Compte spécial, Motivation de la contrainte, Intérêts moratoires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 24 avril 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Compte spécial, Motivation de la contrainte, Intérêts moratoires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/compte-special-motivation-contrainte-interets-cour-appel-bruxelles-2024-04-24-d6be

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
24 avril 2024

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

268 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Bruxelles du 24.04.2024

WF 701-15-17/020512

[Favorable à l'administration]

Taxe sur la valeur ajoutée - Compte spécial – Motivation de la contrainte - Intérêts moratoires - Paiement sous réserve - Sanction pénale.

Dispositions légales

Articles 53, § 1er, et 91, § 4, du Code de la TVA ;

Articles 2 et 18, § 1er, de l’arrêté royal n° 1, du 29 décembre 1992, relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée

Article 6 de la CEDH.

Résumé

1.Les faits, les antécédents de procédure et le jugement rendu en première instance

L'assujettie était dentifiée à la TVA pour l'activité économique de vente en gros de matériel téléphonique. En raison du non-respect des délais de dépôt et de paiement des déclarations de TVA, le compte courant a été mis à zéro et des comptes spéciaux ont été ouverts. En 2017, l’assujettie a fait opposition aux contraintes subséquentes en déposant une requête contradictoire au greffe du tribunal néerlandophone de première instance de Bruxelles. Ce tribunal a constaté que, s'agissant de la dette de TVA elle-même, seule l'existence d'un compte spécial était mentionnée dans les contraintes, ce qui ne permettait pas de déterminer la cause de la dette fiscale et sa période d'imposition. Ce défaut de motivation ne permettait pas à l’assujettie de connaître la nature et le fondement des sommes qui lui étaient réclamées.

L'administration a fait appel de ce jugement.

2. L'arrêt de la cour d'appel

L’assujettie soutient qu'elle ne connaît pas les montants réclamés dans les contraintes et qu'elle ne sait pas comment sont nés les comptes spéciaux sur lesquels ces montants se fondent. Elle invoque que, sur la base de la motivation de chaque contrainte, elle ne peut pas savoir de quoi il s'agit et que, dans chaque cas, elle ne ignore seulement sur quoi la demande est fondée en ce qui concerne la le TVA réclamée.

Les comptes spéciaux ont été communiqués et signifiés à l’assujettie en même temps que les contraintes. Les comptes spéciaux ont été portés à la connaissance de l’assujettie et indiquent clairement le contenu de chaque déclaration concernée. Au moment où les contraintes ont été signifiées pour la première fois, il n'était absolument pas question que le délai de conservation des données relatives aux propres déclarations de TVA auquel est tenue l'assujettie était expiré, de sorte qu'il y a lieu de supposer que l'assujettie a pu et peut encore prendre connaissance du contenu de ces déclarations.

Disposant de toutes les informations lui permettant de prendre en compte les données sur lesquelles étaient basées les créances reprises dans les contraintes ainsi que des dispositions légales sur lesquelles l'administration s'appuyait, l’assujettie était en mesure de se défendre contre ces actions. Il en résulte qu’aucune violation du principe de la motivation des actes administratifs n’est prouvée en ce qui concerne les contraintes et que celles-ci ne sont pas nulles. Les actions de l'Etat belge ne sont également pas prescrites.

Le fondement légal de l'amende TVA a été mentionné par l'administration. Dès lors, la cour juge l’amende infligée proportionnée à la nature et à la gravité de l'infraction réprimée.

Les intérêts sur la TVA réclamés n'ont pas le caractère d'une sanction pénale au sens de l'article 6 de la CEDH. Ils visent à compenser le fait que l'État belge n'a pas perçu la TVA due alors qu'elle était initialement exigible. Ils sont donc de nature purement compensatoire.

Le fait que les intérêts s'accumulent et deviennent importants est dû à l'écoulement du temps dans l'attente du paiement de la TVA due mais ne vise nullement à « punir » l’assujettie au sens de l'article 6 de la CEDH. Elle pouvait d'ailleurs arrêter le cours des intérêts en payant sous réserve ce qui était réclamé comme TVA à payer.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep Brussel, Kamer 6N, burgerlijke zaken

Arrest van 24/04/2024

Rol: 2019/AF/127

INZAKE :

DE BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal — Directeur te Centre PME Bruxelles 1 - KMO centrum Brussel 1, met kantoren te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3404,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. V. D. V. K., advocaat, kantoorhoudende te ...

TEGEN :

Meester V. S., advocaat, kantoorhoudende te ..., handelend in hoedanigheid van qq. curator over het faillissement van N.V. A. T., met maatschappelijke zetel te ..., ondernemingsnummer 045...21, failliet verklaard op 5 september 2023,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. L. A. loco mr. N. K. en mr. L. A., advocaten, beiden kantoorhoudende te ..., ...

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit.

Gelet op de processtukken, inzonderheid,

- het vonnis van de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 5 november

2018, waarvan geen betekeningsakte voorligt en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij

verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 2 april 2019,

- de conclusies van appellant neergelegd ter griffie op 6 januari 2020 en die van geïntimeerde

neergelegd ter griffie op 9 september 2019 en 8 april 2020,

- de stukken van appellant neergelegd ter zitting van het hof.

