Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 22.03.2021
WF 503-15-19/052719
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée - Valeur probante - PV
Résumé
Le tribunal relève que le procureur général ne s'est pas opposé à la consultation dudit dossier judiciaire, ni n'a émis de réserves concernant certains contribuables.
Dès lors que l'administration fiscale a demandé la consultation du "dossier judiciaire au nom de X avec le numéro de référence DE11.../2016" sans mentionner certains contribuables, elle n'a pas demandé d'informations à d'autres fins que la présente. Le tribunal ne partage pas le point de vue de la demanderesse.
D'autant plus que l'information judiciaire concernant un vol commis au préjudice de la sprl Y contenait des informations sur elle. La requérante ne peut donc pas prétendre que, lors de l'octroi de l'autorisation, le ministère public ignorait que les pièces du dossier pouvaient être utilisées concernant la sprl Y, qui est une partie lésée dans le vol faisant l'objet du dossier judiciaire en question.
Le tribunal considère que les dispositions de l'article 93 quaterdecies du Code de la TVA n'ont pas été violées.
En outre, les dispositions légales relatives à la consultation du dossier judiciaire n'empêchent pas que ce droit soit délégué à un fonctionnaire compétent. Ces dispositions n'imposent pas non plus de preuve formelle à l'administration fiscale quant à la personne qui a pris connaissance du dossier pénal, ni de la preuve de la délégation. ...
Par conséquent, la tribunal n'accorde pas de crédit à l'argument selon lequelle l'administration fiscale n'a pas pris légalement connaissance et copie du dossier judiciaire ouvert à l’encontre de la demanderesse .
Le grief de la demanderesse n'est pas fondé.
Concernant la valeur probante du procès-verbal (article 59 du code de la TVA)
Le procès-verbal du 27 novembre 2018 reflète clairement les constatations fiscales de l'enquête fiscale menée, ainsi que les constatations issues des procès-verbaux contenus dans le dossier répressif ouvert à charge de la demanderesse concernant le vol et l'argent liquide volé. En outre, ces derniers procès-verbaux sont des actes officiels des officiers ou agents de police judiciaire légalement compétents relatant de manière chronologique les infractions commises et l’identité de leurs auteurs et ils contiennent un compte rendu précis et objectif de leurs propres constatations, des déclarations recueillies et des informations récoltées .
Le tribunal rappelle que le procès-verbal est un document dans lequel un fonctionnaire compétent consigne ses recherches, les informations obtenues, les constatations matérielles de certains faits et les déclarations qui lui ont été faites. Selon l'article 59, 51, alinéa 2 du Code de la TVA, les procès-verbaux constituent des preuves jusqu'à preuve du contraire.
La valeur probante d'un procès-verbal s'étend donc à tous les actes que les fonctionnaires déclarent avoir accomplis et à tous les faits dont ils déclarent avoir été témoins.
Par conséquent, le tribunal est d'avis que les éléments découverts par l'administration fiscale dans les documents qui lui ont été soumis ont bien une valeur probante tant que la demanderesse n'a pas prouvé le contraire.
Concernant la présomption factuelle
Le tribunal constate que l'administration fiscale a établi, à partir des données dites connues, par le biais de présomptions factuelles, qu'il y aurait un bénéfice dissimulé de 205.000,00 euros lié à des ventes auxquelles aucune TVA n’a été appliquée ni reversée au Trésor.
Le tribunal relève à cet égard qu'aucun élément ne permet de douter du contenu des procès-verbaux établis par la police judiciaire fédérale concernant le vol avec violence [...].
Ces déclarations ont été étayées par des déclarations faites par des tiers. Ces tiers n'ont aucun intérêt personnel à faire ces déclarations et leur crédibilité ne peut donc être mise en doute.
Le tribunal est convaincu que toutes les déclarations faites dans le dossier judiciaire sont fiables puisque l'objectif final était de trouver les auteurs du vol avec violence. Ces déclarations n'ont pas été faites dans le contexte de la détermination d'un résultat imposable. Le but fiscal est clairement une conséquence de l'inspection du dossier judiciaire et des faits constatés dans les procès-verbaux. Ces informations peuvent en effet légitimement être utilisées pour ajuster le résultat imposable dans le chef de la demanderesse. D'autant plus que la défenderesse a établi que ces "recettes" n'ont pas été enregistrées dans le livre de caisse.
