Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Bruxelles 25 février 2008

Rechercher
Texte en néerlandais

Poursuite, instance, droits et privilèges du Trésor, preuveTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/poursuite-instance-droits-privileges-tresor-tribunal-bruxelles-2008-02-25-d531

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Bruxelles
Date
25 février 2008

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

79 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 25.02.2008

Résumé non fourni

Texte du jugement

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer

AR 2005/4264/A

- Fiscale Zaken : BTW

- op tegenspraak

- eindvonnis

Mevrouw D. U., wonende te …, ….

eisende partij,

vertegenwoordigd door Mr. B. H. loco Mr. D. M., advocaat te …, … (ref. : /),

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, met burelen te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32.

verwerende partij,

vertegenwoordigd door Mr. A. H. loco Mr. Ph. D., advocaat te …, … (ref. : …) in opvolging van Mr. V A.,


De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit :

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

- de dagvaarding in verzet tegen dwangbevel betekend op 5 april 2005 door Meester N., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder voor Meester V., gerechtsdeurwaarder met kantoor te …, …;

- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 2 oktober 2006,

- de conclusie voor eiseres neergelegd ter griffie op 9 november 2006;

- de conclusie en syntheseconclusie voor verweerder neergelegd respectievelijk ter griffie op 30 januari 2006 en 30 november 2006.

Bovendien heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.


1. FEITEN

Eiseres is sinds 1 maart 1994 als BTW-belastingplichtige geregistreerd en als dusdanig onderworpen aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en de in het kader ervan genomen uitvoeringsbesluiten.

Door de administratie van verweerder werd bij eiseres een controle uitgeoefend over de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001.

De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 17 december 2004 (stuk nr. 1 bundel verweerder) waaruit blijkt dat eiseres aan de administratie van de invordering, sector BTW, volgende sommen verschuldigd is :

- BTW 6.437,85 euro

- Verminderde boete 810,00 euro

- Interest krachtens art. 91, § 1, van het

BTW-wetboek te berekenen aan 0,8 %

per maand vanaf 21 januari 2002 p.m.

Verweerder vaardigde op 21 december 2004 een dwangbevel uit dat op 22 december 2004 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de eerstaanwezend inspecteur van de BTW-controle Dilbeek, daartoe aangewezen door de gewestelijk directeur te Mechelen (stuk nr. 2 bundel verweerder) en dat op 22 december 2004 aan eiseres werd betekend bij aangetekend schrijven (stuk nr. 3, bundel verweerder) en op 8 maart 2005 bij exploot van Meester V., gerechtsdeurwaarder te … (stuk nr. 4 bundel verweerder).

Eiseres tekende verzet aan tegen voornoemd dwangbevel op 5 april 2005 met dagvaarding van de Belgische Staat (stuk nr. 5 bundel verweerder).

2. VORDERING

Eiseres verzoekt de rechtbank "het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, derhalve het supra vermelde dwangbevel, verzonden op 22 december 2004, gestemd zijnde op het proces-verbaal van 17 december 2004, ongegrond te horen verklaren, in subsidiaire orde het dossier en het dwangbevel in opschorting te plaatsen, zolang geen definitieve uitspraak is betreffende punten inzake directe belastingen, procedure met als AR nr. 2005/11.05; (…).”

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

3. ONTVANKELIJKHEID

Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering, Deze is ontvankelijk.

4. BESPREKING TEN GRONDE

4.1. Over de nietigheid van het dwangbevel

Eiseres voert aan dat verweerder nooit heeft geantwoord op haar bijkomende argumenten en zo niet voldaan heeft aan de beginselen van behoorlijk bestuur,

Op 3 augustus 2004 werd eiseres, na onderzoek van haar niet akkoord van 30 juni 2004, in kennis gebracht van de motieven die het standpunt van de administratie zoals opgenomen in de correctieopgave, bevestigden (stuk nr. 6 bundel verweerder). Eiseres bracht nadien geen nieuwe elementen meer naar voor die ertoe konden leiden dat het ingenomen standpunt werd herzien. Op 20 december 2004 werd eiseres in kennis gebracht van de opstelling van een proces-verbaal (stuk nr. 7, bundel verweerder).

Verweerder heeft derhalve voldaan aan zijn verplichting inzake behoorlijk bestuur en heeft eiseres voldoende en op gedetailleerde wijze in kennis gebracht. In haar schrijven van 23 december 2004 voerde eiseres geen nieuwe elementen aan zodat aan haar verzoek tot opschorting van de vordering niet kon worden voldaan. Dit werd eisers op voldoende gemotiveerde wijze meegedeeld op 7 januari 2005 (stuk nr. 8, bundel verweerder).

Eiseres is van oordeel dat verweerder had moeten wachten met de betekening van het dwangbevel tot het in zake directe belastingen ingediende bezwaarschrift afgehandeld was.

Luidens artikel 85, § 1 van het BTW-wetboek wordt, bij gebreke aan voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren, door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Artikel 85 van het BTW-wetboek geeft verweerder de wettelijke mogelijkheid om de rechten van de Schatkist veilig te stellen. De in het proces-verbaal opgenomen inbreuken op de BTW-wetgeving betreffen de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2001. Op grond van artikel 81bis van het BTW-wetboek verjaarde de vordering met betrekking tot die periode op 31 december 2004. Verweerder heeft dan ook terecht de nodige maatregelen genomen om haar rechten te vrijwaren.

Tussen de verzending van de correctieopgave op 16 juni 2004 en de mededeling van het proces-verbaal op 20 december 2004 heeft eiseres voldoende tijd gekregen om bewijskrachtige tegenargumenten voor te leggen.

