Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour de cassation du 25.11.2022 (F.21.0135.N)
Taxe sur la valeur ajoutée – droit à déduction – facture
Dispositions légales
Art. 3, § 1er, AR n° 1 du 29 décembre 1992
Art. 3, § 1er, 1°, AR n° 3 du 10 décembre 1969
Résumé
Il résulte de la jurisprudence de la Cour de justice de l'Union européenne que l'administration ne peut refuser le droit à déduction au seul motif qu'une facture ne contient pas toutes les informations visées à l'article 5, s'il est établi que les conditions de fond du droit à déduction ont été satisfaits. (Voir conclusion)
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 25.11.2022 Nr. F.21.0135.N
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal, Directeur KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 106, eiser, vertegenwoordigd door mr. … en mr. …, advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te …, waar de eiser woonplaats kiest,
tegen
S. H., verweerder, met als raadslieden mr. … en mr. , advocaten bij de balie …, beiden met kantoor te …, waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 oktober 2020.
Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 27 oktober 2022 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.
Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1. Krachtens artikel 45, § 1, Btw-wetboek mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van: 1° belaste handelingen; 2° handelingen vrijgesteld van de belasting krachtens de artikelen 39 tot 42; 3° handelingen in het buitenland, waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden; 4° handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 4° tot 10°, telkens wanneer de medecontractant buiten de Gemeenschap is gevestigd, of de genoemde handelingen, volgens door of vanwege de minister van Financiën te bepalen voorwaarden, rechtstreeks samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de Gemeenschap; 5° diensten als makelaar of lasthebber bij in 4° bedoelde handelingen.
Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 3, § 1, 1°, koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van belasting over de toegevoegde waarde moet de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2, en 53decies, § 2, van het Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.
2. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak dat:
- het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel vormt, een integrerend deel van de btw-regeling is, in beginsel niet kan worden beperkt en onmiddellijk wordt uitgeoefend voor alle belasting die op in eerdere stadia verrichte handelingen heeft gedrukt;
- de aftrekregeling tot doel heeft de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw en het gemeenschappelijk btw-stelsel bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten waarborgt, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan btw zijn onderworpen;
- met betrekking tot de materiële voorwaarden waaraan moet zijn voldaan opdat het recht op btw-aftrek ontstaat, ten eerste, geldt, dat de betrokkene een belastingplichtige in de zin van de btw-richtlijn moet zijn en, ten tweede, de goederen of diensten waarvoor op dat recht aanspraak wordt gemaakt, door de belastingplichtige in een later stadium moeten zijn gebruikt voor zijn eigen belaste handelingen en in een eerder stadium door een andere belastingplichtige moeten zijn geleverd of verricht;
- wat de formele voorwaarden voor de uitoefening van dit recht betreft, de belastingplichtige in het bezit moet zijn van een overeenkomstig de bepalingen van titel XI, hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 6, Richtlijn 2006/112 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna de btw-richtlijn) opgestelde factuur;
- het basisbeginsel van neutraliteit van de btw verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden;
- wanneer de belastingdienst over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, hij bijgevolg voor het recht van de belastingplichtige op aftrek van die belasting geen nadere voorwaarden mag stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd;
- dit anders kan liggen wanneer de niet-naleving van dergelijke formele vereisten tot gevolg heeft dat wordt verhinderd dat het zekere bewijs wordt geleverd dat aan de materiële voorwaarden is voldaan;
- de belastingdienst het recht op aftrek bijgevolg niet mag weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet voldoet aan de door artikel 226, punt 6 en 7, btw-richtlijn gestelde voorwaarden indien hij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dat recht.
3. Uit voormelde rechtspraak volgt aldus kennelijk dat de administratie het recht op aftrek niet mag weigeren louter omdat op een factuur niet alle vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, indien vaststaat dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan.
