Corps de la décision
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 28.11.2017 (2016/AR/207)
DE BELGISCHE STAAT in de persoon van de Minister van Financiën, van wie de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, directeur van het centrum Antwerpen, met kantoor te Ruiterijschool 3 bus 92, 2930 Brasschaat eiser in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V. L. d. J. A., advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 07 oktober 2015, met rolnummer 14/3016/A
tegen
A. M. E. GCV. met maatschappelijke zetel te …, …; met KBO-nummer …,- thans sedert 01 april 2017, met maatschappelijke zetel te …, … verweerster in hoger beroep. vertegenwoordigd door Mr. V. S., advocaat te …,
T. C. L., wonende te …, …, verweerster in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. V. S., advocaat te …, …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 7 oktober 2015, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 29 januari 2016, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
Voorafgaande feiten en procedure
Voorwerp van de betwisting.
De betwisting betreft de rechtsgeldigheid van de opgestelde bijzondere rekening en het daaropvolgende dwangbevel.
Feiten en administratieve fase.
A. M. E. GCV (hierna A.) was als btw-belastingplichtige geregistreerd en diende periodieke btw-aangiften in.
Op 17 februari 2014 verstuurde de btw-administratie een schrijven aan A. waarin werd meegedeeld dat de toestand van haar btw-rekening-courant nog steeds een verschuldigd saldo bedroeg van … euro en dat deze toestand nog geregulariseerd kon worden tot uiterlijk 23 februari 2014 zodat de procedure voor het opstellen van een bijzonder regularisatierekening kon voorkomen worden (stuk II.1 BS).
Op 18 februari 2014 verstuurde de btw-administratie een btw-rekeninguittreksel met de toestand van de rekening-courant op 31 januari 2014 met de samenstelling van het verschuldigde. bedrag van … euro, zijnde een te betalen saldo van … euro belastingen en … euro aan interesten (stuk II.2 BS).
Op .11 maart 2014 werd A. bij aangetekend schrijven in kennis gesteld dat een bijzondere rekening zou opgemaakt worden voor het tijdvak dat voorafgaat aan 28 februari 2014 (stuk II.3 BS). Verder stelde dit schrijven dat voor de voldoening van verschuldigde sommen. ingevolge die. bijzondere rekening de richtlijnen: van het btw-controlekantoor dienden nageleefd te worden en dat voor het tijdvak dat volgde op 28/02/2014 de betalingen verder dienden te gebeuren op het rekeningnummer van de "btw-ontvangsten" te Brussel.
Op 12 maart 2014 ging A. vervolgens over tot betaling van een bedrag van … euro op het rekeningnummer van de "btw-ontvangsten" te Brussel, en op 13 maart 2014 volgde de betaling van de som van … euro. Op 13 maart 2014 werd de btw-administratie per e-mail in kennis gesteld van deze doorgevoerde betalingen.
Per aangetekend schrijven van 25 maart 2014 werd door de btw-administratie de bijzondere rekening voor de periode 30 november 2013 tot 28 februari 2014 overgemaakt aan A.. In dit schrijven werd tevens vermeld dat zij eerstdaags een. betalingsbericht zou ontvangen voor de betaling van de verschuldigde bedragen aan btw, geldboeten en intresten en werd er gevraagd de gegevens van dit betalingsbericht te gebruiken en geen betaling te doen op de rekening van de btw-ontvangsten te Brussel (stuk II.4 BS).
Op 26 maart 2014 verzocht A. de btw-administratie de boete opgenomen in de bijzondere rekening kwijt te schelden gelet op de reeds doorgevoerde betalingen (stuk II.5 BS).
Op 1 april 2014 verstuurde de btw-ontvanger een betaalbericht met betaalinstructies (nr. …), waarin de volgende verschuldigde bedragen worden opgenomen (stuk II.7 BS):
btw:… euro
boeten:… euro
interesten op btw :… euro.
Totaal te betalen:… euro.
Op 2 april 2014 verzocht A. de btw-ontvanger om de betaling die foutief gebeurd was op de rekening van btw-ontvangsten te Brussel (rekening-courant) over te boeken naar de rekening van de btw-ontvangsten te Mechelen (RCIV) (stuk II.8 BS).
Op 3. april 2014 deelde de btw-ontvanger mee dat slechts een bedrag van … euro kon overgeboekt worden van de. rekening-courant naar de bijzondere rekening aangezien er van.af 20 maart 2014 voorschotten verschuldigd waren op de rekening-courant ten belope van … euro (stuk II.9 BS).
Op 17 april 2014 diende A. bezwaar in tegen de creatie van de bijzondere rekening en de opgelegde boete (stuk II.10 BS).
Op 24 april 2014 werd door de btw-ontvanger meegedeeld dat er op datum van 20 april 2014 nog eens … euro kon overgeboekt worden van de rekening-courant naar de bijzondere rekening (stuk II.11 BS).
Op 6 mei 2014 werd door de gewestelijk directeur van de btw ingevolge het verzoek tot kwijtschelding in toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 beslist om de opgelegde boete te verminderen van … euro naar … euro (stuk II.6 BS).