I. Feiten en voorgaanden

NV A. T. werd geregistreerd onder het btw-nummer BE 045...21 vanaf 1 april 1995 tot en met 1 juli 2005. Ze had als economische activiteit groothandel in telefonieapparatuur. Ze verhandelde volgens haar uitleg gsm's.

NV A. T. is als gevolg van de uitoefening van haar activiteit onderworpen aan de bepalingen van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde en de in het kader ervan genomen uitvoeringsbesluiten.

NV A. T. was op grond van artikel 18, § 1 van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde gehouden tot het maandelijks indienen van een Btw aangifte en dit uiterlijk de twintigste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft (ingevolge artikel 53, § 1 Btw wetboek).

Nadien, in toepassing van artikel 18, § 2 van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde werd NV A. T. gemachtigd om slechts om de drie maanden een periodieke btw-aangifte in te dienen en dit in afwijking van artikel 53, § 1 Btw wetboek. Zij was dan dus gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.

NV A. T. heeft klaarblijkelijk al de periodieke aangiftes betrekking hebbende op het huidige geding ingediend, al dan niet binnen de wettelijke termijnen.

Wegens niet (-tijdige) indiening van de aangiftes, althans volgens appellant, werd de btw-rekening-courant gehouden voor de NV A. T. op nul gezet in overeenstemming met artikel 5, § 1 van het Koninklijk Besluit nr. 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

In overeenstemming met artikel 8, § 1 van het Koninklijk Besluit BTW nr. 24, voornoemd, werden twee bijzondere rekeningen opgemaakt:

- de eerste voor de periode 31 oktober 1999 tot en met 31 januari 2000 (stuk 1 van appellant);

- de tweede voor de periode 31 juli 2000 tot en met 31 oktober 2000 (stuk 7 van appellant).

De bewuste aangiftes werden uiteindelijk ingediend maar de BTW zelf werd niet betaald. Wegens de niet-tijdige betaling van de btw werden boetes en intresten aangerekend.

Op grond van voormelde twee bijzondere rekeningen zijn volgens de uiteenzetting van de Belgische Staat de volgende bedragen verschuldigd door geïntimeerde:

Voor de periode 31 oktober 1999 tot en met 31 januari 2000 (RCIV: 400...29):

 als btw: 12.570,56 €;

 als proportionele geldboeten: 1239,47 €;

meer de interesten vanaf 21 februari 2000 overeenkomstig artikel 91, § 3 WBTW,

en meer de moratoire interesten over de verschuldigde geldboete overeenkomstig artikel 91, § 4

WBTW.

Voor de periode 31 juli 2000 tot en met 31 oktober 2000 (RCIV: 400...54):

 als btw: 2.300,55 €;

 als proportionele geldboeten: 228,06 €;

meer de interesten vanaf 21 november 2000 overeenkomstig artikel 91, § 3 WBTW, en meer de moratoire interesten over de verschuldigde geldboete overeenkomstig artikel 91, § 4 WBTW.

Omdat de betaling van de verschuldigde sommen uitbleef, werden op 30 oktober 2001 voor de schuld voortvloeiend uit die twee bijzondere rekeningen twee dwangbevelen uitgevaardigd (RCIV-artikelnummers 400...29 en 400...54), door de waarnemend eerstaanwezend Inspecteur, rekenplichtige van het btw Ontvangkantoor van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen te Brussel, die op 31 oktober 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werden door de Gewestelijk Directeur van de btw te Brussel II (stukken 2 en 8 van appellant). Ze zijn op 17 december 2001 voor de eerste maal per deurwaardersexploot betekend (en nadien blijkt er nog meerdere malen kennis van te zijn gegeven).

Op 23 januari 2017 ontving geïntimeerde een aanzegging van uitvoerend derdenbeslag voor de verschuldigde sommen ingevolge de twee voormelde dwangbevelen.

Op 23 maart 2017 tekende geïntimeerde tegen de dwangbevelen verzet aan middels neerlegging van een tegensprekelijk verzoekschrift ter griffie van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Zij vorderde de twee dwangbevelen te vernietigen, appellant te veroordelen tot de opheffing van de in de dwangbevelen gevorderde BTW-schuld en minstens te zeggen dat de hierin vermelde sommen telkens niet verschuldigd zijn. Zij vorderde in ondergeschikte orde de geldboete te verminderen en de nalatigheidsintresten kwijt te schelden. Zij vorderde de veroordeling van appellant tot de kosten van het geding.

Het bestreden vonnis volgde op 5 november 2018. Het bestreden vonnis verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond en vernietigde de dwangbevelen. Het beval de opheffing van de erin gevorderde BTW-schuld en veroordeelde appellant tot de kosten van het geding.

Het motiveerde die beslissing door de vaststelling van de afwezigheid van de motivering van de dwangbevelen. Het stelde vast dat wat de schuld inzake BTW zelf betreft, in de dwangbevelen enkel verwezen wordt naar het bestaan van een bijzondere rekening, aan de hand waarvan de oorzaak van de belastingschuld niet zou kunnen worden vastgesteld, evenmin als de belastbare periode ervan. Dit gebrek in de motivering zou geïntimeerde niet toelaten de aard en de grond van de van haar gevorderde bedragen te kennen.

Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.

II. In rechte

Vorderingen en middelen van partijen

A/ Vorderingen en middelen van appellant

Appellant vordert zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Hij vordert het bestreden vonnis teniet te doen, de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen en haar (waarbij inmiddels gezien het faillissement van geïntimeerde telkens haar curator qq. bedoeld is) te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Hij voert daartoe de volgende middelen aan:

- het bewezen karakter van zijn vordering en het gegeven dat de gevorderde bedragen in hoofdsom, en dus ook toebehoren, wel degelijk verschuldigd zijn;

-in de aangiftes verklaart geïntimeerde zelf dat ze schuldenaar is van de aangegeven te betalen bedragen;

- de dwangbevelen zijn ook voldoende gemotiveerd;

- er is een kennisgeving van de verschuldigde bedragen aan geïntimeerde aan vooraf gegaan;

- het samenlezen van de dwangbevelen en de bijzondere rekening laat geïntimeerde toe te weten waar het over gaat;

- de eigen aangiften zijn de oorzaak van de vordering inzake BTW;

- de betalingstermijn is vastgelegd in de wet en er is niet betaald;

- geïntimeerde bewijst geen belangenschade;

-zelfs indien de dwangbevelen nietig zijn, is de verschuldigdheid van de BTW bewezen;

- geïntimeerde was in de mogelijkheid haar recht van verdediging uit te oefenen en zich te

verdedigen;

- het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn niet geschonden;

- het opleggen van intresten moet niet gemotiveerd worden doch volgt uit de wet zelf; er is

geen subjectief recht bewezen om van de betaling van intresten vrijgesteld te worden;

- er is reden om een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding toe te kennen.

B/ Vorderingen en middelen van geïntimeerde

Geïntimeerde vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen. Zij herneemt overigens haar vordering als gesteld in eerste aanleg.

Zij voert daartoe de volgende middelen aan :

- de vordering inzake BTW is niet bewezen; geïntimeerde weet niet hoe de bijzondere rekeningen tot stand gekomen zijn;

- het gegeven dat de dwangbevelen niet gemotiveerd zijn en geïntimeerde de oorzaak van de belastingschuld niet kan vaststellen en verifiëren;

- de schending van het recht van verdediging;

- de schending van het motiveringsbeginsel inzake de opgelegde geldboeten;

- de schending van het evenredigheidsbeginsel inzake de opgelegde geldboeten;

- de noodzaak van kwijtschelding van de nalatigheidsintresten, minstens de vermindering ervan;

- appellant heeft de intresten immers nodeloos laten oplopen;

- de tegenvordering inzake tergend en roekeloos geding moet worden verworpen.

III. Beoordeling

Het bewijs van de bedragen gevorderd in het dwangbevel en de al dan niet toereikende motivering ervan

Geïntimeerde houdt vol dat zij de bedragen gevorderd in de dwangbevelen niet kent en niet weet hoe de bijzondere rekeningen waarop ze gebaseerd zijn, tot stand zijn gekomen. Zij stelt dat zij op grond van de inhoud van de motivering van ieder dwangbevel niet kan weten waarover het gaat en telkens niet weet waarop de vordering alleen al inzake de gevorderde BTW gebaseerd is.

Samen met de dwangbevelen werden de bijzondere rekeningen aan geïntimeerde betekend. Overigens voegde geïntimeerde ook deze bijlagen zelf al bij haar gedinginleidend verzoekschrift houdende fiscaal verhaal in eerste aanleg. In die bijlagen is in kolom 3 (boeking) telkens te lezen dat het gaat om bedragen voortvloeiend uit de eigen door geïntimeerde ingediende aangiften inzake BTW. Die stukken worden nu opnieuw door appellant voorgelegd. Uit de studie van de bijzondere rekening blijkt dat zo er geen aangifte vermeld is in kolom 3, de wijziging van verschuldigde bedragen overgedragen naar het volgend tijdvak telkens enkel te wijten is aan de loop van de intresten of de compensatie met bedragen "in het voordeel" van geïntimeerde. Ook stuk 15bis van appellant toont aan dat de inhoud van de bijzondere rekening erin bedoeld gebaseerd is op de eigen aangiftes van geïntimeerde. Voor het overige geven de bijzondere rekeningen zelf zeer gedetailleerd de berekening van de verschuldigde bedragen inzake BTW en de erop lopende intresten.

Dit geldt ook voor de periode voorafgaand aan 31 juli 2000. Op de terzake relevante bijzondere rekening is vermeld dat geïntimeerde een kwartaalaangever is (bv. bijlage in stuk 8 van appellant).

Geïntimeerde is dus zelf de "oorzaak" van de in dwangbevelen en bijzondere rekeningen uitgedrukte vorderingen daar zij inzake de hoofdsom gebaseerd blijken op haar eigen aangiftes.

De cijfermatige studie van iedere bijzondere rekening, die leesbaar en kenbaar zijn, hoewel niet woord na woord uitgeschreven, voldoen ter motivering van de inhoud van de bijzondere rekeningen en aldus ook ter motivering van het dwangbevel dat telkens in essentie zegt dat het gaat om bedragen gevorderd op grond van aangiftes die geïntimeerde zelf heeft ingediend. Dit is dan ook geen gebrek aan motivering.