Le tribunal ne voit aucune raison de douter de l'exactitude des données figurant dans le dossier répressif, de sorte que l'administration fiscale a considéré ces données comme des faits connus et établis. D'autant plus que la demanderesse n'a pas démontré en quoi les déclarations faites, ainsi que les déclarations de tiers, seraient affectées d’un manque de fiabilité.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Gent van 22 maart 2021
Rol: 19/2988/A
IN DE ZAAK VAN:
T.L. bvba, met ondernemingsnummer 045...03 en maatschappelijke zetel te ..., eisende partii; vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat met kantoor te ...;
TEGEN:
BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, met kantoren te 1030 Brussel, Koning Albert Il laan 33/971, in de persoon van de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit: GEWESTELIJKE DIRECTIE BBI GENT 2, met kantoren te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 801, verwerende partij, voor wie optreedt mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur;
BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:
I. DE RECHTSPLEGING
De rechtbank nam kennis van de argumenten van de partijen op de openbare terechtzitting van 1 maart 2021. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift van 4 oktober 2019, de conclusies en stavingsstukken van partijen.
ll. DE VORDERING
Eiseres vordert in syntheseconclusies de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:
"Het proces-verbaal, opgesteld op 27 november 2018 door Mevr. Y, attaché bij de FOD Financiën, Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, te horen vernietigen;
Dienvolgens, de opname in het Innings- en Invorderingsregister onder artikelnummer 500....66, bekend gemaakt via een betaalbericht dd. 03.09.2019, te horen vernietigen;
Te horen zeggen voor recht dat eiseres de van haar middels voormeld proces-verbaal en het betaalbericht dd. 03.09.2019 gevorderde bedragen (eveneens opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500....66} niet verschuldigd is en verweerder te horen veroordelen om alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de bestreden vordering aangerekende bedragen terug te betalen, meer de moratoriuminteresten interesten.
In ondergeschikte orde de opgelegde administratieve boeten kwijt te schelden, dan wel te verminderen.
Verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres begroot op 6.000,00 EUR (vordering tussen 100.000,01 EUR en 250.000,00 EUR}, en 20 EUR Bijdrage aan het Begrotingsfonds."
Verweerster vordert in syntheseconclusies de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren:
"het uitvoerbaar verklaarde innings- en invorderingsregister en meerbepaald de fiscale schuld met RC/V nr. 500/.../...69, en proces-verbaal dd. 27 november 2018 geldig te verklaren en de gevorderde bedragen (btw, geldboeten, intresten en toebehoren) te bevestigen;
tot slot, de eiseres te veroordelen tot de gerechtskosten."
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1. BVBA T.L., eiseres, met maatschappelijke zetel te ..., is opgericht in het jaar 1994 en ingeschreven onder het btw-nummer BE 045...03 met als activiteit 'goederenvervoer over de weg', gespecialiseerd in het transport van levende kippen en paletten.
2. Dhr. D.L. is zaakvoerder en aandeelhouder van eiseres.
3. Op het hierboven genoemde adres te Lebbeke zijn ook drie natuurlijke personen gedomicilieerd, met name dhr. D.L., zijn zoon G.L. en zijn vader J.L..
4. Op 14 november 2016 vond een diefstal plaats te (bedrijfszetel). Hierbij werd zowel een kluis gestolen met een aanzienlijke som cash gelden van T.L. bvba als cash geld gestolen uit de privé-vertrekken van dhr. D.L., zaakvoerder van T.L. bvba.
Naar aanleiding van deze diefstal werd een opsporingsonderzoek verricht door het Parket Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, waarbij het strafdossier gekend is onder notitienummer DE11.../2016. Dit dossier werd uiteindelijk geseponeerd wegens ongekende dader.
5. Eiseres, de BVBA T.L., heeft het voorwerp uitgemaakt van een fiscaal onderzoek van de AABBI, Inspectie Gent 2.
6. De fiscale administratie stelde vast dat een bedrag van in totaal 205.000,00 EUR aan gestolen gelden bij de diefstal van 14 november 2016 voortvloeit uit een economische activiteit van T.L. bvba, meer bepaald uit de verkoop van haar vrachtwagens.
7. Eiseres diende op deze verkopen Belgische btw aan te rekenen en te betalen aan de Belgische staat (art. 64 §1 WBTW). Dit is in het voorliggende geschil niet gebeurd. De gestolen gelden voor een bedrag 205.000,00 EUR worden beschouwd als inclusief 21% btw.
In hoofde van T.L. bvba bedraagt de totaal te betalen btw derhalve 169.421,49 EUR x 21% btw-tarief= 35.578,51 EUR.
8. Ingevolge de vastgestelde btw-inbreuken is eiseres aan de Belgische staat verschuldigd:
a) als btw: 35.578,51 EUR
b) als fiscale proportionele geldboeten in toepassing van art. 70 §1 WBTW wegens het niet voldoen van de belasting: tweemaal het bedrag van de verschuldigde belasting of 71.150,00 EUR
Aangezien de inbreuken werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken, worden de wettelijke boeten niet verminderd.
c) als wettelijke intresten (art. 91 §1 WBTW) aan 0,8% per maand vanaf 21 december 2016.
9. De verschillende vaststellingen en onregelmatigheden inzake de toepassing van de btw wetgeving voor de periode van 1 januari 2015 t.e.m. 31 december 2017 werden opgenomen in een correctieopgave van 6 juni 2018.
