Droit à déduction, Exercice du droit à déduction · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 17 avril 2018

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit à déduction, Exercice du droit à déduction

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-exercice-conditions-formelles-cour-appel-anvers-2018-04-17-7c85

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
17 avril 2018

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
mixte

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

102 paragraphes

Fiche du SPF Finances

[Arrêt mixte pour l’État belge]

WF 707-15-15/054206

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit à déduction – Exercice du droit à déduction – Conditions formelles – Conditions matérielles

Dispositions légales

Articles 45, § 1er, 53, §2, et 53octies du Code de la TVA

Articles 2 et 3 de l’arrêté royal n° 3 relatif aux déductions pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée

Circulaire 2017/C/64 relative à la facture, condition de l’exercice du droit à déduction en matière de TVA

Résumé

1) Les faits pertinents et les antécédents de la procédure

Le litige concerne des infractions commises au régime du droit à déduction de la TVA. La contrainte à laquelle était joint le procès-verbal a été notifiée à l’assujetti le 6 novembre 2015. Dans sa requête en première instance, l’assujetti demandait que la contrainte soit annulée et qu’il soit dit pour droit que le régime du droit à déduction soit correctement appliqué.

Le premier juge a constaté qu’il ne ressort pas des factures produites par l’assujetti que les achats étaient destinés à la réalisation de ses propres opérations soumises à la TVA et a déclaré la demande en justice recevable mais non fondée. Un recours en appel a été formé contre ce jugement.

2) L’arrêt

L’assujetti ne conteste pas en degré d’appel les irrégularités présentes dans les factures mais affirme que ces irrégularités n’ont eu aucune conséquence sur le recouvrement et le contrôle de la TVA et que son droit à déduction n’est pas perdu.

Les juges d’appel se réfèrent à la jurisprudence de la Cour de justice en particulier à l’arrêt du 15 septembre 2016, Barlis, C-516/14 (http://curia.europa.eu), dans lequel la Cour de justice considère que les autorités fiscales nationales ne peuvent pas refuser le droit à déduction de la TVA pour la seule raison que l’assujetti détient une facture qui ne remplit pas les conditions requises par l’article 226, points 6 et 7, de la directive 2006/112/CE, alors que ces autorités disposent des données nécessaires pour établir et vérifier que les conditions matérielles pour exercer ce droit sont satisfaites.

En ce qui concerne les factures produites, la cour d’appel d’Anvers décide que, pour le premier des deux fournisseurs litigieux, l’assujetti ne prouve pas que les prestations facturées ont été réellement exécutées. Les pièces produites sont également insuffisantes pour vérifier si les conditions matérielles pour pourvoir exercer le droit à déduction sont satisfaites de sorte que le droit à déduction a été rejeté à bon droit.

En revanche, en ce qui concerne le second fournisseur, le droit à déduction doit bien être accepté selon la cour. La seule erreur formelle concernait la non-mention du numéro d’identification à la TVA. Les factures jointes en annexe de la réclamation mentionnaient bien le numéro d’identification à la TVA. L’administration n’avait pas accepté les factures rectificatives parce que l’adresse n’était pas correcte. La cour d’appel oppose cependant l’arrêt de la Cour de justice du 15 septembre 2016, Senatex, C-518/14 (http://curia.europa.eu), selon lequel une rectification d’une facture visant une mention obligatoire, à savoir le numéro d’identification à la taxe, produit un effet rétroactif. Le droit à déduction a été rejeté in casu uniquement pour un vice de forme, c’est-à-dire l’absence de la mention du numéro d’identification à la TVA, et ce, contrairement aux factures délivrées par le premier fournisseur pour lesquelles la véritable nature et l’ampleur des opérations exécutées ne pouvaient pas être vérifiées. En revanche, les factures du second fournisseur sont très détaillées. Les factures rectifiées sont suffisantes pour bénéficier du droit à déduction.

