Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour de cassation du 20.06.2024 (F.22.0126.N)
WF 803-15-18/055376
[Favorable à l'administration]
Taxe sur la valeur ajoutée – Faillite d'un cocontractant – Droit à la restitution – Perte de la créance après la faillite – Prescription du droit à restitution
Dispositions légales
Article 3 de l’arrêté royal n°4.
Résumé
1. Faits et antécédents
L'administration estime que la demande de restitution du requérant a été exercée tardivement, plus précisément, plus de trois ans après la naissance du droit à restitution. Selon l'administration, l’action en restitution serait née le 18 novembre 2008, date à laquelle la faillite du cocontractant concerné du requérant a été prononcée.
2. Arrêt de la cour d’appel
Dans son arrêt du 15 février 2022, la Cour d'appel de Gand a jugé qu'étant donné qu'il n'était pas contesté que la créance contre le cocontractant avait été définitivement perdue à la suite de la faillite, rien ne s'opposait à ce que la demanderesse exerce à ce moment-là son droit à une restitution.
Cette situation factuelle de la requérante était également conforme à l'intention du législateur lors de l'introduction de l'article 3 de l'arrêté royal n° 4. L'administration n'a pas empêché la requérante d'exercer cette possibilité. C'est le libre choix et l'interprétation de la requérante de ne pas se prévaloir du droit au remboursement dont elle était libre de disposer et de laisser expirer le délai de prescription pour cette demande.
La requérante s'est pourvue en cassation contre cet arrêt.
3. Arrêt de la Cour de cassation
-1° moyen (violation de l’article 149 de la Constitution) :
La demanderesse n'a pas soulevé le point selon lequel, le remboursement de la taxe par le défendeur, devrait être considéré comme une reconnaissance par le défendeur du fait que celle-ci a exercé sa demande de restitution en temps utile, comme un moyen distinct, mais seulement comme un argument à l'appui de sa défense selon laquelle elle a exercé sa demande de remboursement en temps utile. La juridiction d'appel n'était pas tenue de répondre à cet argument, qui ne constitue pas un moyen distinct. Le moyen ne peut être accueilli.
-2° moyen, première branche :
Il résulte des dispositions légales qu'en cas de faillite du débiteur, la demande en restitution de la taxe visée à l'article 77, §1, 7°, du Code de la TVA est prescrite après l'expiration de la troisième année civile suivant la date du jugement déclaratif de faillite. Le fait que, au moment de la faillite, le créancier dispose d'une sûreté réelle ou personnelle sur la base de laquelle il peut encore être payé n'y change rien.
Le moyen cette branche fondée sur une interprétation différente de la loi, manque en droit.
-2° moyen, seconde branche :
L'historique de la loi du 7 avril 2005 montre que le législateur a choisi de faire naître l’action en restitution en cas de faillite à la date du jugement déclaratif de faillite, parce qu'à ce moment-là déjà, il y a une probabilité raisonnable que la créance du fournisseur-assujetti ne sera pas honorée.
Le moyen en sa seconde branche qui part du principe que l'article 3 de l'arrêté royal précité, qui fait naître la demande de restitution en cas de faillite à la date du jugement déclaratif de faillite, est incompatible avec l'article 90 de la directive TVA, tel qu'interprété par la Cour de justice, parce qu'à la date de la déclaration de faillite, la créance de l'assujetti n'est pas encore définitivement irrécouvrable, manque en droit.
Compte tenu de la jurisprudence constante de la Cour de justice, il n’y a pas lieu de poser une question préjudicielle.
La Cour rejette le pourvoi en cassation de l'assujettie demanderesse.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van Cassatie van België
Arrest van 20/06/2024
Nr. F.22.0126.N
A. V. D. B. E. Z. nv, handelend in eigen naam en, voor zoveel als nodig, namens de BTW-eenheid G. V. D. B. E.-G., ingeschreven bij de KBO onder het nummer 04...40,
eiseres,
vertegenwoordigd door mr. J. V., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de eiseres woonplaats kiest,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal directeur van het Centrum Grote Ondernemingen Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6, bus 703,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. G. d. F. en mr. S. D. V., advocaten bij het Hof van Cassatie, beiden met kantoor te ..., waar de verweerder woonplaats kiest.
I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF'
Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 15 februari 2022.
Advocaat-generaal J. V. D. F. heeft op 21 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer M. T. heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal J. V. D. F. heeft geconcludeerd.
II.. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
Eerste onderdeel
1.De verplichting van artikel 149 Grondwet om elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt.
