Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel de Gand du 17.01.2023
WF 710-15-18/003006
[Défavorable à l'administration]
Taxe sur la valeur ajoutée – Restitution - Enrichissement sans cause - TVA payée en trop
Dispositions légales
Articles 51, § 1er, 3° et 77, §1er, 1° Code de la TVA Arrêté royal n° 4, du 29 décembre 1969, relatif aux restitutions en matière de taxe sur la valeur ajoutée
Résumé
1) Les faits et les antécédents de procédure
La partie adverse avait demandé la restitution d'un montant de TVA payé en trop dans sa déclaration de TVA. En effet, pendant une certaine période elle avait appliqué le taux de TVA de 21% pour l’exploitation d’une installation de sauna alors qu'en vertu de l'arrêt de la Cour de cassation du 20 mars 2014 (F.12.0203.N) et de la décision E.T. n° 126.122, il a été décidé que l'octroi du droit d'accéder à de telles installations et l'octroi du droit de les utiliser bénéficient du taux réduit de 6 %.
Cette demande de remboursement a été refusée par l'administration car l’assujetti n'avait pas remboursé cette TVA à ses clients. Cette infraction a été consignée dans un procès-verbal. L’assujetti a introduit une requête administrative contre cette décision. Cette requête a été rejetée par l'administration.
La partie adverse a introduit une requête contradictoire au greffe du tribunal de première instance de Flandre orientale, division Gand. Cette demande a été déclarée recevable et fondée par le tribunal. Par la suite, l'administration a fait appel de ce jugement défavorable.
2) L'arrêt de la cour d'appel
* Restitution
Dans son arrêt et dans son analyse du litige, la cour d'appel s'est référée à l'arrêt de la Cour de justice du 8 décembre 2022 dans l'affaire C-378/21.
Le tribunal constate qu'en l'absence de preuve contraire il n'y a pas de risque de perte de recette fiscale en l’espèce. En effet, en règle générale, l'utilisation d'un sauna est toujours une activité purement privée qui ne crée pas un droit à déduction. Même si un client déduisait la TVA sur le reçu de caisse, il s'agirait d'une TVA indûment déduite. En effet, les conditions de l'article 45 du Code de la TVA ne seraient pas remplies.
Par conséquent, la Cour conclut que l’assujetti bénéficie du droit à restitution de la TVA.
Remarque
Dans son arrêt, la Cour d'appel de Gand invoque l'arrêt de la Cour de justice de l'Union européenne du 8 décembre 2022 portant le numéro d'affaire C-378/21. Toutefois, cet arrêt européen ne se prononce que sur l'interprétation de l'article 203 de la directive TVA (transposé en Belgique par l'article 51, § 1, 3° du code de la TVA). La Cour de justice de l'Union européenne ne se prononce en aucune manière sur les dispositions de l'article 90, alinéa 1er, de la directive précitée (transposé en Belgique à l'article 77, § 1er du Code de la TVA).
Néanmoins, l'administration acquiesce à cet arrêt puisqu'aucune disposition légale n'a été violée et qu'il ne peut donc y avoir de pourvoi en cassation.
Cependant, l'administration souligne l'importance d'un contrôle complémentaire suite à la demande de remboursement. Cependant, la personne ayant droit à un remboursement doit démontrer que toutes les conditions ont été remplies. En outre, l'administration a toujours la possibilité de démontrer qu'il peut y avoir enrichissement illicite et/ou perte de recettes fiscales. Ce sera notamment le cas si le bénéficiaire du remboursement a émis des factures à des clients assujettis bénéficiant d'un droit à déduction sans établir et/ou délivrer un document rectificatif et/ou sans reverser la TVA récupérée à ces clients.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Gent, vijfde kamer
Arrest van 17/01/2023
Rol: 2021/AR/1299
In de zaak van:
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur Invordering - Ontvanger Team Invordering Gent 1, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 101,
appellant,
hebbende als raadsman mr. L. G., advocaat te …,
tegen
D. F., ON 058...50, RRN ...,
wonende te …,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. D. T., advocaat te …
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 15 juli 2021 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 27 april 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 18/1111/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 20 december 2022, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De geïntimeerde is sedert 1 mei 2011 geregistreerd als btw-belastingplichtige voor de activiteit van sauna's, solaria, baden, enz.