Remarques

L’arrêt est conforme à la législation européenne, à la jurisprudence de la Cour de justice et à la circulaire administrative 2017/C/64 du 12 octobre 2017 (Fisconetplus).

L’État belge a acquiescé à l’arrêt.

Texte de l’arrêt

La décision est publiée uniquement dans la langue dans laquelle la demande a été introduite

Corps de la décision

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 17.04.2018

Rol: 2017/AR/139

E. F. BVBA, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …, eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. P. J. loco Mr. L. M., advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 23 november 2016, met rolnummer 16/1196/A

tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, sector BTW, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de heer Adviseur-Directeur van het Centrum KMO Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2, en in de persoon van de bevoegde Adviseur-ontvanger van de Algemene Administratie van de Inning en Invordering, Team Invordering Rechtspersonen Antwerpen 1, gevestigd te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 1, verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. A. L., advocaat te …, …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 23 november 2016 alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 20 januari 2017, waarbij hoger beroep wordt ingesteld.

1. Feitelijke en procedurele retroacta.

1.Huidige betwisting heeft betrekking op een dwangbevel nr. … (Reg. 127/122) dat werd uitgevaardigd op 26 oktober 2015 en geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard op 28 oktober 2015. Middels het dwangbevel wordt lastens eiseres in hoger beroep een bedrag van … EUR als B.T.W. inclusief geldboete en intresten nagevorderd voor de periode vanaf juli 2012 tot en met juni 2014. Aan het dwangbevel was een proces-verbaal dd. 30 september 2015 gehecht waarin inbreuken op de aftrekregeling werden vastgesteld in het bijzonder wat betreft de facturen van BVBA C. P. & C. en BVBA J.-L.. Het recht op aftrek werd dienvolgens geweigerd, waardoor eiseres in hoger beroep een bedrag van … EUR als B.T.W. verschuldigd zou zijn, meer een boete van … EUR en intresten. Het dwangbevel, annex proces-verbaal werd betekend aan eiseres in hoger beroep op 6 november 2015.‌‌‌

Er blijkt een correctieopgave te zijn verzonden op 18 augustus 2015. Eiseres in hoger beroep had bij brief van 21 oktober 2015, onder verwijzing naar de correctieopgave, bijkomende informatie aangeleverd, met het verzoek deze te onderzoeken en de vordering te corrigeren. Dit bezwaarschrift werd door de administratie bij brief van 23 november 2015 afgewezen.

2.Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 2 maart 2016, vorderde eiseres in hoger beroep het verzoek ontvankelijk en gegrond te verklaren, te zeggen voor recht dat eiseres in hoger beroep de aftrekregeling inzake B.T.W. op correcte wijze heeft toegepast, dienvolgens het bestreden dwangbevel te vernietigen, dan wel ontheffing te verlenen en terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, verhoogd met de moratoriumintresten en de kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de feiten en vereffende de kosten niet, bij gebrek aan opgave en begroting.

De eerste rechter stelde vast dat dat de bewijslast van het recht op aftrek ligt bij eiseres in hoger beroep. Met betrekking tot de factuur van BVBA C. P. & C. stelde de Belgische Staat terecht dat hieruit geenszins blijkt of en zo ja welke diensten zouden zijn verricht. Met betrekking tot de factuur van BVBA J.-L. stelt de eerste rechter vast dat niet blijkt of de in de facturen voorkomende aankopen bestemd waren voor de verrichting van onder B.T.W. belastbare handelingen. Eiseres in hoger beroep vult haar bewijslast niet in. Eiseres in hoger beroep dringt niet aan met betrekking tot de offerte van NV P.. De toegepaste boete van 10% komt evenredig voor.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 20 januari 2017, hoger beroep ingesteld.

2.De vorderingen en standpunten in hoger beroep.