2.De eiseres heeft het argument dat de terugbetaling door de verweerder van de belasting dient te worden beschouwd als een erkenning door de verweerder dat de eiseres haar vordering tot teruggaaf tijdig heeft uitgeoefend, niet aangevoerd als een afzonderlijk middel, maar enkel als een argument ter staving van haar verweer dat zij haar vordering tot teruggaaf tijdig heeft uitgeoefend. Op dit argument, dat geen afzonderlijk middel vormt, hoefde de appelrechter niet te antwoorden.
Het onderdeel kan niet worden aangenomen.
Tweede onderdeel
Eerste subonderdeel
3.Artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.
Artikel 79, § 1, derde lid, Btw-wetboek bepaalt dat de leverancier of de dienstverlener die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs, in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt, aan de Staat het bedrag van de belasting moet terugstorten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag, en dit door het op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen.
4.Krachtens artikel 82 Btw-wetboek begint de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interest en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.
Krachtens artikel 82bis Btw-wetboek is er verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interest en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interest en administratieve geldboeten zich heeft voogedaan.
5.Artikel 3 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde bepaalt dat de vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet. De vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek ontstaat in geval van faillissement op de datum van het vonnis van faillietverklaring.
6.Uit deze bepalingen volgt dat bij faillissement van de schuldenaar de vordering tot teruggaaf van de belasting bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek verjaart na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op de datum van het vonnis van faillietverklaring. De omstandigheid dat de schuldeiser op het ogenblik van het faillissement over een zakelijke of persoonlijke zekerheid beschikt op grond waarvan hij nog betaald kan worden, doet hieraan geen afbreuk.
Het subonderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
Tweede subonderdeel
7.Artikel 90, lid 1, van de Richtlijn 2006/112 van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna Btw-richtlijn) bepaalt dat in geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de handeling is verricht, de maatstaf van heffing dienovereenkomstig wordt verlaagd onder de voorwaarden die door de lidstaten worden vastgesteld.
8.Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie verplicht deze bepaling de lidstaten ertoe om de maatstaf van heffing, en dus het door de belastingplichtige verschuldigde btw-bedrag, te verlagen telkens wanneer de belastingplichtige na de sluiting van een overeenkomst de tegenprestatie geheel of gedeeltelijk niet ontvangt (HvJ 6 december 2018, T. nr. C-672/17; HvJ 8 mei 2019, A. CZ, nr. C-127/18; HvJ 15 oktober 2020, E., nr. C-335/19).
9.Krachtens artikel 90, lid 2, Btw-richtlijn kunnen de lidstaten in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling afwijken van de in het eerste lid neergelegde verplichting om de maatstaf van heffing van de btw te verlagen.
10.Het Hof van Justitie heeft verduidelijkt dat die afwijkingsmogelijkheid berust op de overweging dat niet-betaling van de tegenprestatie in bepaalde omstandigheden en wegens de juridische situatie in de betrokken lidstaat mogelijkerwijs moeilijk te verifiëren of slechts voorlopig is (HvJ 3 juli 1997, Goldsmiths, nr. C-330/95; HvJ 23 november 2017, Di.M., nr. C-246/16; HvJ 22 februari 2018, T-2, nr. C-396/16; HvJ 8 mei 2019, A-PACK C'Z, nr. C-127/18; HvJ 11 juni 2020, S., nr. C-146/19).
In dit verband heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat die afwijkingsmogelijkheid er dan ook enkel toe strekt het de lidstaten mogelijk te maken de onzekerheid over de inning van de verschuldigde bedragen weg te nemen (HvJ 15 oktober 2020, E., nr. C-335/19; HvJ 11 juni 2020, S. nr. C-146/19; HvJ 3 maart 2021, F. nr. C-507/20; HvJ 11 november 2021, E., nr. C-398/20).
11.Het Hof van Justitie heeft bij arrest van 11 november 2021, E., nr. C-398/20, geoordeeld dat met die onzekerheid niet alleen rekening kan worden gehouden door de belastingplichtige zijn recht op verlaging van de maatstaf van heffing te ontzeggen zolang de schuldvordering niet definitief oninbaar is, maar ook door de verlaging toe te staan indien de belastingplichtige aantoont dat het redelijk waarschijnlijk is dat de schuld niet zal worden voldaan, hetgeen onverlet laat dat de maatstaf van heffing kan worden verhoogd wanneer alsnog betaling plaatsvindt.
12.Volgens de uitleg die het Hof van Justitie van artikel 90, lid 2, Btw-richtlijn geeft, is het de lidstaten aldus toegestaan om te bepalen dat de vordering tot teruggaaf van de belasting ontstaat op het tijdstip waarop het redelijk waarschijnlijk is dat de schuld niet zal worden voldaan.
13.Artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek bepaalt dat, onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag wordt teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.
