit de eenvoudige lezing van artikel 84ter BTW-Wetboek blijkt dat de kennisgeving die is vereist enkel de vermoedens van belastingontduiking schriftelijk en nauwkeurig dient op de te geven. Het is derhalve niet vereist dat op voorhand het bewijs zou worden geleverd van het bestaan van bedrieglijk opzet of het oogmerk te schaden. Opdat daadwerkelijk een verlenging van de verjaringstermijn kan worden toegepast, moet de administratie evenwel aantonen dat er daadwerkelijk sprake was van een bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden in hoofde van de belastingplichtige. De feitelijke omstandigheden waaruit dit bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden wordt afgeleid, moeten dus niet reeds blijken uit de kennisgeving die is vereist door artikel 84ter BTW­Wetboek Voor deze kennisgeving volstaat het dat de vermoedens van belastingontduiking nauwkeurig worden uiteengezet.

8. Eiseres stelt dat er in casu geen sprake is van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Zij zou steeds te goeder trouw de stavingsstukken van de door haar gerealiseerde BTW-verrichtingen hebben doorgegeven aan de boekhouder die op basis daarvan de litigieuze aangiften heeft gedaan. De persoon die in deze periode was belast met de boekhouding was de heer L. A., aan wie de boekhouding werd overgelaten. Deze laatste zou eiseres er steeds van hebben verzekerd dat alles onder controle was, hetgeen echter onjuist bleek te zijn. L. zou inmiddels naar het buitenland zijn vertrokken en moeilijk bereikbaar zijn. Hij zou ook de volledige boekhouding hebben meegenomen.

9. Uit het proces-verbaal van 12 december 2006 blijkt dat bij de controle van 19 oktober 2004 de zaakvoerder van eiseres (de heer S.) de inspecteur van de administratie alleen heeft ontvangen zonder bijstand van de heer L. of enig ander persoon. Hieruit kan worden afgeleid dat eiseres in het bezit was van alle boekhoudkundige stukken en bescheiden vereist voor de controle en dat de zaakvoerder van eiseres voldoende vertrouwd was met deze stukken om de inspecteur van de administratie toe te laten zijn controle uit te voeren.

Verweerder stelt verder terecht dat de keuze van lasthebber uitsluitend aan eiseres zelf is toe te schrijven en dat de nadelige gevolgen hiervan haar kunnen worden toegerekend. Eiseres is als belastingplichtige de eindverantwoordelijke voor de nakoming van de op haar rustende verplichtingen voortvloeiend uit het BTW­Wetboek en de uitvoeringsbesluiten ervan. Zij kan zich niet verschuilen achter de beweerde fouten van haar lasthebber. Zij wordt geacht toezicht en controle uit te oefenen op haar lasthebbers.

Verweerder stelt eveneens terecht dat bepaalde (niet-betwiste) inbreuken, met name in verband met het indienen van nihil-aangiften voor het 1°, 3e en 4de kwartaal 2002 en het niet indienen van een aangifte voor het 2de kwartaal van 2002, terwijl er toch belastbare handelingen werden gesteld, van die aard zijn dat eiseres er niet onwetend van kan zijn geweest. Eiseres heeft echter niets ondernomen. Verweerder stelt overigens - zonder hierin te worden tegengesproken door eiseres - dat bij het ontbreken van BTW-aangiften een herinneringsschrijven wordt verstuurd om haar erop te wijzen dat de BTW­aangiften ontbreken. Desondanks heeft eiseres - zonder aanwijsbare reden - pas aangifte gedaan van de belastbare handelingen gesteld in het 2de kwartaal van 2002 in het tweede kwartaal van 2003.

