Livraison intracommunautaire, Exportation, Chiffre d’affaires, Preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 15 décembre 2020

Rechercher
Texte en néerlandais

Livraison intracommunautaire, Exportation, Chiffre d’affaires, Preuve

https://juriel.be/fr/jurisprudence/livraison-intracommunautaire-exportation-chiffre-affaires-cour-appel-anvers-2020-12-15-ba33

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
15 décembre 2020

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

114 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 15.12.2020

WF 707-15-17/043622

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Livraison intracommunautaire – Exportation – Chiffre d’affaires – Preuve - La loi relative à la continuité des entreprises (LCE) - Validité de la contrainte

Dispositions légales

Articles 39, 39bis, 1er alinéa, 53, § 1er, 1er alinéa, 2° et 3°, 53octies, § 1er, 1er alinéa et 85 du Cde de la TVA.

Article 18 de l’arrêté royal n° 1, du 29 décembre 1992, relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée

Articles 1, 3, 5 et 8 de l’arrêté royal n° 18, du 29 décembre 1992, relatif aux exemptions concernant les exportations de biens et de services en dehors de la Communauté, en matière de taxe sur la valeur ajoutée

Arrêté royal n° 52, du 11 décembre 2019, relatif aux moyens de preuve en ce qui concerne les exemptions relatives aux livraisons intracommunautaires de biens et aux opérations y assimilées et relatif à l'exemption des acquisitions intracommunautaires de biens et des opérations y assimilées, en matière de taxe sur la valeur ajoutée.

Synthèse

1) Les faits et les antécédents de procédure

Un contrôle effectué chez l’assujettie a révélé différentes infractions relatives au chiffre d’affaires déclaré et concernant l’application non justifiée d’exemptions à la TVA. Les infractions constatées ont été consignées dans un procès-verbal. Sur base de ce procès-verbal, une contrainte a été établie, rendue exécutoire et signifiée. La partie adverse a déposé une requête fiscale contradictoire au greffe du tribunal de première instance d’Anvers contre cette contrainte. Le tribunal de première instance a jugé la demande recevable mais non fondée. L’assujettie a introduit un recours en appel contre ce jugement.

2) l’Arrêt de la cour d’appel

* La validité de la contrainte

La partie adverse estime que la contrainte devait faire elle-même expressément référence à la délégation accordée au fonctionnaire qui l'avait visée et déclaré exécutoire. La cour d'appel constate que l'administration présente les documents nécessaires démontrant la nomination et la désignation du fonctionnaire en question. Selon la cour d'appel, l'allégation de la partie adverse ajoute à tort une condition à l'article 85 du Code de la TVA.

* Le chiffre d’affaires

Diverses factures de vente et divers documents rectificatifs n'ont pas été repris dans le journal des factures sortantes et dans les déclarations-TVA périodiques. L’assujettie invoque diverses raisons à cet égard mais n’en rapporte pas la preuve.

* Les livraisons intracommunautaires

En ce qui concerne diverses factures relatives à des ventes, l'assujettie invoque le bénéfice de l’exemption de la TVA pour les livraisons intracommunautaires visées à l'article 39bis du code de la TVA. La cour constate que, malgré toutes sortes d'allégations concernant ces factures de vente, l’assujettie ne présente aucune preuve confirmant les livraisons intracommunautaires. Par conséquent, la partie adverse ne s'acquitte pas de la charge de la preuve qui lui incombe.

* Les exportations

En ce qui concerne diverses factures relatives à des ventes, la partie adverse invoque le bénéfice de l’exemption de la TVA pour les exportations. En ce qui concerne ces factures, aucun document de transport, aucun document d’exportation et aucune preuve du paiement de ces factures ne sont présentés. En ce qui concerne les exportations, la partie adverse ne s'acquitte pas de la charge de la preuve qui lui incombe.

* La procédure relative à la loi relative à la continuité des entreprises (LCE)

Selon la cour d'appel, malgré une procédure en cours concernant la LCE, elle peut se prononcer sur le bien-fondé des montants réclamés dans la contrainte. La procédure prévue par la LCE n’a aucune conséquence sur la validité ou non d’une créance TVA.