4. In zijn arrest van 21 oktober 2021, C-80/20, Wilo Salmson France SAS, r.o. 72 e.v. heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie vervolgens, met verwijzing naar die vaste rechtspraak, geoordeeld dat:
- het recht op btw-aftrek krachtens artikel 167 btw-richtlijn weliswaar ontstaat op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is, maar volgens artikel 178 van die richtlijn in beginsel pas kan worden uitgeoefend wanneer de belastingplichtige in het bezit is van een factuur;
- het voor de uitoefening van het recht op aftrek noodzakelijk is dat de belastingplichtige in het bezit is van de factuur voor de aankopen van de betrokken goederen of diensten, aangezien artikel 178, a), btw-richtlijn bepaalt dat de belastingplichtige, om de in artikel 168, a), van die richtlijn bedoelde aftrek met betrekking tot goederenleveringen en diensten te kunnen toepassen, in het bezit moet zijn van een overeenkomstig de bepalingen van titel XI, hoofdstuk 3, afdelingen 3 tot en met 6, van die richtlijn opgestelde factuur;
- artikel 218 de btw-richtlijn bovendien preciseert dat de lidstaten ieder document of bericht op papier of in elektronisch formaat dat aan de in hoofdstuk 3 van titel XI vastgestelde voorwaarden voldoet, als factuur aanvaarden;
- bijgevolg alleen wanneer een document dusdanige gebreken vertoont dat het de nationale belastingdienst niet de gegevens verstrekt die een btw-aftrek kunnen staven, kan worden geoordeeld dat een dergelijk document geen ‘factuur’ in de zin van de btw-richtlijn is, waardoor de belastingplichtige het recht op aftrek niet kon uitoefenen toen hij die factuur ontving.
5. Uit voormelde rechtspraak volgt aldus kennelijk dat een stuk dat naar aanleiding van de levering van bepaalde goederen en diensten wordt opgesteld, als een factuur in zin van de artikelen 53, § 2, en 53decies, § 2, Btw-wetboek moet worden beschouwd, mits de vermeldingen op dat stuk de administratie alle gegevens verstrekken die noodzakelijk zijn om te beoordelen of aan de materiële voorwaarden voor btw-aftrek van artikel 45, § 1, Btw-wetboek is voldaan.
6. De appelrechters stellen vast en oordelen dat:
- sub I van de beslissing tot naheffing de aftrek verwerpt van een aantal leveringen en diensten omdat de verweerder niet in het bezit is van een regelmatige factuur, invoerdocument of ander stuk en in het bijzonder de aftrek wordt verworpen omdat het voorgelegde stavingstuk (1) een kassaticket betrof, (2) een tankticket, (3) een factuur waarop niet alle voorgeschreven vermeldingen waren aangebracht, (4) een stuk uitgereikt door Domeinen Roerende Zaken een Nederlandse rechtspersoon, waarvoor enkel de bijzondere aangifte bedoeld in koninklijk besluit nr. 46 recht op aftrek zou verlenen, (5) een stuk uitgereikt door de Belgische Defensie die niet over een Belgisch btw-nummer beschikt en (6) omdat geen stavingstuk werd voorgelegd;
- de aftrek in de beslissing tot naheffing enkel werd verworpen omdat niet aan de formele voorwaarden voor de uitoefening ervan is voldaan en in de beslissing tot naheffing niet wordt aangegeven dat niet aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek zou zijn voldaan, met name omdat niet het bewijs zou zijn geleverd dat de betrokken goederen en diensten werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen in de zin van artikel 45, § 1, Btw-wetboek;
- het gegeven dat de aftrek in de beslissing tot naheffing om formele redenen werd verworpen, echter niet inhoudt dat het recht op aftrek sowieso is verworven ten aanzien van de inbreuken sub I en dat niet meer zou moeten worden nagegaan of aan de materiële voorwaarden is voldaan aan de hand van de voorliggende stukken;
- uit het onderzoek van de stukken die het hof van beroep voor de goederen en diensten sub I van de beslissing tot naheffing werden voorgelegd, dient te worden vastgesteld, met inachtneming van de beroepswerkzaamheid van de verweerder als handelaar in tweedehands voertuigen, dat wel is voldaan aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek voor de goederen en diensten die betrekking hebben op de activiteit van de handelaar in tweedehands voertuigen, vermits de betrokken goederen en diensten brandstofkosten en aankoopkosten bij bedrijven die auto-onderdelen en –toebehoren verkopen, betreffen, voor de aankoopfacturen uit de voorgelegde stukken en facturen blijkt dat deze eveneens aankopen betreffen van goederen die kaderen binnen de beroepsactiviteit van de verweerder als autohandelaar en geacht worden voor de uitoefening van diens beroepswerkzaamheid te worden gebruikt en ook voor de aankoop van het voertuig bij de Nederlandse Domeinen Roerende Zaken aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan;
- voor de overige goederen en diensten opgenomen in de beslissing tot naheffing sub I niet kan worden vastgesteld of aan de materiële voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan, ofwel bij gebrek aan stavingstukken, ofwel omdat uit de voorgelegde stukken niet kan worden afgeleid of de goederen en diensten werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen in de zin van artikel 45, § 1, Btw-wetboek;
- wat de aankoop bij de Belgische Defensie betreft, niet is aangetoond dat btw werd aangerekend door de verkoper.
