Titre exécutoire, Recouvrement, contrainte, récupération · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 28 janvier 2026

Rechercher
Texte en néerlandais

Titre exécutoire, Recouvrement, contrainte, récupération

https://juriel.be/fr/jurisprudence/titre-executoire-recouvrement-contrainte-recuperation-cour-appel-gand-2026-01-28-fcf0

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
28 janvier 2026

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

215 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d'appel de Gand du 28.01.2026 - 2020/AF/382

FIN 54165986-01

[ partiellement favorable ]

TVA – Titre exécutoire – Recouvrement

Texte intégral

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel d.d. 28.01.2026 - 2020/AF/382

cie1, vennootschap naar het recht van het Groothertogdom Luxemburg, ON ..., met maatschappelijke zetel in het Groothertogdom Luxemburg, ... ..., ..., ingeschreven in het handelsregister te Luxemburg ander het nummer ..., geïdentificeerd voor BTW doeleinden in het Groothertogdom Luxemburg onder het nummer ... en geïdentificeerd voor BTW doeleinden in België onder het nummer ...,

appellante,

vertegenwoordigd door Mr. HUBER Willy, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Léon Stynenstraat

63,

tegen

DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend op verzoek van de Adviseur-Generaal, Directeur van het CENTRUM SPECIFIEKE MATERIES, met burelen te 1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan 50 bus 3412, geïntimeerde,

die in persoon verschijnt, door tussenkomst van een ambtenaar, de heer W.S., attaché,

In deze zaak spreekt het hof, na beraad, volgend arrest uit in openbare zitting

Voorgaanden en vorderingen

Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid

-het exploot van dagvaarding op verzoek van appellante betekend aan geïntimeerde op 6

augustus 2018,

-het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank eerste aanleg Brussel van 14 februari 2020,

waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd,

-het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 1 oktober 2020,

-de conclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 19 februari 2021,

-de conclusies van appellante neergelegd ter griffie op 21 juni 2021,

-de stukken van de Belgische Staat neergelegd op 15 oktober 2025,

-de stukken van appellante neergelegd ter griffie van het hof op 15 oktober 2025,

Procedure in eerste aanleg

Bij dagvaarding betekend op 6 augustus 2018 vorderde appellante Het aan haar bij aangetekende brief van 10 juli 2018 ter kennis gebrachte dwangbevel inzake BTW van 20 december 2017 met nr. …. en het aangehechte proces-verbaal van 19 december 2017 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat de hiermee van appellante gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn, "zoals gevorderd". In ondergeschikte orde vorderde zij de veroordeling van de Belgische Staat tot het betalen van een schadevergoeding.

De Belgische Staat concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering van appellante.

Bij vonnis van 14 februari 2020 verklaarde de eerste rechter de vordering van appellante ontvankelijk en deels gegrond.

Hij besliste dat appellante niet kan aangesproken worden voor de verschuldigde BTW, interesten en boetes "die betrekking hebben op item 2 (p. 4-6) van het Proces-verbaal van 19/12/2017 (de verlegging van de BTW) en zoals opgenomen in het dwangbevel met referentie 500/1901/80091, van 20/12/2017, op dezelfde dag geviseerd en uitvoerbaar verklaard:

 wat betreft de BTW in hoofdsom (€ 702.604,46) ingevolgde compensatie met de aftrekbare BTW (eenzelfde bedrag) op basis van het akkoord van dhr. B.D., zoals opgenomen in de brief van 19/12/2017 (ref. .../BD);

 wat betreft de Interesten op voorgaande hoofdsom ingevolge de gebrekkige motivering van het proces-verbaal op dit punt en op basis van het akkoord van dhr. B.D., zoals opgenomen in de brief van 19/12/2017 (ref. .../BD);

 wat betreft de proportionele geldboete op voorgaande hoofdsom (€ 140.520,00) omwille van het disproportioneel karakter ervan."

Hij veroordeelde de Belgische Staat tot terugbetaling aan appellante van alle desgevallend ten onrechte geïnde bedragen, meer de wettelijke interesten en veroordeelde partijen elk tot de helft van de kosten, in hoofde van de Belgische Staat niet te begroten en in hoofde van appellante begroot op "€339,43" dagvaardingskosten + €20 bijdrage begrotingsfonds procedure eerste aanleg + €20 bijdrage begrotingsfonds procedure hoger beroep.

Procedure voor het hof

Middels verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie op 1 oktober 2020 stelde appellante hoger beroep in tegen voormeld vonnis. Volgens haar conclusies neergelegd op 21 juni 2021 vordert appellante :

"Het hoger beroep en de vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Het incidenteel beroep van geïntimeerden ongegrond te verklaren en af te wijzen;

Het bestreden vonnis in de gevorderde mate te hervormen;

Het aan concluante met aangetekende brief van 10 juli 2018 ter kennis gebrachte dwangbevel inzake BTW van 20 december 2017 met nr. 500/I901/80091 en het aangehechte proces-verbaal van 19 december 2017 te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en te zeggen voor recht dat hiermee de van concluante gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn zoals gevorderd;

Ondergeschikt en alvorens recht te doen, de prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, zoals geformuleerd onder randnummer 32, van huidige conclusie;

Ondergeschikt, geïntimeerden te veroordelen tot schadevergoeding, zoals gevorderd onder randnummer 47. van huidige conclusie;

Ondergeschikt, toe te staan wat concluante heeft gevorderd onder randnummers 43-44, randnummers45.46, randnummer 63, randnummers 64-66 en randnummers 67-69 van huidige conclusie;

Geïntimeerden te veroordelen, alle lastens concluante onverschuldigd ingehouden bedragen en alle door concluante onverschuldigd betaalde bedragen aan haar terug te betalen, meer de interesten zoals de wet dit voorschrfrjft;

Geïntimeerden te veroordelen tot de kosten van het geding ..."

Geïntimeerde vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en stelt bij conclusie neergelegd op 19 februari 2021 incidenteel hoger beroep in tegen het bestreden vonnis wat betreft het punt van de opgelegde geldboete en interesten met betrekking tot de beweerde inbreuk aangaande het volgens de Belgische Staat ten onrechte toepassen van de verleggingsregel en de hoofdelijkheid en vordert wat dit punt betreft de hervorming van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van appellante.