Geïntimeerde kan bezwaarlijk stellen "verbaasd" te zijn over de inhoud van dwangbevelen waaraan haar eigen aangiften ten grondslag liggen, laat staan volhouden dat die dan niet gemotiveerd zijn.

De bijzondere rekeningen zijn voorgelegd en vermelden duidelijk de inhoud van iedere relevante aangifte gedaan door geïntimeerde zelf. Op het ogenblik waarop de dwangbevelen voor het eerst betekend werden (op 17 december 2001) was van enig verstrijken van een bewaartermijn van gegevens van eigen BTW-aangiften hoegenaamd geen sprake, zodat ervan moet worden uitgegaan dat geïntimeerde van de inhoud ervan op de hoogte is, was en thans nog kan zijn of kon zijn.

Er is dus geen vereiste van het alsnog toevoegen van enige "verklarende nota" bij de voorgelegde bijzondere rekeningen, in bijlage bij de dwangbevelen. Die bijzondere rekeningen geven bovenaan duidelijk aan welke bedragen in welke kolommen vermeld zijn, alsook de betekenis ervan. Er wordt wel degelijk voor zoveel als nodig verwezen naar het ogenblik van de aangifte waaruit gegevens geput werden tot opmaak van de bijzondere rekeningen. Deze zijn niet inhoudsloos. Dat verwezen wordt naar eigen stukken en dus aangiftes van geïntimeerde, betekent geenszins dat zij niet leesbaar, kenbaar of niet te interpreteren zijn.

Het bestreden vonnis moet dus op dit punt teniet gedaan worden.

Een dwangbevel en dus ook de twee hier voorliggende moet gemotiveerd zijn, zoals geïntimeerde terecht aanhaalt. Onterecht echter houdt geïntimeerde vol dat de twee hier voorliggende dwangbevelen niet gemotiveerd zijn. Dat zij verwijzen naar het gegeven dat de hoofdsom inzake BTW verschuldigd is op grond van een bijgevoegde bijzondere rekening, die verwijst naar aangiften van geïntimeerde en dat er dus BTW en toebehoren betaald moet (of beter moest) worden, houdt een voldoende duidelijke en klare motivering van die dwangbevelen in. Dat het simpelweg gaat om te betalen BTW zoals blijkt uit aangiften, en toebehoren ervan, zoals intresten, vergt dan ook niet nog meer uitleg, dan nu al meer dan uitvoerig genoeg gegeven in de dwangbevelen en bijgevoegde bijzondere rekeningen. Er is dus geen gebrek in de motivering van de dwangbevelen, laat staan een afwezigheid van motivering.

Dat een boete verminderd is, blijkt uit het dwangbevel zelf.

De concrete berekeningswijze van de intresten vermeldt de toepasselijke wettelijke bepalingen. Geïntimeerde kon die dus verifiëren. De betaalde bedragen zijn vermeld en dit vergt niet ook nog een woordelijke (of beter cijfermatige) herhaling van enig saldo. Geïntimeerde houdt niet vol en bewijst ook niet dat haar betalingen (die zij kent) niet correct geboekt zijn. Men vindt in de dwangbevelen wel (degelijk) de feitelijke grondslagen voor de vorderingen, meer bepaald de eigen aangiften van geïntimeerde en voor zoveel als nodig, de relevante wettelijke bepalingen inzake de toepassing van de BTW en dat geen BTW betaald is. Alle informatie voor geïntimeerde om zich rekenschap te geven van de inhoud van de vorderingen in de dwangbevelen was voorhanden voor haar, zoals ook de wettelijke bepalingen waarop appellant zich steunde, zodat zij in de mogelijkheid is geweest zich tegen de vorderingen te verdedigen.

Er is dus geen schending van enig motiveringsbeginsel voor de dwangbevelen bewezen en zij zijn niet nietig. De vorderingen van de Belgische Staat zijn ook geenszins "verjaard".

Al dan niet schending van het recht van verdediging van geïntimeerde door het verstrijken van de tijd sinds de opmaak van de bijzondere rekeningen

Geïntimeerde stelt dat door het verstrijken van de tijd zij nu niet meer kan weten en nagaan hoe de bijzondere rekeningen werden opgemaakt.

Echter zijn die na opmaak destijds gewoon ter kennis gebracht van geïntimeerde en overigens ook nog weer bij de betekening van de dwangbevelen al in 2001 voor de eerste keer (zie hoger). Geïntimeerde kon die dus kennen en is daartoe in de mogelijkheid geweest. Dat zij zelf haar economische activiteit stop zette, betekent geenszins dat zij niet meer bestond en geen documentatie meer diende bij te houden over haar eigen bedrijfsvoering, die overigens in rechte gewoon is door gegaan. Zij is, bv., niet vereffend in tussentijd. Dat zij zelf geen zicht meer heeft op de vordering van de administratie en zegt geen toelichtende stukken meer te hebben om zelf de oorsprong van haar aangiften na te gaan en de erin vermelde bedragen te onderzoeken, blijkt derhalve geheel en al aan haarzelf te wijten. Dit is geenszins enige schending van haar rechten van verdediging door enige daad van buitenaf, laat staan door appellant, die evenmin enig gebrek aan zachtmoedigheid te verwijten is of enig gebrek aan naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur.