4.2. Over de schending van artikel 53, eerste lid, 3° en 4° van het BTW-wetboek en artikel 18 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 in verband met de aangegeven omzet

Uit de stukken blijkt dat het onderzoek de onmogelijkheid heeft aangetoond om aan de hand van de boekhouding van eiseres haar belastbare ontvangsten correct te bepalen. Er werd onder meer vastgesteld dat :

- er aankopen zijn gebeurd van gerechten die niet op de prijslijst werden teruggevonden;

- er voor sommige gerechten die op de prijslijst zijn vermeld geen aankopen werden teruggevonden;

- het verbruik ter plaatse wordt aangegeven vanaf de maand juni terwijl er reeds ontvangsten zijn vanaf januari;

- de aankoopfacturen van de leverancier "S." niet gedetailleerd zijn.

De boekhouding van eiseres werd dan ook terecht verworpen.

Eiseres voert aan dat de kastickets die als basis dienen voor het opmaken van de facturen "S." beschikbaar zijn, zij voegt ze toe aan haar conclusie (bijlage 5, bundel eiseres). Deze bijlage bevat een door "S." uitgereikte kastickets maar is een kopie van een rapport van 10 maart 2001 van het door eiseres gehouden kasregister. De aankopen van producten voor gerechten die niet op de prijslijst zijn vermeld, zouden verwerkt zijn in dagmenu's. De prijslijst voor de jaren 2000 en 2001 die eiseres aan verweerder bezorgde bevat evenwel geen dagschotels (stuk 10 bundel verweerder).

Luidens artikel 59, § 1 van het BTW-wetboek kunnen overtredingen van bepalingen van dit wetboek alsmede, feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed. Bovendien leveren de processen-verbaal van ambtenaren van het Ministerie van Financiën, bewijs op zolang het tegenbewijs niet is geleverd.

De inschrijvingen in de boekhouding zijn slechts bewijskrachtig voor zover ze overeenstemmen met en gestaafd worden door de bescheiden waarvan ze de weergave zijn. De vastgestelde tekortkomingen in het voeren van de boekhouding, zelfs indien het niet om tekortkomingen ten overstaan van de boekhoudwetgeving gaat, kunnen op globaal vlak de bewijskracht van deze boekhouding ontnemen wanneer blijkt dat deze geen samenhang heeft en geen controle van de opgegeven bedragen mogelijk maakt.

Op het bedrag van de belastingschuld te bepalen mag de administratie steunen op geschriften uitgaande of in het bezit van eiseres.

In casu werd de omzet van frieten, sausen, snacks en dranken vastgesteld aan de hand van de krachtens artikel 56, § 2 van het BTW-wetboek en de artikelen 1 tot 8 van het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969 vastgestelde forfaitaire grondslag van aanslag voor frituuruitbaters.

De ontvangsten van vleeswaren werden berekend rekening houdend met de verklaringen van de belastingplichtige zowel inzake de geserveerde hoeveelheden per portie als inzake de verliezen van vocht en afval tijdens de bereiding.

De gevolmachtigde accountant van eiseres verklaarde zich in punt 3 van zijn brief van 30 juni 2004 akkoord met de door verweerder aangevoerde hoeveelheden voor eigen gebruik. De berekening van die ontvangsten gebeurde dus op basis van eigen verklaringen.

Eiseres kan het tegenbewijs slechts leveren indien zij tegenover de door verweerder aangevoerde vermoedens afdoende bewijzen inbrengt. Het bekomen resultaat van haar tegenberekening in het kader van het door haar ingediende bezwaarschrift inzake directe belastingen, is zelfs lager dan de aangegeven omzet en helemaal niet gestaafd met verantwoordingsstukken. Eiseres moet met bewijsstukken aantonen dat de in het proces-verbaal opgenomen feitelijke vaststellingen en afgelegde verklaringen onjuist zijn. Eiseres brengt dit bewijs niet bij.

4.3. Over de schending van artikel 12, § 1, 1° van het BTW-wetboek, betreffende de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van een roerend goed

Eiseres verklaarde zich akkoord met het feit dat de bedrijfswagen Nissan Terrano gebruikt wordt voor privé-doeleinden.

Verweerder heeft op basis van de door eiseres afgelegde verklaringen, opgenomen in het proces-verbaal van 17 december 2004 punt 4, een zo nauwkeurig mogelijke berekening gemaakt van de beroepsverplaatsingen van eiseres. Voor het aldus bekomen percentage in verhouding tot het totaal aantal verreden kilometers wordt de aftrek van de belasting met betrekking tot de bedrijfswagen aanvaard.

Eiseres beperkt zich in haar conclusie tot een vage en oncontroleerbare opsomming van beroepsverplaatsingen om aan te tonen dat de gedetailleerde en op haar verklaringen gesteunde berekening van verweerder onjuist zouden zijn. Loutere beweringen vormen evenwel geen afdoende tegenbewijs. Eiseres bewijst niet het tegendeel.

De vordering is ongegrond.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak;

Verklaart de vordering ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, ingevolge het akkoord van partijen (zie proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 25 januari 2008) in hoofde van verweerder begroot op € 900,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 25 februari 2008.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

Mevrouw N. S., rechter

Mevrouw I. D., griffier.

I. D. N. S.

Textes cités

9
CTVA art. 852 occurrences
AR no 1 art. 181 occurrence
AR no 2 art. 11 occurrence
AR no 2 art. 81 occurrence
CTVA art. 121 occurrence
CTVA art. 531 occurrence
CTVA art. 561 occurrence
CTVA art. 591 occurrence
CTVA art. 81bis1 occurrence

Décisions similaires

8