La cour déclare l’entièreté de la demande de l’assujettie recevable mais non fondée.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep te Antwerpen, Kamer B6M, burgerlijke zaken, 15 december 2020

Rol: 2019/AR/720

Mr. S.P., advocaat, kantoorhoudende te ..., q.q. curator van het faillissement van W.N. NV, ON 0504...., met laatste maatschappelijke zetel te ... Eiseres in hoger beroep, niet verschenen ter terechtzitting van 24 november 2020, noch iemand voor haar tegen het vonnis van de AFil kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 02 november 2018, gekend onder rolnummer 17/3877/A

tegen

1. DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2. DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Inning en de invordering, in de persoon van de Minister van Financiën, voor wie optreedt de Adviseur Invordering-ontvanger van het team invorderingen rechtspersonen Antwerpen 5, ON 0308.357.159, met diensten te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 1,

3. DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Centrum KMO Antwerpen Expertise 2, in de persoon/vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, met diensten te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3 bus 92

verweerders in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. DUMEZ Anke, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei 78A bus 6 (ref.: 3316)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen van 2 november 2018, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 17 april 2019, waarbij naar vorm en termijn een regelmatig hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het consignatieverzoek van de Belgische Staat van 10 mei 2019.

Gelet op het verzoekschrift conform artikel 92, derde lid W.BTW, door W.N. NV ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen neergelegd op 9 juli 2019.

Gelet op het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 07/01/2020.

Gelet op de dagvaarding in gedinghervatting betekend op 06/10/2020 op verzoek van de Belgische Staat aan Meester Schreurs Patrick in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van NV W.N., daartoe aangesteld bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Hasselt d.d. 05/03/2020.

1. Voorafgaande feiten en procedure

Bij tussenarrest van 07/01/2020 werd door het hof een uiteenzetting gegeven van de feiten en voorgaande, die voor zoveel als nodig als herhaald dienen te worden beschouwd.

In het tussenarrest werd door het hof uitspraak gedaan over het verzoek tot consignatie. De vordering van eiseres in hoger beroep tegen het verzoek tot consignatie van de Belgische Staat werd toelaatbaar en gegrond verklaard. Het verzoek tot consignatie van de Belgische Staat werd onwettig verklaard en het hoger beroep van eiseres in hoger beroep werd om die reden dan ook niet onontvankelijk verklaard. De zaak ten gronde werd nog niet in staat verklaard en het hof stelde vast dat hiervoor bij beschikking van 14/05/2019 reeds conclusietermijnen werden bepaald en dat de rechtsdag voor de behandeling ten gronde reeds was vastgesteld.

Op 05/03/2020 werd W.N. NV failliet verklaard.

De Belgische Staat ging over tot dagvaarding van de curator in gedinghervatting middels gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 06/10/2020.

Op 19/10/2020 is er een schriftelijke verklaring van verschijning voor eiseres in hoger beroep.

Ter zitting van 27/10/2020 werd de zaak uitgesteld teneinde de curator toe te laten duidelijkheid te verlenen aangaande zijn standpunt. Het stukkenbundel van eiseres in hoger beroep bleek ook niet te zijn neergelegd.

De curator heeft aan de raadsman van de Belgische Staat laten weten dat de zaak schriftelijk in beraad mocht genomen worden op basis van de conclusie die werd neergelegd door de vroegere raadsman van NV W.N. en dit in de staat waarin de zaak zich bevond.

Eiseres in hoger beroep heeft haar stukkenbundel nog steeds niet overgemaakt aan het hof.

Ter zitting van 24/11/2020 werd de zaak op verzoek van partijen schriftelijk in beraad genomen en dit in de staat waarin de zaak zich bevond.

Ten gronde betreft de betwisting een verzet tegen het dwangbevel nr. 500/1785/36556, uitgevaardigd op 25/04/2017 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28/04/2017.