Geïntimeerde vordert in dit verband voor recht te zeggen dat de wettelijk verminderde geldboete die werd opgelegd in het proces-verbaal met betrekking tot de inbreuk inzake de ten onrechte toepassing van de verlegging van heffing wel degelijk verschuldigd is door appellante en dat appellante interesten verschuldigd is met betrekking tot deze tweede inbreuk,

Daarnaast verzoekt de Belgische Staat het bestreden vonnis van de eerste rechter te bevestigen aangaande het punt met betrekking tot de inbreuk inzake het verlaagd btw-tarief van 12%.

Tot slot verzoekt geïntimeerde het dwangbevel geldig te verklaren en appellante tot de kosten te veroordelen.

Feiten

Appellante was actief ais bouwpromotor en heeft om deze activiteit in België te kunnen voeren op 10/04/2014 een aanvraag tot btw-identificatie In België ingediend met ingang van 01/04/2014, Bij brief van 24/06/2014 werd aan appellante een BTW-nummer toegekend in toepassing van art. 50, §1, 3 W.BTW (stuk 2 appellante).

De huidige betwisting heeft betrekking op btw die verschuldigd was naar aanleiding van de oprichting van assistentiewoningen in het kader van het project '...' te Lokeren.

De eerste verkopen in het kader van dat project werden gerealiseerd met toepassing van het BTW tarief van 21%. Na contacten met de fiscale administratie, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, btw controle Lokeren, werden de volgende verkopen aan 12% gerealiseerd en voor de eerder gerealiseerde verkopen werd appellante toegestaan creditnota's uit te reiken voor het verschil van 9% BTW (21% - 12%).

Op 20/11/2017 werd door de diensten van de Belgische Staat een correctieopgave over de periode 01/01/2014 tot 31/12/2016 verzonden aan appellante (stuk 4 appellante). Hierin werd uiteengezet dat appellante ten onrechte het BTW-tarief van 12% (rubriek X, tabel B van het K,B. nr. 20 en Ministeriële Beslissing nr. E.T, 124.535 van 17/10/2013) in plaats van 21% (algemeen tarief) zou hebben toegepast voor de verkoop van assistentiewoningen. Meer specifiek was de Belgische Staat van oordeel dat niet voldaan was aan de voorwaarden van de administratieve tolerantie opgenomen in de Ministeriële Beslissing nr. E.T. 124,535 van 17/10/2013, met name de vereiste van de ter beschikking stelling van het onroerend goed voor een periode van minstens 15 jaar (punten 2O en 21 Ministeriële Beslissing nr. E.T. 124.535 van 17/10/2013).

In deze correctieopgave werd volgende navordering aangekondigd voor het verschil van 9% in aangerekende BTW

 BTW: € 1.291,860,86;

 Proportionele verminderde geldboete: € 129.180,00;

•nalatigheidsinteresten.

Nadat er tussen partijen discussie was over het taalgebruik in dit dossier (stukken 6 en 7 appellante), werd deze correctieopgave bij brief van 14/12/2017 namens appellante betwist (stuk 8 appellante). De raadsman van appellante stelde voor om de zaak voor te leggen aan bevoegde Centrale Diensten van de Administratie te Brussel en deelde mee dat appellante in die omstandigheid bereid was om afstand te doen van de verlopen tijd van de verjaring voor de geformuleerde navordering voor het Jaar 2014.

Op 19/12/2017 werd een proces-verbaal opgesteld (stuk IO appeltante) over het jaar 2014.

Hierin werd enerzijds de vermeende toepassing van het foutieve btw-tarief (12% i.p,v, 21 %) overgenomen en uitgewerkt zoals aangehaald in de correctieopgave. De fiscale administratie was de mening toegedaan dat niet voldaan was aan de voorwaarde van de administratieve tolerantie opgenomen in de Ministeriële Beslissing nr. E.T. 124.535 van 17/10/2013. Met name werd vastgesteld dat deze niet voldeed aan de vereiste duurtijd en dat de kopers/eigenaars het gebruik van de assistentiewoningen niet ter beschikking stelden van de uitbater door een huurovereenkomst of overdracht van een zakelijk recht, doch louter een mandaat. Op dit punt zou nog €362.907,26 aan btw verschuldigd zijn.

Daarnaast werd bijkomend een vermeende overtreding van de verlegging van de BTW vastgesteld (art. 20 K.B. nr. 1). Volgens de fiscale administratie kon dit niet omdat appellante niet in België gevestigd was of hier geen aansprakelijk vertegenwoordiger heeft, Ook had de aannemer deze bedragen niet opgenomen in zijn aangifte, zodat appellante hoofdelijk aansprakelijk (artikel 51bis, §1, 3° van het W.B.T.W.) is voor deze btw-schuil.

Aldus werd vastgesteld in de beslissing tot naheffing dat nog verschuldigd was:

a) Wat de incorrecte toepassing van het btw-tarief van 12% betreft:

 Btw: € 362.907,26;

 Administratieve geldboete (10%): € 36.290,00;

 nalatigheidsinteresten berekend aan 0,8% vanaf 21/01/2015.

b) Wat de incorrecte toepassing van de verleggingsregel betreft en de hoofdelijke gehoudenheid van appellante:

 Btw: € 702.604,46;

 Administratieve geldboete (20%): € 140.520,00;

 nalatigheidsinteresten berekend aan 0,8% vanaf 21/01/2015.

In de brief bij dit proces-verbaal werd appellante er op gewezen dat wat betreft punt 2 (verlegging btw) de mogelijkheid bestaat om een corrigerend document op te vragen bij de leverancier, zodat de verschuldigde btw onmiddellijk kan/kon gecompenseerd worden met de aftrekbare btw.

Appellante deed afstand van de verlopen verjaringstermijn op 20/12/2017 (stuk 11 appellante) en op 22/12/2017 werd tevens het door de administratie gesuggereerde verbeterende stuk opgesteld (stuk 12 appellante).

