Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 13.03.2024
WF 709-15-21/012942
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée - Chiffre d'affaires non déclaré - Consultation du dossier judiciaire – Loi Una Via - Prolongation du délai de prescription - Notification préalable - Amende légale - Non bis in idem
Dispositions légales
Articles 4, § 1er, 26, § 1er, 53, § 1er, premier alinéa, 2° et 3°, 53octies, § 1er, premier alinéa, 64, § 1er et 2, 70 § 1er, 81bis, § 1er, deuxième alinéa, 4°, 84ter et 93quaterdecies, § 1er, du Code de la TVA
Article 18 de l'AR n° 1 et article 1 de l'AR n° 20
Article 29, § 4, du Code d’instruction criminelle
Article 14.7 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques
Résumé
1. Les faits et les antécédents de procédure
L’assujetti est identifié à la TVA pour l’exercice d’une activité d’ébéniste.
Après avoir obtenu l'autorisation de consulter le dossier pénal de l’assujetti et d’en prendre copie, l’administration a consigné ses constatations dans un procès-verbal. L’assujetti a été condamné en correctionnelle pour blanchiment d'argent. En application de l'article 84ter du code de la TVA, l’assujetti s'est vu notifier la prolongation du délai de prescription de la TVA de sept ans. A la suite de l’analyse des documents, il ressort qu'un considérable chiffre d'affaires n'avait pas été déclaré. Ce chiffre d'affaires concernait principalement des ventes de voitures anciennes de collection (oldtimers) et de pièces détachées, activité pour laquelle l’assujetti n'était pas identifié à la TVA. Ces infractions ont été consignées dans un procès-verbal. Ce procès-verbal mentionnait également la TVA due sur le chiffre d'affaires non déclaré. L’assujetti a introduit une requête administrative contre ce procès-verbal. Cette requête a été rejetée par l’administration car considérée non fondée.
L’assujetti a déposé une requête fiscale auprès du greffe du tribunal de première instance de Flandre-Orientale, division de Gand.
2. Le jugement
Le tribunal juge que la consultation et la copie du dossier pénal se sont déroulées conformément aux prescriptions légales.
Il est également jugé que l'article 29, § 3, du Code d’instruction criminelle n'a pas été violé, étant donné que la partie adverse n'a été poursuivie que pour blanchiment d'argent et non pour fraude fiscale. Il n'y a donc pas de double poursuite pour fraude fiscale dans le cadre d’une procédure fiscale et dans le cadre d’une procédure pénale de sorte qu’appliquer la procédure prévue par la loi « Una Via » n’était pas requise.
Le tribunal juge que l'administration fiscale prouve à suffisance l'intention frauduleuse ou le dessein de nuire de l’assujetti. Par conséquent, le délai de prescription de sept ans pouvait être appliqué et la dette TVA n'était dès lors pas encore prescrite.
Le tribunal juge également que la notification de la prolongation du délai de prescription satisfaisait aux conditions de l'article 84ter du Code de la TVA et qu'elle décrivait de manière exhaustive et claire les éléments dont l'administration disposait à ce moment-là pour soupçonner une fraude fiscale dans le chef de la partie adverse.
Le tribunal juge que, sur la base de l’ensemble des éléments présentés par l'administration, il est suffisamment démontré que, en ce qui concerne la vente de voitures de collection et de pièces détachées, la partie adverse n'agissait plus dans le cadre de la gestion de son patrimoine privé mais qu'elle devait bien être considérée comme une assujettie au sens de l'article 4 du code de la TVA.
Le tribunal accepte le calcul fait par l’administration de la majoration du chiffre d'affaires et de la TVA due.
En ce qui concerne l'amende légale de 200 %, le tribunal juge que le principe non bis in idem n'a pas été méconnu. La partie adverse n'a été poursuivie et sanctionnée dans la procédure pénale que pour des faits de blanchiment d’argent et non pour des faits de fraude fiscale, de sorte qu'il ne s'agit pas d'une double peine.
Le tribunal juge qu'il n’existe aucune raison pour réduire l’amende,et ce dans quelle mesure que ce soit. Le tribunal ne voit également pas de raison pour prononcer le sursis de l'amende vu que l’assujetti a délibérément éludé la TVA pendant des années et que, par conséquent, seule une sanction légale de 200 % peut atteindre l'objectif visé..
Remarque
Le demandeur a fait appel du jugement.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, Afdeling Gent
Vonnis van 13/03/2024
Rol: 21/3067/A
IN DE ZAAK VAN:
V. M. L., met rijksregisternummer 70...32 en wonende te ...,
eisende partij, vertegenwoordigd door meester H. K., advocaat met kantoor te ...;
TEGEN:
BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert II-Iaan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, met ondernemingsnummer 0308.357.159:
KMO AALST— EXPERTISE 1, met kantoren te 9300 Aalst, André Sierensstraat 1681,
verwerende partij, voor wie verschijnt de heer X adviseur-generaal bij een fiscaal bestuur;
BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:
1. RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 24 januari 2024 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.
De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2.RELEVANTE FEITEN EN PROCEDURELE VOORGAANDEN
2.1.
Huidige betwisting heeft betrekking op:
De btw en administratieve geldboete, op 11 december 2020 opgenomen in het innings- en invorderingsregister met nummer 20...11, op naam van eiser onder schuldnummer 50...50 uitvoerbaar verklaard op 14 december 2020, met een te betalen bedrag van 1.158.934,59 EUR (386.311,53 EUR btw + 830.569,56 EUR administratieve geldboete), te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten van af 21 januari 2018.