2.1 Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep toelaatbaar en ongegrond te verklaren en dienvolgens het vonnis van de eerste rechter te hervormen in de mate de oorspronkelijke vorderingen als ongegrond werden afgewezen en opnieuw rechtdoende, te zeggen voor recht dat eiseres in hoger beroep de aftrekregeling inzake B.T.W. op correcte wijze heeft toegepast, dienvolgens het bestreden dwangbevel te vernietigen, dan wel ontheffing te verlenen en terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, verhoogd met de moratoriumintresten en de kosten ten laste te leggen van de Belgische Staat, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Eiseres in hoger beroep betwist de onregelmatigheden in de facturen van BVBA C. P. & C. en BVBA J.-L. niet maar stelt dat deze niet nuttig zijn voor de inning en controle van de B.T.W. en haar recht op aftrek niet in de weg kunnen staan. Als bijkomende staving wordt de onderliggende overeenkomst met BVBA C. P. & C. bijgebracht. De aftrek van de B.T.W. in facturen van BVBA C. P. & C. voor de periode van juli 2014 tot juli 2016 werd na een nieuwe controle aanvaard. Voor BVBA J.-L. werden verbeterende facturen voorgelegd. Eiseres in hoger beroep berust wat betreft NV P.. De opgelegde boete wordt betwist, gelet op de goede trouw van eiseres in hoger beroep.

2.2 Verweerster in hoger beroep vordert het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Er werd vastgesteld tijdens een controle dat een aantal facturen niet voldoen aan de wettelijke voorschriften in artikel 5 K.B.nr. 1., die door eiseres in hoger beroep worden miskend en waaraan de voorlegging van de overeenkomst geen afbreuk doet. Er worden geen stukken voorgelegd waaruit de echtheid van de gefactureerde prestaties blijkt. Wat de facturen van BVBA J.-L. betreft, beschikt eiseres in hoger beroep niet over rechtsgeldige facturen en levert zij niet het bewijs dat de geleverde goederen werden gebruikt voor aantoonbare uitgaande activiteiten.

3 Bespreking.

3.1 De administratie verwerpt het recht op aftrek met betrekking tot een aantal facturen van BVBA C. P. & C. en van BVBA J.-L. omdat eiseres in hoger beroep niet in het bezit was van regelmatige facturen uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, §2 en 53octies W.B.T.W. De voorgelegde facturen zouden niet de verplichte vermeldingen bevatten als gepreciseerd in artikel 5, §1 K.B.nr. 1, aldus het proces-verbaal dd. 30 september 2015.

In het bijzonder ontbreken wat de facturen van BVBA C. P. & C. betreft, een opeenvolgend nummer, het adres van de zetel van de dienstverrichter en het B.T.W.-nummer, de datum waarop het belastbaar feit heeft plaatsgevonden en het precieze voorwerp van de verstrekte diensten. De juiste aard en de omvang van de verstrekte diensten kan naar oordeel van de administratie niet uit de facturen worden opgemaakt. De aftrek wordt aldus niet verworpen louter omwille van vormgebreken maar tevens omdat de juiste aard en omvang van de ontvangen handelingen niet kon worden nagegaan.

Wat de facturen van BVBA J.-L. betreft, ontbreekt het B.T.W.-nummer van eiseres in hoger beroep.

Tevens werd de aftrek verworpen bij gebrek aan factuur van de B.T.W. aangerekend in een offerte van NV P.. Dit laatste wordt door eiseres in hoger beroep niet meer betwist. Eiseres in hoger beroep betwist daarentegen de verwerping van de aftrek van de B.T.W. aangerekend in de facturen van BVBA C. P. & C. en van BVBA J.-L..