De opgelegde geldboeten

Geïntimeerde houdt vol dat de opgelegde geldboete van € 228,06 in het dwangbevel met artikel nr. 400...54, zijnde 10 % van de verschuldigde BTW disproportioneel is (art. 70 § 1, lid 1 WBTW) en dat deze geldboete niet gemotiveerd is.

Het dwangbevel vermeldt dat het gaat om een "geldboete wegens niet-tijdige betaling van de BTW". Dat is een motivering, die in het licht van het geheel de in het dwangbevel vermelde gegevens toereikend is en geïntimeerde toelaat te weten waarom zij opgelegd wordt. Er staat aldus dat de BTW door haar niet is betaald.

De rechter gevat van een administratieve geldboete met strafrechtelijk karakter zoals één inzake BTW, wat op zich door geïntimeerde terecht betoogd wordt qua karakter, kan deze met volle rechtsmacht beoordelen, zonder dat deze bv. om redenen van billijkheid of opportuniteit, tot kwijtschelding ervan kan overgaan.

De BTW-geldboete van € 228,06 is opgelegd omdat geïntimeerde de BTW zoals vermeld in haar aangifte te laat betaalde of zelfs niet betaalde. De wettelijke grondslag ervoor heeft appellant vermeld.

Deze aldus bepaalde geldboete beoordeelt het hof als aangepast aan de aard en de ernst van de beteugelde inbreuk aangegeven BTW niet tijdig en zelfs niet te betalen. Zij is tevens aangepast aan de gedraging van geïntimeerde van wie verwacht kan worden na inning van de BTW, die door te storten aan de Belgische Staat en de betaling niet achterwege te laten. Geenszins vormen de elementen aangehaald door geïntimeerde, zoals haar beweerde "beperkte duur" van uitoefening van haar economische activiteit en naar haar zeggen de stopzetting ervan een reden om toch af te zien van oplegging van die BTW-geldboete.

Aangaande de gevorderde nalatigheidsintresten

Het hof is niet bevoegd tot het verminderen van gevorderde nalatigheidsintresten. In zoverre die bevoegdheid zou bestaan, moet worden opgemerkt dat geen nalatigheid te ontwaren is in de handelswijze van de Belgische Staat als invorderende overheid van een belasting. Het is niet manifest onredelijk in een dwangbevel intresten te vorderen. Dat de intresten oplopen, volgt uit de wet en niet uit enige onwettelijke handelswijze van appellant en klaarblijkelijk uit het gegeven dat geïntimeerde geen toereikende betalingen deed. De wettelijke bepalingen op grond waarvan deze intresten berekend zijn en gevorderd worden, zijn mee gedeeld. De vordering op dit punt is niet onwettelijk, niet ongemotiveerd en niet onregelmatig.

Dat meerdere dwangbevelen nodig zijn en dus een studie nodig is tot nazicht van alle gevorderde intresten, is niet onwettig. Dat daarin telkens wettelijke intresten inzake BTW gevorderd worden, is dit evenmin.

Er is dus geen noodzaak, recht of aanleiding om, op of tot vermindering van de opgelopen nalatigheidsintresten en intresten te besluiten.

Er is niet aangetoond door geïntimeerde welk ander wettig middel niet is aangewend door appellant om betaling te verkrijgen van geïntimeerde waardoor de intresten niet zijn opgelopen zoals ze nu opgelopen zijn. Alleszins blijkt niet dat ze betaald heeft om die loop te vermijden of deels te vermijden. Dit is niet "te wijten" aan appellant maar aan de toepassing van de toepasselijke wettelijke bepalingen, mee gedeeld in het dwangbevel aan geïntimeerde en voor haar duidelijk kenbaar.

De gevorderde intresten inzake BTW hebben niet de aard van een strafsanctie zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Zij beogen de Belgische Staat te vergoeden voor het niet innen van de verschuldigde BTW op het ogenblik waarop die initieel opeisbaar was en voor het derven van de beschikking over wettig verschuldigde belastingen in afwachting van de inning ervan. Zij hebben dus een louter vergoedend karakter.

Dat intresten accumuleren en qua bedrag hoog in omvang worden, komt door het verstrijken van de tijd in afwachting van de betaling van wat aan BTW verschuldigd is, maar beoogt geenszins het "bestraffen" van geïntimeerde in de zin bedoeld in artikel 6 EVRM. Zij kon overigens de loop van de intresten stoppen door onder voorbehoud hetgeen gevorderd inzake BTW te betalen. Dat zij dat niet deed, stond haar vrij, maar leidt er nu toe vast te stellen dat verschuldigde BTW allicht nog niet betaald is, wat de gevorderde intresten eveneens allicht opeisbaar zal maken en dit zonder thans aangetoonde inbreuk op enige wettelijke bepaling, hetzij inzake WBTW, hetzij inzake internationaal verdragsrecht, ook inzake mensenrechten. De vordering tot het betalen van intresten, ook "geaccumuleerd", is immers louter burgerrechtelijk van aard en niet strafrechtelijk zoals bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het hoger beroep is gegrond. Het bestreden vonnis moet teniet gedaan worden.