Op 20/12/2017 werd een dwangbevel opgesteld met referentie 500/1901/80091, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op dezelfde dag (stuk 19 appellante). Dit dwangbevel werd betekend op 10/07/2018. Met dit dwangbevel en voormeid proces-verbaal werden volgende navorderingen ten aanzien van appellante geformuleerd:

a) Wat de incorrecte toepassing van het btw-tarief van 12% betreft:

 Btw: € 362.907,26;

 Administratieve geldboete: € 36.290,00;

 nalatigheidsinteresten berekend aan 0,8% vanaf 21/01/2015.

b) Wat de incorrecte toepassing van de verleggingsregel betreft en de hoofdelijke gehoudenheid van appellante:

 Btw: € 702.604,46;

 Administratieve geldboete: € 140.520,00;

 nalatigheidsinteresten berekend aan 0,8% vanaf 21/01/2015.

Gelet op de verrekening van een reeds Ingehouden bedrag van € 703.166,64 strekte de kennisgeving van 10/07/2018 ertoe betaling te bekomen van appellante van een saldo van € 889.578,47, meer Interesten vanaf 21/07/2018.

De eerste rechter verklaarde, zoals hiervoor reeds uiteengezet, bij vonnis dd. 14 februari 2020 de vordering van appellante ontvankelijk en deels gegrond.

Appellante stelde hoger beroep in tegen dit vonnis bij verzoekschrift neergelegd op 1 oktober 2020.

De Belgische staat formuleerde in zijn conclusies neergelegd op 19 februari 2021 incidenteel hoger beroep op het punt van de opgelegde geldboete en interesten met betrekking tot de beweerde inbreuk, aangaande het ten onrechte toepassen van de verleggingsregel en aangaande de hoofdelijkheid.

In rechte

Standpunt appellante

Appellante voert volgende middelen aan

-het btw tarief van 12%, in toepassing van de Ministeriële beslissing nr. E.T. 124.535 van 17 oktober 2013 werd terecht toegepast door appellante. De heer W.Y. van de btw-controle Lokeren bevestigde dat de verkopen konden geschieden met toepassing van het btw-tarief van 12%.

Rubriek X van bijlage B bij KB nr. 20 schreef voor in welke omstandigheden het btw tarief van 12% van toepassing is t.a.v. "huisvesting in het kader van het sociaal beleid". Met het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009 werkte de Vlaamse Wetgever het specifieke concept van de assistentiewoningen uit. zij vielen niet onder de toepassing van rubriek X van bijlage B bij KB nr. 20. Door artikel 120 van de programmawet van 25 december 2016, in werking getreden op 1 januari 2017 werd een rubriek Xl in bijlage B bij KB nr. 20 ingevoegd waardoor ook voor assistentiewoningen in de toepassing van het verlaagd tarief van 12% werd voorzien.

Om aan de tijdelijke leemte en ongelijkheid tegenmoet te komen die bestond voor de periode tot 31 december 2016 heeft de Minister van Financiën op 17 oktober 2013 beslissing ET 124.535 genomen. Appellante kan zich in toepassing van het vertrouwensbeginsel hierop beroepen zelfs nu deze toepassing afwijkt van de wettelijke voorschriften

De ministeriële beslissing ET 124.535 van 17 oktober voorziet in drie voorwaarden (om het tarief van 12% toe te passen) de bejaardenflat is een assistentiewoning die deel uitmaakt van een erkende groep van assistentiewoningen in die zin dat de flat blijvend deel uitmaakt van de capaciteit (d.w.z. van het aantal erkende wooneenheden) van de erkende groep van assistentiewoningen (€), de koper van de assistentiewoning is verplicht die woning ter beschikking te stellen van de beheersinstantie van de erkende groep van assistentiewoningen onder de vorm van een verhuur of onder de vorm van de vestiging van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, lid 2,2° van het btw-wetboek (ii) en het blijvend karakter van de aanwending van de bejaardenflat gedurende een periode van minstens vijftien jaar als deel van de erkende groep van assistentiewoningen en, ipso facto van de aanwending van het gebouw als erkende groep van assistentiewoningen moet afdoend blijken uit of worden aangetoond aan de hand van een geheel van eensluidende bewijsstukken (inzonderheid stedenbouwkundige vergunning, basisakte van het gebouw, verkoopovereenkomst van de assistentiewoning, overeenkomst gesloten tussen de koper en de erkende beheersinstantie aangaande de terbeschikkingstelling van de assistentiewoning aan laatstgenoemde voor aanwending als erkende assistentiewoning, overeenkomst gesloten tussen de erkende beheersinstantie en de bejaarde en aangaande het genotsrecht van de erkende assistentiewoning en de zorg- en dienstverlening (iii).

De vervulling van de eerste voorwaarde staat niet ter discussie.

De vervulling van de tweede voorwaarde staat bij de controle en In de correctieopgave niet ter discussie, maar nadien In het proces-verbaas wel met name op het punt dat er niet ter beschikking zou zijn gesteld onder de vorm van een verhuur of onder de vorm van een zakelijk recht. Volgens de Belgische Staat is er wel een terbeschikkingstelling inzake (onder de vorm van een mandaat : de kopers van de assistentiewoningen hebben deze ter beschikking gesteld van de beheersinstantie middels een terbeschikkingstellingsovereenkomst onder de vorm van een mandaat) maar niet onder de vorm van een verhuur of ander de vorm van de vestiging van een zakelijk recht.

Dat de terbeschikkingstelling aan de beheersinstantie onder de vorm van een mandaat de toepassing van het btw tarief van 12% niet mogelijk maakt volgens de Belgische Staat (terwijl volgens de toepasselijke Vlaamse wetgeving een mandaat voor de terbeschikkingstelling van een assistentiewoning als bewijs van een zakelijk of genotsrecht wordt aanvaard) kan niet worden gevolgd.

De beheersinstantie dient de juridische bevoegdheid te hebben om aan een bewoner het genotsrecht van de assistentiewoning te vereffenen. Daarom bepaalt art. 4§1, eerste lid, 10° van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers dat de uitbater van een groep van assistentiewoningen voor die groep slechts een erkenning kan krijgen ais hij aantoont dat hi] over het eigendomsrecht of over een zakelijk recht of genotsrecht beschikt op de gebouwen van de groep van assistentiewoningen.