3.2 Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten mag aftrekken in zijn B.T.W.-aangifte moet het recht op aftrek van de belasting ontstaan zijn (artikel 2 K.B. nr. 3) en moeten de voorwaarden om dat recht uit te oefenen nagekomen zijn (artikel 3 K.B. nr. 3 en artikel 7 K.B. nr. 31). Op grond van artikel 3, §1, 1° K.B. nr. 3 moet de belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, §2 en 53octies W.B.T.W. waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, §1 van het K.B. nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de B.T.W. Volgens artikel 5, §1 van het K.B. nr. 1 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde moet de factuur o.m. vermelden:

“1° de datum waarop ze respectievelijk worden uitgereikt of opgesteld en een opeenvolgend nummer, volgens één of meer reeksen, dat deze stukken op eenduidige wijze identificeert, waaronder ze worden ingeschreven in het boek voor uitgaande facturen van de leverancier of de dienstverrichter;

2° de naam of de maatschappelijke benaming van de leverancier van de goederen of van de dienstverrichter, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel en zijn in artikel 50 van het Wetboek bedoeld btw-identificatienummer.

(...);

3° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in artikel 50 van het Wetboek bedoeld btw-identificatienummer van de medecontractant of, wanneer het in artikel 39bis, eerste lid, 4° van het Wetboek bedoelde leveringen betreft, de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het btw-identificatienummer dat in de lidstaat van bestemming van de goederen aan de belastingplichtige is toegekend;

(…);

5° de datum waarop het belastbare feit voor de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de ontvangst van de prijs of een deel ervan, voorzover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten;

(...).”

Artikel 226 van de Europese Richtlijn 2006/112 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde bepaalt:

“Onverminderd de bijzondere bepalingen van deze richtlijn zijn voor B.T.W.-doeleinden op de overeenkomstig de artikelen 220 en 221 uitgereikte facturen alleen de volgende vermeldingen verplicht:

(...);

4) het in artikel 214 bedoelde BTW- identificatienummer van de afnemer waaronder hij een goederenlevering of een dienst heeft afgenomen waarvoor hij tot voldoening van de belasting is gehouden of waaronder hij een in artikel 138 bedoelde goederenlevering heeft afgenomen;

5) de volledige naam en het volledige adres van de belastingplichtige en zijn afnemer;

6) de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen of de omvang en de aard van de verrichte diensten;

7) de datum waarop de goederenlevering of de dienst heeft plaatsgevonden of voltooid is of de datum waarop de in artikel 220, punten 4) en 5)1 bedoelde vooruitbetaling is gedaan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;

(…).”

Artikel 178 van de Richtlijn 2006/112 bepaalt het volgende:

“Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, moet de belastingplichtige aan de volgende voorwaarden voldoen:

a) voor de in artikel 168, punt a), bedoelde aftrek met betrekking tot goederenleveringen en diensten: in het bezit zijn van een overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 236 en de artikelen 238, 239 en 240 opgestelde factuur;

(…).”

Het Hof van justitie heeft in haar arrest van 15 september 2016 inzake Barlis 06 (H.v.J. 15 september 2016, C-516/14 inzake Barlis 06, www.monkey.be) bevestigd dat het recht op aftrek niet zomaar kan worden geweigerd op basis van een onvolledige factuur. Het basisbeginsel van neutraliteit van de B.T.W. verlangt dat aftrek van voorbelasting wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Wanneer de belastingdienst over de nodige gegevens beschikt om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden, mag zij bijgevolg voor het recht van de belastingplichtige op aftrek van die belasting geen nadere voorwaarden stellen die tot gevolg kunnen hebben dat de uitoefening van dat recht wordt verhinderd. Bijgevolg mag de belastingdienst het recht op aftrek niet weigeren enkel en alleen omdat een factuur niet voldoet aan de door artikel 226, punten 6 en 7, gestelde voorwaarden, indien zij beschikt over alle gegevens die nodig zijn om na te gaan of is voldaan aan de materiële voorwaarden voor uitoefening van dat recht. Het Hof van Justitie bepaalde aldus dat de belastingdienst zich er niet toe mag beperken de factuur zelf te onderzoeken, doch rekening dient te houden met aanvullende informatie die de belastingplichtige verstrekt.