Op 8 mei 2014 verstuurde de ontvanger een aangepast betaalbericht voor een totaal bedrag van … euro (stuk II.12 BS).
Op diezelfde dag werd tevens overgegaan tot de uitvaardiging van een dwangbevel (RCIV-artikel …) met de bijzondere rekening voor het tijdvak van 30 november 2013 tot 28 februari 2014 als bijlage (stukken l.a en l.b BS).
Op 21 mei 2014 werd dit dwangbevel met bevel tot betalen betekend aan verweersters in hoger beroep voor een totaal bedrag van … euro (stuk l.c BS).
Op 22 maart 2016 ging de belastingadministratie over tot de Inhouding van een belastingkrediet ten laste van verweersters in hoger beroep ten bedrage van … euro.
Procedure voor de eerste rechter.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen op 28 mei 2014 verzochten verweersters in hoger beroep de rechtbank:
te zeggen voor recht dat zij de geldboete ten bedrage van … euro niet verschuldigd waren;
te zeggen voor recht dat zij geen intresten verschuldigd waren vanaf de betalingen van 12 maart 2014 en 13' maart 2014;
te zeggen voor recht dat de beslissing van 25 maart 2014 dan ook nietig was en van generlei waarde;
te zeggen voor recht dat de beslissing van 6 mei 2014 dan ook nietig was en van generlei waarde;
te zeggen voor recht dat, het dwangbevel, uitgevaardigd op 8 mei 2014 en uitvoerbaar verklaard op 13 mei 2014, nietig en van generlei waarde, was en ten onrechte op 21 mei 2014 aan hen werd betekend;
in elk geval verweersters in hoger beroep ontheffing te verlenen van voormelde geldboete ten bedrage van … euro;
minstens, in geval van oplegging van enige boete, deze op te leggen met de gunst van uitstel;
de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.
De eerste rechter stelde vast dat de belastingadministratie A. er meermaals aan herinnerd had dat zij op·het vlak van betaling aan haar verplichtingen verzaakt had teneinde haar de mogelijkheid te geven alsnog haar verplichtingen te voldoen en sancties te vermijden. Evenwel bleek dat de herinneringen in kwestie dd. 17 en 18 februari 2014 naar het verkeerde adres en aldus niet rechtsgeldig verzonden waren. Naar het oordeel van de eerste rechter kon A. vanaf de publicatie op 7 februari 2014 in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad verwachten dat de belastingadministratie de brieven naar haar correct adres zou verzenden en kon het haar dan ook niet verweten worden dat zij geen andere voorzorgen zou genomen hebben. Het was aan de belastingadministratie om het adres van de belastingplichtige te controleren.
Aangezien A. pas bij aangetekend schrijven van 18 maart 2014 rechtsgeldig op de hoogte werd gebracht van het verschuldigde saldo en zij onmiddellijk op 12 en 13 maart 2014 overging tot betaling van dit verschuldigde saldo inclusief intresten had de belastingadministratie naar het oordeel van de eerste rechter de bijzondere rekening niet rechtsgeldig opgemaakt en was het bestreden dwangbevel dan ook van generlei waarde.
Bij gebrek aan rechtsgeldige opmaak van de bijzondere rekening had A. bovendien op 12 maart 2014 en op 13 maart 2014 het verschuldigde saldo van … EUR, inclusief intresten, rechtsgeldig betaald op het rekeningnummer van de btw-ontvangsten te Brussel zodat verweersters in hoger beroep vanaf dan geen intresten meer verschuldigd waren, evenmin was de geldboete van … euro' verschuldigd.
De eerste rechter verklaarde de vordering van verweerster in hoger beroep toelaatbaar en als volgt gegrond; wijzigde de bestreden beslissing in van 25 maart 2014 en 8 mei 2014; verklaarde het bestreden dwangbevel van nul en generlei waarde en zegde voor recht dat verweersters in hoger beroep de geldboete ten bedrage van … euro en de intresten vanaf de betalingen van 12 maart 2014 en 13 maart 2014 niet verschuldigd waren.
De Belgische Staat werd veroordeeld tot de kosten van het geding, vereffend op … euro rechtsplegingsvergoeding.
Tegen dit vonnis heeft de Belgische Staat, bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 29 januari 2016, hoger beroep ingesteld.
Procedure voor het hof van beroep.
De Belgische Staat verzoekt het hof:
het ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;
dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering van verweersters in hoger beroep ongegrond te verklaren;
verweersters in hoger beroep te veroordelen tot de. kosten van het geding, begroot op … .euro hoger beroep (de Belgische Staat was In eerste aanleg niet vertegenwoordiging door een advocaat)
Verweersters in hoger beroep concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep van de Belgische Staat en verzoeken het hof dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen, met veroordeling van de Belgische Staat tot de kosten van het geding, begroot op … euro in eerste aanleg en … euro in hoger beroep.
In de mate aldus de vordering van verweersters in hoger beroep ertoe strekt een hogere rechtsplegingsvergoeding te bekomen van … euro voor de procedure eerste aanleg, dan de rechtsplegingsvergoeding van … euro voor de procedure eerste aanleg toegekend door de eerste rechter, betreft dit een impliciet incidenteel beroep.