Eiser heeft voor de jaren 2013 tot en met 2017 het voorwerp uitgemaakt van een strafrechtelijk onderzoek voor witwassen gevoerd door het parket van de procureur des konings te Oudenaarde en van een fiscaal onderzoek van de FOD Financiën), KMO Centrum Aalst II, controle 1.
2.2.
Bij vonnis van 9 oktober 2020 werd eiser door de correctionele rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde veroordeeld voor het witwassen (inbreuken op artikel 505, lid 1, 3°en 4°Sw.) van cashstortingen voor een totaal bedrag van 2.135.407 EUR op een aantal Belgische bankrekeningen, en 617.241,10 EUR op een Nederlandse bankrekening (het vonnis wordt niet voorgelegd aan deze rechtbank).
Na hoger beroep (van eiser en het openbaar ministerie) werd eiser bij arrest van 29 oktober 2021 (nummer C/1429/2021) van het hof van beroep te Gent o.m. veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 37 maanden en een geldboete van 80.000 EUR (reeds verhoogd met de opdeciemen). Daarnaast werd de bijzondere verbeurdverklaring uitgesproken van een bedrag van 2.752.648,10 EUR, .zijnde het totaal van de: niet-verantwoorde cashstortingen (2.135.407 EUR + 617.241,10 EUR). Deze verbeurdverklaring slaat dus op het integrale voorwerp van de witwasmisdrijven.
Het cassatieberoep van eiser tegen dit arrest werd verworpen bij arrest van 8 maart 2022 van het Hof van Cassatie.
2.3.
Per brief van 29 mei 2019 vroeg de adviseur-generaal van de FOD Financiën, KMO Centrum Aalst aan het parket machtiging tot inzage en kopiename van het strafdossier. Daarbij verwees de adviseur-generaal naar de aanvraag van 2 maart 2018 en het antwoord van 13 maart 2018.
Op 14 juni 2019 werd de gevraagde toelating verleend. De FOD Financiën werd in kennis gesteld dat de zaak van eiser was vastgesteld op 13 september 2019 voor de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde.
Op 10 juli 2019 nam de heer X, Attaché bij de FOD Financiën), KMO Centrum Aalst inzage en afschrift van het strafdossier, waarvan proces-verbaal.
Op 23 oktober 2020 werd eiser door de belastingadministratie bij toepassing van artikel 84.ter VVBTW aangetekend en per gewone post in kennis gesteld van de uitbreiding van de btw-verjaringstermijn tot 7 jaar voor de kalenderjaren 2013 tot en met 2017.
De aangetekende zending werd niet afgehaald. Eiser reageerde niet.
Vervolgens nam de belastingadministratie op 16 november 2020 haar vaststellingen op in een proces-verbaal, waarvan eiser diezelfde dag aangetekend en per gewone post in kennis werd gesteld. Volgens dit proces-verbaal bleek uit bankonderzoeken dat een bedrag van 1.839.578,71 FUR als maatstaf van heffing niet zou zijn aangegeven in de btw-aangiften van eiser en dat 386.31153 EUR btw niet zou zijn afgedragen. Daarbij werd een btw-boete van 200% aangekondigd (772.623,06 EUR).
Ook deze aangetekende zending werd niet afgehaald.
Op 11 december 2020 werd de btw-schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister (zie hoger randnummer 2.1). Op 14 december 2020 werd aan eiser een innings- en invorderingsbericht verzonden, met .het verzoek om binnen de 48u over te gaan tot betaling van een bedrag van 1.271.608,34 EUR (inclusief nalatigheidsinteresten).
Op 16 februari 2021 diende de toenmalige raadsman van eiser tegen voormeld proces-verbaal een bezwaar
Bij beslissing van 12 augustus 2021 werd het bezwaar afgewezen als ongegrond.
Op 30 november 2021 liet de belastingadministratie het innings- en invorderingsbericht aan eiser betekenen per gerechtsdeurwaardersexploot met bevel tot betalen.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 16 december 2021 maakte eiser de zaak aanhangig bij deze rechtbank, waarmee hij huidige procedure opstartte.
3. VORDERING VAN PARTIJEN
3.1.
Eiser vordert in laatste conclusie:
"de vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren;
desgevallend vooraleer recht te doen, bij toepassing van art. 871, 877 en 878 Ger. W.
verweerder te verplichten de aanvraag d.d. 2 maart 2018 en het antwoord d.d. 13 maart 2018, waarnaar verwezen wordt in de brief van de Administratie d.d. 29 mei 2019, voor te leggen zodat kan nagegaan worden of de vraag tot inzage van het strafdossier rechtsgeldig geschied is en of de Administratie niet voorafgaandelijk aan de brief van 29 mei 2019 reeds kennis genomen had van gegevens van het strafdossier;
voor recht te leggen die concluant niet gehouden is tot betaling van de B.T.W.-schuld, opgenomen in het innings- en invorderingsregister met artikelnummer 50...50;
het innings- en invorderingsregister, opgemaakt op.11 december 2020, uitvoerbaar verklaard op 14 december 2020 m.b.t de hiervoor vermelde btw-schuld gekend onder het ortiketnummer 50...50, te vernietigen;
het bevel tot betalen dot op 30 november 2021 door gerechtsdeurwaarder I. R. m.b.t. de hiervoor vermelde btw-schuld aan concluant betekend werd, te vernietigen
voor récht te zeggen dat concluant de in het bestreden innings- en invorderingsregister en het bevel tot betalen gevorderde sommen niet verschuldigd is;
derhalve de uitvoering van het hiervoor Vermelde innings- en invorderingsregister, evenals het bevel tot betalen, te verbieden;
minstens voor recht te zeggen dot de betwiste B.t.W.-schuld verjaard is voor de jaren 2013 t.e.m. 2016 en dat de betwiste B.TW-schuld verminderd client te worden tot 17 087,43 EUR B.TW., de hierover verschuldigde boete en de over deze bedrogen verschuldigde nalatigheidsinteresten;
het betwiste innings.- en invorderingsregister en bevel tot betaling gedeeltelijk te vernietigen;
in ondergeschikte orde, de opgelegde B.T.W.-boete onwettig te verklaren en deze te vernietigen, minstens deze kwijt te schelden, dan wel in belangrijke mate te vernietigen en dienovereenkomstig het betwiste innings- en invorderingsregister en bevel tot betalen gedeeltelijk te vernietigen voor wat de teveel opgelegde boete en de hierover gevorderde nalatigheidsinteresten betreft
de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden sommen, te vermeerderen met de moratoire interesten;
en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, aon de zijde van concluant begroot op:
- 22 EUR bijdrage Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand,
- 22 500 EUR rechtsplegingsvergoeding."