Hij diende tot en met het derde kwartaal 2015 btw-aangiften in waarin hij de door hem verstrekte prestaties aangaf als onderworpen aan het tarief van 21%.
In zijn beslissing E.T. 126.122 van 26 augustus 2014 heeft de appellant zijn administratieve standpunt ingenomen waarmee hij zich conformeerde aan het arrest van het Hof van Cassatie van 20 maart 2014 (rolnr. F. 12.0203.N, via www.juportal.be) dat bevestigde dat een bedrijf - zoals dat van de geïntimeerde - dat diensten van sauna's, solaria, baden, enz. aanbiedt, een inrichting voor sport is zoals bedoeld in rubriek XXVIII van tabel A van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, zodat het toepasselijk btw-tarief slechts 6% is.
De geïntimeerde heeft in zijn btw-aangifte van het 4de kwartaal 2015 een bedrag van 46.333,44 euro aan btw via rooster 62 teruggevorderd. Het ging om een vordering tot teruggaaf wegens ten onrechte toepassing in de vorige jaren van het tarief van 21%.
Het is onbetwist dat de geïntimeerde die teruggevorderde btw niet terugbetaald heeft aan zijn klanten/saunabezoekers.
De appellant ging met de stelling van de geïntimeerde niet akkoord, precies omdat hij als voorwaarde voor de gevraagde teruggaaf stelde dat het betreffende btw-verschil aan de klanten, zijnde de (privé-) eindgebruikers, moet worden terugbetaald. Daarom heeft de appellant op 10 mei 2017 aan de geïntimeerde een correctieopgave toegestuurd waarin hij het bedrag van 46.333,44 euro als verschuldigd verklaarde.
De (toenmalige) advocaat van de geïntimeerde liet op 3 juli 2017 weten dat de geïntimeerde niet akkoord ging met de correctieopgave.
Omdat de appellant op zijn standpunt bleef, werd de inbreuk wegens de ten onrechte gerecupereerde btw ten bedrage van 46.333,44 euro opgenomen in een proces-verbaal van 5 september 2017.
Met een brief van 26 december 2017 werd namens de geïntimeerde administratief bezwaar ingediend.
De appellant heeft in zijn beslissing van 23 februari 2018 dat administratief bezwaar afgewezen.
Met een verzoekschrift van 21 maart 2018 stelde de geïntimeerde zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
In het vonnis van 27 april 2021 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond;
legt voor recht dat eiser niet gehouden is het bedrag van 46.366,95 EUR, zoals vermeld in het proces-verbaal van 5 september 2017 en opgenomen als schuld onder RCIV-nummer ... te betalen;
Beveelt verweerder het eventueel reeds betaalde of geïnde bedrag terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke interesten;
Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten van eiser van deze aanleg, bestaande in de rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 EUR en de bijdrage tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR.
Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellant
De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellant ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het vonnis dd. 27.04.2021 gewezen door de Rechtbank van eerste aanleg Oost- Vlaanderen, afdeling Gent, sectie burgerlijke rechtbank (G6de kamer) in de zaak met rolnummer A.R. 18/1111/A geheel te hervormen;
Aldus te zeggen voor recht dat de door appellant in het proces-verbaal opgenomen vordering voor een bedrag van 46.366,95 euro aan btw vermeerderd met de opgelegde proportionele geldboete ten belope van 4.630,00 euro en de nalatigheidsinteresten, zoals vermeld in het proces-verbaal van 5 september 2017 en opgenomen als schuld onder RC/V nummer ... ten laste van geïntimeerde dient te worden weerhouden;
Dienvolgens te zeggen voor recht dat de vordering van de geïntimeerde ongegrond is; Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, alsmede de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep, zijnde € 3.250,00.
3.2. De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep ontvankelijk te verklaren, doch af te wijzen als ongegrond. Dienvolgens het vonnis a quo integraal en in al haar onderdelen te bevestigen.