10. Eiseres bracht haar niet-akkoord daaromtrent via haar raadsman ter kennis aan de fiscale administratie.
11. Bij aangetekend schrijven van 28 november 2018 werd dit niet-akkoord door de fiscale administratie beantwoord met bijgevoegd een proces-verbaal van 27 november 2018 opgesteld door mw. Y.
12. De belastingschuld, waaronder begrepen de verschuldigde btw, de geldboeten, intresten en toebehoren, werd overeenkomstig artikel 85 W.BTW op 5 september 2019 uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister en is gekend onder schuldnummer 500/.../...66.
13. Bij schrijven van 10 september 2019 werd het innings-en invorderingsbericht ter kennis gebracht aan eiseres.
14. Op 7 oktober 2019 heeft eiseres een verzoekschrift op tegenspraak houdende verzet ter griffie neergelegd.
Op grond van artikel 89, 2de lid W.BTW wordt de tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister gestuit door een vordering in rechte.
IV. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
2. Ten gronde
Inzake de inzage in strafdossier
2.1.
Eiseres werpt op dat de inzage niet rechtmatig is gebeurd. Door verweerster wordt op 4 april 2017 inzage gevraagd in een gerechtsdossier op naam van G. Trans overeenkomstig artikel 93quaterdecies W. BTW. Er wordt met geen woord gerept over eiseres. De inzage en kopijname werd dan ook gevraagd voor andere doeleinden dan voorliggende.
Eiseres merkt ten slotte op dat op geen enkele manier een bewijs werd geleverd of een 'bevoegde' persoon inzage heeft genomen.
De schending van artikel 93quaterdecies W. BTW brengt de nietigheid mee van de taxatie.
2.2.
Artikel 93quaterdecies W. BTW bepaalt:
"De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der Hoven en van alle rechtscolleges, de besturen van de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten zomede de openbare instellingen en inrichtingen, zijn gehouden, wanneer zij daartoe worden aangezocht door een ambtenaar belast met de vestiging of de invordering van de belastingen, hem alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, hem, zonder verplaatsing, van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en om het even welke bescheiden inzage te verlenen, en hem alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, welke de bedoelde ambtenaar voor de vestiging of de invordering van de door de Staat geheven belastingen nodig acht.
Van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met de Rechtspleging mag evenwel geen inzage worden verleend zonder uitdrukkelijk verlof van de federale procureur, de procureur-generaal of de auditeur-generaal.
(...)
Van de akten, stukken, registers en bescheiden of inlichtingen in verband met gerechtelijke procedures mag evenwel geen inzage of afschrift worden verleend zonder uitdrukkelijke toelating van het openbaar ministerie."
Dat de fiscale administratie de toelating vraagt tot inzage in een strafdossier en een strafdossier inziet zijn geen onderzoeksdaden. Het Hof van Cassatie heeft herhaaldelijk geoordeeld dat de aanvraag tot inzage en de inzage zelf van een gerechtsdossier niet als een onderzoeksdaad in de zin van artikel 333 WIB92 kunnen worden beschouwd.
Het Hof stelt daarbij dat het niet ter zake doet dat de fiscale administratie, op het ogenblik waarop zij kennis neemt van het gerechtsdossier, redenen kan hebben om te denken dat er in het dossier gegevens zijn die dienstig kunnen zijn voor een fiscaal onderzoek (zie o.m. ook Cass., 14 oktober 1999, Fisc., nr. 731, p. 5 en Cass., 2 september 1999, Fisc., nr. 724, p. 10; Cass., 28 september 2001, Fisc., nr. 829, p. 12}.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat de fiscale administratie bij kantschrift van 27 maart 2017 vanwege het openbaar ministerie (parket) (stuk verwerende partij nr 1 .B/1} heeft vernomen dat er een gerechtsdossier bestond met notitienummer DE11.../2016. In dit kantschrift werd inzage en kopijname gevraagd van het "onderzoeksdossier BBI bij G. Trans".
Het parket antwoordt op deze vraag dat het opsporingsonderzoek in de zaak gekend onder notitienummer DE11.../2016 thans werd afgesloten (sepot wegens ongekende dader) maar ook dat aan de ambtenaren van de bevoegde administratie van de FOD Financiën, gelast met de vestiging of invordering van de belastingen, inzonderheid de Gewestelijke Directie BBI Gent, de machtiging wordt verleend om het dossier met notitienummer DE11.../2016 te raadplegen en/of afschrift ervan te nemen en tot alle fiscale doeleinden gebruik te maken van de nuttige stukken, ook voor deze die mogelijks nog zullen worden toegevoegd aan het dossier (stuk verwerende partij nr I.B/3).
Bij inzage van dit gerechtsdossier, door de fiscale administratie, is gebleken dat de feiten betrekking hebben op een diefstal van 14 november 2016 op het adres te (...bedrijfszetel) en dat 'G. TRANS' noch een verdachte noch een benadeelde partij is.