3.2..
Verweerder vordert in laatste conclusie:
"Het verzet van eiser ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
Eiser in al zijn eisen af te wijzen,
Eiser te veroordelen tot alle kosten van het geding."
4. ONTVANKELIJKHEID
Verweerder voert geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering van eiser. Ambtshalve ziet de rechtbank geen redenen om de vordering onontvankelijk te verklaren. De vordering van eiser is ontvankelijk.
5. BEOORDELING TEN GRONDE
5.1. Omtrent de inzage in het strafdossier
5.1.1.
ln zijn eerste middel vraagt eiser om de voorlegging van een aantal documenten, bij gebreke waaraan volgens eiser dient aangenomen te worden dat de administratie op onwettige wijze kennis heeft gekregen van gegevens uit het strafdossier en dat het fiscale onderzoek lastens eiser nietig is. Dit heeft de nietigheid van de betwiste btw-schuld en het betwiste innings- en invorderingsregister tot gevolg, aldus eiser.
5.1.2.
Op de openbare terechtzitting van 24 januari 2024 bevestigde eiser dat verweerder de gevraagde documenten inmiddels heeft voorgelegd, zodat de vordering van eiser op dit punt zonder voorwerp is, waarover geen betwisting:
- Op 14 juni 2016 vernam de belastingadministratie via een kantschrift dat er lastens eiser een opsporingsonderzoek werd gevoerd (stuk 8);
Op basis van dit kantschrift heeft de belastingadministratie op 4 april 2017 inzage gevraagd van het gerechtsdossier, wat geweigerd werd op 11 april 2017 (stukken 9 en 10);
- Op 2 maart 2018 stelde de belastingadministratie opnieuw de vraag tot inzage, wat geweigerd werd op 13 maart 2018 (stukken 11 en 12);
Op 29 mei 2019 vroeg de belastingadministratie voor de derde maal toelating tot inzage en kopiename. Deze toelating werd verleend op 14 juni 2019 (stukken 1 en 2);
- Op 5 juli 2019 nam de heer X (destijds Attaché bij de FOD Financiën Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Centrum KMO Aalst) inzage en afschrift van het gerechtsdossier. Op 10 juli 2019 stelde hij daarvan een proces-verbaal op (.stuk 13), Het proces-verbaal heeft bijzondere bewijskracht voor wat de verbalisant persoonlijk heeft vastgesteld, zijnde het feit dat de vermelde ambtenaar op de vermelde datum inzage en kopie heeft genomen van de vermelde documenten uit het vermelde strafdossier.
5.1.3.
Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de inzage en kopiename van het strafdossier gebeurd zijn volgens de wettelijke voorschriften. Er is geen enkel objectief gegeven dat op het tegendeel wijst. Een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur is niet aangetoond. Het eerste middel van eiser is ongegrond.
5.2. Omtrent het verplichte una via-overleg
In zijn tweede middel voert eiser aan dat uit niets blijkt dat overleg heeft plaatsgevonden tussen de belastingadministratie en het openbaar ministerie over de vraag of de feiten van fiscale fraude die in hoofde van eiser weerhouden worden, al dan niet strafrechtelijk vervolgd dienden te worden aIs fiscale fraude. Het ontbreken van dergelijk overleg schendt volgens eiser artikel 29, §3 Sv. Eiser meent dat deze schending belet dat rechtsgeldig tot navordering van btw lastens hem kan worden overgegaan waardoor het bestreden innings- en invorderingsregister nietig is.
De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet.
Het feit dat geen una via-overleg heeft plaatsgevonden leidt niet tot de nietigheid van het innings- en invorderingsregister.
Eiser werd op strafrechtelijk vlak enkel vervolgd voor witwassen en niet voor fiscale fraude, wat hij bevestigt in zijn laatste conclusie (zie aldaar p. 11: "Een strafvordering voor fiscale fraude vond echter nier plaats)". Van een dubbele vervolging van fiscale fraude op fiscaal en strafrechtelijk vlak is geen sprake, zodat een una via-overleg niet nodig was.
Voor zoveel aïs nodig voegt de rechtbank daar nog het volgende aan toe. De bal ging aan het rollen toen het openbaar ministerie in 2016 een opsporingsonderzoek opstartte lastens eiser. Dit initiatief ging uit van het openbaar ministerie en niet van de fiscus. Aldus deed zich de omgekeerde situatie voor dan deze geviseerd door artikel 29 Sv. Een verwijzing naar dit artikel mist dan dol< relevantie. Bovendien was de overlegprocedure (zoals destijds voorzien in het derde lid van artikel 29 Sv.) facultatief van aard. Het verplicht overleg werd pas ingevoerd met ingang van 1 januari 2020 middels de una via-wet van 5 mei 2019 (BS 24 mei 2019) (artikel 29, §3 Sv.). Op datum van de inzage (5 juli 2019) was dergelijk overleg nog niet verplicht zodat er geen schending is aangetoond van artikel 29, §3 Sv. Daarnaast blijkt uit de voorgelegde stukken dat net openbaar ministerie wel degelijk de fiscus op de hoogte heeft gebracht van het opsporingsonderzoek. Ten slotte heeft het verplicht overleg enkel betrekking op dossiers inzake ‘ernstige fiscale fraude, al dan niet georganiseerd’. De criteria daartoe zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 9 februari 2020 tot uitvoering van artikel 29, §4 Sv. (85 24 februari 2020).