De aldus aan eiseres verweten onregelmatigheden, zoals uiteengezet in de kennisgevingen van 21 december 2004 en 5 december 2005 en het proces-verbaal zijn kennelijk niet louter het gevolg van een te goeder trouw begane nalatigheid of vergissing, maar geven in hun geheel genomen blijk van een volgehouden en verregaande slordigheid en grove nalatigheid bij het houden van een bewijskrachtige boekhouding in hoofde van eiseres en/of van een ernstig gebrek aan toezicht en controle op de aangestelde lasthebber, dat zij enkel kunnen worden aanzien als de uiting van de bedoeling om zichzelf een voordeel te verschaffen door schuldig verzuim en door erop te speculeren dat de onregelmatigheden, waarvan zij niet onwetend kon zijn, niet zouden worden ontdekt.

Verweerder heeft aldus afdoende aangetoond dat er sprake was van een bedrieglijk opzet in hoofde van eiseres. Dit blijkt met name uit de aard en omvang van de weerhouden onregelmatigheden.

Het bedrieglijk opzet van eiseres blijkt overigens ten overvloede uit het feit dat op de facturen opgesteld door M. S. betreffende dakwerken aan een woning te …, waar eiseres haar economische activiteit niet uitoefent, onleesbaar werden gemaakt, kennelijk met de bedoeling om de (niet­gerechtvaardigde) aftrek van de betaalde BTW door eiseres toe te laten, elke controle onmogelijk te maken en de indruk te wekken dat de werken werden uitgevoerd aan een eigendom van eiseres.

10. Eiseres voert nog aan dat de kennisgevingen van de verlenging van de verjaringstermijnen niet regelmatig zouden zijn geschied.

11. Voor het jaar 2001 werd een kennisgeving verstuurd op 21 december 2004 aan het adres … ("…"). Verweerder brengt het bewijs bij van het overhandigen van een aangetekende zending aan de postdiensten op 21 december 2004 (stuk 8 bundel verweerder). Dit stuk wordt niet van valsheid beticht door eiseres.

Volgens verweerder kon dit stuk niet worden afgeleverd aan de lasthebber van eiseres en werd een bericht nagelaten, maar werd de zending nooit afgehaald door eiseres. Bijgevolg werd de zending teruggestuurd naar de afzender (stuk 1 bundel verweerder - niet gedateerde stukken).

De aldus gedane kennisgeving aan de exploitatiezetel van eiseres is geldig geschied. Geen enkele rechtsregel schrijft voor dat de kennisgeving bij niet­afhaling door de bestemmeling opnieuw zou moeten gebeuren. De belastingplichtige verkeerde in de mogelijkheid om kennis te nemen van de zending. De niet-afhaling van de aangetekende zending is uitsluitend aan eiseres zelf te wijten. Eiseres voert tevergeefs aan dat niet zou blijken dat de aangetekende zending de kennisgeving van 21 december 2004 zou betreffen, doch eiseres maakt niet aannemelijk dat op diezelfde datum een ander schrijven door het controlecentrum zou zijn gericht aan eiseres en weerlegt het vermoeden dat het om de kennisgeving gaat van 21 december 2004 niet.

Verweerder brengt tevens het bewijs bij van het overhandigen van een aangetekende zending gericht aan de maatschappelijke zetel van eiseres te … op datum van 23 december 2004 (stuk 9 bundel verweerder). Dit stuk wordt niet van valsheid beticht door eiseres.

Volgens verweerder kon dit stuk niet worden afgeleverd aan de lasthebber van eiseres en werd een bericht nagelaten, maar werd de zending nooit afgehaald door eiseres. Bijgevolg werd de zending teruggestuurd naar de afzender (stuk 1 bundel verweerder - niet gedateerde stukken). Het nummer van de zending (eindigend op 47821 - stuk 9 bundel verweerder) is terug te vinden op het stuk, waaruit blijkt dat de zending niet werd afgehaald (stuk 2, niet gedateerde stukken - bundel verweerder).