Ter zitting van 24/10/2017 bevestigen verweersters in hoger beroep een rechtsplegingsvergoeding te vragen van … euro per aanleg (impliciet incidenteel beroep) en stellen zij dijt het KSO-nummer van A. M. E. GCV … is en dat sedert 01/04/2017 de naam gewijzigd is in K. GCV.
Bespreking
2.1. Rechtsgeldigheid totstandkoming bijzondere. rekening
Verweersters In hoger beroep .houden voor dat zij .de betreffende brieven van 17 en 18 februari 2014 destijds·niet ontvangen hebben. Zij houden voor pas op 23 juli 2014 in kennis gesteld te zijn van het bestaan van deze brieven.
Verweersters in hoger beroep zijn van oordeel dat zij .wel degelijk het nodige hebben gedaan om de adreswijziging te publiceren en de post hiervan hebben verwittigd. Door de publicatie in het Belgisch Staatsblad op 7 februari 2014 was, volgens verweerders in hoger beroep, de adreswijziging immers tegenstelbaar aan de Belgische Staat en diende de Belgische Staat het adres van A. te controleren alvorens haar schrijven te richten. Volgens hen beging de Belgische Staat dan ook een fout door de brieven te richten naar het vorige adres.
Aangezien er, volgens hen, geen voorafgaandelijke verwittiging was vanwege de Belgische Staat voorafgaand aan de opstelling van de bijzondere rekening is deze bijzondere rekening niet rechtsgeldig tot stand gekomen.
De Belgische Staat wijst er vooreerst op dat A. zelf in, gebreke is gebleven om de wijziging van haar adres tijdig door te geven zoals voorzien in artikel 2 van het Koninklijk Besluit nr. 10 van 29 december 1992 in samenlezing met artikel 7bis van ditzelfde besluit. Zij heeft, volgens de Belgische Staat, dus zelf niet de nodige voorzorgen genomen om ervoor te zorgen dat de briefwisseling op het juiste adres zou toekomen.
Op 1 december 2013 heeft A. haar adres gewijzigd. Deze adreswijziging werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 7 februari 2014.
Artikel 2 van K.B. nr. 10 (van 29 december 1992, met betrekking tot de uitoefeningsmodaliteiten van de keuzen, bedoeld in de artikelen 15, §5, derde lid en 25ter, §1, tweede lid, 2°, tweede lid, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de aangiften van aanvang, wijziging, stopzetting van activiteit en de voorafgaande kennisgevingen inzake de belasting over de toegevoegde waarde (uitvoering van de artikelen 15, §5, 25ter, §1, 53bis en 53octies van het Wetboek), luidt als volgt:
"Elke belastingplichtige" gehouden tot het indienen van de in artikel 1 bedoelde aangifte, die zijn woonplaats of maatschappelijke zetel verplaatst, die een wijziging aanbrengt in de benaming of de juridische vorm waaronder hij zijn economische activiteit uitoefent, die een administratieve zetel, een bedrijfszetel of een bedrijfsinrichting opricht verplaatst of afschaft (...) moet daarvan binnen een termijn van één jaar aangifte doen op het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert.
De belastingplichtige, ·bedoeld in artikel 1 van K.B. nr. 10 betreft "eerder vooraleer een economische activiteit uit te oefenen waardoor hij belastingplichtige wordt voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde". Deze 'bepaling schrijft voor dat dergelijke persoon daarvan aangifte moet doen op het controlekantoor van de BTW dat bevoegd is voor de plaats waar hij is gevestigd.
Overeenkomstig artikel 6 van K.B. nr. 10 moeten de· in artikel 1 tot 5 bedoelde aangiften, kennisgevingen en verklaringen worden gedaan op formulieren waarvan het model door of vanwege de Minister van Financiën wordt vastgesteld en die door de betrokkenen kunnen bekomen worden op de controlekantoren van de BTW.
Het hof is van oordeel dat de vennootschap A. valt onder de verplichting van artikel 2 van K.B. nr. 10. Dit K.B. betreft onder meer de uitvoering van artikel 53octies W.BTW dat bepaalt dat de Koning de toepassingsmodaliteiten regelt van de artikelen 53 tot 53septies W.BTW. Dit K.B. betreft blijkens zijn opschrift trouwens eveneens de aangiften van aanvang, wijziging en stopzetting van activiteit. De artikelen 1 en 2 van dit K.B. bevestigen het ruim toepassingsgebied ervan, door de aangifteplicht van de aanvang van activiteit en de meldingsplicht van de verplaatsing van de woonplaats of maatschappelijke zetel toepasselijk te maken voor elke belastingplichtige.
Het hof stelt vast dat de belastingplichtige geen aangifte overeenkomstig artikel 2 van K. B. nr. 10 heeft gedaan van. het feit dat zijn maatschappelijke zetel werd overgeplaatst van de … te … naar de … te ….