5.2.3.
Omwille van deze redenen kan het tweede middel van eiser niet worden aangenomen.
5.3. Omtrent de verjaring van de btw-vordering voor de jaren 2013 tot en met 2015
5.3:1.
Als derde middel voert eiser aan dat er in zijnen hoofde geen bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden is aangetoond zodat er geen toepassing kan worden gemaakt van :dg zevenjarige verjaringstermijn. Bijgevolg kan voor de jaren 2013 tot en met 201.6 niet tot navordering van de btw worden overgegaan. De aan- en verkoop van oldtimers en rnoto's betreft volgens eiser een hobby en geen economische activiteit in de zin van artikel 4, §1 WBTW. Eiser meent dat hij er rechtmatig op mocht vertrouwen dat hij voor deze activiteit niet als btw-belastingplichtige diende te worden beschouwd en geen btw verschuldigd was over de ontvangsten verkregen in het kader van deze hobby. Het niet afdragen van de btw kan niet als fiscale fraude in zijnen hoofde bestempeld worden, aldus eiser. Hij besluit dat de betwiste btw-Schuld beperkt moet worden tot het jaar 2017, dus minstens verminderd moet worden tot 17.087,43 EUR btw en 34.170 EUR boete (+ de over deze bedragen verschuldigde nalatigheidsinteresten). Het overige gedeelte van de btw-navordering is verjaard, aldus eiser.
Overeenkomstig artikel 81bis, §1, lid 1 WBTW (in de versie zoals van toepassing op huidig geschil) treedt de verjaring van de vordering tot voldoening van de btw, interesten en administratieve geldboeten in na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van de btw, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
In afwijking van de driejarige verjaringstermijn is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer (11 een inlichting, een onderzoek of een controle, (2°) een rechtsvordering of (3°) bewijskrachtige gegevens aantonen dat belastbare handelingen niet werden aangegeven of (4°) een overtreding werd begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
In voorliggend geval maakte de belastingadministratie toepassing van artikel 81bis, §1,
tweede Iid, WBTW wegens een overtreding begaan met bedrieglijk opzet of met oogmerk om te schaden.
5.3.3.
De rechtbank oordeelt dat de belastingadministratie het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden in hoofde van eiser afdoende aantoont. Bijgevolg kon toepassing worden gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn en is de btw-schuld nog niet verjaard voor de jaren 2013 tot en met 2016.
Uit het (lijvige) proces-verbaal van 16 november 2020 van de btw-administratie na inzage in het strafdossier, kunnen onder meer de volgende vaststellingen worden vermeld die het bedrieglijk opzet in hoofde van eiser aantonen (stuk 4 van verweerder):
Bij toepassing von artikel 93 quaterdecies, §1 van het btw-wetboek werd door de :heer Centrurndirecteur van bovengenoemd KMIO Centruin Aalst op 29 mei 2019 :aan de heer Procureur des Konings inzage gevraagd in het gerechtsdossier r...] in hoofde van de heer V. M. L. (...). Bij zijn .schrijven van 14 juni 2019 heeft de Procureur des Konings de inzage verleend,
De processen-verbaal waarnaar hieronder wordt verwezen, maken allen deel uit van dit gerechtsdossiers.
Op grand van de gegevens, docurnenten en stukken waarover de Administratie beschikt, alsmede op grand van de inlichtingen, stukken erg documenten die de Adrninistratie verkregen heeft bij toepassing von artikel 93 quaterdecies van het Btw-wetboek, werden de hierna vermelde onregelmatigheden en overtredingen vastgesteld betreffende de toepasselijke reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde.
(.«)
in het proces-verbaal nr. 016...17 van 09.11.2017 heeft de belastingplichtige het volgende verklaard op de vraag wat zijn beroep juist inhoudt, uit wat zijn beroepsinkomsten bestaan en hoeveel hij netto per maand verdient: '1k ben zelfstandig handelaar. Tot 6 januari 2016 , de dag van de huiszoeking te ..., heb ik steeds gekocht en verkocht„ meer bepaald oldtimers (auto's en moto’s onderdelen). Bovendien werkte ik als zelfstandige bij mijn vader, die actief is in de verkoop van tuinhuizen. Dit gebeurde via mijn eenmanszaak. De handel in oldtimeronderdelen doe ik beroepshalve sedert 2014. Ik kan niet precies zeggen hoeveel ik per maand had. Wat het werk betreft dot ik leverde voor men vader kwam dit ongeveer neer op 6.000 euro per maand. Wat de oldtimers betreft is dit moeilijk te becijferen. lk had hiermee ook goede opbrengsten, situerend van 7.000 tot 12.000 euro omzet.
ln het proces-verbaal nr. 004...18 van 13.03.2018 met als onderwerp "herverhoor V. M. L. (S. Ill) inzake de herkomst van zijn cashgelden in België en Nederland" heeft de belastingplichtige het volgende verklaard: "Ik blijf verwijzen naar mijn oldtimer verkopen waarbij ik de gelden verkreeg. lk overhandig u hierbij als praktische illustratie een recente verkoop van een Fard Thunderbird die ik verkocht voor 15.000 euro en die ik initieel voor 5, 000 euro kocht dd. 28.01.2014. Tevens geef ik u een print van een voorbeeld van de huidige prijzen van oldtimers (2dehands.be/marktplaats).