De aldus gedane kennisgeving aan de maatschappelijke zetel van eiseres is geldig geschied. Geen enkele rechtsregel schrijft voor dat de kennisgeving bij niet­afhaling door de bestemmeling opnieuw zou moeten gebeuren. De belastingplichtige verkeerde in de mogelijkheid om kennis te nemen van de zending. De niet-afhaling van de aangetekende zending is uitsluitend aan eiseres zelf te wijten. Eiseres voert tevergeefs aan dat niet zou blijken dat de aangetekende zending de kennisgeving van 23 december 2004 zou betreffen, doch eiseres maakt niet aannemelijk dat op diezelfde datum een ander schrijven door het controlecentrum zou zijn gericht aan eiseres en weerlegt het betrokken vermoeden dat het om de kennisgeving gaat van 23 december 2004 niet.

Voor het jaar 2002 legt verweerder eveneens het bewijs voor van overhandiging aan de postdiensten op 6 december 2005 van een aangetekende zending gericht aan de maatschappelijke zetel van eiseres. Dit stuk wordt niet van valsheid beticht door eiseres (stuk 11 bundel verweerder).

Volgens verweerder kon dit stuk niet worden afgeleverd aan de lasthebber van eiseres en werd een bericht nagelaten, maar werd de zending nooit afgehaald door eiseres. Bijgevolg werd de zending teruggestuurd naar de afzender (stuk 2 bundel verweerder-niet gedateerde stukken). Het nummer van de zending (eindigend op 7296 - stuk 11 bundel verweerder) is terug te vinden op het stuk, waaruit blijkt dat de zending niet werd afgehaald (stuk 2, niet gedateerde stukken - bundel verweerder).

De aldus gedane kennisgeving aan de maatschappelijke zetel van eiseres is geldig geschied. Geen enkele rechtsregel schrijft voor dat de kennisgeving bij niet­afhaling door de bestemmeling opnieuw zou moeten gebeuren. De belastingplichtige verkeerde in de mogelijkheid om kennis te nemen van de zending. De niet-afhaling van de aangetekende zending is uitsluitend aan eiseres zelf te wijten. Eiseres voert tevergeefs aan dat niet zou blijken dat de aangetekende zending de kennisgeving van 5 december 2005 zou betreffen, doch eiseres maakt niet aannemelijk dat op diezelfde datum een ander schrijven door het controlecentrum zou zijn gericht aan eiseres en weerlegt het betrokken vermoeden dat het om de kennisgeving gaat van 5 december 2004 niet.

De verzending van de kennisgevingen aan de maatschappelijke zetel volstaan voor de toepassing van artikel 84ter WIB 92, nu deze bepaling, noch enige andere bepaling eveneens voorziet in de kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking aan de exploitatiezetel(s) van de belastingplichtige. Het loutere feit dat geen (aangetekende) kennisgeving zou zijn gebeurd aan de exploitatiezetel van eiseres te … voor 2002 en/of dat het woord "aangetekend" niet zou zijn vermeld op de brief gericht aan de exploitatiezetel voor datzelfde jaar is derhalve irrelevant.

De kennisgevingen van 21/23 december 2004 en 5 december 2005 zijn derhalve regelmatig geschied in overeenstemming met artikel 84ter WIB 92.

12. Eiseres voert in ondergeschikte orde aan dat de administratie vervallen is van het recht om correcties door te voeren voor boekjaar 2001. De verjaring zou immers zijn ingetreden op 31 december 2006, terwijl het dwangbevel zou zijn betekend op 24 januari 2007.

13. Het middel is niet ernstig. Artikel 85, § 2 BTW-Wetboek bepaalt dat de kennisgeving van een dwangbevel de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting stuit, alsmede van de geldboeten en de intresten en toebehoren.

Het dwangbevel werd aangetekend verzonden naar de exploitatiezetel van eiseres te … … op 19 december 2006. Verweerder legt het bewijs voor van overhandiging van een aangetekende zending aan de postdiensten.