Appellant te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep ad 3.250 euro (basisbedrag).
4. De betwistingen en hun beoordeling
4.1. Over de uitwerking in de tijd van het btw-tarief van 6 procent
Zoals de eerste rechter terecht heeft aangenomen, gold het btw-tarief voor de gehele periode waarvoor de geïntimeerde de btw-teruggaaf terugvorderde, zijnde voor periode van 24 april 2012 tot 18 januari 2015 en niet slechts vanaf 26 augustus 2014, zijnde de datum waarop het administratief standpunt van de appellant in overeenstemming werd gebracht met het cassatiearrest van 20 maart 2014.
Het Hof van Cassatie heeft in dat arrest immers niets anders gedaan dan vastgesteld hoe de bepalingen van rubriek XXVIII van tabel A van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 moeten worden begrepen. Die bepalingen zijn zelf niet gewijzigd.
Dat houdt in dat de betwisting betrekking heeft op het volledige bedrag van 46.366,95 euro dat door de geïntimeerde teruggevorderd werd.
4.2. Over de voorwaarden om de teruggaaf te kunnen genieten
De appellant kan niet instemmen met het standpunt van de eerste rechter die, in essentie gesteld heeft dat het aan de appellant, zijnde de belastingadministratie, is om het bewijs te leveren dat de teruggaaf tot een ongerechtvaardigde verrijking in hoofde van de geïntimeerde zou leiden, en meer bepaald dat de geïntimeerde de onterecht geheven belasting rechtstreeks afgewenteld heeft op zijn afnemers/saunabezoekers, waarbij de appellant zich beroept op een vermoeden dat de btw 'per definitie' op de afnemer wordt afgewenteld. De appellant is dan ook evenzeer niet akkoord met het standpunt van de eerste rechter dat het door hem te leveren bewijs niet geleverd is.
De betwisting tussen de partijen voor het hof, ontspint zich grotendeels rond de vraag of de appellant er zich kan op beroepen dat, nu de geïntimeerde het verschil aan btw (ingevolge het tariefverschil tussen 21 en 6 procent) niet heeft terugbetaald aan zijn afnemers, de teruggaaf tot gevolg zou hebben dat de geïntimeerde zich zonder oorzaak verrijkt.
De geïntimeerde van zijn kant, roept in dat de weigering van de appellant om op de teruggaaf in te gaan, een ongerechtvaardigde verrijking van de Schatkist inhoudt. Hij benadrukt dat hij nooit een factuur uitreikte, want moest uitreiken en dat alle prestaties sowieso een privékarakter hebben waardoor er in hoofde van zijn afnemers geen recht op aftrek zou kunnen bestaan zodat er geen risico is op verlies van belastinginkomsten door de Schatkist.
Hij stelt ook dat er geen verrijking kan worden aangenomen wanneer - wat bij hem het geval zou zijn - met de klant een vaste vergoeding werd vastgesteld en dus niet een prijs 'zonder btw', waarop dan de btw afzonderlijk verschuldigd was. Het is in dat verband dat hij stelt geen facturen uit te reiken.
Beoordeling
De geïntimeerde verwijst onder andere naar de conclusie van advocaat-generaal J. K. van 8 september 2022 in de zaak C-378/21 die bij het onderzoek naar de vraag of er onverschuldigdebetaling is, stelt dat het aan de nationale rechter is om - met inachtneming van alle relevante omstandigheden - een analyse te maken en te bepalen of de leverancier ongerechtvaardigd zou worden verrijkt. Mevrouw K. stelt in dat verband dat de bewijslast voor het bestaan van ongerechtvaardigde verrijking op de lidstaat in kwestie rust, op grond van de overweging dat niet onmiddellijk een gevaar voor onrechtmatige verrijking te zien lijkt. Ze stelt zelfs nog een stap verder te willen gaan en per definitie te willen uitsluiten dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking door de belastingplichtige die de handeling verricht wanneer met een eindverbruiker een vaste vergoeding is overeengekomen en de btw is doorberekend omdat de belastingplichtige ten opzichte van zijn concurrenten benadeeld is, aangezien zijn winstmarge of zijn concurrentievermogen lager was.