De ministeriële beslissing nr, E.T. 124.535 van 17 oktober 2013 is gesteund op artikel 4,§1,eerste lid, 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 volgens

zodat bij de toepassing van de Ministeriële beslissing nr. E.T. 124.535 rekening dient te worden gehouden met de interpretatie van artikel 4,§1, eerste lid, 10° van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 zoals weergegeven in de omzendbrief WVG/2015/01 van 8 juni 2015 (die is tussengekomen na de Ministeriële beslissing nr. E.T. 124.535), met name met het gegeven dat de voorwaarde m.b.t. het bewijs van een zakelijk of genotsrecht die in art. 4§1, eerste lid, 10° van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 ruim dient te worden geïnterpreteerd in die zin dat ook een mandaat voor de terbeschikkingstelling van

een assistentiewoning dat aan de voorwaarden voldoet als bewijs van een zakelijk of genotsrecht dient te worden aanvaard voor zover het mandaat betrekking heeft op een of

meer assistentiewoningen in een groep van assistentiewoningen. Vanaf 1 januari 2017 is dit ook door de federale wetgever ln de wet opgenomen (rubriek Xl in bijlage B bij KB nr. 20 ingevoegd).

Dit zijn overigens twee vergelijkbare categorieën die anders ongelijk worden behandeld zonder pertinente reden waardoor het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden waardoor de Ministeriële beslissing nr. E.T. 124.535 in toepassing van art. 159 GW buiten toepassing dient te worden gelaten.

De voorwaarde dat een koper van een assistentiewoning niet zelf de assistentiewoning zou kunnen bewonen vormt een onmogelijke en onbestaande voorwaarde. Art. 7.6 van de terbeschikkingstellingsovereenkomst schrijft voor dat de beheersinstantie binnen de wettelijke mogelijkheden zal rekening houden met de belangen en wensen van de eigenaars. De eigenaar van een assistentiewoning mag deze zelf bewonen, maar enkel indien hij aan de voorwaarden voldoet.

De derde voorwaarde, in verband waarmee de Belgische Staat meent dat die niet vervuld zou zijn, Is wel degelijk vervuld. De blijvende aanwending gedurende een periode van 15 jaar blijkt uit een geheel van documenten,

-in ondergeschikte orde, de proportionele geldboete van €36.290,73 die een strafsanctie vormt dient te worden kwijtgescholden. Het hof kan met volle rechtsmacht beoordelen of deze proportioneel is ten aan zien van de verweten overtreding. Het betreft inzake een principiële juridische discussla en daarvoor wordt geen belastingverhoging of boete opgelegd,

-in ondergeschikte orde, de nalatigheidsinteresten zijn pas verschuldigd vanaf 21 januari 2017 en niet vanaf 21 januari 2015,

-in ondergeschikte orde dient de vordering van appellante tot schadevergoeding gelijk aan het nagevorderde bedrag op grond van de artikelen 1382 en 1383 oud BW dient te worden ingewilligd,

-cie2 maakte terecht toepassing van de verleggingsregel. De verlegging van de heffing was wettig en correct,

-op grond van art. 51bls §1, 3° WBTW kan appellante niet worden aangesproken ais hoofdelijk gehoudene. Vermits er geen reden voorhanden is om de verlegging te weigeren, is er ook geen btw verschuldigd. Deze hoofdelijke gehoudenheid is enkel van toepassing n ingeval van kwade trouw van de medecontractant. De wijze waarop de Belgische Staat deze hoofdelijke gehoudenheid toepast, is strijdig niet de EU-wetgeving (artikel 205 van Richtlijn 2006/112/EEG). De Belgische Staat motiveert ook niet waarom zij wordt aangesproken en niet de eigenlijke BTW-schuldenaar (de aannemer),

-in ondergeschikt dient erop gewezen dat dat de btw niet aan 21% maar aan 12% verschuldigd is,

-in ondergeschikte orde, de proportionele geldboete van €140520,89 die een strafsanctie vormt dient te worden kwijtgescholden. Het hof kan met volle rechtsmacht beoordelen of deze proportioneel €s ten aan zien van de verweten overtreding. Het betreft inzake een principiële juridische discussie en daarvoor wordt geen belastingverhoging of boete opgelegd,

-de gevorderde interesten zijn onverschuldigd. De btw die cie2 verschuldigd was kon appeltante onmiddellijk via haar recht op aftrek recupereren.

Standpunt geïntimeerde

Geïntimeerde argumenteert :

-op grond van artikel 37, § 1 van het WBTW de Koning bij in Ministerraad overlegd besluit de tarieven bepaalt, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering. Krachtens de artikelen 96 en 97 van de richtlijn 2006/112/EG moeten de lidstaten een normaal tarief toepassen dat niet lager mag zijn dan 15%, doch op grond van de artikelen 98 en 99 van de richtlijn 2006/112/EG hebben de lidstaten de mogelijkheid om een of twee verlaagde btw-tarieven toe te passen die niet lager mogen zijn dan 5% voor de goederen en diensten die zijn opgenomen in bijlage III van de richtlijn 2006/112/EG. Volgens vaste rechtspraak moeten bepalingen die een afwijking vormen van een beginsel, strikt worden uitgelegd (H.v.J. nr. C-573/15, 09/03/2017, punt 25 en nr. C­492/08, 17/06/2010, punt 35).

De tarieven in kwestie zijn vastgesteld in het KB nr. 20, hetwelk in zijn tabel B een verlaagd tarief voorziet van 12 %. Dit is onder meer (zie tabel X) van toepassing (§1, A, d) op verblijfsinrichtingen voor bejaarden. Dit tarief is niet van toepassing op assistentiewoningen zoals in casu. Hierover is geen betwisting, aangezien tabel X enkel van toepassing is indien de levering en facturatie gebeurt aan publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die verblijfsinrichtingen voor bejaarden (welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg) beheren, terwijl in deze de onroerende goederen verkocht werden aan particulieren en vennootschappen.

Door de Minister van Financiën werd in de beslissing nr. 124.535 van 17/10/2013, in het licht van Besl.VL.Reg. dd. 12/10/2012 betreffende de groepen van assistentiewoningen, voorzien dat het tarief van 12% kan toegepast worden indien voldaan is aan drie voorwaarden (het is op deze vermindering dat appellante zich beroept, zodat aan deze voorwaarden dient voldaan te zijn).

De eerste voorwaarde ("de bejaardenflat is een assistentiewoning die deel uitmaakt van een erkende groep assistentiewoningen") staat niet ter discussie. Aan de tweede voorwaarde is niet voldaan. De tweede voorwaarde vereist dat de koper van de assistentiewoning de woning ter beschikking dient te stellen van de beheersinstantie van de erkende groep van assistentiewoningen "onder de vorm van een verhuur of onder de vorm van de vestiging van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, lid2,2' van het Btw-wetboek".