De tegenvordering van appellant tot toekenning van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding

Dat geïntimeerde zich verdedigt, betekent niet dat zij tergend en roekeloos handelt. Deze vordering van de Belgische Staat is ongegrond, hoewel dan nog steeds blijkt dat deze ten aanzien van de gerechtskosten als de in het gelijk gestelde partij aanzien kan worden.

Aangaande de kosten

Gelet op het voorgaande, moet geïntimeerde verwezen worden in de kosten van het geding in eerste aanleg, begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van € 1.320,00 en in de kosten van het hoger beroep, begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van € 1.650,00, zoals begroot door appellant ter zitting van het hof. De betwisting is in geld waardeerbaar en betreft de bedragen gevorderd in de dwangbevelen, betwist door geïntimeerde.

Het rolrecht is vrijgesteld (art. 162, 4° + 2791 Wb.Reg.).

De kosten van de bijzondere bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand moet ten laste gelegd worden van geïntimeerde.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk en deels gegrond,

Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens in zoverre de vordering van geïntimeerde ontvankelijk werd verklaard,

Verklaart de vorderingen van geïntimeerde ongegrond,

Verklaart de vordering van appellant in zoverre hij een schadevergoeding vordert wegens tergend en roekeloos geding, ongegrond,

Verwijst de curator van geïntimeerde qq. in de kosten van het geding in eerste aanleg, begroot op € 1.320,00 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding en in deze van het hoger beroep, begroot op € 1.650,00 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoofde van de Belgische Staat en tot de bijdragen voor het begrotingsfonds van de tweedelijnsbijstand, begroot op € 20,00.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de fiscale kamer "6N" van het hof van beroep te Brussel, op 24 april 2024, alwaar aanwezig waren en zitting namen :

C.V. voorzitter

M. L. raadsheer

A.B. raadsheer

B.V. griffier

Décision jointe par le SPF

Jugement du tribunal de première instance

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 7de kamer

Vonnis van 05/11/2018

Rol: 2017/1124/A

In zake van :

De N.V. A. T., met maatschappelijke zetel te ... en met KBO-nummer 045...21,

Eiseres,

vertegenwoordigd door Meester K. N. in eigen naam en loco Meester A. L., advocaten te

... .

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de heer X, Adviseur-Generaal — Gewestelijk Directeur, Federale Overheidsdienst Financiën — KMO Brussel vertegenwoordigd door zijn gedelegeerde ambtenaren X, Adviseur en X, Attaché — Inspecteur bij een fiscaal bestuur, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3404.

Verweerder,

vertegenwoordigd door mevrouw X, voornoemd.

Gelet op:

- het verzoekschrift van 23/3/2017;

- de beschikking op grond van artikel 747 Ger.W. van 28/4/2017;

- de conclusie van de n.v. A. T. neergelegd ter griffie op 28/5/2018;

- de conclusie van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 27/8/2018;

- de stukken van partijen.

De advocaat van eisende partij en een vertegenwoordiger van verwerende partij werden gehoord in hun pleidooien ter openbare zitting van 1 oktober 2018, waarna de zaak in beraad werd genomen.

De procedure verliep met in acht name van de toepasselijke bepalingen van de wet van 15 juni 1935 en de wijzigende en aanvullende wetten op het taalgebruik in gerechtszaken.

Overeenkomstig artikel 748bis Ger. W. houdt de rechtbank enkel rekening met de laatst genomen (synthese)conclusies van de partijen.

1. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN

1.De n.v. A. T. (hierna: A. T.) is als gevolg van de uitoefening van haar activiteit van groothandel in telefonieapparatuur onderworpen aan de bepalingen van het BTW-wetboek.

Eiseres werd geregistreerd onder het btw-nummer BE 045...21 vanaf 1 april 1995. Deze registratie bleef geldig tot en met 1 juli 2005.

2.Eiseres was gehouden tot het indienen van kwartaalaangiften.

Wegens de niet(-tijdige) indiening van de aangiftes werd de btw-rekening-courant gehouden voor eiseres op nul gezet en er werden twee bijzondere rekeningen geopend:

- de eerste voor de periode 31 oktober 1999 tot en met 31 januari 2000;

- de tweede voor de periode 31 juli 2000 tot en met 31 oktober 2000;

Wegens niet-tijdige betaling van de btw werden boeten en intresten aangerekend.

3.Op basis van deze bijzondere rekeningen zijn volgens verweerder de volgende bedragen verschuldigd door eiseres:

- voor de periode 31 oktober 1999 tot en met 31 januari 2000 (RCIV 400...29);

als btw: €12.570,56

als proportionele geldboeten: €1.239,47

- voor de periode 31 juli 2000 tot en met 31 oktober 2000 (RCIV: 400...54);

als btw: €2.300,55

als proportionele geldboeten: €228,06

+ de intresten vanaf 21 november 2000 overeenkomstig artikel 91, §3 WBTW

+ de moratoire intresten over de verschuldigde geldboete overeenkomstig artikel 91, §4

WBTW

4.Omdat de betaling van de verschuldigde sommen uitbleef, werden op 30 oktober 2001 voor de schuld voortvloeiend uit de twee bijzondere rekeningen twee dwangbevelen uitgevaardigd, door de waarnemend eerstaanwezend inspecteur rekenplichtige van het btw-ontvangkantoor van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen te Brussel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 31 oktober 2001 door de gewestelijke directeur van de btw te Brussel.