Het hof stelt vast dat het Hof van Justitie van de Europese Unie ondertussen in die zaak C- 378/21 bij arrest van 8 december 2022 uitspraak heeft gedaan en wel met het volgende dictum:
Artikel 203 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2016/1065 van de Raad van 27 juni 2016, moet aldus worden uitgelegd dat:
een belastingplichtige die een dienst heeft verricht en die op zijn factuur een bedrag aan belasting over de toegevoegde waarde (btw) heeft vermeld dat is berekend op basis van een onjuist tarief, krachtens deze bepaling niet tot voldoening van het ten onrechte gefactureerde gedeelte van de btw gehouden is wanneer het gevaar van verlies van belastinginkomsten onbestaand is omdat de afnemers van die dienst uitsluitend eindverbruikers zijn die geen recht op aftrek van voorbelasting hebben.
Het Is zeker waar dat de prejudiciële vraag waarover het Hof van Justitie in deze uitspraak heeft gedaan, betrekking heeft op artikel 203 van richtlijn 2006/112/EG dat als principe stelt dat de btw verschuldigd is door eenieder die deze belasting op een factuur vermeldt, terwijl de geïntimeerde zelf stelt geen facturen uit te reiken. De geïntimeerde stelt enkel kassabonnen uit te reiken en legt er een voorbeeld van voor als zijn stuk 4. Daaruit blijkt dat op zo'n kassabon een aparte rubriek staat waarin de btw afgezonderd is. Als zodanig kan zo'n bon als een factuur in de zin van de btw-reglementering beschouwd worden.
Hoewel de prejudiciële vraag niet rechtstreeks betrekking had op een verzoek tot teruggaaf, blijkt uit het feitenrelaas van de zaak dat het geschil waarin de Oostenrijkse rechter zijn vraag gesteld had, precies zoals hier, voortvloeide uit het feit dat de belastingplichtige de ten onrechte op kassabons aangerekende btw (wegens vergissing in het toepasselijke tarief) eerst als verschuldigd had aangegeven en naderhand terugvorderde in een corrigerende aangifte.
Op basis van het arrest van 8 december 2022 is duidelijk dat de appellant ten onrechte uitgaat van het feit dat de geïntimeerde zich, wanneer hij de betwiste teruggaaf zou ontvangen zonder dat hij dat geld doorbetaalt aan zijn afnemers, een verrijking zonder oorzaak zou genieten, als niet blijkt dat er gevaar is voor verlies van belastinginkomsten omdat de afnemers van die dienst uitsluitend eindverbruikers zijn die geen recht op aftrek van voorbelasting hebben. Immers, het Hof van Justitie stelt dat de belastingplichtige in dat geval niet tot voldoening van het ten onrechte gefactureerde gedeelte van de btw gehouden is. Met andere woorden: hij is die belasting niet verschuldigd. In die zin kan de terugbetaling van de betreffende ten onrechte aangegeven en betaalde btw geen verrijking zonder oorzaak zijn.
Het is tegen die achtergrond alvast geen pertinent verweer van de kant van de appellant dat de eindverbruiker steeds de belasting heeft gedragen en niet de geïntimeerde. Evenmin pertinent is het verweer van de appellant dat de geïntimeerde wel in de mogelijkheid zou zijn om zijn klanten te identificeren (wat op zich alvast niet bewezen is) en daarom het bewijs zou moeten leveren dat hij de onterecht aangerekend btw aan zijn klanten heeft terugbetaald.
Er moet dus alleen nog worden nagegaan of het gevaar van verlies van belastinginkomsten onbestaand is omdat de afnemers van die dienst uitsluitend eindverbruikers zijn die geen recht op aftrek van voorbelasting hebben.