Appellante tracht ten onrechte de tolerantie die is opgenomen in de voorafgaande beslissing nr. 124.535 van 17 oktober 2013 uit te breiden, argumenterend dat de tweede voorwaarde van de beslissing ook is vervuld indien de beheersinstantie beschikt over een terbeschikkingstellingsovereenkomst voor eik appartement. Dit kan niet worden gevolgd.

De Belgische Staat meent ook dat de derde voorwaarde, namelijk het blijvend karakter (voor een periode van minstens 15 jaar) van de aanwending, niet wordt aangetoond door appellante.

-de Belgische Staat wijst er op dat appellante bij ontvangst van een factuur met verlegging van btw (art. 20 KB nr. 1) (in deze de facturer van V. nv) de maatstaf van heffing van deze handelingen moest opnemen enerzijds, volgens het geval, in rooster 81, 82 of 83, en anderzijds in rooster 87, alsmede het bedrag van de op grond van deze handelingen verschuldigde belasting in rooster 56 van haar periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden en dat een inbreuk op die verplichting de toepassing van de sancties bedoeld in artikel 70, § 1, en, eventueel, artikel 73 van het Wetboek tot gevolg kan hebben. Dit zou niet gebeurd zijn,

Bovendien kon appellante als in buitenland gevestigde belastingplichtige, niet genieten van deze verlegging van BTW, tenzij deze in België een aansprakelijk vertegenwoordiger had laten aanstellen.

Vermits op de facturen ten onrechte geen bedrag aan BTW vermeld stand, is appellante hoofdelijk gehouden op grond van art. S1bis, §1, 3' WBTW

-dat wat betreft de opgelegde administratieve geldboeten reeds rekening werd gehouden met de goede trouw van appellante (vermindering proportionele geldboete tot 20%). Het toetsingsrecht is beperkt tot een wettigheids- en proportionaliteitstoezicht binnen de perken van de beoordelingsbevoegdheid van de administratie aldus de Belgische Staat, verwijzend naar Cassatie 21 september 2018, rolar. F.170086.N. Bovendien deed appellante (nog) geen verzoek tot kwijtschelding.

Gegrondheid

wat betreft het toepasselijke BTW tarief

In toepassing van art. 1, eerste lid KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de btw en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven bedraagt het normale btw tarief 21%. in afwijking daarvan wordt de btw geheven tegen het verlaagd tarief van 6% voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit, en tegen het verlaagd tarief van 12% voor de goederen en diensten opgenomen in tabel B van de bijlage bij dit besluit.

In rubriek X van bijlage B van Koninklijk Besluit nr. 20 is een verminderd btw-tarief voorzien ten aanzien van "huisvesting in het kader van het sociaal beleid". Daarin zijn onder meer bedoeld, de woningcomplexen bestemd om te worden gebruikt voor de huisvesting van bejaarden. In Vlaanderen werd het specifieke concept van de assistentiewoningen uitgewerkt (vgl, het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009, het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers en het Besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers).

Deze assistentiewoningen ressorteerden initieel op zich niet onder de toepassing van de bestaande rubriek X van bijlage B van het koninklijk besluit nr. 20.

De federale wetgever bracht op het vlak van de btw echter de nodige aanpassingen aan om ook voor het concept van de assistentiewoningen te voorzien in de toepassing van het verlaagd tarief van 12%, door invoeging van rubriek XI in bijlage B van koninklijk besluit nr. 20 (art. 120 van de programmawet van 25 december 2016, in werking getreden op 1 Januari 2017).

Voor de periode tot 31 december 2016 werd aan deze leemte tegemoet gekomen door de Beslissing nr. E.T. 124.535 van 17 oktober 2O13 van de Minister van Financiën. Deze beslissing bepaalt uitdrukkelijk dat ze werd opgemaakt in het kader van de nieuwe regelgeving van de Vlaamse regering met als doel de individuele aankoop van een nieuwe bejaardenflat door beleggers te stimuleren.

Het btw tarief van 12%, in toepassing van de Ministeriële beslissing nr. E.T. 124.535 van 17 oktober 2013 werd terecht toegepast door appellante. Zelfs in de mate dat deze beslissing afwijkt van en in strijd is met het KB nr. 20 kan appellante zich hierop beroepen :

-rubriek X van bijlage B bij KB nr. 20 schreef/schrijft voor in welke omstandigheden het BTW tarief van 12% van toepassing is t.a.v. "huisvesting in het kader van het sociaal beleid". Met het Woonzorgdecreet van 13 maart 2009 werkte de Vlaamse Wetgever het specifieke concept van de assistentiewoningen uit. Zij vielen niet onder de toepassing van rubriek X van bijlage B bij KB nr. 20. Door artikel 120 van de programmawet van 25 december 2016, in werking getreden op 1 januari 2017 werd een rubriek XI in bijlage B bij KB nr. 20 ingevoegd waardoor ook voor assistentiewoningen in de toepassing van het verlaagd tarief van 12% werd voorzien.

Om aan de tijdelijke leemte en ongelijkheid tegenmoet te komen die bestond voor de periode tot 31 december 2016 heeft de Minister van Financiën op 17 oktober 2013 beslissing ET 124.535 genomen. Appellante kan zich in toepassing van het vertrouwensbeginsel hierop beroepen, zelfs nu deze toepassing afwijkt van de wettelijke voorschriften,

-de ministeriële beslissing ET 124.535 van 17 oktober voorziet in drie voorwaarden waaraan voldaan dient te zijn om het tarief van 12% te kunnen toepassen :

de bejaardenflat is een assistentiewoning die deel uitmaakt van een erkende groep van assistentiewoningen in die zin dat de fiat blijvend deel uitmaakt van de capaciteit (d.w.z. van het aantal erkende wooneenheden) van de erkende groep van assistentiewoningen (I), de koper van de assistentiewoning is verplicht die woning ter beschikking te stellen van de beheersinstantie van de erkende groep van assistentiewoningen onder de vorm van een verhuur of onder de vorm van de vestiging van een zakelijk recht in de zin van artikel 9, lid