7. De appelrechters die op die gronden beslissen dat het recht op aftrek terecht werd verworpen voor een bedrag van 2.122,02 euro en het recht op aftrek dient te worden toegestaan voor een bedrag van 8.048,59 euro, verantwoorden hun beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiser tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiser op 566,98 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 25 november 2022 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende.
Conclusie van advocaat-generaal S. Ravyse:
1. Situering.
1. Het geschil betreft de vraag of het volstaat het recht op aftrek van btw aan een btw-belastingplichtige (hierna ‘belastingplichtige’) te weigeren louter wegens het niet voldoen aan de formele voorwaarden van een “factuur”.
In het bestreden arrest van 27 oktober 2020 stelden de appelrechters vast dat de administratie de aftrek in de beslissing tot naheffing enkel hebben verworpen omdat niet aan de formele voorwaarden voor de uitoefening ervan is voldaan, zonder de materiële voorwaarden na te gaan of deze te betwisten.
De administratie voert als eiser in zijn voorziening één middel tot cassatie aan.
2. Weergave van het enig middel.
2. De eiser formuleert zijn middel als volgt, namelijk dat de appelrechters de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, op grond waarvan het recht op aftrek van de voorbelasting moet worden toegestaan indien de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek zijn vervuld, zelfs wanneer de belastingplichtige niet voldaan heeft aan bepaalde formele vereisten, verkeerd of te ruim hebben geïnterpreteerd in zoverre deze rechtspraak wel degelijk het bezit van een factuur veronderstelt, zij het dat niet vereist is dat deze factuur aan alle formele vereisten moet voldoen. Volgens de eiser hebben de appelrechters op grond van die interpretatie niet wettig kunnen beslissen om aan de verweerster de aftrek van de voorbelasting toe te staan.
De eiser deelt het middel op in twee onderdelen, namelijk enerzijds dat zou zijn geoordeeld dat geen factuur vereist is voor de uitoefening van het recht op aftrek en anderzijds dat de appelrechters de formele voorwaarden te soepel hebben geïnterpreteerd zodat er in feite geen sprake meer is van een factuur.
3. Situering van de rol van “de factuur”.
3. Artikel 45, § 1, Btw-wetboek verleent aan de btw-belastingplichtige de mogelijkheid om een recht van aftrek van de btw uit te oefenen. Artikel 3, § 1, 1°, KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt samengevat dat de belastingplichtige, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, ten aanzien van de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, in het bezit moet zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2, en (toen toepasselijk) 53octies van het Wetboek waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (KB nr. 1).
Het toepasselijk artikel 5, § 1, KB nr. 1 schrijft een reeks van vormvoorwaarden voor waaraan een factuur moet voldoen.
4. De Belgische regels inzake de aftrek van de btw en de vormvoorwaarden van de factuur zijn in het bijzonder gesteund op de Richtlijn 2006/112 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna de 'btw-richtlijn)(1).