Eiseres in hoger beroep vordert:

Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis van 02/11/2018 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, te willen vernietigen en opnieuw recht doende;

- de oorspronkelijke vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden dwangbevel geheel te vernietigen, minstens geheel te ontheffen en te zeggen voor recht dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn;

- in ieder geval, ondergeschikt, minstens te zeggen voor recht dat de bedragen en proportionele geldboeten opgenomen in het bestreden dwangbevel niet verschuldigd zijn;

- in meer ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de BTW-navorderingen die hun oorsprong vinden in feiten van voor juni 2015 (datum van opening procedure WCO) slechts kunnen worden gevorderd ten belope van 20% en slechts invorderbaar zijn op 30 juni 2018 en dat de proportionele geldboeten, verhogingen, interesten en gerechts- en invorderingskosten met betrekking tot deze navorderingen worden kwijtgescholden (zowel wat het verleden als de toekomst betreft), gelet op het herstelplan;

- dienvolgens de terugbetaling te bevelen van de bedragen die op grond van het betwiste dwangbevel werden betaald en ingehouden, te vermeerderen met de moratoriuminteresten;

- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding conform art. 1021 Ger.W. in hoofde van

eiseres in hoger beroep begroot op 18.000 euro rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 18.000 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en 20 euro bijdrage Fonds voor Juridische Tweedelijnsbijstand.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrond van het hoger beroep en vordert eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.

2. Bespreking

2.1 Rechtsgeldigheid van het dwangbevel

Eiseres in hoger beroep stelt dat het dwangbevel d.d. 25/04/2017 niet op een rechtsgeldige wijze geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd.

Art. 85, § 1 WBTW, zoals van toepassing op onderhavig geschil bepaalt:

"Bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd; dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de adviseur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de adviseur­ generaal van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, of door de door hem aangewezen ambtenaar."

Op grond van voormeld artikel mag de adviseur-generaal van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn bevoegdheid om het dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren overdragen. Deze wettelijke bepaling vereist niet dat de adviseur­ generaal de bevoegdheid tot het viseren en uitvoerbaar verklaren van het dwangbevel delegeert aan een met naam en toenaam genoemde ambtenaar. De delegatie kan gebeuren aan welbepaalde 'categorieën' van ambtenaren.

De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, dient te bewijzen dat het litigieuze dwangbevel geviseerd en uitvoerbaar verklaard is door een ambtenaar aan wie die bevoegdheid is overgedragen.

Het hof stelt vast dat de Belgische Staat te dezen bewijst dat het dwangbevel werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar aan wie die bevoegdheid is overgedragen. Verweerder in hoger beroep legt stukken voor waaruit de aanwijzing blijkt van de ambtenaren belast met het viseren en uitvoerbaar verklaren van dwangbevelen, evenals de benoeming van de ambtenaar die het kwestieuze dwangbevel heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard. De stelling van eiseres in hoger beroep dat in het dwangbevel zelf telkens uitdrukkelijk zou moeten verwezen worden naar de delegatie aan de ambtenaar die het dwangbevel heeft geviseerd en uitvoerbaar verklaard, voegt een voorwaarde toe aan artikel 85 WBTW.

Deze grief van eiseres in hoger beroep is derhalve ongegrond.

2.2 Inbreuken op artikel 53§1, eerste lid, 2 ° en 3 ° en artikel 53octies §1, eerste lid (derde lid tot 31/12/2012) WBTW en art. 18 KB nr. 1 van 29 december 1992, in verband met de aangegeven omzet

Er werd vastgesteld dat een aantal opgemaakte en/of uitgereikte facturen of stukken bedoeld in de artikelen 1, 3, 6 tot 11 van het KB nr.1 van 29 december 1992 en verbeterende stukken niet werden opgenomen in het boek voor uitgaande facturen, bedoeld in art. 54 WBTW en art. 14 §2, 2° KB nr.1 van 29 december 1992 en evenmin werden opgenomen in de periodieke BTW-aangiften.

In 2014 werd een verkoopfactuur (2014001 d.d. 31/10/2014) uitgereikt aan KBVB die kort nadien terug werd gecrediteerd met als vermelding "op te stellen in 2015". Er werd niet verduidelijkt waarom die verkoopfactuur voor 2015 bestemd was, maar in dat jaar heeft eiseres in hoger beroep nagelaten te herfactureren en deze verkoopfactuur op te nemen in haar verkoopdagboek.

Eiseres in hoger beroep betwist niet dat zij goederen heeft geleverd aan KBVB en ondersteuning heeft geleverd voor de installatie en werking ervan, maar zij voert aan dat KBVB zelf ook aan haar bepaalde diensten zou geleverd hebben onder de vorm van het aanleveren van data en het geven van feedback over de resultaten van de gebruikte toestellen. Eiseres in hoger beroep stelt dat zij besloten had dat KBVB de factuur met nummer 2014001 niet hoefde te betalen en heeft om die reden haar factuur dezelfde dag gecrediteerd.