2,2° van het btw-wetboek (ii) en het blijvend karakter van de aanwending van de bejaardenflat gedurende een periode van minstens vijftien jaar als deel van de erkende groep van assistentiewoningen en, ipso facto van de aanwending van het gebouw als erkende groep van assistentiewoningen moet afdoend blijken uit of worden aangetoond aan de hand van een geheel van eensluidende bewijsstukken (Inzonderheid stedenbouwkundige vergunning, basisakte van het gebouw, verkoopovereenkomst van de assistentiewoning, overeenkomst gesloten tussen de koper en de erkende beheersinstantie aangaande de terbeschikkingstelling van de assistentiewoning aan laatstgenoemde voor aanwending ais erkende assistentiewoning, overeenkomst gesloten tussen de erkende beheersinstantie en de bejaarde en aangaande het genotsrecht van de erkende assistentiewoning en de zorg- en dienstverlening) (iii),

-de vervulling van de eerste voorwaarde staat inzake niet ter discussie,

-er Is inzake een terbeschikkingstelling van de assistentiewoningen, weliswaar onder de vorm van een mandaat (de kopers van de assistentiewoningen hebben deze ter beschikking gesteld van de beheersinstantie middels een terbeschikkingstellingsovereenkomst onder de vorm van een mandaat) en niet onder de vorm van een verhuur of onder de vorm van de vestiging van een zakelijk recht zoals vooropgesteld in de ministeriële beslissing nr. E.T. 124.535 van 17 oktober 2013,

-volgens de toepasselijke Vlaamse wetgeving wordt een mandaat voor de terbeschikkingstelling van een assistentiewoning als bewijs van een zakelijk of genotsrecht aanvaard. De beheersinstantie dient de juridische bevoegdheid te hebben om aan een bewoner het genotsrecht van de assistentiewoning te verlenen.

Art. 4§1, eerste lid, 10° van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures voor woonzorgvoorzleningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers bepaalt dat de uitbater van een groep van assistentiewoningen voor die groep slechts een erkenning kan krijgen als hij aantoont dat hij over het eigendomsrecht of over een zakelijk recht of genotsrecht beschikt op de gebouwen van de groep van assistentiewoningen.

De ministeriële beslissing nr, E.T. 124,535 van 17 oktober 2013 Is gesteund op artikel 4,§1,eerste lid, 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 (volgens

hetwelk de uitbater van een groep van assistentiewoningen voor die groep slechts een erkenning kan krijgen als hij aantoont dat hij over het eigendomsrecht of een zakelijk of genotsrecht beschikt op de gebouwen van de groep van assistentiewoningen)

zodat bij de toepassing van de Ministeriële beslissing nr. E.T. 124.535 logischerwijze rekening

dient te worden gehouden met de interpretatie van artikel 4,§1, eerste lid, 10G van het

besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 zoals weergegeven in de omzendbrief

WVG/2015/O1 van 8 juni 2015 (die is tussengekomen na de Ministeriële beslissing nr. E.T.

124.535), met name met het gegeven dat de voorwaarde rn.b.t. het bewijs van een zakelijk of genotsrecht die in art. 4§1, eerste lid, 10° van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 ruim dient te worden geïnterpreteerd in die zin dat ook een mandaat voor de terbeschikkingstelling van een assistentiewoning dat aan de voorwaarden voldoet als bewijs van een zakelijk of genotsrecht dient te worden aanvaard voor zover het mandaat betrekking heeft op een of meer assistentiewoningen in een groep van assistentiewoningen,

-het volstond dat de kopers van de assistentiewoningen ter beschikking steden van de beheersinstantie middels een terbeschikkingstellingsovereenkomst onder de vorm van een mandaat nu dat uitdrukkelijk is toegestaan ingevolge de omzendbrief WVG/2O15/O1 van 8 juni 2025,

- Ministeriële beslissing nr. E.T, 124,535, waarin uitdrukkelijk werd/wordt gesteld dat rekening dient te worden gehouden met de nieuwe Vlaamse regelgeving inzake groepen van assistentiewoningen en met de evolutie in die sector overeenkomstig de doelstellingen van die nieuwe regelgeving werd blijkbaar niet aangepast na tussenkomst van de Vlaamse omzendbrief WVG/2015/Ü1 van 8 juni 2015,

-uit stuk 26 van appellante blijkt dat, inzake de kopers van assistentiewoningen in Seniorenresidentie ... de assistentiewoningen ter beschikking hebben gesteld van de beheersinstantie middels een terbeschikkingstellingsovereenkomst onder de vorm van een mandaat waarbij appellante als gemandateerde van de kopers de overeenkomst in kwestie met de beheersinstantie heeft afgesloten,

-de heer W.Y. van de controle Lokeren bevestigde dat de verkopen konden geschieden met toepassing van het btw-tarief van 12%

-de vervulling van de tweede voorwaarde, de terbeschikkingstelling van de assistentiewoning aan de beheersinstantie (onder de vorm van een verhuur of onder de vorm van een zakelijk recht) werd aanvankelijk in de correctieopgave dd. 20 november 2017 (stuk 4 appellante) niet in vraag gesteld of betwist,

-een terbeschikkingstelling aan de beheersinstantie onder de vorm van een mandaat niet accepteren zou een ongelijke behandeling tussen vergelijkbare categorieën van belastingplichtigen doen ontstaan zonder dat daarvoor een pertinente reden voorhanden is, -de voorwaarde/vereiste dat een koper van een assistentiewoning niet zelf de assistentiewoning zou kunnen bewonen vormt een onmogelijke en onbestaande voorwaarde/vereiste. Art. 7.6 van de terbeschikkingstellingsovereenkomst schrijft voor dat de beheersinstantie binnen de wettelijke mogelijkheden zal rekening houden met de belangen en wensen van de eigenaars, De eigenaar van een assistentiewoning mag deze zelf bewonen, maar enkel indien hij aan de voorwaarden voldoet,

-aan de derde voorwaarde ("het blijvend karakter van de aanwending van de bejaardenflat gedurende een periode van minstens vijftien jaar ais deel van de erkende groep van assistentiewoningen en, ipso facto, van de aanwending van het gebouw ais erkende groep van assistentiewoningen moet afdoend blijken uit of worden aangetoond aan de hand van een geheel van eensluidende bewijsstukken (inzonderheid stedenbouwkundige vergunning, basisakte van het gebouw, verkoopovereenkomst van de assistentiewoning, overeenkomst gesloten tussen de koper en de erkende beheersinstantie aangaande de terbeschikkingstelling van de assistentiewoning aan laatstgenoemde voor aanwending ais erkende assistentiewoning, overeenkomst gesloten tussen de erkende beheersinstantie en de bejaarde en aangaande het genotsrecht van de erkende assistentiewoning en de zorg- en dienstverlening)."

