Le droit d’admission à un évènement dans le domaine de la culture · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour de cassation F.12.0203.N 20 mars 2014

Rechercher
Texte en néerlandais

Le droit d’admission à un évènement dans le domaine de la cultureLe droit d’admission à un évènement dans le domaine de la culture et du divertissement – Centre de fitness.

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-admission-evenement-domaine-culture-cassation-bruxelles-2014-03-20-098f

Juridiction
Cour de cassation
Numéro de rôle
F.12.0203.N
Date
20 mars 2014

Parcours procédural

2 étapes · 1 an 6 mois
  1. Décision attaquéeCour d'appel de Bruxelles12.09.2012
  2. Décision affichéeCour de cassation de Belgique20.03.2014

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

70 paragraphes

Corps de la décision

Arrêt de la Cour de Cassation dd. 20.03.2014 (F.12.0203.N)

Le droit d'admission à un évènement dans le domaine de la culture et du divertissement - Centre de fitness.

Sommaire (par la Cour)

La catégorie 7, alinéa 1er, de l'annexe H de la sixième Directive (actuellement annexe III de la Directive 2006/11/CE) à laquelle peuvent s'appliquer des taux réduits de TVA, concerne le droit d'admission à certains évènements qui y sont énoncés dans le domaine de la culture et du divertissement.

Base légale :

- Catégorie 7, alinéa 1er, de l'annexe H de la sixième Directive (actuellement annexe III de la Directive 2006/11/CE)

- Article 37, du Code de la TVA

- Arrêté royal n° 20 du 20 juillet 1970, Tableau A, Rubrique XXVIII

Arrêt de la Cour de Cassation

F.12.0203.N

La traduction en français sera ajoutée dès que disponible

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur, rekenplichtige van het Btw-ontvangkantoor te T., algemene administratie van de fiscaliteit, ondernemings- en inkomensfiscaliteit, en de gewestelijke directeur van het Controlecentrum T-G,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. A. D. B., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

G. bvba, met zetel te W.,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. P. W., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te L., waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 september 2012.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 14 januari 2014 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. De appelrechters oordelen: "In het binnenbad worden echter wel aquasporten beoefend, zoals aqua-gym, aqua-aerobic, aqua-jogging, aqua-steps met muziek of dansen in water, zoals wordt beschreven in een artikel van het tijdschrift Attitude over het aquapaleis van (de verweerster)".

2. In zoverre het middel aanvoert dat het artikel in het tijdschrift Attitude een interview was met de zaakvoerster van de verweerster en dat de niet door andere bewijselementen gestaafde, eigen beweringen van de verweerster in dat interview niet kunnen gelden als bekende feiten die kunnen dienen als grondslag van een bewijs door feitelijke vermoedens, vergt het een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

3. De appelrechters oordelen dat zelfs indien men geen rekening houdt met het fitnesscentrum, waarvan de controleambtenaar de aanwezigheid in het aquapaleis niet vaststelde, maar dat volgens de verweerster deel uitmaakt van het aquapaleis, dit laatste nog steeds een inrichting voor sport is zoals bedoeld in rubriek XXVIII van tabel A van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970.

4. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechters louter op basis van de eigen verklaring van de verweerster in conclusies hebben vastgesteld dat het aquapaleis een fitnesscentrum bevat, steunt het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

5. In zoverre het middel schending aanvoert van de wettelijke bewijswaarde van het proces-verbaal van 18 april 2007, is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde miskenning van het bewijs door feitelijke vermoedens.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

6. Artikel 12, derde lid, sub a, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk Stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag - thans artikel 98 van de richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 van de Raad betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt dat de lidstaten een of twee verlaagde btw-tarieven kunnen toepassen. Deze tarieven worden vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing dat niet lager mag zijn dan 5% en zijn uitsluitend van toepassing op de in bijlage H, thans bijlage III van de richtlijn 2006/112/EG genoemde categorieën goederen en diensten.