Het is in dit verband dat dhr. B.D.B. op 22 februari 2017 aan de leden van de federale gerechtelijke politie heeft verklaard dat:
"G. Trans is een transportbedrijf in Bulgarije, opgericht door Danny. (. . .) We hebben een inval gehad van de 881, ik was toen in Bulgarije. Ze gingen al de vennootschappen van Danny controleren omdat er een klacht geweest was. Als zijn firma's stonden blijkbaar in de klacht, maar het ging specifiek over G. Trans.
Ik denk dat die controle vorig jaar in september was. ... " (zie stuk 6 van verwerende partij).
Hierna heeft het parket bij kantschrift van 27 maart 2017 aan de federale gerechtelijke politie verzocht kennis te nemen van het 'onderzoeksdossier BBI bij G. Trans'. In dit kantschrift stond het notitienummer van het gerechtsdossier inzake de diefstal d.d. 14 november 2016 vermeld, namelijk DE11.../2016.
Vervolgens heeft de BBI, verwijzend naar dit kantschrift, op 4 april 2017 om toelating tot inzage en kopijname verzocht van het 'gerechtsdossier lastens G. Trans met notitienurnmer DE11.../2016'.
Bij inzage is gebleken dat het gerechtsdossier een diefstal betrof op het adres waar zowel de maatschappelijke zetel van T.L. bvba gevestigd is als de plaats waar haar zaakvoerder dhr. D.L. is gedomicilieerd en dat beiden benadeelde partij zijn van de diefstal.
2.4.
De rechtbank merkt op dat het openbaar ministerie geen bezwaar heeft gemaakt tegen de inzage in het genoemde gerechtsdossier, noch een voorbehoud heeft gemaakt betreffende bepaalde belastingplichtigen.
Nu, de fiscale administratie inzage heeft gevraagd in het 'gerechtsdossier lastens G. Trans met notitienummer DE11.../2016' zonder vermelding van bepaalde belastingplichtigen heeft zij geen inlichtingen gevraagd voor andere doeleinden dan voorliggende. De rechtbank deelt niet de zienswijze van eiseres.
Des te meer daar het opsporingsonderzoek inzake een diefstal waarbij T.L. bvba werd bestolen, inlichtingen in hare hoofde bevatten. Eiseres kan dus niet voorhouden dat het openbaar ministerie bij het geven van de toelating niet zou geweten hebben dat de stukken van het dossier ook zouden kunnen aangewend worden inzake T.L. bvba die een benadeelde is van de diefstal wat het voorwerp uitmaakt van het desbetreffende gerechtsdossier.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat de bepalingen van artikel 93quaterdecies W. BTW niet werden geschonden.
Tevens verhinderen de wettelijke bepalingen inzake het inzagerecht niet dat dit recht wordt gedelegeerd aan een bevoegde ambtenaar. Deze bepalingen leggen ook geen enkel formeel bewijs op aan de fiscale administratie om te vermelden wie inzage in het strafdossier heeft genomen, noch van het bewijs van de delegatie.
In het voorliggende geschil hebben de taxatie-ambtenaren, mevr. Y en mevr. Z, beiden verbonden aan de AABBI, Inspectie Gent 2, tevens een proces-verbaal opgesteld van de inzage in het strafdossier (stuk 7 van verwerende partij).
De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de zienswijze dat de fiscale administratie niet op een rechtmatige wijze inzage- en kopijname heeft genomen van het gerechtsdossier jegens eiseres.
De grief van eiseres is ongegrond.
Inzake de bewijskracht van het proces-verbaal (artikel 59 W. BTW}
2.6.
Eiseres argumenteert dat de het proces-verbaal van 27 november 2018 niet is gebaseerd op bewezen feiten en dus willekeurig is. De btw-navordering is daarom nietig.
De feiten staan niet vast, laat staan bewezen. Er is geen feitelijke vaststelling dat er gelden aanwezig waren in de kluis en er zijn geen gelden teruggevonden, en de daders van de overval zijn niet aangetroffen.
De bewijskracht van het proces-verbaal geldt niet voor de gevolgtrekkingen die de verbalisanten uit hun vaststellingen afleiden: deze gevolgtrekkingen blijven aan de controle der rechtbanken onderworpen zoals alle andere gevolgtrekkingen.
De gevolgtrekkingen die verweerster doet zijn enkel gebaseerd op de processen-verbaal in het strafdossier. En worden niet ondersteund door andere onderliggende elementen.
Ten slotte heeft het proces-verbaal slechts bijzondere bewijswaarde voor wat de vaststelling betreft van de misdrijven waarvoor de verbalisant uitdrukkelijke bevoegdheid heeft gekregen. In casu heeft de verbalisant geen uitdrukkelijke bevoegdheid tot het vaststellen van zogenaamde fiscale inbreuken.