in verband waarmee de Belgische Staat meent dat die niet vervuld zou zijn, is eveneens voldaan inzake zo blijkt uit

De blijvende aanwending van de bejaardenflat gedurende een periode van 15 jaar blijkt uit een geheel van documenten, met name de verkoopovereenkomsten door appellante aan de kopers (vgl. stuk 25 appellante), de statuten van seniorenresidentie ... (stuk 23 appellante), de terbeschikkingstellingsovereenkomst tussen de eigenaars en de beheersinstantie (stuk 26 appellante) en de verblijfsovereenkomsten tussen de beheersinstantie en het ....

Het btw tarief van 12% werd zodoende terecht toegepast.

De thans gevorderde btw in hoofdsom, met name het verschil van 9% tussen 21% en 12% is zodoende niet verschuldigd.

Wat betreft de opgelegde administratieve geldboete dient geconcludeerd dat deze, rekening houdend niet het voormelde en het daaruit voortvloeiende gegeven dat er geen bijkomende btw verschuldigd is omdat het tarief van 12% terecht en correct werd toegepast, onterecht werd opgelegd en (eveneens) niet verschuldigd Is.

Om dezelfde reden zijn er ook geen nalatigheidsinteresten verschuldigd.

Wat betreft de verlegging van de BTW

Een tweede discussiepunt tussen partijen betreft de toepassing van de verlegging van de btw en de hoofdelijke aansprakelijkheid van appellante voor deze verschuldigde btw.

Appellante deed voor de oprichting van de assistentiewoningen in kwestie een beroep op cie2 (...). Deze aannemer heeft voor het werk in onroerende staat in het jaar 2014 facturen aan appellante gericht voor een totaalbedrag van € 3.345.735,50 met verlegging van de heffing in toepassing van artikel 20 van koninklijk besluit nr. 1.

De Belgische Staat meent dat dit ten onrechte gebeurde en vordert deze btw niet van de aannemer, maar van appellante op grond van art. 51bis §1, 3" van het WBTW (hoofdelijke gehoudenheid medecontractant).

Appellante betwist dat de verlegging niet kan toegepast worden.

Zij argumenteert dat het feit dat ze als in het buitenland gevestigde rechtspersoon niet zou kunnen genieten van deze verlegging strijdig zou zijn met het vrij verkeer van personen/vestiging en diensten en dat de vereiste dat ze !n België een aansprakelijk vertegenwoordiger zou moeten aanduiden disproportioneel is. Bovendien, zo voert appellante aan, wordt ze niet aangesproken als btw-schuldenaar, doch als hoofdelijk gehoudene. De vermeende moeilijkheden om in het buitenland btw-schulden te innen, komen dus weinig overtuigend over aldus appellante.

Verder meent appellante dat ze op grond van art. 51bis §1, 3° van het WBTW ook niet kan aangesproken worden ais hoofdelijk gehoudene. Gezien er geen reden is om de verlegging te weigeren, is er ook geen btw verschuldigd. Bovendien zou deze hoofdelijke gehoudenheid enkel van toepassing zijn ingeval van kwade trouw van de medecontractant. De wijze waarop de Belgische Staat deze hoofdelijke gehoudenheid toepast, is strijdig met de EU-wetgeving (artikel 205 van Richtlijn 2006/112/EEG). Ook meent appellante dat de Belgische Staat niet motiveert waarom zij wordt aangesproken en niet de eigenlijke btw-schuldenaar (de aannemer).

Ondergeschikt betwist appellante de toegepast geldboeten omwille van onder meer het principieel karakter van de betwisting, het feit dat zij niet de schuldenaar van de btw is en het feit dat het uiteindelijk een nul-operatie is (compensatie) en meent ze dat geen interesten verschuldigd zijn, aangezien er geen verlies is in hoofde van de Belgische Staat. Door de regularisatie, zo stelt appellante, is geen btw verschuldigd, zodat ook daarop geen interesten verschuldigd zijn.

Tot slot vordert appellante te horen zeggen dat de verschuldigde btw en de aftrekbare btw gecompenseerd worden.

De Belgische Staat wijst er in eerste instantie al op dat appellante bij ontvangst van een factuur met verlegging van btw (art, 20 KB nr. 1) de maatstaf van heffing van deze handelingen moest opnemen enerzijds, volgens het geval, In rooster 81, 82 of 83, en anderzijds in rooster 87, alsmede het bedrag van de op grond van deze handelingen verschuldigde belasting in rooster 56 van haar periodieke btw-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden. Een inbreuk op die verplichting kan de toepassing van de sancties bedoeld in artikel 70, § 1, en, eventueel, artikel 73 van het Wetboek tot gevolg hebben. Dit zou niet gebeurd zijn. Daarenboven kon appellante, als in buitenland gevestigde belastingplichtige, niet genieten van deze verlegging van btw, tenzij deze in België een aansprakelijk vertegenwoordiger had laten aanstellen

Aangezien op de facturen bijgevolg ten onrechte geen bedrag aan btw vermeld stond, is appellante hoofdelijk gehouden op grond van art. 51bis, §1, 3" WBTW.

Artikel 20 van KB nr. 1 legt de verlegging op ten aanzien van werk in onroerende staat.

Uit het geheel van de aan hof voorgelegde stukken blijkt dat de maatschappelijke zetel van appeltante gevestigd is in het Groothertogdom Luxemburg. Er blijkt ook dat appellante, met maatschappelijke zetel in het Groothertogdom Luxemburg over een rechtstreekse BTW Identificatie beschikt (vgl. stuk appellante, bericht van activering van Belgisch BTW nummer voor appellante dd. 24 juni 2014 waaruit

Appellante stelt zich terecht vragen m.b.t. de door de Belgische Staat gehanteerde uitsluiting van een in een andere EU-lidstaat gevestigde onderneming, met name zijzelf, van het systeem van de verlegging van de btw in toepassing van art. 20 K.B. nr. 1, tenzij deze onderneming een aansprakelijk vertegenwoordiger heeft aangesteld.