Wat dat betreft, kan de geïntimeerde er zich alvast op beroepen dat saunagebruik in de regel steeds een zuivere privéactiviteit is die geen recht op aftrek doet ontstaan. Zelfs wanneer een of meer van de klanten van de geïntimeerde aan de hand van de door hem uitgereikte kassabonnen de btw die daarop vermeld stond, in aftrek zou hebben genomen in het kader van zijn beroepswerkzaamheid waarvoor hij btw-belastingplichtige is, dan mag de geïntimeerde er zich op beroepen dat dit een onterechte aftrek is omdat aan de voorwaarden van artikel 45 WBTW niet kan voldaan zijn.
Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel door de appellant, kan het hof slechts vaststellen dat er geen gevaar voor verlies van belastinginkomsten bestaat.
De hoger gemaakte vaststellingen en overwegingen, volstaan om te besluiten dat de geïntimeerde wel degelijk recht op teruggaaf heeft zoals door hem in zijn aangifte voor het vierde kwartaal 2015 gevraagd en door de eerste rechter bevestigd.
Wat betreft het argument van de appellant dat de geïntimeerde zich zou verrijken, moet men zich sowieso de bedenking maken dat het ingevolge het onjuiste standpunt van de appellant was dat de economische prestaties die de geïntimeerde leverde aan een te hoog tarief werden belast wat in elk geval voor hem en zijn collega's in de sector van de saunadiensten een concurrentieel nadeel was ten opzichte van dienstverstrekkers in andere vrije tijds- en sportsectoren waaruit potentiële klanten kunnen kiezen.
Het hoger beroep is ongegrond.
5. De gerechtskosten
De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
5.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
5.2. Wat de rechtsplegingsvergoeding betreftDe vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd met dien verstande dat niet meer kan worden toegekend dan gevorderd. De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 euro.
Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.
De appellant is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 3.250,00 euro.
Dispositif
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak; Het hof beslist als volgt:
• het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
• het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):
• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde:
• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.250,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 17 januari 2023.
Décision jointe par le SPF
Jugement du tribunal de première instance
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg Oost~Vlaanderen, afdeling Gent, 6de BURGERLIJKE KAMER
Vonnis van 27/04/2022
Rol: 18/1111/AIN DE ZAAK VAN:
F. D. . RRN: …, wonende te …
Eiser, vertegenwoordigd door meester T. D.,· advocaten met kantoor te …
TEGEN:
De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 Brussel, handelend ten verzoeke van de Adviseur - lnvorderig - Ontvanger van het Team Invordering Gent 1, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9050 Gent, G. Crommenlaan 6 bus 101, KBO nr. 0252.796.351
Verweerder, vertegenwoordigd door X, attaché bij een fiscaal bestuur
BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:
1. RECHTSPLEGING
De partijen lieten de rechtbank ter gelegenheid van de openbare terechtzitting van 30 maart 2021 weten dat zij in het kader van de preventiemaatregelen tegen de verspreiding van het Covid-19 virus opteerden voor inberaadname op basis van de overgelegde stukken, zonder mondelinge pleidooien .
De rechtbank stemde met dit voorstel in en tijdens de openbare terechtzitting van 30 maart 2021 werd de zaak in beraad genomen. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.
De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. RELEVANTE FEITELIJKE GEGEVENS EN PROCEDURELE VOORAFGAANDEN
Eiser is sedert 1 mei 2011 geïdentificeerd als btw-plichtige onder het btw- registratienummer BE 058...50 voor activiteiten van sauna's, solaria, baden; enz.
Eiser vorderde in de btw-aangifte van het vierde kwartaal van 2015 een bedrag van 46.333,44 EUR aan btw terug, omdat hij een btw-tarief van 21% had toegepast voor saunabezoek, terwijl ingevolge cassatierechtspraak en een gewijzigd btw-standpunt was vast komen te staan dat het toepasselijke tarief maar 6% betrof. Het verzoek tot teruggaaf betrof de periode van 24 april 2012 tot 18 januari 2015.
De teruggaaf gebeurde in eerste instantie conform de btw-aangifte, maar· naar aanleiding van een btw-controle op 10 maart 2017 maakte de belastingadministratie deze teruggaaf ongedaan. In een correctieopgave van 10 mei 2017 en vervolgens een proces-verbaal van 5 september 2017 werd 46.333,44 EUR aan verschuldigde btw opgenomen, vermeerderd met een belastingverhoging van 10%.