Door de Federale Gerechtelijke politie arrondissement Oost-Vlaanderen werden bankonderzoeken jegens de belastingplichtige verricht bij 1NG, KBC, BPOST, RABOBANk en AXA. De antwoorden van deze bankonderzoeken werden op een CD-ROM gebrand. Deze CD-ROM's werden vervolgens in beslag genomen en neergelegd ter griffie van de. Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde.
Wat betreft de historieken van volgende rekeningen voor de periode van 01.01.2013tot 31.12.2017
(..)
Gelet op:
- de frenquentie en de grootte van de stortingen op de bankrekeningen met verwijzing naar een economische activiteit zoals hiervoor opgesomd en op de rekeningen vermeld (verkoop van oldtimers, oldtimeronderdelen, verf, verwijzing naar een voertuig, kasverkopen,...);
- de frequentie en de grootte van de stortingen op de bankrekeningen zonder enige verwezing;
- de verklaringen van de belastingplichtige nopens de uitgeoefende activiteit
(procés-verhaal 016...17 van 09.11.2017 en proces-verbaal nr. 004...18 van 13.03.2018 );
- het feit dat de V. Groep waarvan sprake in de rubriek "omschrijving" nog niet opgericht was in 2013. Op 01.05.2015 werd Group V., BE062...22,. opgericht
- het feit dot de belastingplichtige geen andere inkomsten heeft noch als loontrekkende noch enig ander :statuut;
vormen bovenstaande stortingen en overschrijvingen op de verschillende bankrekeningen de tegenprestaties van leveringen van goederen of diensten zoals bedoeld in het btw-wetboek die de belastingplichtige verrichtte in de uitoefening van zijn economische activiteit als gevolg zijn dit belastbare handelingen goals bedoeld in het Btw-wetboek.
In de periode van 01.01.2013 heeft L. V. M. in totaal 2.715:559,28 EURO op zijn bankrekening gestort of gestort/overgeschreven gekregen zoals blijkt uit navolgend overzicht:
In de periodieke btw-aangiften met betrekking tot de periode 01.01.2013 tot 31.12.201:7 werd een omzet aangegeven van (btw inclusief): 489.669,04 Eur.
In de periode 01.01.2013 tot 31.12.2017 is er een yerschil van 2.225.890;24 euro tussen het bedrog dot op de bankrekeningen werd gestort of overgeschreven en het bedrag dat in de btw-aangiften werd clangegeven. Dit verschil is BTW 21pct inclusief (-)
Uit hierboven vermelde vaststellingen (gegevens uit de btw-aangiften, de analyse van de verrichtingen, op de bankrekeningen, de verklaringen gedaan door de belastingplichtige) blijkt dot de belastingplichtige van 01.012013 tot 31.12.2017 oldtimers, Motoronderdelen, verf en meer algemeen goederen etc diensten zoals bedoeld in het btw-wetboek heeft verkocht/verstrekt zonder dat hij de verschuldigde btw opnam in een periodieke b.tw-aangifte. Hij heeft de btw bewust en systematisch niet opgenomen in de periodieke btw-aangiften. De btw werd niet doorgestort dan de Schatkist.
Het bedrieglijk opzet bestaat eruit dat de belastingplichtige de verkopen heeft gerealiseerd maar de btw bewust en systematisch niet heeft doorgestort aan de btw-Administratie, aldus heeft de belastingplichtige door de overtreding van de btw-wetgeving nadeel berokkend aan de Schatkist. De frauduleuze ingesteldheid en bedoeling bij de belastingplichtige staat zonder meer vast onder meer gelet op het groot aantal verrichtingen en de frequentie waarmee deze plaatsvonden alsrnede de hoegrootheid van het bedrag van de verschuldigde btw en de periode waarover de overtreding om de verschuldigde btw op te nemen in de periodieke btw-aangiften en door te storten dan de Schatkist, zich strekt."
In het licht van deze vaststellingen is de bewering van de eiser dat de aan-en verkoop van oldtimers slechts een "hobby" betrof, geheel niet geloofwaardig. Eiser kon er in de gegeven omstandigheden niet rechtmatig op vertrouwen dat hij geen btw-belastingplichtige was. Het bedrieglijk opzet in hoofde eiser is afdoende aangetoond.
5.3.4.
Het derde middel van eiser is ongegrond,
5.4. Omtrent de schending van artikel 84ter WBTVV
5.4.1.
In zijn vierde middel voert eiser aan dat er geen geldige voorafgaandelijke kennisgeving is gebeurd in de zin van artikel 84ter WBTW zodat voor de jaren 2013 tot en met 2016 geen toepassing kan worden gemaakt van de zevenjarige verjaringstermijn en de rechtzetting voor die jaren nietig is. Eiser stelt dat de brief van 23 oktober 2020 niet de vermoedens van belastingontduiking vermeldt. Zo wordt er volgens eiser op geen enkele wijze gemotiveerd waarom de cash stortingen op de bankrekeningen en de niet-aangifte van deze stortingen in de btw-aangiften van eiser eventueel ais belastingontduiking zouden kunnen worden bestempeld. Het louter verwijzen naar de cash stortingen en naar het feit dat deze cash stortingen niet in de btw-aangiften werden opgenomen, volstaat niet om te besluiten dat eiser zich schuldig zou hebben gemaakt aan belastingfraude. Om die reden kan de brief van 23 oktober 2020. niet gelden ais een geldige kennisgeving in de zin van artikel 84ter WBTW, aldus eiser. Eiser besluit dat de betwiste btw-schuld minstens verminderd moet worden tot 17.087,43 EUR btw, 34.170 EUR boete en de over deze bijdragen verschuldigde nalatigheidsinteresten.