In die context oordeelde het Hof van Justitie in een arrest eveneens van 15 september 2016 inzake S. dat een correctie van een factuur door de vermelding van het B.T.W.-nummer ook retroactief uitwerking moet hebben (H.v.J. 15 september 2016, C-518/14 inzake S., www.monkey.be).

Het recht op aftrek van de belastingplichtige moet derhalve niet enkel beoordeeld worden aan de hand van het vervuld zijn van formaliteiten, maar op basis van de materiële voorwaarden. Wanneer de belastingplichtige de verplichte formaliteiten niet heeft nageleefd, is het belangrijk dat hij andere documenten (bv. e-mails, bestelbonnen, offertes, overeenkomsten, ...) heeft op basis waarvan de administratie kan controleren of de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek van B.T.W. voldaan zijn.

Zulks wordt inmiddels door de B.T.W.-administratie aanvaard. In haar circulaire van 12 oktober 2017 (Circ. 2017/C/64, 12 oktober 2017 betreffende de factuur, voorwaarde voor het uitoefenen van het recht op aftrek inzake B.T.W.) stipuleerde de administratie dat “wanneer de door de belastingplichtige voorgelegde factuur niet regelmatig is en/of onvolledig ten aanzien van bepalingen van het voornoemde koninklijk besluit nr. 1, zal de administratie in het concrete geval het recht op aftrek beoordelen :

- op basis van een gecorrigeerde factuur (artikel 53, § 2, derde lid, van het Btw-Wetboek en artikel 12 van koninklijk besluit nr. 1, voornoemd) en/of

- in combinatie met aanvullende bewijskrachtige stukken die ondubbelzinnig betrekking hebben op de factuur en die door de belastingplichtige worden voorgelegd, vaar zover natuurlijk:

het bewijs wordt geleverd dat de materiële voorwaarden van het recht op aftrek van artikel 45 van het Btw-Wetboek zijn voldaan;

de belastingplichtige zich niet heeft schuldig gemaakt aan fraude, misbruik af wist of had moeten weten dat de handeling waarvoor aanspraak op het recht op aftrek wordt gemaakt onderdeel was van fraude af misbruik.”

3.3 Partijen betwisten niet dat de facturen van BVBA C. P. & C. de verplichte vermeldingen, opgesomd in het proces-verbaal dd. 30 september 2015, niet bevatten. Als aanvullend bewijsstuk wordt een “reclame en marketing overeenkomst/offerte” voorgelegd tussen BVBA C. P. & C. en eiseres in hoger beroep dd. 6 januari 2012 ingevolge waarvan de betwiste facturen werden uitgereikt (stuk 6 van eiseres in hoger beroep).

Het hof is van oordeel dat de aangeleverde stukken onvoldoende zijn om te controleren of aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek van B.T.W. is voldaan. In het bijzonder blijkt uit de facturen, waarop een aantal verplichte vermeldingen ontbreken, in samenlezing met de voorgelegde overeenkomst, niet dat werkelijke prestaties werden geleverd aan eiseres in hoger beroep en welke de aard is van deze prestaties. Al de 23 facturen, uitgereikt tussen 6 juni 2012 en 6 juni 2014 vermelden immers zonder onderscheid:

“ontwikkeling themacampagne

radiocommercial ontwikkelen of adds internet

Marketing reklame

Organisatie reclamedrukwerk

Planning evaluatie resultaten''

Eiseres in hoger beroep bewijst echter niet dat de aldus gefactureerde prestaties daadwerkelijk werden uitgevoerd. Geen reclamedrukwerk of radiocommercials werden voorgelegd, evenmin als mails of planningen van voorbereidende gesprekken en werkzaamheden. De maandelijkse evaluaties waarvan sprake in de artikelen 7 en 8 van de overeenkomst, de voorontwerpen in artikel 3 en de planningen in artikel 4 worden niet voorgelegd. Eiseres in hoger beroep verwijst in conclusie (sub nr. 15) naar vergaderingsverslagen en een reclamefolder zonder deze echter bij te brengen. Welke prestaties daadwerkelijk aan de grondslag liggen van de facturen en of werkelijke prestaties werden verricht, kan dan ook niet worden nagegaan. De enkele vaststelling dat eiseres in hoger beroep de facturen inclusief B.T.W. zou hebben betaald, wat overigens evenmin aan de hand van de stukken van partijen kan worden vastgesteld, kan hieraan geen afbreuk doen.