Het protest van eiser tegen het proces-verbaal van 5 september 2017 werd afgewezen bij administratieve beslissing van 4 oktober 2017., De schuld werd opgenomen onder RCIV-nummer ... . Het is daartegen dat eisers middels huidige procedure in verzet komt.
3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN
Eiser vordert dat het bedrag van 46.366,95 EUR niet teruggestort moet worden en dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de interesten op dit bedrag: Tevens vordert hij de veroordeling van verweerder tot de gedingkosten met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding die hij begroot op 3.000,00 EUR.
Verweerder vordert dat de vordering van eiser in zijn geheel afgewezen wordt en dat eiser veroordeeld wordt tot alle kosten van het geding.
4. BEOORDELING
4.1 Omtrent het toepasselijke btw-tarief
4.1.1.
Voor de toekenning van het recht op toegang tot, alsmede de toekenning van het recht om gebruik te maken van inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, geldt het verlaagde btw-tarief van 6 %, dit op grond van rubriek XXVIII, van tabel A, van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20.
Ook de prestaties die gewoonlijk worden verstrekt door een exploitant van een sauna-inrichting vallen onder het btw-tarief van 6%.
Over het principe dat een belastingtarief van 6% geldt voor de diensten die·eiser aanbiedt (het uitbaten van een sauna), bestaat tussen partijen terecht geen betwisting meer, gelet op het arrest Brussel van 12 september 2012 {2009/AR/1378),, het cassatiearrest van 20 maart 2014 (F.12.0203.N) en het administratief standpunt geformuleerd in een beslissing van 26 augustus 2014 (Besl. nr.. E.T.126.122), die de rechtbank ter zake alle onderschrijft.
4.1.2.
Voor de periode van 24 april 2012 tot 18 januari 2015 paste eiser het tarief van 21% toe.
Ingevolge de voornoemde gewijzigde rechtspraak heeft eiser teruggave gevraagd van de onverschuldigd aan de Belgische Staat doorgestorte btw voor deze periode (15%).
Anders dan verweerder voorhoudt, gold het btw-tarief van 6% voor de gehele periode waarvoor eiser de btw-teruggaaf vorderde, met name de periode van 24 april 2012 tot 18 januari 2015 en niet slechts vanaf 26 augustus·2014, dit is de· datum waarop het administratief standpunt in overeenstemming werd gebracht met het cassatie-arrest van 20 maart 2014. Immers, het cassatie-arrest deed niets anders dan de bestaande bewoordingen van rubriek XXVIII, van tabel A, van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 correct te interpreteren.
4.2 Omtrent het recht op teruggaaf van eiser
4.2.1.
Partijen twisten over het recht van eiser op teruggave van de overtollig betaalde btw ten bedrage van 46.366,95 EUR. Op grond van artikel 77, §1, 1° WBTW word t de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag in beginsel teruggegeven, wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.
Verweerder weigert de teruggaaf in wezen omdat eiser de ten onrechte in rekening gebrachte belasting niet terugbetaald heeft aan zijn afnemers/saunabezoekers (zie correctie-opgave 10 mei 2017) op wie de btw per definitie afgewenteld wordt. Een teruggaaf aan eiser zou volgens verweerd er in zijnen hoofde leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking.
4.2.2.
De materie is reeds herhaaldelijk voorwerp geweest van procedures voor het Hof van Justitie. Het Hof oordeelde onder meer in een arrest van 6 september 2011 (L. & K. e.a, C-398/09) dat:
17. [...] het recht op terugbetaling van heffingen die een lidstaat in strijd met het recht van de Unie heeft geïnd, het gevolg en het complement is van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van het recht van -de Unie die dergelijke heffingen verbieden. De lidstaat is dus in beginsel ertoe verplicht om in strijd met het recht van de Unie toegepaste heffingen terug te betalen (arresten van 9 november 1983, S.G., 199/82, Jurispr:., blz. 3595, punt 12; 21 september 2000, M., C-441/98 en C-442/98, Jurispr., blz. 1-7145, punt 30; 10 april 2008, M.&S., C-309/06, Jurispr., blz. 1-2283, punt 35, en 28 januari 2010, D.P.D.B., C-264/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 45).