De administratie heeft derhalve aan haar verplichting voldaan, door de brief van 17 februari 2014, evenals het rekeninguittreksel van 18 februari 2014 waarin meegedeeld werd wat de toestand was van de rekening-courant en wat het verschuldigde saldo was te versturen naar het adres … te …. Zij was niet verplicht om zelf op zoek te gaan in het Belgisch Staatsblad of op de griffie van de Rechtbank van Koophandel naar een eventuele adreswijziging van de belastingplichtige; De griffiers zijn niet verplicht om de Kruispuntbank van Ondernemingen in kennis te stellen van elke.neerlegging van een beslissing van de buitengewone algemene vergaderingen van vennootschappen.
De herinnering van 17 februari 2014, evenals het rekeninguittreksel van 18 februari 2014 betreffen bovendien geen wettelijk voorgeschreven formaliteiten. Het niet naleven ervan kan dan ook sowieso geen aanleiding vormen tot nietigheid van de bijzondere rekening zelf, noch van het dwangbevel van 8 mei 2014.
Artikel. 8 §1, eerste lid KB nr.14 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt immers: "Door of vanwege de minister van Financiën kan worden beslist dat handelingen, die voor een door hem te bepalen datum worden verricht, aan de in artikel 5 bedoelde rekening-courant worden onttrokken en dat een bijzondere rekening zal worden bijgehouden voor het tijdvak dat aan die datum voorafgaat" (eigen markering).
Het derde lid van dezelfde paragraaf bepaalt dat van die beslissing aan de belastingplichtige kennis wordt gegeven bij aangetekende brief en dat de afgifte van het stuk ter post als kennisgeving geldt vanaf de daaropvolgende dag.
Voormelde kennisgeving bij aangetekende brief is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid.
De vorm van de kennisgeving is evenmin een substantiële vormvereiste die zou moeten worden nageleefd om een belastingschuld te doen ontstaan.
Het hof stelt vast dat A. bij aangetekend schrijven van 11 maart 2014 in kennis gesteld werd dat een bijzondere rekening zou opgemaakt worden voor het tijdvak dat voorafgaat aan 28 februari 2014. Tevens werd vermeld dat er door het BTW-controlekantoor een exemplaar van de bijzondere rekening zou bezorgd worden samen met de nodige toelichting. In dit schrijven werd tevens uitdrukkelijk gesteld dat voor de voldoening van de verschuldigde sommen ingevolge de bijzondere rekening de richtlijnen van het BTW-controlekantoor dienden nageleefd te worden en dat voor het tijdvak volgende op 28/02/2014 de betalingen verder dienden te gebeuren op het rekeningnummer van de BTW-ontvangsten te Brussel.
Bij aangetekend schrijven van 25/03/2014 werd vervolgens een exemplaar van de bijzondere rekening overgemaakt aan A..
Verweersters in hoger beroep erkennen in conclusies in voormeld aangetekend schrijven van 11/03/2014 en van 25/03/2014 ontvangen te hebben op respectievelijk 12/03/2014 en 26/03/2014. A. was aldus conform artikel 8 .§1, eerste lid, KB nr. 24 op de hoogte van ·de opening van de bijzondere rekening.
Het hof is van oordeel dat er door verweersters in hoger beroep geen enkele valabele reden wordt aangevoerd die het hof ertoe zou noodzaken om de op-nul-zetting van de' rekening courant als onregelmatig te beschouwen.
De enkele aanvoering van verweersters in hoger beroep dat zij de brieven·dd. 17 en 18 februari 2014 inhoudende de mededeling van de toestand van de rekening-courant en het verschuldigde saldo ervan (die voormelde aangetekende kennisgevingen van 11/03/2014 en van 25/03/2014 voorafgingen) slechts ontvangen zouden hebben in juli 2014 (aangezien deze volgens hen verstuurd werden naar een verkeerd adres), doet dan ook geen afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de opmaak van de bijzondere rekening;
De aanvoering dat op en op 13/03/2014 respectievelijk een bedrag van … euro en … euro betaald werd op de rekening-courant doet evenmin afbreuk aan de rechtsgeldigheid van de opmaak van de bijzondere rekening.
Voor elke belastingplichtige wordt door de administratie een overzicht gehouden van alle verschuldigde BTW en aftrekbare BTW, zoals deze blijkt uit de door hem ingediende aangiften (artikel 5, §1 K.B. nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde aarde). Dit is de "rekening-courant". Deze rekening-courant wordt elektronisch bijgehouden door het Centrum voor Informatieverwerking (C.I.V.) te Brussel.
De BTW rekening-courant is een eenvoudige rekening, die aan de hand van debet- en creditbedragen een overzicht geeft van de ingediende aangiften, periodieke (terug)betalingen, alsook van de opgelopen geldboeten en intresten.
De verschuldigde BTW, zoals die blijkt uit de aangifte, moet betaald worden binnen de termijn die geldt voor de indiening van de aangifte, dit betekent uiterlijk op de 20ste van de maand volgend op de aangifteperiode.
De betalingen moeten steeds gebeuren op het rekeningnummer van BTW–Ontvangsten Brussel.