14.Artikel 3 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, zoals vervangen bij artikel 2 van de wet van 7 april 2005, bepaalt dat de vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet. De vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, Btw-wetboek ontstaat in geval van faillissement op de datum van het vonnis van faillietverklaring.
15.Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 7 april 2005 blijkt dat de wetgever ervoor geopteerd heeft om in geval van faillissement de vordering tot teruggaaf reeds te laten ontstaan op de datum van het vonnis van faillietverklaring, omdat reeds op dat ogenblik redelijk waarschijnlijk is dat de schuldvordering van de leverancier-belastingplichtige niet zal worden voldaan.
16.Het subonderdeel dat ervan uitgaat dat artikel 3 van voormeld koninklijk besluit dat de vordering tot teruggaaf in geval van faillissement laat ontstaan op de datum van het 'vonnis van faillietverklaring, onverenigbaar is met artikel 90 Btw-richtlijn, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, omdat op de datum van het vonnis van faillietverklaring de schuldvordering van de belastingplichtige nog niet definitief oninbaar is, faalt naar recht.
17.Voor het overige is het subonderdeel afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk.
Prejudiciële vraag
18.Gelet op de vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie wordt de prejudiciële vraag niet gesteld.
Dispositif
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 313,13 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter G. J., als voorzitter, en de raadsheren I. C, S. M., M. G. en M. T., en in openbare rechtszitting van 20 juni 2024 uitgesproken door sectievoorzitter G. J., in aanwezigheid van advocaat-generaal J. V. D. F., met bijstand van griffier E. V. I. .
Décision jointe par le SPF
Texte de l’arrêt de la Cour d'appel
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep Gent, vijfde kamer
Arrest van 15/02/2022
Rol: 2021/AR/65
In de zaak van:
V. D. B. E. Z., ON 04...40,
met maatschappelijke zetel te ...,
in eigen naam en voor zoveel als nodig namens G. V. D. B. E.-G., ON 05...96, met maatschappelijke zetel te ...,
appellanten,
hebbende als raadsman mr. D. V. L., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, BELGIË, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal, Directeur Centrum Grote Ondernemingen Gent, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 703, BELGIË,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te ...
wijst het hof het volgend arrest:
1 De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 15 januari 2020 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 2 november 2020 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 19/2372/A.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 18 januari 2022, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure
1. De appellante had gedurende meerdere jaren een commerciële relatie met D. bvba. Op 11 juli 2007 stelde de heer P. B., zaakvoerder van D. bvba, zich ten aanzien van de appellante persoonlijk borg voor alle tegenwoordige en toekomstige schulden van D. bvba.
Bij vonnis van 18 november 2008 werd het faillissement uitgesproken van D. bvba. De appellante diende tijdig een aangifte in van schuldvordering in het faillissement van D. bvba. De totale schuldvordering van de appellante op D. bvba bedroeg 787.319,17 EUR in hoofdsom, waarvan 134.047,67 EUR btw.
Bij beschikking van 2 februari 2009 werd de heer P. B. toegelaten tot de collectieve schuldenregeling. De raadsman van de appellante deed tijdig aangifte in de collectieve schuldenregeling van de schuldvordering van de appellante, waarbij ze zich baseerde op de persoonlijke borgstelling. Bij vonnis van 25 februari 2010 van de arbeidsrechtbank te Gent werd een schuldbemiddelaar aangesteld en werd de vordering van de appellante opgenomen. De vordering van de appellante bestond uit de hoofdsom ten bedrage van 787.319,17 EUR, interesten en van bijkomende kosten (waaronder beslag op onroerende en roerende goederen). De schuldbemiddelaar verzond op 10 januari 2011 naar de appellante een voorstel van collectieve schuldenregeling. De appellante formuleerde op 7 maart 2011 bezwaren tegen het voorstel van de schuldbemiddelaar aangezien er volgens de appellante ernstige aanwijzingen waren dat de heer P. B. niet onvermogend was en misbruik maakte van de regeling van de collectieve schuldenregeling. Er werd een verzoekschrift tot herroeping van de collectieve schuldenregeling neergelegd.
Bij vonnissen van de schuldbemiddelingsrechter bij de arbeidsrechtbank van 15 december 2011 en 2 februari 2012 werd definitief geoordeeld over de aanspraken van de appellante in verband met het vermogen van de heer P. B.. De herziene collectieve schuldenregeling werd bij vonnis van 2 februari 2012 definitief gehomologeerd.
Het faillissement van de D. bvba werd bij gebrek aan actief afgesloten op 25 juni 2013. Bij beschikking van 27 augustus 2015 werd de collectieve schuldenregeling beëindigd wegens het overlijden van de heer P. B. .