Eiseres in hoger beroep brengt tenslotte stukken bij met betrekking tot voorgaande controles waaruit zou moeten blijken dat gelijkaardige stukken van BVBA C. P. & C. aan een andere afnemer wel zouden zijn aanvaard en waaruit zou blijken dat de aftrek van de B.T.W. aangerekend in gelijkaardige facturen in een later belastbaar tijdperk in hoofde van eiseres in hoger beroep wel zou zijn toegestaan. Het stuk 8 van eiseres in hoger beroep betreft echter een niet ondertekende correctieopgave die betrekking heeft op andere leveranciers dan BVBA C. P. & C. zonder dat daaruit op enigerlei wijze kan worden afgeleid dat de aftrek van de B.T.W. aangerekend in facturen van deze laatste zou zijn aanvaard in een later belastbaar tijdperk. Er blijkt niet dat effectief gelijkaardige facturen zouden zijn uitgereikt in een later belastbaar tijdperk en evenmin dat deze facturen door de administratie zouden zijn onderzocht tijdens de controle. Stukken waaruit zou blijken dat de aftrek in hoofde van een andere afnemer zou zijn aanvaard, worden niet voorgelegd.

De voorgelegde stukken zijn dan ook onvoldoende om na te gaan of aan de materiële voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek is voldaan, zodat terecht de aftrek van de B.T.W. die werd aangerekend in de betrokken facturen heeft verworpen.

3.4 De facturen van BVBA J.-L. die tijdens controle werden voorgelegd, bevatten het B.T.W.-identificatienummer van eiseres in hoger beroep niet, aldus werd gestipuleerd in het proces-verbaal dd. 30 september 2015. Er wordt niet betwist dat alle andere verplichte vermeldingen op de facturen voorkwamen.

Als bijlage aan het bezwaarschrift dd. 21 oktober 2015 werden facturen voorgelegd waarop het B.T.W.-nummer wel was opgenomen (stuk 5 van de administratie en stuk 7 van eiseres in hoger beroep). De administratie aanvaardt deze verbeterende facturen niet omdat het adres van BVBA J.-L. op de verbeterende facturen slechts geldig was vanaf 1 maart 2015 terwijl de facturen dateren van 2011 en 2012. Bovendien stelt de administratie dat de aftrek slechts kan worden toegestaan in 2015 indien kan worden aangetoond dat wat werd aangekocht ook werkelijk was gebruikt voor aantoonbare uitgaande activiteiten, bewijs dat nog steeds niet is geleverd.

Vooreerst verwijst het hof naar het hiervoor reeds aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 15 september 2015 inzake S. dat een correctie van een factuur door de vermelding van het B.T.W.-nummer ook retroactief uitwerking moet hebben (H.v.J. 15 september 2016, C-518/14 inzake S., www.monkey.be). Op grond van de in 2015 opgestelde verbeterende facturen kan het recht op aftrek in 2011 en 2012 dan ook in principe worden toegestaan. Het arrest van het Hof van Cassatie dd. 13 oktober 2000 (C.98.0402.N) waar de administratie naar verwijst in conclusie, is op dit punt achterhaald. Dat op de verbeterende facturen een adres is vermeld dat nog niet in gebruik was in 2011 en 2012 is slechts het gevolg van de latere verbetering en kan evenmin op zich afbreuk doen aan het principiële recht op aftrek.