Voormelde aanvoeringen van eiseres in hoger beroep overstijgen de loutere bewering niet. Desbetreffende wordt geen enkel onderliggend stuk voorgelegd aan het hof. Bovendien worden de aanvoeringen van eiseres in hoger beroep tegengesproken door haar eigen handelswijze. Op 31/12/2004 nam zij een bedrag van 668.445 euro op in de rekening 403000 "op te stellen facturen" van haar interne jaarrekening over 2014. De bedragen werden op 31/12/2004 wel gefactureerd aan KBVB, maar diezelfde dag werd de factuur geannuleerd en werd hiervoor een creditnota opgemaakt. De creditnota draagt de vermelding "op te stellen in 2015" en de bedragen worden geboekt op de rekening "op te stellen facturen".

Door de opname van de bedragen in de rekening "op te stellen facturen" erkent eiseres in hoger beroep dat de prestatie werd geleverd en het tijdstip van de verschuldigdheid bijgevolg reeds plaatsvond. Bijgevolg is de BTW verschuldigd op grond van art. 53 §1, eerste lid, 2° en 3° van het BTW-wetboek (de aanrekening van BTW over effectief geleverde maar niet gefactureerde prestaties).

De administratie heeft in het dwangbevel een inbreuk vastgesteld op artikel 53 §1 WBTW, zijnde aldus de reden waarom volgens de administratie de BTW door eiseres in hoger beroep verschuldigd is. De aanvoeringen van eiseres in hoger beroep uitgaande van artikel 77 WBTW zijn dan ook niet van aard afbreuk te doen aan voorgaande. Bovendien worden zoals hoger reeds gesteld de aanvoeringen van eiseres in hoger beroep (prijsvermindering door herleiding prijs tot nul) niet ondersteund door enig onderliggend stuk, zodat er ook geen aanleiding is om teruggaaf te verkrijgen op grond van artikel 77 §1, 2° WBTW.

Verder werd op 31/10/2014 een verkoopfactuur uitgereikt aan Oudshoorn Chirurgische t en deze werd nadien gecrediteerd met de vermelding" op foutieve klant gefactureerd". Nadien is geen nieuwe verkoopfactuur uitgereikt voor deze levering en is er geen reden aangevoerd voor enige vrijstelling van Belgische BTW.

Eiseres in hoger beroep voert aan dat het hier zou gaan om een vergissing, zonder evenwel de minste onderbouwing. De aanvoering van eiseres in hoger beroep dat het een geannuleerde levering zou betreffen overstijgt de loutere bewering niet. Er worden geen stavingsstukken bijgebracht door eiseres in hoger beroep.

De grief van eiseres in hoger beroep is derhalve ongegrond.

2.3 Art. 93 bis WBTW

Voor wat betreft de verkoopfactuur van 31 december 2014 en 16 november 2015 aan Manchester United FC, de verkoopfacturen van 31 december 2014, 6 januari 2015, 8 januari 2015 en 30 januari 2015 aan Tergooi, en de verkoopfacturen van 31/10/2014 aan Gross Biomedizin Technik, werd de vrijstelling op grond van intracommunautaire levering bij toepassing van artikel 39 bis WBTW geweigerd aan eiseres in hoger beroep.

Artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, §2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België, maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet - belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belastingen te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn van de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, §4 WBTW.

Het is hoe dan ook de belastingplichtige die moet bewijzen dat hij de door hem aangekochte goederen intracommunautair heeft geleverd, onder de voorwaarden die leiden tot een BTW-vrijstelling.

De diverse aanvoeringen in conclusies worden niet ondersteund door stukken die overgelegd worden aan het hof. Nu eiseres in hoger beroep betreffende voormelde opgesomde facturen geen stavingstukken voorlegt aan het hof, faalt eiseres in hoger beroep in de op haar berustende bewijslast.