2.7.
Artikel 59, §1 W.BTW. bepaalt dat:
"tedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.
De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen."
2.8.
Het proces-verbaal van 27 november 2018 geeft op een duidelijke wijze de fiscale vaststellingen uit het gevoerde fiscaal onderzoek alsook de door haar gedane feitelijke vaststellingen van de processen-verbaal in het gerechtelijk onderzoek jegens eiseres weer betreffende de diefstal en de gestolen cash gelden. Bovendien zijn deze laatste processen-verbaal officiële akten vanwege de wettelijk bevoegde officieren of agenten van de gerechtelijke politie die een chronologische weergave zijn van misdrijven en hun daders en een nauwkeurig en objectief relaas bevatten van eigen vaststellingen, afgelegde verklaringen en bekomen inlichtingen.
2.9.
De rechtbank merkt op dat het proces-verbaal een akte is waarin een bevoegd ambtenaar zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent. Overeenkomstig artikel 59, §1, tweede lid, W. BTW. leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.
De bewijskracht van een proces-verbaal strekt zich dus uit tot alle handelingen die de ambtenaren verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de elementen die de fiscale administratie heeft ontdekt in de stukken die haar werden voorgelegd wel degelijk bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen door eiseres.
De grief van eiseres is ongegrond.
Inzake het feitelijk vermoeden
2.10.
Eiseres argumenteert dat het bewijs door feitelijke vermoedens in het voorliggend geschil niet mogelijk is.
Er werden geen vaststellingen gedaan van de zo beweerde verkopen in het zwart van vrachtwagens door eiseres. Het proces-verbaal is niet gebaseerd op bewezen feiten en is dus willekeurig.
2.11.
Artikel 64, §1 en §2 van het W.BTW bepaalt:
''Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.
Hij die diensten verricht, wordt behoudens tegenbewijs geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt."
Overeenkomstig artikel 1349 B.W. zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid.
Voor de vermoedens als bewijstechniek is het essentieel dat het bekende feit of de bekende feiten waaruit de redenering vertrekt, bekend zijn, dat wil zeggen, dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of nopens de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen. (Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens. (Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, op http://jure.juridat.just.fgov.be).
2.12.
De rechtbank stelt vast dat de fiscale administratie uit de zogenaamde bekende gegevens via feitelijke vermoedens heeft vastgesteld dat er sprake zou zijn van een verdoken meerwinst van 205.000,00 EUR waarbij geen btw werd berekend op deze verkopen zodat de btw niet werd doorgestort aan de Belgische schatkist.
2.13.
De rechtbank stelt vast dat de fiscale administratie, met name de administratie van de AABBI, zich heeft gebaseerd op het gerechtsdossier met notitienummer OE.11.L9.0004261/2016 en volgende 'feiten' heeft weerhouden om tot taxatie over te gaan:
- op 14 november 2016 vond er een diefstal plaats te (...bedrijfszetel);
- dit blijkt uit de verklaringen van dhr. J.L. en dhr. G.L., die op het moment van de diefstal aanwezig waren in de woning en ervan getuige waren. Tevens bevat het strafdossier onder meer foto's van:
• het stukgeslagen glas van de deur waarlangs de daders zich toegang hebben verschaft tot de woning,
• een aangetroffen schoenspoor,
• de vernielde inbouwkast waarin de kluis zat;
- uit een lichte vrachtauto Renault met nummerplaat XXX000, werd een kluis met cash geld en tevens ook nog cash geld, dat niet in de kluis lag, gestolen
- dit blijkt uit de 'verklaringen tot het bekomen van de hoedanigheid van benadeelde persoon' die dhr. D.L. en dhr. J.L. hebben ingevuld;
- in zijn verhoor van 21 november 2016 aan de Federale Gerechtelijke Politie verklaart dhr. D.L. dat er 175.000,00 EUR cash geld in de kluis lag en dat er 30.000,00 EUR aan cash geld in zijn slaapkamer lag. Deze aanzienlijke sommen geld zijn volgens zijn verklaring gestolen bij de diefstal van 14 november 2016;
- de gestolen cash gelden zijn afkomstig van onder meer de verkoop van vrachtwagens buiten factuur;
- dit blijkt uit de verklaring van dhr. D.L., zaakvoerder van T.L. bvba, aan de verbalisanten:
"... In de kluis zelf ligt ongeveer 175.000 € dit is geld dat door de jaren heen opgespaard werd bv door verkoop van vrachtwagen buiten factuur. De woensdag of donderdag vóór de overval is er dan iemand naar kantoor geweest met 30.000 € van de verkoop van een vrachtwagen. Omdat ik in vergadering was heeft die dat dan op het bureau achtergelaten, wat Bruno dus ook kan zien. Dit geld lag in een kast op mijn slaapkamer”
"Ik heb ongeveer 30.000 € cash geld ontvangen van G.F. G.F. heeft dit geld gebracht in een enveloppe en gaf die enveloppe eerst aan Steven. Ik hoef daar niet voor te liegen. Daarna heb ik dit geld in de kluis gestoken meer bepaald de dag erna. Er werd inderdaad betaald via overschrijving, doch ook cash.”;
- andere verklaringen in het strafdossier worden afgelegd door dhr. J.L., vader van D.L.:
"... Ongeveer een drietal weken geleden, hebben we 2 vrachtwagens verkocht,
de prijs weet ik niet. Wie de koper is weet ik ook niet. Het geld van de verkoop werd in de kluis gelegd 11
- mevrouw M.V.D., vriendin van dhr. D.L. verklaart:
"Ik wist wel dat er een kluis aanwezig was op het bedrijf. Hij zei dan wel dat hij
het geld van de vrachtwagens die hij verkocht in de kluis stak."