Voor binnen de Europese Unie gevestigde ondernemingen bestaat ook de mogelijkheid om zich in België voor de btw te identificeren via een zogenaamde directe registratie. Indien er gefactureerd wordt naar zo een buitenlandse onderneming, is de toepassing van de verleggingsregel tevens mogelijk.

Appellante uitsluiten omwille enkel en alleen omwille van haar plaats van vestiging (Groothertogdom Luxemburg) is strijdig met de vrijheid van vestiging zoals bepaald in art. 49 e.v. van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van 25 maart 1957 en met de vrijheid van diensten zoals omschreven in art. 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van 25 maart 1957. Voormeld verdrag heeft rechtstreekse werking,

cie2 kon zodoende factureren aan appellante met verlegging van heffing.

De verlegging van btw In toepassing van art. 20 K.B. nr. 1 van 29 december 1992 is echter nog aan andere voorwaarden onderworpen, waaraan In deze niet is voldaan.

Zo bevatten de facturen van cie2 niet de vermelding "verlegging van heffing" (vgl. art. 20§3 KB nr. 1) en deed appellante nooit de in §4 van deze bepaling aangehaalde aangifte in het betreffende tijdstip (vgi. art. 20§4 KB nr.

1).

Doordat appellante niet voldoet aan de voorwaarden om te kunnen genieten van de verlegging van de btw (zie hoger), zou zij op grand van art. 51bis, §3, 1° WBTW eventueel kunnen worden aangesproken als hoofdelijk gehouden aangezien "krachtens artikel 51, § 1, 10, is eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het ais zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt;" en gezien zij ais professionele speler niet kan worden beschouwd als volledig ter goeder trouw, aangezien zij deze facturen niet heeft opgenomen in haar aangifte.

Dergelijke opname is essentieel in de strijd tegen fiscale fraude.

Inzake dient vastgesteld dat die materiële voorwaarden vervuld zijn.

Bovendien dient vastgesteld dat conform de aangetekende brief van dhr. B.D. van de diensten van de Belgische Staat van 19 december 2017 (stuk 10 appellante, onderaan pagina 2) voor wat betreft de hoofdsom van deze btw-schuld een compensatie werd toegestaan. Dit wordt ook niet betwist door de Belgische Staat die in conclusies dienaangaande het stilzwijgen bewaart.

Wat betreft de opgelegde administratieve geldboete op dit punt dient geconcludeerd dat deze, rekening houdend met het voormelde onterecht werd opgelegd en niet verschuldigd is.

Om dezelfde reden, waaronder ook de compensatie waaruit ook het akkoord afgeleid dient te worden dat op het btw bedrag geen interesten zouden gevorderd worden, zijn er ook geen nalatigheidsinteresten verschuldigd,

Doordat het hoger beroep ook op dit punt inzake de verlegging gegrond is, is het incidenteel hoger beroep var geïntimeerde dienaangaande ongegrond.

Het hoger beroep is gegrond.

Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

De kosten

Rekening houdende met het procedureresultaat waarbij geïntimeerde als in het ongelijk gestelde partij dient te warden beschouwd, dient geïntimeerde tot de kosten van het geding (kosten m.b.t, de procedure in eerste aanleg en kosten m.b.t. de procedure in hoger beroep) te worden veroordeeld.

Dagvaarding

De dagvaardingskosten bedroegen €359,42 (vgl. stuk 27 appellante factuur gerechtsdeurwaarder Snoeck). €20 van dit bedrag betref de Bijdrage Begrotingsfonds 1° aanleg (zie infra).

Rechtsplegingsvergoeding

Betwistingen inzake belastingen hebben geen onbepaalde waarde; ze kunnen gewaardeerd worden naar het bedrag van de betwiste aanslag. In deze zaak betreft dit het bedrag van de gevorderde intresten op de belasting, zijnde het in aanmerking te nemen betwist bedrag voor huidige zaak. De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (vgl. Cass., 12 maart 2010, F.J.F., nr.2010/183, p.720).

Het geschil betreft een in geld waardeerbare vordering, zich —rekening houdend met het verschil in interesten al naargelang de berekening van die interesten— situerend in de schijf €500.000,01 - €1,000.000 zodat de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg op dient te worden begroot op €12.000 en de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep op €15.697,67.

Rolrecht

Het rolrecht is vrijgesteld inzake (vgl. artikel 269 '2', §1, tweede lid, artikel 162, 4° en artikel 2791 Wb.Reg.).

Bijdrage Begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19 maart 2017 (inwerkingtreding 1 mei 2017) BS, 31 maart 2017, blz. 46565

De bijdrage van €20 voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand die door appellante verplicht werd betaald voor de procedure in eerste aanleg en de bijdrage van €20 voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand die door appellante verplicht werd betaald voor de procedure in hoger beroep, telkens om haar zaak op de rol ingeschreven te krijgen, dienen ten laste te worden gelegd van de Belgische Staat.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in hierna bepaalde mate gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre het de vordering ontvankelijk verklaart,

Opnieuw rechtsprekend ten gronde,

Vernietigt het bij aangetekende brief van 10 juli 2018 aan appellante ter kennis gebrachte dwangbevel inzake BTW van 20 december 2017 met nr, 500/1901/80091 en het aangehechte proces-verbaal van 19 december 2017,

Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling aan appellante van alle desgevallend op grond van voormeld dwangbevel ten onrechte geïnde bedragen, meer interesten,

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het geding, in hoofde van appellante begroot op €339,42 dagvaardingskosten + €12,000 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg + €15.697,67 rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep +€20 bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand voor de procedure in eerste aanleg + €20 bijdrage voor het begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand voor de procedure in hoger beroep,

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 28 JANUARI 2026

waar aanwezig waren

Marc Loyens, raadsheer

Jan Van den Bossche, griffier

Textes cités

16
AR no 1 art. 207 occurrences
CTVA art. 51bis2 occurrences
CTVA art. 732 occurrences
AR no 20 art. 11 occurrence
CTVA art. 371 occurrence
CTVA art. 91 occurrence
TFUE art. 491 occurrence
TFUE art. 561 occurrence
directive TVA 2006/112 art. 991 occurrence

Décisions similaires

8