18. In afwijking van het beginsel van terugbetaling van met het recht van de Unie onverenigbare heffingen kan terugbetaling van een ten onrechte geheven belasting evenwel worden geweigerd wanneer terugbetaling zou leiden tot ongerechtvaardigde verrijking van de rechthebbenden. De bescherming van de door de rechtsorde van de Unie ter zake gewaarborgde rechten gebiedt dus niet dat in strijd met het recht van de Unie geïnde belastingen, rechten en heffingen worden terugbetaald wanneer vaststaat dat de betalingsplichtige deze daadwerkeliik op anderen heeft afgewenteld (zie arrest . C. e.a., reeds aangehaald, punt 21).
19. In dergelijke gevallen drukt de last van de ten onrechte toegepaste heffing, immers niet op de handelaar, maar op de koper op wie deze last is afgewenteld. Terugbetaling aan de handelaar van het bedrag van de heffing dat hij reeds op de koper heeft afgewenteld, zou dan ook te zijnen aanzien gelijkstaan met een dubbele betaling, hetgeen als "ongerechtvaardigde verrijking" zou kunnen worden aangemerkt, terwijl daarmee evenmin de gevolgen van de onrechtmatigheid van de heffing voor de koper zijn verholpen (zie arrest C. e.a., reeds aangehaald, punt 22).
20. Aangezien deze weigering van terugbetaling van een over de verkoop van producten geheven belasting een beperking is van het subjectieve recht dat wordt ontleed aan de rechtsorde van de Unie, moet zij restrictief worden uitgelegd. Rechtstreekse afwenteling van de ten onrechte geheven belasting op de koper vormt dus de enige uitzondering op het recht op terugbetaling van heffingen die in strijd met het recht van de Unie zijn geheven.
21. Ook heeft het Hof gepreciseerd dat zelfs indien vaststaat dat de last van de ten onrechte geheven belasting geheel of gedeeltelijk op derden is afgewenteld, terugbetaling ervan aan de marktdeelnemer niet noodzakelijkerwijs meebrengt dat hij ongerechtvaardigd wordt verrijkt, daar hij schade kan hebben geleden als gevolg van een verkoopdaling doordat het bedrag van deze betasting is doorberekend in de vraagprijs (zie reeds aangehaalde arresten C. e.a., punten 29-32; M., punten 34 en 35, en arrest van 2 oktober 2003, W. W. W. e.a., C-147/01, Jurispr., blz. I-11365, punten 98 en 99).
(eigen onderlijning van de rechtbank)
In die context ook HvJ 9 februari 1999, Dilexport, C-343-96, nr. 48: "Bewijsregels die het in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken teruggaaf van de in strijd met het gemeenschapsrecht toegepaste heffing te verkrijgen, zijn [...] onverenigbaar met het gemeenschapsrecht. Dit geldt met name voor vermoedens of voor bewijsregels die de béwijslast; dat de onverschuldigd betaalde heffingen niet op anderen zijn afgewenteld, bij de contribuabele leggen, en voor bijzondere beperkingen met betrekking tot de vorm van het te leveren b wijs, zoals de uitsluiting van alle niet-schriftelijke bewijsmiddelen (arrest S. G., reeds aangehaald, punt 14, en arrest van 25 februari 1988, ,B. en G., 331/85, 376/85 en 378/85:, Jurispr. blz. 1099, punt 12)".
4.2.3.
Uit het voorgaande besluit de rechtbank dat verweerder er in beginsel toe verplicht is om eisers recht op teruggaaf van onterecht geheven belasting terug t betalen. Op deze principiële terugbetalingsverplichting bestaat één uitzondering, met name in geval van rechtstreekse afwenteling van de ten onrechte geheven belasting op de koper. Enkel dan kan het recht op terugbetaling eiser ontzegd worden En zelfs in dat geval kan de·belastingplichtige alsnog aanspraak maken op de teruggaaf, indien hij economische schade heeft geleden ingevolge een verkoopdaling, doordat het bedrag van de belasting is doorgerekend in de vraagprijs.