Op dat ogenblik had de appellante uit de collectieve schuldenregeling en over de periode 26 juli 2012 tot en met 28 juli 2015, 7 maal een som van 874,09 EUR uitbetaald gekregen van de schuldbemiddelaar (er werd 2 keer per jaar een betaling gedaan) of samen 6.118,63 EUR.
2
In haar periodieke maandaangifte van november 2015 heeft appellante haar vordering tot teruggaaf wegens het geheel verloren gaan van de schuldvordering van de prijs, gebaseerd op artikel 77, § 1, 7° W.btw uitgeoefend. In de btw-aangifte werd de terug te geven btw gecompenseerd met de te betalen btw voor de maand november 2015.
Op 27 juni 2018 heeft de fiscale administratie een correctieopgave uitgevaardigd. Daarin meent de administratie dat de vordering tot teruggaaf laattijdig zou zijn uitgeoefend, meer bepaald meer dan drie jaar na het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf zou zijn ontstaan. Volgens de administratie zou de vordering tot teruggaaf zijn ontstaan op 18 november 2008, namelijk de dag waarop het faillissement van D. bvba werd uitgesproken. De appellante heeft zich niet akkoord verklaard met deze correctieopgave. Op 30 juli 2018 werd een proces-verbaal opgesteld dat per aangetekende brief aan de appellante ter kennis werd gebracht. Volgens de administratie is de appellante 134.047,67 EUR btw in hoofdsom verschuldigd, samen met een proportionele boete van 13.400 EUR en intresten vanaf 21 januari 2017.
Op 12 november 2018 (aangevuld op 18 april 2019) diende de appellante een bezwaarschrift in tegen deze navordering van btw, boete en intresten.
Op 21 november 2018 ging de appellante over tot betaling van de gevorderde bedragen onder voorbehoud van betwisting. De appellante stelde tegelijk de geïntimeerde in gebreke dit bedrag terug te betalen. Bij e-mail van 3 december 2018 heeft de geïntimeerde meegedeeld dat de betalingen zouden worden teruggestort. Op 5 december 2018 ontving de appellante de terugbetaling. Op 20 december 2018 deelde de appellante aan de geïntimeerde mee dat ze de terugbetaling interpreteert als een erkenning dat geen bedragen meer verschuldigd zijn en de grieven als ingewilligd kunnen worden beschouwd. Bij brief van 15 januari 2019 deelde geïntimeerde mee dat de terugstorting geen beslissing over het bezwaar zou inhouden en evenmin betekent dat de administratie afziet van haar vordering. De appellante betwistte dit standpunt van de administratie bij brief van 17 januari 2019.
Inmiddels werd op 19 november 2018 een dwangbevel met artikelnummer 50...69 uitgevaardigd door de administratie, dat op 28 november 2018 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, en aan de appellante ter kennis gebracht per aangetekende brief van 3 december 2018.
In de beslissing van 5 juni 2019 wees de geïntimeerde het bezwaar af als ongegrond.
Op 17 juni 2019 en na ontvangst van een verzoek tot betalen heeft concluante 179.013,95 EUR betaald onder voorbehoud van betwisting.
Met een verzoekschrift van 12 augustus 2019 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
In het vonnis van 2 november 2020 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste
aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist om:
- de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3 De vorderingen van de partijen
3.1 De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het ingestelde hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.
Dienvolgens het bestreden vonnis d.d. 2 november 2020 van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, gekend onder rolnummer 18/1044/A te vernietigen en opnieuw wijzende te hervormen als volgt:
In hoofdorde:
- Voor recht te zeggen dat concluante haar vordering tot teruggaaf tijdig heeft uitgeoefend en vervolgens het dwangbevel met referentie nr. 50...69 uitgevaardigd op 19 november 2018 door de heer Anthony Martin, adviseur invordering — ontvanger, Team Invordering Rechtspersonen Gent 1, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 november 2018 door dhr. Bernard Honoré, Adviseur-generaal Centrumdirecteur van GO Gent Expertise 1 en aan concluante betekend bij aangetekende brief d.d. 3 december 2018, volledig te vernietigen,
minstens de gestelde vordering ongegrond te verklaren;
- In de mate dat uw Hof van oordeel zou zijn dat een beslissing op dit punt noodzakelijk is een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. Meer concreet kan de volgende vraag worden voorgelegd:
Dienen beginselen van richtlijn 2006/112, en meer in het bijzonder de beginselen van neutraliteit en doeltreffendheid, aldus te worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een interpretatie van een nationaalrechtelijke regeling die erin voorziet dat in geval van een faillissement, de driejarige verjaringstermijn met betrekking tot de vordering tot teruggaaf in elk geval aanvangt op het moment van het vonnis van faillietverklaring, zonder daarbij rekening te houden met de concrete omstandigheden eigen aan het geval, in casu een persoonlijke borgstelling, waardoor de vordering nog niet definitief verloren was gegaan?