Volgens verweerder kon dit stuk niet worden afgeleverd aan de lasthebber van eiseres en werd een bericht nagelaten, maar werd de zending nooit afgehaald door eiseres. Bijgevolg werd de zending teruggestuurd naar de afzender (stuk 3 bundel verweerder - niet gedateerde stukken). Het nummer van de zending (eindigend op 93415 - stuk 3 bundel verweerder) is terug te vinden op het stuk, waaruit blijkt dat de zending niet werd afgehaald (stuk 3, niet gedateerde stukken - bundel verweerder).

De kennisgeving is geldig geschied door overhandiging van het stuk aan de postdiensten.

14. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat er geen sprake kan zijn van verjaring.

Het middel is dienvolgens ongegrond.

3.2.2. De facturen

15. Eiseres stelt in ondergeschikte orde dat "de facturen" ten onrechte werden verworpen, vermits het beroepskosten zouden betreffen.

Het betreft volgens eiseres de volgende kosten :

- Brandstofkosten

- Twee dvd spelers

- Een crossmotor

- Voedings- en keukenwaren

- Dakwerken

- GSM-facturen

16. Blijkens het proces-verbaal werden de volgende kosten verworpen wegens schending van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatig stuk, factuur, wachtdocument of invoerdocument.

Het betreft :

- Brandstofkosten

- Proximus (GSM)

De in het proces-verbaal aangeduide gebreken ervan werden door de opsteller zelf de visu vastgesteld en vallen derhalve onder de bewijskracht van het proces­verbaal tot bewijs van het tegendeel (artikel 59, § 1, laatste lid BTW-Wetboek).

Krachtens artikel 3, § 1, 1°, van het KB nr. 3 moet de belastingplichtige om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen ten aanzien van de belasting geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit moet zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5, § 1 van het KB nr. 1. Uit die bepaling volgt dat de belastingplichtige niet de mogelijkheid heeft ontbrekende, wezenlijke vermeldingen op de factuur op grond van andere documenten aan te vullen om alzo zijn recht op aftrek alsnog te kunnen uitoefenen (in dezelfde zin Cass. 13/10/2000, www.cass.be).

De factuur moet, om het recht op aftrek te kunnen gronden, de naam, maatschappelijke zetel en BTW-identificatienummer dragen van de medecontractant, alsook de datum waarop het belastbaar feit van de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden.

De ontbrekende vermeldingen waren in casu immers wezenlijk voor de inning van de belasting over de toegevoegde waarde en voor de controle erop door de administratie, zoals hierna zal blijken.

Brandstofkosten

In het proces-verbaal wordt gesteld dat de facturen geen leveringsdatum bevatten, noch de geleverde hoeveelheden. In deze omstandigheden is de controle op de inning van de BTW en het beroepsmatig karakter van de uitgaven onmogelijk. Deze facturen laten derhalve niet toe de omvang van de aftrek te bepalen.

Aan deze onregelmatigheid wordt niet naderhand tegemoetgekomen door de voorlegging van een foto van een verwarmingsinstallatie, vermits hierdoor evenmin kan worden nagegaan wanneer de leveringen hebben plaatsgevonden en/of in welke mate de geleverde brandstof voor beroepsmatig gebruik was bestemd.

Deze kosten werden terecht verworpen.

Kosten Proximus

In het proces-verbaal wordt gesteld dat het BTW-nummer van eiseres niet is vermeld op de facturen en dat deze op naam stonden van de heer S..

Door de niet-vermelding van het BTW-identificatienummer en de naam en het adres van eiseres op deze facturen, kan niet worden nagegaan wie de werkelijke ontvanger was van de geleverde diensten. Hierdoor blijkt niet dat deze kosten verband houden met de economische activiteit van eiseres.

Eiseres stelt dat deze kosten beroepsmatig zijn, vermits de vennootschap over geen telefoontoestel beschikte. Deze bewering is kennelijk in strijd met het feit dat op 11 juni 2001 een telefoon werd aangekocht bij Burofoon (p. 9 van het proces-verbaal).

Deze kosten werden terecht verworpen.

17. De hiernavolgende kosten werden verworpen omdat ze goederen of diensten betroffen die geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé- of andere doeleinden dan de economische activiteit van eiseres.