Onder afdeling 2 van hoofdstuk 3 (“Facturering”) van de btw-richtlijn voorziet artikel 218 de volgende definitie van een factuur: “Voor de toepassing van deze richtlijn aanvaarden de lidstaten als factuur ieder document of bericht op papier of in elektronisch formaat dat aan de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden voldoet.”. Uit de omschrijving van “factuur” in artikel 218 van de btw-richtlijn volgt dat niet de titel, benaming of vermelding van het woord “factuur” doorslaggevend is, maar wel dat het document de vereiste vermeldingen bevat op grond waarvan het kan worden aangemerkt als een factuur. Die voorwaarden bevinden zich in het bijzonder onder de afdeling 4 (“Inhoud van de facturen”), waaronder artikel 226 van de btw-richtlijn. Ook deze bepaling voorziet in een reeks van verplichte vermeldingen en vormvoorwaarden waaraan een factuur moet voldoen.
Het komt de btw-belastingplichtige toe, die zijn recht op aftrek van btw wenst uit te oefenen, om aan te tonen dat alle voorwaarden zijn vervuld, zowel inhoudelijk als formeel en dat de goederen en/of diensten werden gebruikt of zijn bestemd voor zijn economische activiteit. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds (het ontstaan van) het recht op aftrek en anderzijds de uitoefening van het recht op aftrek(2).
5. De factuur dient een weerspiegeling te zijn van de feitelijke prestatie en derhalve moeten de authenticiteit, de integriteit en de leesbaarheid ervan worden gewaarborgd. Bedrijfscontroles kunnen een betrouwbaar controlespoor tussen factuur en prestatie opleveren, met dien verstande dat zowel de papieren als de elektronische factuur aan de genoemde voorwaarden moet voldoen(3). Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, dient de belastingplichtige in het bezit zijn van een conforme factuur(4). De conformiteit van de factuur is de eerste voorwaarde om het recht op aftrek van de door de leveranciers in rekening gebrachte btw te kunnen uitoefenen(5). Uw Hof oordeelde dat dit op grond van de wettekst een vormvoorwaarde is om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen, en niet louter een bewijsregel. De vereiste vermeldingen moet de inning van de belasting en de controle daarop door de administratie mogelijk maken(6).
6. Op grond van artikel 53, § 2 Btw-wetboek is elke medecontractant ertoe gehouden een factuur uit te reiken wanneer hij een levering van goederen of een dienst heeft verricht voor een belastingplichtige. Artikel 53quater, § 1, Btw-wetboek bepaalt dat de belastingplichtigen hun btw-identificatienummer moeten meedelen aan hun leveranciers en klanten.
Art. 51bis, § 1, Btw-wetboek bepaalt dat de medecontractant van de schuldenaar van de belasting tegenover de Staat hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan het uitreiken is voorgeschreven door de artikelen 53 en 54 of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet werd uitgereikt of een onjuiste vermelding bevat ten aanzien van de naam, het adres of het btw-identificatienummer van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten of de prijs of het toebehoren ervan.
Art. 53quinquies Btw-wetboek bepaalt dat belastingplichtigen ertoe zijn gehouden jaarlijks voor iedere belastingplichtige waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de administratie in kennis te stellen van het totale bedrag van die handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting.
Op grond van de voormelde bepalingen is een belastingplichtige ertoe gehouden een factuur uit te reiken aan zijn medecontractant en is die medecontractant zich als belastingplichtige kenbaar te. Door het opmaken van de jaarlijkse btw-listing van klanten kan de administratie de goede werking van het btw-stelsel controleren en gerichte controles uitvoeren wanneer onregelmatigheden blijken uit de aangiften en de listings. De snel evoluerende digitalisering en informatisering van de vrije (interne) markt en het handelsverkeer vereisen een performant informaticasysteem dat de overheid toelaat fraude via datamining op te sporen, waardoor het noodzakelijk is dat een factuur voldoende informatie bevat.
De voormelde bepalingen wijzen uit dat de factuur een steunpilaar is van het btw-stelsel. Het aspect dat de factuur moet toelaten de materiële voorwaarden van het recht op aftrek te controleren, is slechts een van de functies van de factuur in het btw-stelsel.