In ondergeschikte orde:
Te oordelen dat de geldboete, evenals de nalatigheidsinteresten die aan concluante werden opgelegd een niet louter vergoedend karakter vertonen, en deze bijgevolg kwijt te schelden, minstens verminderen.
Geïntimeerde tevens te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten belope van 6.500,00 EUR zowel in eerste aanleg als in beroep (aangezien het bedrag van de vordering zich in de schijf van 100.000,01 EUR tot 250.000,00 EUR bevindt) alsmede de verplichte bijdrage aan het Fonds voor juridische tweedelijnsbijstand (20 EUR) tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde en bedragen, verhogingen en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten.
3.2 De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
het hoger beroep van appellante ontvankelijk te verklaren, maar in zijn geheel als ongegrond af te wijzen;
het vonnis a quo van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent, zesde kamer, van 2 november 2020, met rolnummer AR 19/2372/A te bevestigen; voor recht te zeggen dat de nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn en dat de administratieve geldboete rechtsgeldig gevestigd werd;
appellante te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen, in graad van hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op het basisbedrag van 6.500,00 EUR, zijnde de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding;
gezien de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.
4 De betwistingen en hun beoordeling
4.1 Eerste middel: "in hoofdorde: concluante heeft de vordering tot teruggaaf tijdig uitgeoefend en heeft bijgevolg recht op teruggaaf"
1. Artikel 77, § 1, 7 W.btw bepaalt:
"Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven:
7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan."
Artikel 82 W.btw bepaalt:
"De vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat."
Artikel 82bis W.btw bepaalt:
"Er is verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan."
Artikel 3 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde bepaalt:
"De vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet.
De vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, van het Wetboek ontstaat: — in geval van faillissement, op de datum van het vonnis van faillietverklaring;
— in geval van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord, op de datum van de homologatie door de rechtbank, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het reorganisatieplan;
— in geval van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord, op de datum van het vonnis dat het minnelijk akkoord vaststelt, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het akkoord;
— op de datum van de uitspraak tot sluiting van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, wat betreft de schuldvorderingen die ten gevolge van de overdracht niet konden worden aangezuiverd."
2. De appellante beroept zich op artikel 77, § 1, 7° W.btw om teruggaaf te krijgen. Volgens de appellante houdt die bepaling in dat de oorzaak van de vordering tot teruggaaf ontstaat op het moment waarop de schuldvordering werkelijk geheel of ten dele verloren is gegaan. Dit hangt volgens de appellante af van de concrete feitelijke omstandigheden. Het definitief verlies van de vordering stond volgens de appellante hier niet vast op 18 november 2008, zijnde de dag waarop het faillissement werd uitgesproken van D. bvba, maar wel op 2 februari 2012, zijnde de dag waarop de - schuldbemiddelingsrechter van de arbeidsrechtbank definitief oordeelde over de aanspraken van de appellante in verband met het vermogen van de heer P. B..
P. B. had zich reeds op 11 juli 2007 persoonlijk ten aanzien van de appellante borg gesteld voor de schulden van D. bvba. De appellante stelt dat in geval van het faillissement van de vennootschap ze toch nog de betaling van haar schuldvordering kon ontvangen van de zaakvoerder.
3.De administratie verwijst naar artikel 82bis W.btw dat bepaalt dat de vordering tot teruggaaf verjaart na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan. De vordering tot teruggaaf, gesteld in november 2015, is volgens de administratie laattijdig en dus verjaard omdat uit de voormelde artikelen 77 W.btw en artikel 3 KB nr. 4 volgt dat die vordering ontstaan is op de datum waarop het faillissement werd uitgesproken (18 november 2008).
4.De vordering tot teruggaaf van btw in geval van het definitief verlies van een vordering is voorzien in de artikelen 90 en 185 van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006, betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Het Hof van Justitie heeft zich reeds veelvuldig uitgesproken over de invulling door de lidstaten en hun nationaalrechtelijke bepalingen met betrekking tot deze problematiek (o.a. (HvJ C127/18, A-P. C. s.r.o., pt. 17; HvJ C-672/17, T., pt. 29; HvJ 23 november 2017, C-246/16, D. M., pt. 17 en 20-21; HvJ 15 oktober 2020 C335/19; HvJ 11 juni 2020, C-146/19, SCT; allen consulteerbaar via www.curia.europe.eu). Deze rechtspraak heeft veelal betrekking op de voorwaarden die de lidstaten opleggen en waaraan de btw belastingplichtige moet voldoen om de teruggaaf te verkrijgen. De criteria van de neutraliteit en de doeltreffendheid van het btw stelsel zijn bij die boordelingen steeds van groot belang.