Van zodra de. belastingplichtige nalaat om zijn aangiften (tijdig) in te dienen of de bedragen die volgen uit zijn aangiften (tijdig) te betalen,. wordt de normale werking van de rekening-courant stopgezet. Dergelijk “tussensaldo” wordt afgezonderd van de normale rekening-courant, die wordt afgesloten voor de betrokken periode, de zogenaamde op nul-zetting van de rekening-courant. Voor de toekomst zal een nieuwe rekening-courant opgesteld worden waarin alle toekomstige aangiften en betalingen verwerkt worden. Voor de .periode waarop de op nul-zetting betrekking heeft, wordt dit resultaat opgenomen in een “bijzondere rekening” (artikel 8 K.B. nr. 24: van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde).
Indien de belastingplichtige al zijn BTW - aangiften heeft Ingediend, doch heeft nagelaten de verschuldigde BTW te betalen, dan kan met deze bijzondere rekening de volledige verschuldigde BTW Ingevorderd worden (vermits deze volgt uit de bedragen die door de belastingplichtige zelf werden opgenomen In zijn aangifte).
De gevolgen van een bijzondere rekening zijn belangrijk. Door de op nul-zetting van de rekening-courant kunnen tegoeden die eerder op de rekening-courant werden vermeld niet meer afgezet. worden tegen toekomstige te betalen BTW. Eerdere tegoeden die zijn weggeschreven van de rekening-courant zullen pas na de sluiting van de bijzondere rekening terug op de rekening-courant ingeschreven worden. Aangezien de bijzondere rekening slechts wordt bijgehouden voor de periode voorafgaand aan het op nul zetten van de rekening-courant, begint het C.I.V. vanaf de eerste dag van de volgende maand, opnieuw de handelingen in te schrijven die betrekking hebben op de belastingplichtige.
Op basis van de bijzondere rekening zal het Regionaal Centrum voor Informatieverwerking (R.C.I.V. Mechelen voor Nederlandstalige dossiers) (artikel -9 - 13 K.B. nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde) aan de belastingplichtige een overschrijvingsformulier toesturen voor de betaling van de bedragen vermeld op de bijzondere rekening.
Op 28/02/2014 wordt de rekening-courant van de BTW -belastingplichtige op nul gezet wegens niet-betaling van de verschuldigde bedragen. Het wordt niet betwist dat op deze datum er een achterstand was in de betaling van de verschuldigde BTW.
Bij aangetekende brief van 11/03/2014 wordt aan de belastingplichtige meegedeeld dat voor het tijdvak voorafgaand aan 28/02/2014 een bijzondere rekening zal worden opgemaakt omdat de verschuldigde BTW. niet werd voldaan en dat het BTW - controlekantoor een exemplaar van de bijzondere rekening· zal bezorgen samen met de nodige toelichtingen. Er wordt op gewezen dat tot voldoening van de verschuldigde sommen ingevolge de bijzondere rekening de richtlijnen van het BTW - controlekantoor moeten nagekomen worden en dat voor het tijdvak dat volgt op 28/02/2014 de rekening-courant .geopend blijven de betalingen, tot voldoening van de belasting dienen te gebeuren op het rekeningnummer van de 'BTW - Ontvangsten' te Brussel.
Op 25/03/2014 wordt .de bijzondere rekening opgemaakt voor de periode 30 november 2013 -28 februari 2014 en bij aangetekende brief van dezelfde datum wordt deze bijzondere rekening aan de belastingplichtige ter kennis gebracht.
De betalingen door A. op 12/03/2014 en 13/03/2014 werden gedaan op de rekening-courant en niet op de rekening van de BTW ontvangsten Mechelen met aanduiding van de referte … en bovendien bekomen na de op nul-zetting van. de rekening courant (op 28/02/2014).
Pas op 02/04/2014 werd per e-mail de overboeking van de gedane betalingen gevraagd naar de bijzondere rekening (zie stuk 118 eiser in hoger beroep).
Het hof oordeelt dat de administratie terecht is overgegaan tot het opstellen van een bijzondere rekening en dat zij daarbij gehandeld heeft in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen.
Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen desbetreffende af als niet ter zake dienend en/of overbodig.
Motivering van het dwangbevel. de berekening van de verschuldigde bedragen zoals opgenomen in het dwangbevel en de berekening van de verschuldigde interesten (verschuldigdheid interesten vanaf12 en 13 maart 2014)
Volgens verweersters in hoger beroep is het dwangbevel nietig omdat het niet correct gemotiveerd werd. Zij stellen dat het dwangbevel immers geen rekening houdt met de uitgevoerde betalingen,· geen correcte weergave bevat en. de afrekening verkeerd en bovendien wiskundig niet mogelijk is.
Deze aanvoeringen van eisers in hoger beroep gaan uit van, een verkeerde lezing van de gegevens vermeld op het dwangbevel en zijn niet van aard afbreuk te doen aan de geldigheid van het dwangbevel noch blijkt hieruit dat het dwangbevel onvoldoende zou gemotiveerd zijn.
Een dwangbevel inzake belastingen over de toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de wet motivering bestuurshandelingen van 29 juni 1991 van toepassing is zodat het bestuur de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd.