De dwangbevelen werden op 17 december 2001 en 9 augustus 2016 betekend aan eiseres met bevel te betalen.

Op 23 januari 2017 ontving eiseres een aanzegging van uitvoerend derdenbeslag voor een totaalbedrag van 22.473,72 euro voor sommen verschuldigd ingevolge de twee voormelde dwangbevelen.

5.Op 23 maart 2017 heeft eiseres verzet gedaan tegen de voornoemde dwangbevelen

middels een tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van de artikelen 1385decies en 1385undecies Ger.W.

2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

6. De vordering van eiseres strekt ertoe, in hoofdorde, de twee dwangbevelen inzake

BTW met artikel 400...54 en artikel 400...29 te vernietigen, de administratie te veroordelen tot opheffing van de in voornoemde dwangbevelen vermelde btw-schuld, minstens te zeggen voor recht dat de hierin vermelde btw-sommen, boete en intresten niet verschuldigd zijn. In ondergeschikte orde vordert eiseres de geldboete te minderen en de nalatigheidsintresten kwijt te schelden. Tenslotte vordert eiseres dat verweerder zou worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

7.Verweerder is van oordeel dat het verzoekschrift onontvankelijk is wegens gebrek aan motivatie. In ondergeschikte orde vordert verweerder het verzoekschrift ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren, de twee dwangbevelen geldig te verklaren en eiseres tot de kosten te veroordelen.

3. BEOORDELING

3.1 Ontvankelijkheid

8. Volgens verweerder is het verzoekschrift van eiseres onontvankelijk bij gebrek aan motivatie.

9.Artikel 1034 ter Ger.W. bepaalt:

"Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid :

1° de dag, de maand en het jaar;

2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of

ambachtsregister;

3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid

van de persoon die moet worden opgeroepen;

4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;

5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;

6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat."

Uit de lezing van het verzoekschrift blijkt wel degelijk dat het verzoekschrift is gemotiveerd in die zin dat het het voorwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering bevat.

10.De ontvankelijkheid van de vordering wordt voor het overige niet (meer) betwist. Er zijn evenmin ambtshalve op te werpen gronden van onontvankelijkheid.

De vordering is ontvankelijk.

3.2 Gegrondheid

Eerste middel: Motivering van de dwangbevelen

11.Volgens eiseres zijn de dwangbevelen niet afdoende gemotiveerd, aangezien de administratie niet de juridische en feitelijke overwegingen vermeldt die aan de beslissingen ten grondslag liggen. Derhalve zou eiseres niet alle informatie ter beschikking hebben die zij nodig heeft om te kunnen oordelen of het zin heeft zich te verweren tegen de bestuurshandeling en haar in staat te stellen met kennis van zaken op een nuttige wijze de bestuurshandeling aan te vechten.

12.Krachtens artikel 85, § 1, eerste lid, BTW-wetboek wordt, bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dat dwangbevel is een bestuurshandeling waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen van toepassing is.

Volgens artikel 3 van die wet moet de administratie de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan het uitgevaardigde dwangbevel. De motivering moet bovendien afdoende zijn.

Een afdoende motivering moet de bestemmeling de mogelijkheid bieden de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt. Het afdoende karakter hangt af van het geheel van de omstandigheden van de zaak.

Inzake belasting over toegevoegde waarde vormt het dwangbevel, enerzijds, een taxatietitel die de belastingschuld concretiseert bij gebrek aan spontane en onvoorwaardelijke betaling van de verschuldigde belasting, en, anderzijds, een akte die geldt als uitvoerbare titel met het oog op de invordering van die belastingschuld. Het feit dat het dwangbevel de belastingschuld concretiseert, houdt in dat het belastbare feit, het bedrag en de hoedanigheid van de schuldenaar worden gepreciseerd (in die zin Cass. 18 december 2014, www.cass.be).

Dat de motivering afdoende moet zijn, betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen en dat de motivering evenredig moet zijn met de belangrijkheid van de genomen beslissing en de aard van de bevoegdheid van de overheid. Een afdoende motivering moet aan de bestemmeling toelaten de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt. Of zij al dan niet afdoende is zal afhangen van alle omstandigheden van de zaak, inzonderheid van de voorafgaande effectieve kennis die de bestemming heeft van de gegevens van het dossier (Cass. 22 mei 2008, www.cass.be).