5.De administratie geeft de ontstaanshistoriek weer van het hoger geciteerde artikel 3 van KB nr. 4 (Wet van 7 april 2005). In geval van (onder meer) een faillissement ontstond voor de onbetaald gebleven schuldeiser (maar ook voor de administratie) vaak een lange periode van onzekerheid over de teruggaaf van de btw omdat het vaak lang onduidelijk bleef wanneer en voor hoeveel de schuldvordering definitief verloren was en of er nog een dividend uit het faillissement mocht worden verwacht.
De administratie stelt dat de Wet van 7 april 2005 (BS, 20 april 2005) tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, de faillissementswet van 8 augustus 1997 en het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, strekkende tot een rechtvaardiger fiscale behandeling van de schuldeisers in het kader van een gerechtelijk akkoord of faillissement, precies heeft willen bijgedragen tot het beter realiseren van de (unierechtelijke) doelstellingen van rechtszekerheid, doeltreffendheid en neutraliteit. Er werd rechtszekerheid gecreëerd voor de belastingplichtige schuldeiser in geval van een openstaande vordering op het moment van het faillissement van de schuldenaar/medecontractant. Er diende niet meer gewacht te worden op een attest van de curator of tot de sluiting van het faillissement.
6.De appellante stelt dat die regeling in haar nadeel is omdat ze meent op grond van artikel 77, §1, 7°, W.btw te mogen wachten voor het stellen van haar vordering tot teruggaaf (tot drie jaar) vanaf het moment waarop de vordering volgens haar werkelijk definitief verloren was in hoofde van de borgsteller van haar medecontractant.
Naar het oordeel van het hof dient de borgstelling vanwege de zaakvoerder van haar medecontractant in het licht van de hier toepasselijke (en specifieke) btw reglementering los te worden gezien van de (positie van de) schuldvordering in de relatie tussen die twee btw belastingplichtigen. Zoals reeds vermeld, bestaat er op zich geen betwisting over het feit dat de schuldvordering definitief verloren was ten aanzien van de medecontractant van de appellante, met name hier D. bvba, precies ingevolge het faillissement van die medecontractant. Aangezien er geen betwisting over was dat de vordering ten aanzien van de medecontractant D. bvba ingevolge het faillissement definitief verloren was, heeft niets de appellante op dat moment belet om toepassing te maken van haar recht op teruggaaf. Die feitelijke situatie van de appellante was ook in overeenstemming met (het opzet van de wetgever bij de invoering van) artikel 3 KB nr. 4. De administratie heeft de appellante in die mogelijkheid niet belemmerd of verhinderd. Het was de vrije keuze en interpretatie van de appellante om geen gebruik te maken van het recht op teruggaaf waarover ze vrij kon beschikken en de verjaringstermijn voor die vordering te laten verstrijken.
Aan dit feit doet geen afbreuk de vaststelling dat de zaakvoerder van die vennootschap zich in een met de hand geschreven verklaring borg stelde voor de vorderingen van de vennootschap ten aanzien van de appellante. Dat de appellante zich na het faillissement richtte tot de borg bevestigt het definitief verlies van de vordering ten aanzien van haar medecontractant. Op dat moment ontstond kennelijk op basis van een borgstelling een andere rechtsverhouding die niet voorzien is in de btw regelgeving en die niet naar analogie uitgebreid kan worden naar de situatie waarin de appellante zich bevond. De administratie maakte een correcte toepassing van de geldende rechtsregels op basis van de feiten.
De feiten en de toepasselijke rechtsregels van het huidige geschil verschillen wezenlijk met deze die aanleiding gaven tot het arrest van het Hof van Justitie van 3 maart 2021, waarnaar de appellante verwijst (Hof van Justitie 3 maart 2021 , C-507/20).
De stelling van de appellante dat de wettelijke regeling in het nadeel van de btw belastingplichtige is indien zij/hij meent dat ondanks het faillissement zijn schuldvordering ten aanzien van zijn medecontractant niet definitief verloren is, is hier niet toepasselijk. Aangezien die situatie hier niet toepasselijk is, komt het hof niet toe daarover een uitspraak te doen. Bovendien kan opgemerkt worden dat de regeling voorziet in een regularisatie in geval van terugkeer naar beter fortuin of uitkering van een dividend.
4.2 Tweede middel — in ondergeschikte orde: "de aan concluante opgelegde interesten zijn dermate hoog, waardoor zij het karakter van een strafsanctie overeenkomstig artikel 6 EVRM hebben, en de rechter deze interesten enlof de administratieve boete kan kwijtschelden, minstens matigen"
1.De appellante meent dat de toepassing van de nalatigheidsinteresten van 0,8% op maandbasis of 9,6% op jaarbasis, concreet hier 31.097,28 EUR op een som van 134.047,67 EUR, een vorm van sanctionering uitmaakt.