Voor de geldigheid van het dwangbevel volstaat het dat de aangesproken belastingplichtige zonder misverstand ingelicht zou zijn over hetgeen van hem wordt gevorderd en over de motivering van deze vordering.
Het dwangbevel verwijst uitdrukkelijk naar de bijzondere rekening gehouden voor de periode voorafgaand aan 28/02/2014, waarvan een afschrift in bijlage gevoegd werd.
Uit deze bijzondere rekening blijkt dat de aangifte over het vierde kwartaal 2013 op 28/02/2014 niet betaald werd. Dienvolgens werd de rekening-courant op 28/02/2014 gesaldeerd en werd er een bijzondere rekening opgemaakt met een bedrag aan verschuldigde BTW van … euro, een bedrag van … euro (zijnde de intresten berekend tot 21/03/2014) meer een intrest van 0,8 % per maand vanaf 21/03/2014 en een boete van … euro.
In deze wordt in de bijzondere rekening, afdoende uiteengezet om welke reden een bijzondere rekening werd opgemaakt, op welke periode ze betrekking heeft en welke fiscale schuld ze impliceert, met een uitsplitsing tussen de BTW zelf, de interesten en de boeten en een vermelding van de periodes waarop de betrokken bedragen betrekking hebben. Er wordt tevens uiteengezet hoe de boete werd berekend, met vermelding van de toepasselijke bepalingen, de periodes en de berekening van de vermindering.
Verder wordt het saldo van de uiteindelijk nog verschuldigde bedragen, na aanrekening van de betalingen, in het dwangbevel zelf correct weergegeven.
Het dwangbevel uitgevaardigd op 08/05/2014 vermeldt dan ook uitdrukkelijk en correct verschuldigd initieel bedrag van … euro aan BTW … euro proportionele geldboete (dit is immers het bedrag aan boete verschuldigd na kwijtschelding bij beslissing van 06/05/2014 van …euro van de oorspronkelijk opgelegde … euro aan proportionele geldboete) en een bedrag van … euro aan reeds tot 21/03/2014 verlopen intresten overeenkomstig artikel 91 §1 WBTW. Het dwangbevel vermeldt uitdrukkelijk dat de intresten vanaf 21/03/2014 nog dienen berekend te worden overeenkomstig artikel 91 § 1 WBTW. Tevens vermeldt het dwangbevel de aanrekening van de betalingen.
A. betaalde op 12/03/2014 en op 13/03/2014 respectievelijk een bedrag van … euro en … euro op de rekening-courant. Nochtans was uitdrukkelijk aan A. middels het aangetekend schrijven van 11/03/2014 meegedeeld dat enkel voor het tijdvak dat volgde op 28/02/2014 de rekening-courant geopend bleef en dat hiervoor diende betaald te worden op het rekeningnummer … van de BTW-ontvangsten Brussel. Voor de voldoening van de verschuldigde sommen ingevolge de bijzondere rekening diende de richtlijnen van het BTW-controlekantoor te worden nageleefd. De kennisgeving van de bijzondere rekening dd. 25/03/2014 vermeldde ook uitdrukkelijk dat de betaling niet mocht uitgevoerd worden op de rekening van de dienst BTW-ontvangsten Brussel.
Overeenkomstig art. 5 §3, tweede alinea van KB nr. 24 wordt iedere betaling op de postrekening nr. … (BTW-ontvangsten Brussel) met vermelding van een belastingplichtige die periodieke aangiften moet indienen, niettegenstaande elke strijdige verklaring, geacht te zijn gedaan om te worden ingeschreven op de rekening courant van die belastingplichtige.
De betalingen van 12 en 13 maart 2014 op dit rekeningnummer van de BTW-ontvangsten Brussel werden dan ook terecht toegewezen aan de rekening-courant.
Op 02/04/2014 werd per e-mail pas de overboeking van de gedane betalingen gevraagd naar de bijzondere rekening (zie stuk 118 eiser in hoger beroep).
Vanaf dan werden door de belastingadministratie op de rekening-courant eerst de voorschotten van februari 2014 en van maart 2014 in rekening gebracht, zijnde … euro (zie stuk II. 9 eiser in hoger beroep). Een bedrag van … euro werd vervolgens overgeboekt naar de bijzondere rekening. Na het indienen van de aangifte over het eerste kwartaal 2014 voor een te betalen bedrag van … euro, werd het aan aanwezige saldo op de rekening-courant voor een bedrag van … euro (zijnde … euro - … euro) overgeboekt naar de bijzondere rekening (er waren geen voorschotten verschuldigd tussen 20/04/2014 en 20/05/2014).
Op 08/05/2014 werd er dan een nieuw betaalbericht overgemaakt waaruit bleek dat er nog een saldo verschuldigd was van … euro aan BTW … euro aan boete en … euro aan intresten.berekend tot 20/05/2014 op … euro, zijnde in totaal … euro. Dit betreft exact dezelfde bedragen zoals ze blijken uit het uitgevaardigde dwangbevel.