In toepassing van de circulaire van 12 oktober 2017 kan de administratie het recht op aftrek derhalve beoordelen op basis van de gecorrigeerde facturen. Het hof is van oordeel dat op basis van de verbeterende facturen het recht op aftrek in casu kan worden toegestaan, in het bijzonder nu de administratie tijdens de controle niet betwistte dat was voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek. Het recht op aftrek werd immers uitsluitend wegens een vormgebrek verworpen, met name het ontbreken van het B.T.W.-nummer van eiseres in hoger beroep op de facturen en dit in tegenstelling tot de facturen van BVBA C. P. & C. waarbij werd gestipuleerd dat ten aanzien van de facturen van deze laatste de aftrek niet enkel wegens vormgebreken werd verworpen, doch tevens omdat de juiste aard en omvang van de ontvangen handelingen niet kon worden nagegaan.

De facturen van BVBA J.-L. zijn daarentegen zeer gedetailleerd en vermelden onderling verschillende door eiseres in hoger beroep aangekochte goederen (verven en schilderbenodigdheden). Eiseres in hoger beroep is geregistreerd als B.T.W.-plichtige voor de activiteit van schilderwerken. In acht genomen dat het recht op aftrek bij een onregelmatige factuur, zoals voorgeschreven in de circulaire dd. 12 oktober 2017, niet cumulatief dient te worden beoordeeld aan de hand van een gecorrigeerde factuur “én” aanvullende bewijsstukken doch aan de hand van een gecorrigeerde factuur “en/of” aanvullende bewijsstukken en nu bij controle niet werd betwist dat aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek was voldaan, volstaan de gecorrigeerde facturen van BVBA J.-L. in casu om te genieten van het recht op aftrek van de erin aangerekende B.T.W. Het dwangbevel dient op dit punt dan ook te worden vernietigd.

3.5 Er werd eiseres in hoger beroep een geldboete opgelegd ten bedrage van het dubbel van de verschuldigde belasting evenwel verminderd tot … EUR overeenkomstig tabel H van K.B. nr. 41, zulks impliceert dat in casu geen overtreding voorligt begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken. Er werd aldus rekening gehouden met de goede trouw van eiseres in hoger beroep.

Het hof acht dergelijke geldboete evenredig met de aard op de overtreding. Dat eiseres in hoger beroep het slachtoffer zou zijn van een nonchalante boekhouding van haar contractspartijen, wordt niet aangetoond. Wat de facturen van BVBA C. P. & C. betreft, wordt de aftrek overigens niet louter wegens vormgebreken verworpen. Verdere vermindering van de boete, behoudens wat betreft de boete die betrekking heeft op de facturen van BVBA J.-L., of kwijtschelding is dan ook niet aan de orde.


Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is slechts deels gegrond en het bestreden vonnis dient deels hervormd en voor het overige bevestigd te worden.

Partijen dienen elk als gedeeltelijk in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding, zoals hierna begroot en omgeslagen.

4 Beslissing.

Dispositif

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis en verklaart de vordering van eiseres in hoger beroep toelaatbaar en gegrond als volgt.

Het hof vernietigt het dwangbevel nr. … (reg.127/122) in de mate dat B.T.W. wordt nagevorderd aangerekend in de facturen van BVBA J.-L. ten bedrage van … EUR en in de mate dat hierop een geldboete wordt nagevorderd. Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Het hof beveelt de terugbetaling van alle bedragen die uit hoofde van het aldus vernietigde dwangbevel ten onrechte werden betaald en / of ingehouden, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.B.T.W.

Het hof vereffent de kosten van het geding op … EUR in eerste aanleg en … EUR in hoger beroep, slaat deze kosten om als volgt en veroordeelt verweerder in hoger beroep tot … EUR (1/10de van … EUR) rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en … EUR (1/10de van … EUR) rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep en veroordeelt eiseres in hoger beroep tot … EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, bij gebrek aan vertegenwoordiging van verweerder in hoger beroep door een raadsman en … EUR (9/10de van … EUR) rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 17 april 2018 door

Ondertekeningen

Textes cités

14

Décisions similaires

8