2.De Koning heeft slechts de bevoegdheid gekregen om een aanpassing te doen wat de btw betreft wanneer zulks ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is. Het referentiekader dat de wetgever daarmee aanreikt, is dus niet beperkt tot dat van de 'wettelijke rentevoet' (zijnde deze bepaald overeenkomstig de wet van 5 mei 1865).
Wat de renteregeling betreft, is een verschillende werkwijze voor de btw in vergelijking met deze voor de inkomstenbelastingen ook verantwoord en zelfs aangewezen.
Kenmerkend voor het stelsel van de btw — en onderscheidend met dat van de inkomstenbelasting — is immers dat de belastingplichtige in de regel ontvanger is van de btw die aan de Schatkist verschuldigd is, daarvan periodiek aangifte moet doen en deze meteen (vanaf de 20ste dag na het belastbaar tijdperk) uit eigen beweging moet betalen. Het is in die omstandigheden van fundamenteel belang voor de vlotte werking van het btw-stelsel dat elke vertraging in de betaling van de (netto per aangifteperiode betaalbare) btw door de belastingplichtige een nalatigheidsinterest verschuldigd maakt. Aangezien de btw-belastingplichtige zelf aangifte moet doen van de (aftrekbare en te betalen) btw, weet hij ook (of moet hij minstens geacht worden te weten) dat en hoeveel hij (per saldo) verschuldigd is, minstens afdoende om een gepast voorschot te betalen. Het is in die zin dus terecht dat die nalatigheidsinterest 'van zelf' (krachtens de wet) en automatisch verschuldigd wordt (behalve voor kleine bedragen).
Het is wegens die kenmerken van de wijze waarop de inning van de btw geregeld is, fundamenteel dat het tarief van de nalatigheidsinterest voldoende hoog is om te vermijden dat de belastingplichtige zichzelf al te gemakkelijk een krediet zou (kunnen) verschaffen jegens de Schatkist. In het belang van de Schatkist (en dus van alle gezamenlijke belastingbetalers, zijnde ook het 'algemeen belang') moeten de belastingen 'doorlopend' binnenkomen. Daarom is het aangewezen om het tarief van de nalatigheidsinterest hoog genoeg te bepalen en zelfs iets hoger dan gemiddeld op de markt mogelijk is. Dat tarief mag immers ontradend zijn ten aanzien van de mogelijkheid om jegens de Schatkist krediet aan te gaan. Dit betekent daarom niet dat de rentevoet kan worden aangemerkt als bestraffend. De intrest is niet als een straf gekwalificeerd, evenmin als dusdanig geconcipieerd of bedoeld. De intrest heeft geen repressief karakter.
Waar de btw-belastingplichtige in de regel (zoals hier) een onderneming is, is de 'wettelijke rentevoet in de handelstransacties' (artikel 5 Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, gewijzigd door de wet van 22 november 2013) een relevant vergelijkingspunt.
Sinds het eerste semester van 2017 is de wettelijke rentevoet in de handelstransacties op 8% per jaar vastgesteld (zie publicaties in de bijlagen aan het Belgisch Staatsblad van 30/01/2017, 13/07/2017, 24/01/2019, 25/07/2018, 29/01/2019, 18/07/2019, 06/02/2020 en 24/08/2020) (en was daarvoor een tijdlang zelfs hoger).
Tegen deze achtergrond volgt uit het feit dat de rentevoet voor de nalatigheidsinterest op niet tijdig betaalde btw in onverminderd op 0,8% per maand en dus 9,6% per jaar was bepaald, dat de intrest een vergoedend en geen repressief karakter heeft, niet als een straf kan worden aanzien en evenmin in strijd is met het eigendomsrecht. Zelfs wanneer dat tarief hoger ligt dan dat wat toepasselijk is voor de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties, blijft het redelijk verantwoord gelet op de doelstelling om de betaling van de btw te verzekeren.
3. De opgelegde boete van 10% is opgelegd overeenkomstig artikel 70, §1 W.btw en tabel H van de bijlage bij het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele geldboeten. De boete werd aangekondigd en regelmatig opgelegd. De boete bevindt zich in een evenredige verhouding met de aard, de ernst en de omvang van de overtreding. Er zijn geen redenen om de boete te verminderen of kwijt te schelden. Bovendien kan nog worden opgemerkt dat de appellante aan de administratie de vermindering of vrijstelling van de boeten en intresten kon vragen.
5 De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.
Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het geïndexeerde basisbedrag gehanteerd worden.
Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 6.500,00 euro toepasselijk.