5.4.2.
Indien de btw-administratie voornemens is om de verlengde zevenjarige verjaringstermijn toe te passen, moet zij op straffe van nietigheid van de rechtzetting voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens, van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode (*artikel 84ter WBTW, in de versie zoals van toepassing op huidig geschil),
Deze kennisgeving mag gebeuren in de aanvullende termijn en het is voldoende dat deze kennisgeving aanwijzingen van belastingontduiking bevat,
De rechtbank oordeelt dat de van brief 23 oktober 2020 (stuk 3 van verweerder) voldoet aan de vereisten van artikel 84ter W8TW. In deze brief heeft de btw-administratie op omstandige wijze omschreven en duidelijk vermeld over welke gegevens zij op dat ogenblik beschikte om belastingontduiking in hoofde van eiser te vermoeden voor de jaren 2013 tot en met 2017. Na opsomming van de toepasselijke wettelijke bepalingen en een hele reeks vaststellingen van p. 1 tot en met 15, besloot de btw-administratie op p. 15 van de brief: "Uit de hierboven vermelde feiten en vaststellingen blijkt ontegensprekelijk dat er in de kalenderjaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017 dan de btw onderworpen diensten (verkoop van oldtimers en allerhande onderdelen) werden verricht door L. V. M., ..., geïdentificeerd ais schuldenaar van de Btw onder het 8tw-identificatienummer BE08...34 waarvan noch de maatstaf van heffing (1.839.578,71 euro), noch het bedrrag van de verschuldigde btw (386.311,53 euro) werden opgenomen in de periodieke btw-aangiften. De verschuldigde btw werd niet doorgestort aan de Schatkist." Anders dan eiser voorhoudt, verwijst de brief niet bouter naar de cash-stortingen en het feit dat deze niet in de btw-aangiften werden opgenomen. Zo wordt daarnaast uitdrukkelijk gewezen op de frequentie en de grootte van de stortingen met vermeldingen op de rekeningen die wijzen op een economische activiteit, de verklaringen van eiser nopens de uitgeoefende activiteit, het feit dat de V. Groep in de rubriek "omschrijving" nog niet opgericht was in 2013, het feit dat eiser geen andere inkomsten had, noch ais loontrekkende noch onder enig ander statuut... De rechtbank oordeelt dat de brief nauwkeurig de vermoedens van belastingontduiking in hoofde van eiser vermeldt. Deze brief liet eiser toe de inhoud en de draagwijdte ervan te begrijpen, de rechtsgevolgen ervan in te schatten en de opportuniteit om erop te reageren behoorlijk te beoordelen. Alle voorwaarden voor een rechtsgeldige kennisgeving zijn voldaan, er is geen schending van artikel 84ter WBTVV.
5.4.3.
Het vierde middel van eiser kan niet worden aangenomen.
5.5. Omtrent de btw-plichtige activiteit van eiser
5.5.1.
Ais vijfde rniddel werpt eiser op dat de activiteit bestaande uit de aan- en verkoop van oldtimers en motoren, geen economische activiteit in de zin van de btw-wetgeving betreft en hij voor deze activiteiten niet als een btw-belastingplichtige kan beschouwd worden. Bijgevolg vallen deze activiteiten en de inkomsten die dit heeft opgeleverd, buiten het toepassingsgebied van de btw en is over deze inkomsten geen btw verschuldigd aldus eiser. Eiser stelt dat de btw-administratie ten onrechte van oordeel is dat btw zou verschuldigd zijn m.b.t. de cashstortingen op zijn bankrekeningen. Bijgevolg was er volgens eiser geen sprake van een aan btw onderworpen meeromzet in hoofde van eiser en kan niet 'tot navordering van btw lastens hem worden overgegaan, aldus eiser.
5.5.2
Artikel 2 WBTW bepaalt dat de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn Wanneer ze in België plaatsvinden. Artikel 4, §1 WBTW bepaalt dat belastingplichtige eenieder is die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend. De beoordeling van het begrip "economische activiteit" in de zin van artikel 4, §1 WBTW betreft een feitenkwestie die berust op de analyse van een geheel van elementen, zoals het aantal geëxploiteerde zaken, en de aard ervan, de wijze en de context van verwerving, de inkomsten die .uit deze exploitatie worden verkregen, de wijze van financiering van de activiteit, het al dan niet bestaan van actieve handelingen inzake commercialisering, de exploitatievoorwaarden, de hoedanigheid van de exploitant en het belang van het cliënteel. Wanneer een voldoende aantal van deze criteria van aanzienlijk belang zijn,. zal men kunnen vaststellen dat de persoon of de groepering die in dergelijke omstandigheden handelt, .niet langer enkel handelt in het kader van het beheer van zijn privévermogen, maar in de uitoefening van een economische activiteit en dit op een wijze die te vergelijken is met deze. van een fabrikant, een handelaar of dienstverrichter die beroepsmatig actief is in dezelfde sector.
Ter zake gaat verweerder terecht uit van de eigen verklaringen van eiser zoals opgenomen in de processen-verbaal van 9 september 2017 en 13 maart 2018 (hoger geciteerd in randnummer 5.3.3). Deze verklaringen werden door eiser afgelegd in het kader van het strafonderzoek en zijn dienstig in fiscale zaken. Daarnaast hecht de rechtbank veel belang aan de frequentie en de grootte van de stortingen op de bankrekeningen van eiser (waarbij ook de vermeldingen op de rekeningen veelzeggend zijn) en de lange periode (2013-2017) waarin deze activiteit zich heeft voorgedaan. Op basis van het geheel van de door verweerder aangereikte elementen is afdoende aangetoond dat eiser voor de verkopen van oldtimers en onderdelen niet langer enkel handelde. in het kader van, het beheer van zijn privévermogen, maar wel degelijk als belastingplichtige in de zin van artikel 4 WBTW dient beschouwd te worden.