7. Het behoort tot de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat wat betreft de formele voorwaarden waaraan een regeling van aftrek of teruggave moet voldoen, niet mag worden beheerst door overdreven formalisme. De formele voorwaarden mogen niet zo talrijk en technisch zijn dat ze het recht op uitoefening van het recht op aftrek nagenoeg onmogelijk of overdreven moeilijk maken(7).
Daarnaast is het eveneens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat de formele voorwaarden verantwoord zijn voor de inning van de belasting, de controle op het vermijden van misbruik en fraude, voor de samenhang van het btw-stelsel in zijn geheel en om de administratie toe te laten de goede werking van het btw-stelsel te controleren(8). Het Hof van Justitie herinnert eraan dat artikel 226 van btw-richtlijn bepaalt dat op de overeenkomstig artikel 220 van deze richtlijn uitgereikte facturen voor btw-doeleinden de in dit artikel 226 genoemde vermeldingen verplicht zijn(9). Wat betreft de formele voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek, volgt uit artikel 178, onder a), van richtlijn 2006/112 dat de belastingplichtige in het bezit moet zijn van een overeenkomstig artikel 226 van deze richtlijn opgestelde factuur(10).
Ook uw Hof oordeelde in een arrest van 19 september 1996 dat de vermeldingen op een factuur ook van belang zijn voor de inning van de belasting en voor de controle erop door de administratie, waardoor wegens de daartoe ontbrekende vermeldingen ten onrechte een recht van aftrek was verleend(11). In een arrest van 16 januari 2014 oordeelde uw Hof dat de administratie is gerechtigd is het recht op aftrek te verwerpen met betrekking tot de facturen waarop de leveringsdatum niet is vermeld, nu de vermelding op de factuur van de datum van levering van de goederen nodig is om de inning van de belasting en de controle daarop door de administratie mogelijk te maken(12).
8. De analyse van de rechtspraak van het Hof van Justitie over de vormvoorwaarden ten aanzien van de uitoefening van het recht op aftrek leert dat het veelal zeer concrete feitelijke appreciaties betrof van situaties waarin een factuur bepaalde verplichte vermeldingen niet bevatte of er sprake was van overdreven formalisme. Zonder het belang van de andere functies van de factuur te minimaliseren in het btw-stelsel, waaronder het belang ervan voor de juiste inning van de belasting, de controle, de samenhang en het voorkomen van fraude, heeft het Hof van Justitie in die concrete geschillen over de rol van de factuur ten aanzien van de uitoefening van het recht op aftrek, duidelijk de beginselen van de neutraliteit en doeltreffendheid vooropgesteld(13).
Deze beginselen vormen de grondslag van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat het niet-naleven van de formele voorwaarden (inzake verplichte vermeldingen van de factuur) voor het recht op aftrek, in bepaalde omstandigheden (wanneer geen sprake is van op frauduleuze wijze niet voldoen(14)), niet kan leiden tot verlies van dat recht indien aan de materiële voorwaarden om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen werd voldaan(15).
3. Bespreking van het enig middel.
9. De appelrechters hebben geoordeeld dat de administratie het recht op aftrek enkel heeft geweigerd wegens het niet voldoen van de voorgelegde stukken aan de vormvoorwaarden van een factuur, zonder aan te geven dat niet aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek zou zijn voldaan.
Daarmee hebben de appelrechters mijn inziens geoordeeld dat het voor de administratie niet volstaat een recht van aftrek te weigeren enkel omdat niet voldaan is aan de voorgeschreven vormvoorwaarden van een factuur.
Het middel gaat uit van de veronderstelling dat de appelrechters hebben geoordeeld dat voor de uitoefening en toekenning van het recht op aftrek geen factuur nodig is. Die aanname in de omschrijving van het middel berust echter mijn inziens op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist feitelijke grondslag.