7. Bijlage H bij de Zesde richtlijn, (thans bijlage III van richtlijn 2006/112/EG), met als titel "Lijst van de leveringen van goederen en diensten waarop verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast", bevat diverse categorieën van goederen en diensten waarop verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast en vermeldt onder categorie 7, eerste alinea: "Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke evenementen en voorzieningen".

8. Zoals blijkt uit de bewoordingen ervan en het arrest van het Hof van Justitie, nr. C-9/09 van 18 maart 2010, betreft categorie 7, eerste alinea van bijlage H bij de Zesde richtlijn het verlenen van toegang tot verschillende daarin genoemde evenementen op het gebied van cultuur en vermaak.

9. Het middel, dat geheel ervan uitgaat dat categorie 7 van bijlage H slechts inrichtingen beoogt die op cultureel gebied ontspanning en vermaak bezorgen, steunt op een verkeerde rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 645,10 euro en voor de verweerster op 193,48 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit raadsheer Beatrijs Deconinck, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 20 maart 2014 uitgesproken door raadsheer Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

K. Vanden Bossche, K. Moens, B. Wylleman

G. Jocqué, A. Smetryns, B. Deconinck

Conclusie van advocaat-generaal Dirk THIJS:

1. Onderhavig geschil betreft de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% op de activiteiten die verweerster aanbiedt in haar "Aquapaleis".

Krachtens rubriek XXVIII van Tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 is aan het tarief van 6 % onderworpen:

"De toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken (...)".

Volgens eiser is niet aangetoond dat in het door verweerster uitgebaat "Aquapaleis" aquasporten worden beoefend, zodat bij gebreke zowel aan activiteiten van "sport" als "vermaak", verweerster geen aanspraak kan maken op dit verlaagd tarief.

Het bestreden arrest stelde vast dat "in het binnenbad echter wel aquasporten (worden) beoefend, zoals aqua-gym, aqua-aerobic, aqua-jogging, aqua-steps met muziek of dansen in water, zoals wordt beschreven in een artikel van het tijdschrift ATTITUDE over het aquapaleis van (verweerster) (stuk 35 van [verweerster]). Dergelijke aquasporten vormen sportactiviteiten zoals (eiser) die zelf verstaa(t)."

Het bestreden arrest oordeelt vervolgens dat "zelfs indien men geen rekening houdt met het fitnesscentrum waarvan de controleambtenaar de aanwezigheid in het aquapaleis niet vaststelde, maar dat volgens (verweerster) deel uitmaakt van het aquapaleis, dan vormt het aquapaleis aldus wel een inrichting voor sport, zoals bedoeld in de rubriek XXXVIII van tabel A van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 (...)".

Het arrest oordeelt tevens dat "het voor het overige duidelijk is dat de andere accommodaties van het aquapaleis, zoals het Turks stoombad enz. inrichtingen voor vermaak zijn in de zin van de rubriek XXXVIII van tabel A van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, d.i. amusement, genoegen, ontspanning, plezier, volgens het VAN DALE GROOTWOORDENBOEK DER NEDERLANDSE TAAL".

(...)

4. In het tweede middel voert eiser aan dat het bestreden arrest niet wettig heeft beslist dat de accommodaties van het «Aquapaleis», andere dan deze die betrekking hebben op de sportactiviteiten en de persoonsverzorging, inrichtingen voor vermaak zijn in de zin van de rubriek XXVIII van de tabel A van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, die aldus in aanmerking komen voor het verlaagd btw-tarief van 6%, terwijl enkel voorzieningen die op cultureel gebied vermaak bezorgen krachtens het gemeenschapsrecht in aanmerking komen voor een verlaagd tarief en de bedoelde accommodaties van het «Aquapaleis» geen dergelijke culturele voorzieningen zijn (schending van de artikelen 4, derde lid, VEU, 288-292 VWEU, 37 btw-wetboek, 1 van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 en Bijlage H, categorie 7, van de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977, thans Bijlage III, categorie 7, van Richtlijn 2006/112/EG).