De motivering van de litigieuze dwangbevelen kan als volgt worden samengevat:

Op naam van de belastingplichtige werd een bijzondere rekening bijgehouden voor het tijdvak van "31 oktober 1999 tot 31 januari 2000" (dwangbevel 400...29) en voor het tijdvak van "31 juli 1999 [lees: 2000] tot 31 oktober 2000";

- De boete wegens niet-tijdige betaling van de btw werd verminderd overeenkomstig het KB nr. 41 (artikel 1);

De boete vastgesteld wegens niet-tijdig indienen van de aangifte(n) en/of wegens het gebruik van een niet reglementair betaalformulier werd verminderd overeenkomstig een ministeriële beslissing;

- Op grond van de bijzondere rekening zijn de volgende sommen verschuldigd:

- voor de periode 31 oktober 1999 tot en met 31 januari 2000 (RCIV 400...29);

als btw: €12.570,56

- als proportionele geldboeten: €1.239,47

- voor de periode 31 juli 2000 tot en met 31 oktober 2000 (Raf: 400...54);

als btw: €2.300,55

- als proportionele geldboeten: €228,06

Intresten van 0,80 pct. per maand zijn van rechtswege verschuldigd over de niet-tijdig betaalde btw vanaf respectievelijk 21 februari 2000 en 21 november 2000.

- De belastingplichtige werd bij betalingsbericht van 20 maart 2000 en 4 december 2000 uitgenodigd de verschuldigde bedragen te voldoen voor respectievelijk 20 april 2000 en 4 januari 2001.

- De belastingplichtige heeft gedeeltelijke betalingen overgemaakt ten belope van 363.654 BEF (dwangbevel 400...29);

- De verschuldigde bedragen werden niet betaald.

Aan de hand van deze motivering kan de oorzaak van de belastingschuld niet worden vastgesteld. De bestreden dwangbevelen bevatten geen enkel feitelijk gegeven betreffende de redenen waarom door eiseres btw is verschuldigd en voor welke periode.

In de dwangbevelen wordt enkel verwezen naar het feit dat de boeten werden opgelegd " wegens niet-tijdige betaling van de btw" en "wegens niet-tijdig indienen van de aangifte(n) en/of wegens het gebruik van een niet reglementair betaalformulier", doch ook hier kan uit de dwangbevelen zelf niet worden afgeleid wat de aard is van de btw die niet tijdig werd betaald, welke btw-aangiften niet tijdig zouden zijn geschied en voor welke periode een niet-reglementair betaalformulier zou zijn gebruikt.

Op basis van de elementen vermeld in de dwangbevelen beschikte eiseres niet over alle elementen die haar moesten toelaten om de gronden te kennen van de beslissing die tot haar is gericht.

Het middel is gegrond.

13.Verweerder erkent dat het dwangschrift de belastingplichtige onder meer het voorwerp en de oorzaak van de eis op een voldoende wijze moet laten kennen om hem toe te laten de gegrondheid ervan te beoordelen.

Verweerder is evenwel van oordeel dat "de twee dwangbevelen en de bijhorende bijzondere rekeningen de precieze, juiste, volledige en concrete feitelijke en wettelijke gegevens [bevat] die afdoend zijn om de eiseres in staat te stellen de gegrondheid ervan vast te stellen.".

Verweerder laat evenwel na deze "precieze, juiste, volledige en concrete feitelijke" gegevens in de dwangbevelen aan te duiden. Zoals hoger aangeduid bevatten de dwangbevelen geen feitelijke gegevens die de eis van verweerder in betaling van btw, geldboeten en intresten kunnen schragen.

Verweerder verwijst nog naar het gegeven dat eiseres al jaren "in proces" is met de fiscale administratie met de hulp van dezelfde advocaten en dat het niet geloofwaardig is dat eiseres niet zou weten waarover het gaat.

Verweerder legt in dat verband een verzoekschrift strekkende tot bewarend beslag onder derden voor gericht aan de beslagrechter te Brussel (stuk 14 bundel verweerder). Dit verzoekschrift, dat uitgaat van verweerder en dateert van na het opstellen van de litigieuze dwangbevelen, toont op zich niet aan dat eiseres kennis heeft of had van de oorzaak van de bijzondere rekening of het dwangbevel RCIV 400...29, dat in dit verzoekschrift is vermeld.

Uit geen enkel stuk kan worden afgeleid dat eiseres zich schuldenaar zou hebben verklaard van de btw-sommen, zoals verweerder poneert.

14.Gelet op het voorgaande moeten de bestreden dwangbevelen worden vernietigd.

4. GERECHTSKOSTEN

15.Aangezien de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van verweerder.

De waarde van de vordering situeert zich tussen €10.000,01 en €20.000,00. Op grond van de waarde van het geschil kan de rechtsplegingsvergoeding begroot worden op €1.320.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd;

Rechtsprekend in eerste aanleg, op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond in de volgende mate;

Vernietigt de dwangbevelen inzake BTW met artikel 400...54 en artikel 400...29 uitgevaardigd door de heer Jozef Joos, eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor van het Centraal Kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen te Brussel op 30 oktober 2001, geviseerd en uitvoerbaarverklaard door de gewestelijk directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Brussel, Directie BTW Brussel 2 op 31 oktober 2001;

Veroordeelt de administratie tot opheffing van de in voornoemde dwangbevelen vermelde btw-schuld;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding in hoofde van eiseres begroot op €1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus beslist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 7de kamer van de

Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 5 november 2018.

Waar aanwezig waren en zitting hadden:

De heer M. B., allenzetelend rechter,

Mevrouw C. V., griffier.

Textes cités

7
CTVA art. 918 occurrences
AR no 1 art. 184 occurrences
CTVA art. 534 occurrences
AR no 1 art. 22 occurrences
AR no 24 art. 51 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 851 occurrence

Décisions similaires

8