Het betreffen de volgende kosten :

- Twee dvd spelers

- Een crossmotor

- Voedings- en keukenwaren

- Dakwerken

DVD-spelers

Volgens eiseres gaat het om toestellen bestemd om de producten "in situ" aan het cliënteel voor te stellen. Afgezien van het feit dat niet blijkt dat eiseres ook over een TV-toestel beschikt met dit doel, moet worden vastgesteld dat eiseres geen enkel bewijs levert van het gebruik van deze toestellen voor haar economische activiteit.

Een crossmotor

Eiseres beweert dat het gaat om een motor gekocht voor een "jonge Belgische kampioen" met het logo en de reclame van de vennootschap.

Eiseres blijft volkomen in gebreke het bewijs van haar beweringen bij te brengen.

Voedings- en keukenwaren

Eiseres beweert dat het gaat om goederen voor de middagpauze van de bedienden.

De bewering van eiseres is evenwel in strijd met de vaststelling in het proces­verbaal dat "in de boekhouding geen personeelskosten (...) werden geboekt" (p. 3 van het proces-verbaal). Bij gebrek aan personeel konden de goederen aldus niet zijn bestemd voor de middagpauze van de bedienden. Het tegendeel wordt niet aangetoond door foto's (stukken 11 bundel eiseres), die dateren van na de betrokken periode en waarvan niet blijkt waar zij werden genomen.

Dakwerken

Eiseres beweert dat het gaat om werken "ter vergoeding voor het ter beschikking stellen van een aantal lokalen van het betrokken gebouw voor het uitoefenen van een bijkomende activiteit".

Uit het proces-verbaal blijkt dat op de facturen opgesteld door M. S. op naam van eiseres de naam van de werf onleesbaar werd gemaakt. De werken hadden kennelijk betrekking op een woning te …, die niet wordt gebruikt voor de economische activiteiten van eiseres. De betrokken facturen zijn aan het proces-verbaal gehecht.

Dat het een vergoeding zou betreffen wegens het ter beschikking stellen van lokalen is volkomen ongeloofwaardig en blijkt overigens uit geen enkel stuk.


Besluit : Al deze kosten werden terecht verworpen door de administratie.

18. De rechtbank stelt vast dat, in strijd met de eigen beweringen van eiseres die stelt over alle punten van het proces-verbaal betwisting te voeren, geen middelen worden aangevoerd inzake de andere onderdelen van het proces-verbaal. Een louter formele betwisting staat gelijk aan de afwezigheid van enige betwisting.

3.2.3 De opgelegde boete

19. Volgens eiseres zijn de boetes niet gerechtvaardigd omdat de kwade trouw van eiseres niet zou zijn aangetoond.

20. Hoger werd reeds aangenomen dat wel degelijk naar eis van recht het bedrieglijk opzet van eiseres is aangetoond.

Gelet op de feiten en de stukken van het dossier, zijn er in casu geen redenen om de opgelegde boete te verminderen, zoals eiseres vordert.

4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

21. Aangezien de vordering van eiser ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van eiseres.

De waarde van de vordering situeert zich tussen € 40.000,01 en € 60.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding overeenkomstig de bedragen opgenomen in het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007, zoals aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen (artikel 8), begroot worden op € ….

Dispositif

OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 4,37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € … rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 10 juni 2011.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. B. : toegevoegd rechter

Mevrouw I. D. : griffier.

I.D. M. B.

Textes cités

14
CTVA art. 535 occurrences
CTVA art. 81bis3 occurrences
CTVA art. 84ter3 occurrences
AR no 3 art. 32 occurrences
CTVA art. 452 occurrences
CTVA art. 702 occurrences
AR no 1 art. 181 occurrence
AR no 1 art. 51 occurrence
AR no 3 art. 41 occurrence
CTVA art. 201 occurrence
CTVA art. 471 occurrence
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 851 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8