Voormelde aanrekeningen worden gestaafd middels de .door eiser in hoger beroep voorgelegde stukken waaronder het overzicht van de boekingen op de rekening courant (stuk 1113 eiser in hoger beroep) en het overzicht van het RCIV-artikel … en van de affectaties (stuk ll. 14 eiser in hoger beroep).
Overeenkomstig voorgaande blijkt uit het dwangbevel nr. ·… dat terecht slechts een totaal bedrag van … euro (… euro + … euro) aan betalingen in rekening werden gebracht van de bijzondere rekening, zodat er nog een totaal saldo verschuldigd was van … euro.
Nu het dwangbevel duidelijk melding maakt van een bedrag van … euro aan intresten overeenkomstig artikel 91 §1 WBTW, zijnde het bedrag berekend tot 21/03/2014 en de intresten vanaf 21/03/2014 nog dienden berekend te worden overeenkomstig art. 91§1 WBTW, Is het geenszins wiskundig onmogelijk dat er na aanrekening van de betalingen nog een saldo overblijft van … euro aan intresten. Op het saldo, na aanrekening van de respectievelijke betalingen op de bijzondere rekening (zoals hoger weergegeven) zijn immers nog intresten verschuldigd overeenkomstig art. 91, §1 WBTW. Het hof stelt vast dat de berekening van de intresten zoals weergegeven in de conclusies van de Belgische Staat op pag. 16, 17 en 18 correct gebeurde overeenkomstig de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.
Aangezien uit de voormelde afrekening tevens blijkt dat er geen sprake is van een (volledige) betaling op de bijzondere rekening zijn er wel degelijk nog intresten verschuldigd door de belastingplichtige vanaf de betalingen dd. 12/03/2014 en 13/03/2014 op de rekening-courant.
Het recht op nalatigheidsinterest is te dezen verschuldigd en gaat voor de Belgische Staat evenmin verloren doordat hij overgaat tot het leggen van bewarend beslag onder derde (inhouding Btw-krediet ten bewarende titel overeenkomstig art. 8/1 §3, alinea 4 KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake de belasting over de toegevoegde waarde).
Uit de motivering van het dwangbevel volgt ongetwijfeld dat·A. zonder misverstand ingelicht werd. over hetgeen van haar op dat ogenblik gevorderd werd de betalingen die aangerekend. werden en het nog verschuldigde saldo, alsook de motivering van deze vordering zodat zij kon beoordelen of het zin had zich te weren tegen het dwangbevel en zij in staat was met kennis van zaken op een nuttige wijze desgewenst het dwangbevel aan te vechten.
Het dwangbevel is dan ook afdoende gemotiveerd en houdt rekening met de gedane betalingen en bevat een correcte afrekening niet inbegrip van. een correcte berekening van de intresten.
De motivering van de proportionele boete en het verzoek om kwijtschelding
Verweersters in hoger beroep stellen dat indien de belastingadministratie van oordeel was dat er een geldboete verschuldigd was, men dit onmiddellijk in het schrijven dd. 11/03/2014 had moeten opnemen, of er minstens naar had moeten verwijzen, hetgeen men in casu niet deed.
Artikel 109 van de wet van 9 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen luidt als volgt:
"Telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, vermeldt dit bericht de feiten die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en geeft de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen".
Deze bepaling legt minstens een even strenge motiveringsverplichting op als de wet van 29 juli 1991, zodat deze laatste in deze niet van toepassing is.
Of voldaan is aan de motiveringsverplichting dient beoordeeld te worden aan de hand van het bericht waarin de boete ter kennis werd gebracht. Te dezen gebeurde dit door middel van het overmaken van de bijzondere rekening op 25/03/2014. Uit geen enkele wettelijke bepaling volgt dat dit reeds diende te gebeuren in het schrijven van 11/03/2014. De bijzondere rekening werd immers pas opgesteld op 25/03/2014 en op dezelfde datum overgemaakt.
De motivering van de proportionele geldboete op de bijzondere rekening stuk I a Belgisch Staatsblad) luidde als volgt :
''Verminderde proportionele geldboete wegens niet betaling: … €
De BTW moet worden voldaan binnen vastgestelde termijn. voor indiening van de aangifte, vermeld onder punt 1 "indieningsverplichting" (Btw-Wetboek, artikel 53, §1, 3°). De geldboete vaar niet betaling is gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting (Btw-Wetboek, artikel 70, §1). Deze wettelijke geldboete is verminderd tot 15% van de verschuldigde belasting … EUR, afgerond tot de lagere euro of het lagere veelvoud van … euro, naargelang zijn bedrag lager of hoger is dan … EUR (Koninklijk besluit n° 41 van 30 januari 1987, artikel 1, alinea 1° en de bijlage, tabel G, eerste afdeling, I, 2°, A). Het bedrag van de verschuldigde BTW. kamt overeen met het beginsaldo van de bijzondere rekening vermeerderd met de aan de staat verschuldigde bedragen (bedrag van de roosters 71 van de periodieke aangiften opgenomen in de bijzondere rekening, het BTW-bedrag van de BTW-beslissingen, correcties van betalingen), verminderd met de bedragen in het voordeel van de belastingplichtige (bedrag van de roosters van de periodieke aangiften opgenomen in de bijzonder rekening, het BTW-bedrag van de BTW beslissingen, correcties van betaling). De bedragen ingeschreven op de bijzondere rekening worden eerst toegepast op de kosten, vervolgens op de interesten, vervolgens boetes en ten slotte op de verschuldigde belasting (koninklijk besluit nr. 24 van 29 december 1992, artikel 6)."