Bewijsmatig betekent het bovenstaande dat het aan verweerder, die eiser diens principiële recht op teruggaaf van de onterecht geheven belasting wil ontzeggen, toekomt om te bewijzen dat een teruggaaf zou leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking en meer bepaald dat eiser de onterecht geheven belasting ·rechtstreeks heeft afgewenteld op de afnemers/saunabezoekers. Onterecht stelt verweerder dat de btw per definitie op· de afnemer wordt afgewenteld. Verweerder kan een dergelijk vermoeden niet hanteren, maar dient deze afwenteling in concreto te bewijzen .
Waar de btw-handleiding mogelijks andere richtlijnen bevat, is zij niet in overeenstemming met het Unierecht.
4.2.4.Ter zake stelt de rechtbank vast dat de klanten van eiser particulieren zijn aan wie voor de betrokken periode geen factuur werd uitgereikt en die veelal op heden niet meer identificeerbaar zijn. In de algemene voorwaarden van eiser (die weliswaar dateren van 2017, maar door verweerder als dusdanig niet betwist worden) staat aangegeven dat alle prijzen inclusief btw zijn. In een door eiser (weliswaar niet gedateerd ) bijgebrachte folder blijkt dat ronde prijzen gehanteerd werden (zoals 125 euro, 185 euro, 32 euro, ... ) en geen basisprijzen waarop vervolgens een btw-tarief toegepast werd.
Al deze elementen wijzen erop dat eiser een concurrentiële marktprijs bepaalde voor de door hem aangeboden diensten en de vaste kosten - zoals de btw- daar 'op de koop toe' bijnam. In ieder geval dragen zij niet bij tot de stelling van verweerder dat eiser de btw rechtstreeks afwentelde op zijn afnemers/bezoekers.
Verweerder brengt dienaangaande geen concreet bewijs bij. Uit het feit dat eiser (1) in een aantal btw-tickets blijkbaar het (naar zijn mening) toepasselijke btw-tarief specifieerde (zie bijlage 2 bij het proces-verbaal) en (2) in zijn aangifte de terug te vorderen btw individualiseerde door hem te begroten, kan niet besloten worden dat hij de btw rechtstreeks op de eindafnemers afwentelde.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder niet naar eis van recht bewijst dat · eiser de onterecht geheven belasting rechtstreeks heeft afgewenteld op de afnemers/saunabezoekers. Verweerder kan dan ook niet terugkomen op de door eiser toegepaste teruggaaf.
De vordering van eiser is gegrond .
5. GERECHTSKOSTEN
Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen.Verweerder moet conform artikel 1022 juncto 1018, 6° en 8° van het Gerechtelijk Wetboek, naast zijn eigen kosten, de rechtsplegingsvergoeding dragen van eiser die vertegenwoordigd wordt door een advocaat, alsook de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 20 17 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR.
Bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan wordt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gehanteerd, rekening houdend met de inzet van het geschil Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 van het Gerechtelijk Wetboek zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000 ,00 EUR bevindt, is het basisbedrag van 3.000,00 EUR toepasselijk.
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK, recht doende OP TEGENSPRAAK
Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies als niet ter zake dienend;·
Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en gegrond;
Zegt voor recht dat eiser niet gehouden is het bedrag van 46.366,95 EUR, zoals vermeld in het proces-verbaal van 5 september 2017 en opgenomen als 'schuld onder RCIV-nummer ... te betalen;
Beveelt verweerder het eventueel reeds betaalde of geïnde bedrag terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke interesten.
Veroordeelt. verweerder·tot het betalen van de gerechtskosten van eiser van deze aanleg, bestaande in de rechtsplegingsvergoeding van 3.000,00 EUR en de bijdrage tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op dinsdag 27 april 2021
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.