2.4 Uitvoer

Art. 39 WBTW bepaalt dat van de belasting zijn vrijgesteld:

1° de leveringen van goederen die door of voor rekening van de verkoper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap;

2° de leveringen van goederen die door of voor rekening van een niet in België gevestigde koper worden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de Gemeenschap, met uitzondering van de door de koper zelf vervoerde goederen bestemd voor de uitrusting of de bevoorrading van pleziervaartuigen en sportvliegtuigen of van andere vervoermiddelen voor privégebruik, en van de door een reiziger in zijn persoonlijke bagage meegenomen goederen;

3° de diensten, andere dan die welke zijn vrijgesteld bij toepassing van de artikelen 41 en 42, bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot roerende goederen die zijn verworven of ingevoerd teneinde deze werkzaamheden te ondergaan en die naar een plaats buiten de Gemeenschap worden verzonden of vervoerd door de dienstverrichter of de niet in België gevestigde ontvanger van de dienst dan wel voor hun rekening;

4° de leveringen van goederen aan een niet in de Gemeenschap gevestigde reiziger, die deze goederen in België in bezit neemt en ze in zijn persoonlijke bagage uitvoert naar een plaats buiten de Gemeenschap uiterlijk op het einde van de derde maand volgend op de maand waarin de levering plaatsvond.

De belastingplichtige die zich beroept op de vrijstelling van BTW bij uitvoer, moet aantonen dat de voorwaarden daartoe vervuld zijn, en dus dat de verkochte goederen werden verzonden of vervoerd naar een plaats buiten de EG.

Er worden te dezen geen vervoer- en uitvoerdocumenten en bewijzen van betaling voorgelegd.

Eiseres in hoger beroep komt in conclusies niet verder dan loutere beweringen. Ondanks verwijzingen naar stukken in conclusies worden er door eiseres in hoger beroep geen stavingstukken voorgelegd aan het hof. Eiseres in hoger beroep faalt dan ook in de op haar berustende bewijslast, behoudens wat betreft de verkoopfactuur nr. 2014009 van 07/11/2014 gericht aan Soylu Medikal waarvoor de eerste rechter reeds ontheffing verleende in hoofdsom en aanhorigheden en waartegen geen incidenteel beroep werd ingesteld.

2.5 De WCO

Vooreerst stelt het hof vast dat eiseres in hoger beroep op 05/03/2020 failliet verklaard werd. De aanvoeringen van eiseres in hoger beroep met betrekking tot het herstelplan en de WCO zijn derhalve volledig achterhaald.

Bovendien en volledig ten overvloede verhindert een procedure van WCO niet dat het hof uitspraak doet over de gegrondheid van de middels het dwangbevel gevorderde bedragen. De WCO-procedure heeft geen repercussies op de al dan niet geldigheid van de BTW­ vorderingen, evenmin als dat onderhavige procedure repercussies zou hebben op het eventueel bestaan van een herstelplan en de eventuele naleving ervan. In het kader van onderhavige procedure is er geen reden voorhanden om de bedragen opgenomen in het dwangbevel in hoofdsom aan BTW, geldboete, interesten en kosten te beperken en/of te verminderen.

2.6 De rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Overeenkomstig art. 1017 Ger.W. dient eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld te worden tot de kosten van het geding in hoger beroep.

De vordering is in geld waardeerbaar en het hof bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag voor een in geld waardeerbare vordering van boven de 1.000.000,01 euro.

Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 18.000 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep en 153,07 euro kosten dagvaarding in gedinghervatting.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"

Dispositif

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, binnen de perken van het hoger beroep.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof werkt het tussenarrest van 7 januari 2020 verder uit.

Het hof verklaart, voor zoveel als nodig, de vordering tot hervatting van het geding door de curator q.q. NV W.N. ontvankelijk en gegrond.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op 18.000 euro rechtsplegingsvergoeding en 153,07 euro kosten akte gedinghervatting.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 15 december 2020 door M. GHYSELEN Kamervoorzitter

Textes cités

18
AR no 1 art. 183 occurrences
CTVA art. 853 occurrences
AR no 18 art. 12 occurrences
AR no 18 art. 32 occurrences
AR no 18 art. 52 occurrences
AR no 18 art. 82 occurrences
CTVA art. 39bis2 occurrences
CTVA art. 532 occurrences
CTVA art. 772 occurrences
AR no 1 art. 11 occurrence
AR no 1 art. 111 occurrence
AR no 1 art. 141 occurrence
AR no 1 art. 31 occurrence
AR no 1 art. 61 occurrence
CTVA art. 391 occurrence
CTVA art. 541 occurrence
CTVA art. 581 occurrence
CTVA art. 93bis1 occurrence

Décisions similaires

8