- dhr. S.V., dispatcher bij T.L. bvba verklaart in het strafdossier:
"iedereen op het buro wist dat er de week voordien geld was binnengekomen door de verkoop van twee trekkers. “
2.14.
De rechtbank merkt in dit verband op dat er geen elementen zijn die erop wijzen dat er moet getwijfeld worden aan de inhoud weergegeven in de opgestelde processen verbaal door de federale gerechtelijke politie inzake de diefstal met geweld te (...bedrijfszetel) te ... tijdens de nacht van 14 november 2016. Bovendien, zoals verweerster terecht stelt, werd dhr. D.L., zaakvoerder van eiseres erop gewezen dat zijn verklaring als bewijs in rechte kan worden gebruikt worden. In deze verklaring is de oorsprong van de ontvreemde cash gelden opgenomen. Dhr. D.L. heeft zijn verklaring niet geweigerd te ondertekenen.
Deze verklaringen werden verder ondersteund door verklaringen die werden afgelegd door derden. Deze derden hebben er geen enkel belang bij om deze verklaringen af te leggen zodat er aan hun geloofwaardigheid niet kan worden getwijfeld.
De rechtbank is ervan overtuigd dat alle verklaringen afgelegd in het gerechtsdossier betrouwbaar zijn vermits de finaliteit erin bestond om de daders te vinden van de diefstal met geweld. Deze verklaringen werden niet afgelegd in het kader om een belastbaar resultaat te bepalen. De fiscale finaliteit is duidelijk een gevolg voortkomende uit de inzage in het gerechtsdossier en uit de feiten die werden genoteerd in de processen-verbaal. Deze inlichtingen kunnen wel degelijk op een rechtmatige wijze worden gebruikt om het belastbaar resultaat aan te passen in hoofde van eiseres. Des te meer daar verweerster heeft vastgesteld dat deze 'ontvangsten' niet werden opgenomen in het kasboek.
De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in het gerechtsdossier, zodat de fiscale administratie deze gegevens heeft beschouwd als bekende vaststaande gegevens. Des te meer daar door eiseres niet wordt aangetoond op welke wijze de afgelegde verklaringen, evenals de verklaringen afgelegd door derden, zijn aangetast door onbetrouwbaarheid.
2.15.
Op het vlak van de BTW is het vermoeden in artikel 64 §1 een wettelijk weerlegbaar vermoeden waarbij de bewijslast wordt omgekeerd in het voordeel van de fiscale administratie. De belastingplichtige kan het tegenbewijs leveren dat er geen sprake is van een levering of dat de levering geheel of ten dele vrijgesteld is van btw. De bewijslast ligt dus bij eiseres.
2.16.
De rechtbank stelt vast dat eiseres 10 facturen voorlegt inzake de verkoop van 11 vrachtwagens/trekkers/aanhangwagens. Eiseres heeft deze facturen reeds in de administratieve procedure aan de fiscale administratie bezorgd. De fiscale administratie heeft deze facturen getoetst aan de afschrijvingstabel van T.L. bvba. De fiscale administratie heeft vastgesteld dat deze facturen op zich geen bewijs zijn dat er geen opeisbare btw zou zijn op de verkoop.
2.17.
Voor de toepassing van de bepalingen van art. 39bis W. BTW, btw-vrijstelling bij intracommunautaire levering, moeten er twee basisvoorwaarden vervuld zijn. Ten eerste moet de koper gevestigd zijn in een andere EU-lidstaat en moet daar over een geldig buitenlands btw-nummer beschikken. Ten tweede moeten de verkochte goederen vervoerd worden vanuit België naar de andere lidstaat. De eiseres dient in het voorliggende geschil dus aan te tonen dat de voorwaarden voor de toepassing van art. 39bis W.BTW vervuld zijn. Als deze voorwaarden niet zijn vervuld dan kan de verkoper niet vrijgesteld leveren.