5.5.3.
Met vijfde middel van eiser is ongegrond.
5.5. Omtrent de weerhouden omzet
Als zesde middel werpt eiser op dat hij strafrechtelijk veroordeeld werd voor cash stortingen op zijn eigen bankrekeningen voor een bedrag van 2.135.407 EUR zodat hoogstens dit laatste bedrag ais meeromzet inclusief btw kan worden weerhouden. In dat geval kan hoogstens een bedrag van 370.607,83 EUR btw worden gevorderd, in plaats van het actueel gevorderde bedrag van 386.311,53 EUR.
De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet.
Verweerder toont aan dat de cash stortingen en overschrijvingen weerhouden in het arrest van 29 oktober 2021 van het hof van beroep te Gent enerzijds en de omzet weerhouden in het proces-verbaal van 16 november 2020 van de btw-administratie anderzijds, betrekking hebben op verschillende periodes. Zo betreft het bedrag van 2.135.407 EUR in de strafzaak de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015 terwijl het bedrag. van 2.225.890,24EUR (btw inclusief) in het btw-dossier betrekking heeft op de ruimere periode van 1 januari 2013 tot en met met 31 december 2017.
Het verschil bedraagt 90.483,20 EUR 12225.890,24 EUR -2.135.407 EUR).
Eiser betwist niet dat er in het jaar 2017 voor een bedrag van 98.456,15 EUR aan stortingen en overschrijvingen is gebeurd op zijn rekeningen bij Rabobank, KBC-bank en INC-bank (zie p. 13 en.14van zijn laatste conclusie). De stortingen en overschrijvingen gedaan in het jaar 2016 zijn daarbij nog niet in rekening gebracht.
Het voorgaande doet besluiten dat de omzet weerhouden door de btw-administratie (2.225.890,24 EUR) lager (en niet hoger) is dan de cash-stortingen en overschrijvingen weerhouden in het arrest van 29 oktober 2021 (2.135.407 EUR) Vermeerderd met 98.456,1.5 EUR (= in totaal 2.233.863,15 EUR).
Het zesde middel van eiser kan niet worden aangenomen.
5.7. In ondergeschikte orde: de btw-boete
in zijn laatste middel betwist eiser de opgelegde administratieve geldboete. Àan eiser werd op grond van artikel 70, §1 WBTW een proportionele geldboete van 772.623,06 EUR opgelegd, zijnde 200% van de ontdoken btw.
5.7.1.
De onwettigheid van de boete
Volgens eiser is de boete onwettig omdat deze niet werd afgerond overeenkomstig artikel 4, §1 van het KB nr. 41.
Artikel 1, laatste Iid bij het KB nr. 41 bepaalt dat de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Artikel 4, §1 van het KB nr. 41 betreft de afronding van verminderde proportionele geldboeten. ln voorliggend geval werd de geldboete opgelegd overeenkomstig artikel 70 WBTW en niet verminderd omdat de overtredingen begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. In dergelijk geval is er geen wettelijke afronding voorzien.
Deze grief van eiser is ongegrond.
5.7.2.
Net strafrechtelijk karakter van de boete
Eiser werpt op dat de opgelegde boete een strafrechtelijk karakter heeft. Verweerder laat dit over aan het oordeel de rechtbank. De rechtbank volgt het standpunt van eiser,
5.7.3.
Non bis in idem
Eiser voert aan dat de opgelegde boete vernietigd moet worden gelet op de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel. non bis-in idem.
Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat niemand opnieuw wordt berecht of gestraft in een Strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die staat. Het algemene rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde. draagwijdte. Artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verhindert niet dat onderscheiden administratieve fiscale sancties met het karakter van een .straf aan :eenzelfde persoon en wegens dezelfde feiten worden -opgelegd, op voorwaarde dat vaststaat dat de desbetreffende sancties zowel substantieel temporeel voldoende nauw met elkaar verbonden zijn. Opdat de desbetreffende sancties substantieel voldoende nauw met elkaar verbonden zouden zijn, moéten de beide sancties complementaire doeleinden nastreven en derhalve, zowel in abstracto als in concreto, verschillende aspecten van 'eenzelfde wangedrag betreffen; (ii) moet de dubbele bestraffing voor de betrokkene, zowel in rechte als in de praktijk, een voorzienbaar gevolg zijn van hetzelfde bestreden gedrag; (iii) moet in de mate van het mogelijke, dubbele bewijsgaring en dubbele bewijsbeoordeling vermeden worden, door een adequate interactie tussen de verschillende bevoegde instanties; en (iv) moet de sanctie die in de eerste procedure werd opgelegd in rekening worden gebracht bij het bepalen van de sanctie in de tweede procedure, zodat vermeden wordt dat de betrokken een onevenredig zware straf wordt opgelegd. De rechter beoordeelt onaantastbaar in feite of twee onderscheiden administratieve sancties, aan eenzelfde persoon én wegens dezelfde feiten werden opgelegd substantieel voldoende nauw met elkaar verbonden zijn en beoordeelt derhalve onaantastbaar in feite of de beide sancties complementaire doeleinden nastreven en derhalve zowel in abstracto als in concreto verschillende aspecten van eenzelfde wangedrag betreffen. (vgl. Cass. 21 april 2022, F.20.0156,N, www.juportal.be).