10. Het tweede onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters een te ruime interpretatie hebben gegeven aan de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie over de vormvoorwaarden van de factuur. Ook dit onderdeel lijkt mij te berusten op een verkeerde lezing van het arrest, vermits de appelrechters zich niet hebben uitgesproken over de (mate waarin) de door de belastingplichtige voorgelegde stukken voldoen aan de vormvoorwaarden van een factuur.
Besluit: Verwerping.
(1) L_2006347NL.01000101.xml (europa.eu)
(2) HvJ 21 maart 2018, C-533/16, pt. 43: “…het recht op btw-aftrek krachtens artikel 167 van richtlijn 2006/112 weliswaar ontstaat op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, maar volgens artikel 178 daarvan in beginsel pas kan worden uitgeoefend wanneer de belastingplichtige in het bezit is van een factuur (zie in die zin arrest van 15 september 2016, Senatex, C-518/14, EU:C:2016:691, punt 35”; F. BORGER, M. GOVERS, P. RAES, Handboek btw 2021-2022, Intersentia 505 e.v.
(3) Overweging nr. 10 van Richtlijn 2010/45/EU (tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG), 13 juli 2010.
(4) Volgens advocaat-generaal J. KOKOTT dient een factuur de volgende vijf essentiële gegevens te vermelden: “Een document waarmee een levering of dienst in rekening wordt gebracht, is namelijk reeds een factuur in de zin van artikel 178, onder a), van de btw-richtlijn wanneer zowel de afnemer als de belastingdienst eruit kan opmaken voor welke handeling welke leverancier of dienstverrichter welk bedrag aan btw heeft afgewenteld op welke afnemer. Daartoe moet worden vermeld wie de leverancier of dienstverrichter en de afnemer zijn alsook wat het voorwerp van de prestatie en de prijs is, en moet de btw afzonderlijk worden vermeld.(47) Wanneer deze vijf essentiële gegevens zijn vermeld, is – zoals ik ook reeds elders heb uiteengezet(48) – recht gedaan aan het doel en de strekking van de factuur en is het recht op aftrek definitief ontstaan.(49)”, conclusie van 8 juli 2021 in de zaak C-156/20.
(5) Artikel 3, KB nr. 3.
(6) Cass. 4 december 1989, FJF 90/182, 964, BTW Rev. nr. 94, 103; Cass. 7 juni 1996, AR C.95.0111.F, AC 1996, nr. 222; VANDEBERGH, H., BTW Handboek, Mys & Breesch 1999, 330 e.v.
(7) HvJ, 14 juli 1988, 330/87, pt. 16, B.T.W.-Revue 1991, 187; Jur.HvJ 1988, 4517, concl. SLYNN.
(8) HvJ 11 december 2014, C-590/13, pt. 42.
(9) HvJ 15 september 2016, zaak C-516/14, pt. 25.
(10) HvJ 21 oktober 2021, C-80/20, pt. 71; HvJ 1 maart 2012, C-280/10, EU:C:2012:107, punt 41; HvJ 22 oktober 2015, C-277/14, EU:C:2015:719, punt 29.
(11) Cass. 19 september 1996, AR C.95.0383.F, AC 1996, nr. 318.
(12) Cass. 16 januari 2014, AR F.12.0044.N, AC 2014, afl. 1, nr. 34, met concl. van advocaat-generaal D. THIJS.
(13) HvJ 21 oktober 2021, c-80/20, pt.80: “Ook moet in herinnering worden gebracht dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en eventuele misbruiken ongetwijfeld een doel is dat in de Unierechtelijke bepalingen inzake btw is erkend en erdoor wordt gestimuleerd. De maatregelen die de lidstaten nemen, mogen evenwel niet verder gaan dan voor de verwezenlijking van die doelstellingen noodzakelijk is. Zij mogen dus niet op zodanige wijze worden aangewend dat zij een systematische belemmering voor het recht op teruggaaf van btw en bijgevolg voor de btw-neutraliteit opleveren”.
(14) HvJ 28 juli 2016, zaak C-332/15, pt. 45.
(15) HvJ 15 september 2016, zaak C-516/14; HvJ 15 november 2017, zaak C-374/16 en C-375/16; HvJ 7 augustus 2018, zaak C-16/17.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.