Op een aantal facturen wordt verwezen naar 'plaats van de dienst gesitueerd in buitenland - art. 44 Btw-richtlijn' en 'btw te voldoen door medecontractant - art. 196 Btw-richtlijn', m.a.w. verlegging van heffing. Terwijl op de factuur als omschrijving is vermeld dat het een verkoop van een trekker of vrachtwagen betreft waarbij een overdracht van eigendom van het goed plaatsvindt en het dus een levering van een goed betreft (art. 10 §1 W.BTW) en niet het verrichten van een dienst.
2.18.
Op grond van de hierboven gemaakte vaststellingen levert eiseres geen afdoende tegenbewijs. Eiseres heeft dus het wettelijk vermoeden niet volledig weerlegd zodat verweerster artikel 64§1 W.BTW gedeeltelijk (zie hieronder) correct heeft toegepast.
2.19.
De fiscale administratie blijft in gebreke om te stellen dat op 3 verkopen inzake vrachtwagens een bedrag van 205.000,00 EUR aan zwarte inkomsten zou zijn gerealiseerd. Dit is niet realistisch. Eiseres weerlegd dus gedeeltelijk de vaststelling van de btw basis. De rechtbank is van oordeel dat de gevolgtrekking van de fiscale administratie dat het bedrag van 205.000,00 EUR volledig betrekking heeft op de weerhouden btw-periode een brug te ver is.
De verschillende vaststellingen en onregelmatigheden inzake de toepassing van de btw wetgeving voor de periode van 1 januari 2015 t.e.m. 31 december 2017 kunnen redelijk geraamd worden op 100.000,00 EUR inclusief btw (zie ook randnummer 2.20 Inzake het tegenbewijs van eiseres betreffende de liggende gelden).
De grief van eiseres is gedeeltelijk gegrond.
Inzake het tegenbewijs van eiseres betreffende de liggende gelden
2.20.
Eiseres stelt dat de gestolen gelden liggende privé gelden zijn van dhr. D.L.. In het jaar 2006 heeft dhr. D.L. diverse cash afhalingen gedaan van zijn financiële rekeningen en deze gedeponeerd in de kluis op het adres (...bedrijfszetel), .... Op 30 januari 2006 werd van de KBC spaarrekening met nr. •••-•••••••-•• een bedrag van 50.000,00 EUR afgehaald.
Op 22 september 2006 werd van de KBC rekening met nr. •••-•••••••-••, •••-•••••••-••, •••-•••••••-••, •••-•••••••-••, •••-•••••••-•• en •••-•••••••-•• een bedrag van in totaal 99.000,00 EUR opgenomen. Op 10 november 2006 word van de Dexia rekening met nr. •••-•••••••-•• een bedrag van 150.000,00 EUR afgehaald.
In totaal werd dus 299.000,00 EUR afgehaald. Deze cash gelden werden bewaard in de kluis. Kluis die overigens lang geleden werd aangekocht, en die afgeschreven was. Dhr. Laurent was in de overtuiging dat de kluis privatief was.
2.21.
De rechtbank stelt vast dat eiseres pas op 4 juli 2018, in antwoord op het bericht van wijziging van 6 juni 2018, heeft verklaard dat de cashgelden in de kluis afkomstig zouden zijn van geldopnemingen in het jaar 2006. Eiseres heeft van deze geldopnemingen rekeninguittreksels voorgelegd.
Verder stelt de rechtbank vast dat de bedragen die worden uitgekeerd naar aanleiding van de uittredingen uit effectenfondsen werden gestort op 3 verschillende rekeningen, namelijk •••-•••••••-••, •••-•••••••-•• en •••-•••••••-••. Enkel van de rekening •••-•••••••-•• werd cash geld afgehaald en dit voor een beperkt bedrag van 17.965,69 EUR in vergelijking met de totale som van 299.000,00 EUR aan cash afhalingen.
Bovendien merkt de rechtbank, samen met verweerster, op dat er ten gevolge van de uittreding van 24 januari 2006 een bedrag van 240.935,56 EUR (= 107.387,11 EUR + 133.548,45 EUR) op een rekening werd gestort maar dat de eerstvolgende verrichting een overschrijving betreft van 250.000,00 EUR naar KBC verzekeringen en dus niet naar een rekening waarvan de cash afhalingen gebeurden.
2.22.
De rechtbank kan niet nagaan op basis van de informatie in het voorliggende administratief dossier of de gestolen gelden in hun totaliteit inderdaad afkomstig zijn van "liggende privé gelden11 zoals eiseres voorhoudt. Noch kan verweerster aantonen dat een bedrag van 205.000,00 EUR op het ogenblik van de diefstal in de kluis afkomstig is van gelden bekomen in 2016.
Het enige wat de rechtbank met zekerheid kan vaststellen is dat er twee vrachtwagens werden verkocht waarvan de opbrengst in de kluis is terecht gekomen. Daar één vrachtwagen 30.000,00 EUR aan cash gelden heeft opgebracht is het redelijk om te bepalen dat er minstens 60.000,00 EUR aan cash gelden afkomstig zijn van de verkoop van de vrachtwagens die betrekking hebben op het inkomstenjaar 2016.