Het hof stelt vast dat te dezen melding wordt gemaakt van de feiten die de overtreding opleveren, de motieven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen en de toepasselijke wettelijke bepalingen.
Deze motivering is afdoende.
Art. 70 § 1 WBTW bepaalt: ''Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting."
Krachtens artikel 84 W.BTW wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal·waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
ln art. 1, 1° KB nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde van 30/01/1987, is de schaaI voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van overtredingen beoogd in artikel 70, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (begaan na 31 oktober 1993).
Overeenkomstig tabel G, .eerste afdeling punt 1, 2, A) bij KB nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde van 30/01/1987, is een boete verschuldigd van 15 % van de verschuldigde belasting voor overtredingen waarvoor de BTW-hoofdcontroleur een bericht verstuurt betreffende belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangiften bedoeld in art. 53, eerste lid, 3°van het Wetboek, of uit het opstellen van de bijzondere rekening.
Artikel 3 van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW bepaalt dat een volledige kwijtschelding van geldboete(n) wordt verleend wanneer een belastingplichtige zijn fiscale toestand spontaan rechtzet "vóór enige tussenkomst van de fiscale Administratie".
De term "tussenkomst" die in artikel 3 van het KB nr. 41. wordt gebruikt, moet in zijn gebruikelijke betekenis worden toegepast. Door de aankondiging dat een bijzondere rekening zou opgemaakt worden in het schrijven van 11/03/2014 was er een tussenkomst van de BTW-Administratie. In casu waren de betalingen het gevolg van voormeld schrijven. Bovendien kan er hier ook slechts sprake zijn van een gedeeltelijke betaling van een openstaande belastingschuld zoals blijkt uit de hoger reeds vermelde afrekening en correcte aanrekening van de betalingen (zie titel "2.2 Motivering van het dwangbevel en de verschuldigde bedragen, inclusief intresten en boete zoals opgenomen in het dwangbevel.'). Er is dan ook geen sprake van een rechtzetting van de situatie conform artikel 3 KB nr. 41 van 30 januari 1987.
Bij beslissing van de Gewestelijk directeur van 06/05/2014 werd de boete. op grond van artikel 9 van het besluit van de Regent van 18 maart 1831 vermindert tot … euro.
De boete opgelegd overeenkomstig artikel 70 WBTW heeft een repressief karakter en ss strafrechtelijk in de zin van art. 6 EVRM;
De fiscale rechter kan echter steeds nagaan of een fiscale boete niet onevenredig is en de boete desgevallend naar redelijkheid verminderen.
Het is echter de fiscale rechter niet toegelaten om fiscale boeten om loutere redenen van billijkheid of opportuniteit te verminderen of kwijt te schelden.
Het hof ziet geen reden om een verdere vermindering van de boete toe te staan. Te dezen heeft de belastingplichtige haar wettelijke fiscale verplichtingen niet nageleefd, meer bepaald de regels vastgelegd in verband met de voldoening van de belasting. Zij heeft nagelaten belangrijke bedragen (tijdig) te betalen en aldus aan de Belgische Staat belangrijke inkomsten ontzegt voor een bepaalde tijd. Het is pas na tussenkomst van de BTW-administratie dat de belastingplichtige overging tot betaling op haar rekening-courant, hetgeen uiteindelijk resulteerde in een gedeeltelijke betaling van de bijzondere rekening. De boete van … euro is te dezen dan ook verantwoordt en evenredig met de aard en de ernst van de feiten die geenszins buiten de wil ligt van de belastingplichtige en komt het hof dan ook gepast voor. Het hof ziet dan ook geen enkele reden om de herleide boete kwijt te schelden of nog verder te verminderen noch om enig uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.
De rechtsplegingsverqoedinq
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).
Het betreft een in geld waardeerbare vordering van … euro tot … euro.
Aangezien de uitspraak van het vonnis dd. 07/10/2015 van de eerste rechter dateert van voor de indexering zoals die toepasselijk is vanaf 01/06/2016, bedraagt het basisbedrag voor de procedure in eerste aanleg … euro (indexering vanaf 01/03/2011). Bijgevolg is het impliciet Incidenteel beroep van verweersters in hoger beroep ongegrond.
Voor de procedure hoger beroep bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding … euro (indexering rechtsplegingsvergoeding vanaf 01/06/2016).
De Belgische Staat was in eerste aanleg niet vertegenwoordigd, door een advocaat.
Overeenkomstig art: 1017 Ger.W. dienen verweersters in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in beide aanleggen.
De rechtsplegingsvergoeding wordt in hoofde van eiser in hoger beroep vereffend op … euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, bij gebrek aan vertegenwoordiging door advocaat en op … euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.
Gelet op al het voorgaande wijst het hof de overige argumenten van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.