in voorliggend geval oordeelt de rechtbank dat het non bis in idem beginsel niet miskend is. Zoals hoger in dit vonnis reeds werd vastgesteld, werd eiser op strafrechtelijk vlak enkel vervolgd en bestraft voor witwasmisdrijven (zie randnummer 2.2). Eiser werd niet strafrechtelijk vervolgd noch bestraft voor fiscale fraude, wat hij niet betwist. In die optiek is er van een dubbele bestraffing geen sprake. De hypothese dat dient gekeken te word en naar de concrete feiten en niet naar de kwalificatie van deze feiten, leidt niet tot een ander besluit. In dat geval stelt de rechtbank vast dat de beide sancties (strafrechtelijk en fiscaal) complementaire doeleinden nastreven en zowel in abstracto als in concreto verschillende aspecten van eenzelfde wangedrag betreffen. Het feit dat er in de taxaties in de personenbelasting in hoofde van eiser geen belastingverhogingen werden opgelegd, doet aan het voorgaande geen afbreuk.
Deze grief van 'eiser is ongegrond.
5.7.4.
De toetsingsbevoegdheid van de rechtbank
Eiser meent dat de rechtbank bevoegd is om de proportionele geldboete te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel én deze kwijt te schelden, dan wel te verminderen.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVMR, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar :is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toe te laten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de. hoogte van de reeds opgelegde sancties, de wijze waarop In gelijkaardige zaken werd geoordeeld, en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 21 september 2018, AR F.17.0141.N, www.juportal.be).
Hieruit volgt dat het wettigheidstoezicht door de rechter een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel vereist en dat de rechter hierbij niet gebonden is aan de schalen die de wet zelf voorschrijft. De mate waarin het bestuur zelf gebonden is, bindt de rechter niet doch is wel een element waarmee rekening moet gehouden worden in de beoordeling van de wettigheid van de sanctie (vgl. Cass. 21 september 2018, hierboven aangehaald). Anders oordelen, zou de rechtskracht van het internationale rechtskader waaronder de administratieve sancties vallen, miskennen.
5.7.5.
De disproportionaliteit van de opgelegde boete
Volgens eiser staat het opleggen van een boete van 772.623,06 EUR niet in verhouding met de weerhouden overtreding zodat deze het beginsel van proportionaliteit schendt. Hij vraagt om de boete kwijt te schelden, minstens in zeer belangrijke mate te verminderen. Tenslotte vraagt eiser hem een uitstel van de boete toe te kennen.
Aan eiser werd een proportionele geldboete van 200% van de ontdoken 'btw opgelegd. De kwade trouw in hoofde van eiser staat vast (zie hoger). Het bedrieglijk opzet bestaat eruit dat eiser de verkopen heeft gerealiseerd maar de btw bewust en systematisch niet heeft doorgestort aan de btw-administratie. Aldus heeft eiser door de overtreding van de. btw-wetgeving nadeei berokkend aan de Schatkist. De frauduleuze ingesteldheid en bedoeling bij eiser staat zonder meer vast gelet op onder rneer het groot aantal verrichtingen en de frequentie waarmee deze plaatsvonden alsmede de hoegrootheid van bedrag van de verschuldigde btw en de periode waarover de overtreding om de verschuldigde btw op te nemen in de periodieke btw-aangiften en door te storten aan de Schatkist, zich strekt. Uit de vastgestelde inbreuken opgenomen in het proces-verbaal van 16 november 2O2O blijkt onomstotelijk dat eiser niet opzet belasting ontdoken heeft en zich aldus; ten nadele van de. Schatkist, een ongeooloofd voordeel heeft bezorgd, De opgelegde proportionele geldboete van 200% staat zodoende in redelijke verhouding met de door eiser- gepleegde inbreuken en de ernst van de feiten.
De rechtbank ziet tégen die achtergrond geen enkele reden om de geldboete in welke mate dan ook te verminderen, niettegenstaande de rechtbank ter zake over volle rechtsmacht ,beschikt. 0m aan de geldboete haar waarde van straf te geven, kan immers geen vermindering worden toegestaan. Door dat te doen zou de geldboete haar doel niet dienen, namelijk in compensatie voor de begane inbreuken zowel te straffen, (mede maatschappelijk) te vergoeden en voldoende af te schrikken om herhaling te vermijden.
Om dezelfde reden is er evenmin reden om aan eiser het voordeel van het uitstel van de geldboete te verlenen. Eiser heeft jarenlang en doelbewust de btw ontdoken. Alleen een wettelijke sanctie van 200% kart het gewenste doel bereiken.
5.7.6.
Omwille van deze redenen kan het laatste middel van eiser niet worden aangenomen.
5.8.
De vordering van eiser is ongegrond. Het betwiste innings- en invorderingsregister wordt
gehandhaafd.
6. GERECHTSKOSTEN
Eiser wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen.
Eiser moet conform artikel 1022 juncto 1018, 6° van het Gerechtelijk Wetboek, naast zijn eigen kosten, de gedingkosten van verweerder dragon. Vermits de Belgische Staat niet vertegenwoordigd wordt door een advocaat, heeft deze geen recht op een rechtsplegingsvergoeding. Aangezien ook geen ander gerechtskosten verschuldigd zijn, is het in dit geval overbodig om de gedingkosten vast te stellen.
Dispositif
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK recht doende OP TEGENSPRAAK,
Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend; Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk, maar wijst deze af ais ongegrond. Stelt vast dat er geen kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen in openbare terechtzitting van de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op woensdag dertien maart tweeduizend vierentwintig, waar aanwezig waren:
mevrouw H. V. O., rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door: mevrouw E. H., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.