5. Het middel gaat er van uit "dat enkel cultureel vermaak in aanmerking kan komen voor het verlaagd btw-tarief, zoals volgt uit bijlage H, categorie 7, eerste alinea, van de Zesde Richtlijn." (Voorziening, 16de blad, in fine).

Bijlage H, categorie 7, van de Zesde Richtlijn (thans Bijlage III van Richtlijn 2006/112/EG) betreft, volgens eiser, het «verlenen van toegang» tot verschillende daarin genoemde evenementen en voorzieningen, die louter strekken tot ontspanning of vermaak op cultureel gebied (Voorziening, 14de blad, nr. 5, tweede alinea).

6. Artikel 12, derde lid , sub a, van de Zesde richtlijn, thans artikel 98 van de Richtlijn 2006/112/EG, bepaalt dat de lidstaten een of twee verlaagde btw-tarieven kunnen toepassen. Deze tarieven worden vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing dat niet lager mag zijn dan 5% en zijn uitsluitend van toepassing op de in bijlage H, thans bijlage III van Richtlijn 2006/112/EG, genoemde categorieën goederen en diensten.

Bijlage H bij de Zesde richtlijn (thans Bijlage III van Richtlijn 2006/112/EG), met als titel «Lijst van de leveringen van goederen en de diensten waarop verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast», bevat verschillende categorieën. Categorie 7 van deze bijlage luidt als volgt:

- "Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen.

- Ontvangst van radio en televisie-uitzendingen."

Ingevolge een prejudiciële vraag van het hof van beroep te Gent in de zaak Erotic Center BVBA t. de Belgische Staat, diende het Hof van Justitie zich uit te spreken over de vraag of de terbeschikkingstelling van cabines voor het bekijken van erotische films beschouwd kan worden als een 'bioscoop' zoals bedoeld in voormelde categorie 7.

In haar arrest van 18 maart 2010 (zaak C-3/09) heeft het Hof van Justitie die vraag negatief beantwoord en daarbij het volgende gepreciseerd:

"Zoals blijkt uit de bewoordingen ervan, betreft bijlage H, categorie 7, eerste alinea, van de Zesde richtlijn het "verlenen van toegang" tot verschillende daarin genoemde evenementen en voorzieningen op het gebied van cultuur en vermaak (zie arrest van 23 oktober 2003, Commissie/Duitsland, C-109/02, Jurispr. Blz. I-12691, punt 25), waaronder met name 'bioscopen'." (tekstmarkering en onderlijning toegevoegd)

Het middel, dat uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn slechts evenementen en voorzieningen op het oog heeft die louter strekken tot ontspanning of vermaak op cultureel gebied, faalt naar recht.

Men kan immers bezwaarlijk « kermissen, amusementsparken, dierentuinen » kwalificeren als evenementen en voorzieningen op het gebied van cultuur. Het gaat hier duidelijk om evenementen en voorzieningen op het gebied van vermaak.

Besluit: VERWERPING.

Textes cités

7

Jurisprudence

1

Belgique

1

Doctrine administrative

2

« … dd. 26.08.2014 Taux Exploitation d'une installation de sauna Prestations de services effectuées dans le cadre de l'exploitation d'une installation de sauna Compte tenu de l'arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles 2009/AR/1378 du 12 septembre 2012 et de l'arrêt de la Cour de Cassation F.12.0203.N du 20 mars 2014 , l'administration a modifié sa position en ce qui concerne le taux de TVA applicable aux prestations de services habituellement effectuées par l'exploitant d'une installation de sauna. Conformément à la jurisprudence précitée, l'octroi du droit d'accéder à … »

Prestations de services effectuées dans le cadre de l’exploitation d’une installationDécision administrative26.08.2014

Voir les 3 documents

Décisions similaires

8