Verder ontkent eiseres niet dat dhr. D.L. wel degelijk heeft beschikt over een bedrag van 205.000,00 EUR.
2.23.
Volgens de rechtbank is het dan ook redelijk om hieruit af te leiden, en is het ook aannemelijk en geloofwaardig, dat ongeveer de helft van de gestolen gelden in de kluis, met name een bedrag van 100.000,00 EUR betrekking heeft op het inkomstenjaar 2016 én valt in de betreffende btw-periode.
De grief van eiseres is gedeeltelijk gegrond.
Inzake de proportionele geldboete en de vraag tot kwijtschelding
2.24.
Eiseres werpt op dat overtredingen niet begaan werden met het oogmerk de belasting te ontduiken. Bovendien motiveert de fiscale administratie niet afdoende het fraudekarakter. Het opleggen van een proportionele geldboete van 200% is niet evenredig, is repressief en niet proportioneel. Eiseres vraagt dan ook de kwijtschelding van deze proportionele geldboete voor 71.150,00 EUR.
2.25.
Overeenkomstig artikel 70 §1 WBTW wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Overeenkomstig artikel 70 § 1bis W. BTW verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbele van die belasting, in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.
Overeenkomstig artikel 84 WBTW wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Overeenkomstig artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
2.26.
De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, F.11.0142.F, www.cass.be).
Gelet op de volle rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te schelden. Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).
2.27.
Uit de omstandigheden en de gedane vaststellingen blijkt duidelijk dat eiseres zwarte verkopen heeft verricht. Deze kunnen enkel maar zijn gedaan met het oogmerk om de btw te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Dergelijke handelswijze van eiseres ondergraaft de taak van de overheid om over te gaan tot een juiste inning van de btw. De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit doelbewust en te kwader trouw heeft gedaan.
Alhoewel de fiscale administratie geen willekeurige berekening heeft gemaakt is de btw basis verlaagd door deze rechtbank zodat de rechtbank hiermee moet rekening houden bij het opleggen dan de administratieve geldboete, indien zij dit niet doet staat deze administratieve geldboete niet in verhouding tot de overtreding. Voor het overige is deze geldboete in feite en in rechte afdoende gemotiveerd.
De rechtbank is om die redenen van oordeel dat de opgelegde boete niet meer evenredig is met de inbreuken en met het doel van een administratieve geldboete. Daarom beslist de rechtbank om de geldboete te herleiden tot 100%.
2.28.
Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres gedeeltelijk gegrond, het dwangbevel wordt niet vernietigd doch de administratieve geldboete wordt herleid tot 100%, met name tot 35.575 EUR (i.p.v. 71.150,00 EUR).
Besluit
2.29.
Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen is de vordering van eiseres gedeeltelijk gegrond, het dwangbevel wordt niet vernietigd doch de btw-navordering dient te worden herberekend zoals hieronder bepaald.
De rechtbank besluit dat verweerster de btw-basis dient aan te passen op een bedrag van 100.000,00 EUR inclusief btw, zodat een herberekening zich opdringt evenals een passende ontheffing.
Verder dient verweerster de administratieve geldboete te herleiden tot 100%, met name tot 35.575 EUR (i.p.v. 71.150,00 EUR).
Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.
De vordering van eiseres is gedeeltelijk gegrond.
V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
1. De kosten omvatten in de onderliggende zaak de bijdrage voor de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (artikel 1018, 8° van het Gerechtelijk Wetboek) en de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, 6° juncto artikel 1022 Ger. W.).
In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
2. Wanneer de partijen wederzijds jegens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).
Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiseres deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.
DEZE RECHTBANK beslist:
recht doende op tegenspraak;
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:
- alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen als niet ter zake dienend;
- de vordering van eiseres ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond te verklaren in volgende mate;
- de btw-basis aan te passen tot een bedrag van 100.000,00 EUR inclusief btw (i.p.v. 205.000,00 EUR};
- de administratieve geldboete (van 200%} te herleiden tot 100%, met name tot een bedrag van 35.575 EUR (i.p.v. 71.150,00 EUR};
- de herberekening te bevelen van het hierboven genoemde dwangbevel rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;
- voor het overige het dwangbevel inzake BTW met RCIV-nummer 500/.../...66 van 5 september 2019 (datum uitvoerbaarverklaring) te bevestigen;
- de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;
- de vordering van eiseres voor het overige ongegrond te verklaren;
- te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiseres te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op maandag tweeëntwintig maart tweeduizend éénentwintig, waar aanwezig waren:
Ondertekeningen
Les identifiants d'une partie que le SPF Finances laissait en clair (numéro de compte bancaire) sont remplacés par des points. Le texte n'est modifié nulle part ailleurs.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.