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
het bestreden vonnis wordt bevestigd.
veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger
beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):
bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR
- aan de kant van de geïntimeerde:
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 6.500,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 15 februari 2022.
Aanwezig:
S.R., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend
J. D., griffier
Jugement du tribunal de première instance
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg, Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde burgerlijke kamer
Vonnis van 02/11/2020
Rol: 19/2372/A
In de zaak van:
A. V. d. B. e. Z., met zetel te ..., met ondernemingsnummer 04...40, in eigen naam en tevens voor zoveel als nodig namens de btw-eenheid G. V. d. B. E.-G., met zetel te ..., met btw-nummer 05...96
eisende partij; met als raadsman meester L. D., advocaat met kantoor te ... ref.: …);
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum Grote Ondernemingen, met kantoren gevestigd te 9050 Gent-Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 703,
verwerende partij, voor.wie optreedt mevrouw X en mevrouw X., beiden attaché bij een fiscaal bestuur;
VONNIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:
I. DE RECHTSPLEGING
De rechtbank hoorde partijen in hun argumenten op de openbare terechtzitting van 5 oktober 2020. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift van 12 augustus 2019, het btw-dwangbevel met artikelnummer 50...69 en de conclusies van partijen.
II. DE VORDERING
Eiseres vordert in 'conclusie' om, de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:
"Voor recht te zeggen dat [eiseres] haar vordering tot teruggaaf tijdig heeft uitgeoefend en vervolgens het dwangbevel met referentie nr. 50...69 uitgevaardigd op 19 november 2018 door de heer X, adviseur invordering - ontvanger, Team Invordering Rechtspersonen Gent 1, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 28 november 2018 door dhr. X, Adviseur-generaal Centrumdirecteur van GO Gent Expertise 1 en aan [eiseres] betekend bij aangetekende brief d.d. 3 december 2018, volledig te vernietigen, minstens de gestelde vordering ongegrond te verklaren.
Vervolgens de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, administratieve boete en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten in toepassing van artikel 91, § 4 WBTW en tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 van het Ger. W. vastgesteld op het basisbedrag gelijk aan 6.000,00 EUR per aanleg."
Verweerster vordert in 'conclusies' de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren en vervolgens eiseres te veroordelen tot de gedingkosten.
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL
1.Eiseres heeft in haar maandaangifte van november 2015 haar vordering tot teruggaaf van btw uitgeoefend voor een bedrag van 134.047,67 EUR. Aanleiding daartoe was het faillissement van bvba D. op 18 november 2008.
2.In een proces-verbaal van 30 juli 2018 verwerpt de fiscale administratie deze teruggaaf omdat de vervaltermijn, die liep tot 31 december 2011, binnen dewelke eiseres haar vordering tot teruggaaf kon uitoefenen, was verstreken en dus was verjaard.
3.Op 13 november 2018 diende meester D. V., de raadsvrouw van eiseres, overeenkomstig artikel 84, eerste alinea W.BTW een administratief beroep in tegen de vordering tot betaling van btw, zoals die is opgenomen in het proces-verbaal van 30 juli 2018 dat op dezelfde dag per aangetekende brief ter kennis werd gebracht van eiseres.
4.Op 19 november 2018 werd een dwangbevel met artikelnummer 50...69 opgemaakt. Dit werd op 28 november 2018 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 3 december 2018 per aangetekende zending aan eiseres verzonden.
5.Eiseres had de verschuldigde bedragen betaald, maar er werd op verzoek van meester D. V. bij de verantwoordelijke van de administratie 'Inning en Invordering' om terugbetaling gevraagd.
6.Bij aangetekend schrijven van 15 januari 2019 werd meester D. V. op de hoogte gebracht
dat de terugbetaling niet moet gezien worden als een beslissing over het lopende bezwaar, dat de terugstorting van de bedragen geenszins als een beslissing over het bezwaar aanzien mag worden en dat het evenmin betekent dat de fiscale administratie van haar vordering afziet.
7.In de fase van het onderzoek van het bezwaarschrift werd meester D. V. op 27 maart 2019
gehoord en kreeg zij inzage in het volledig administratief dossier.
8.Op vraag van de fiscale administratie - geschillendienst bezorgde meester D. V. in een begeleidend schrijven op 23 april 2019 een reeks bijkomende documenten dewelke bij het geschillendossier werden gevoegd.
9.Bij beslissing van 5 juni 2019 werd het bezwaar van eiseres afgewezen.
10.Op 17 juni 2019 en na ontvangst van een verzoek tot betalen heeft eiseres 179.013,95 EUR
betaald, met name:
- btw: 134.047,67 EUR
- Administratieve geldboete: 13.400 EUR
- Interesten: 31.097,28 EUR.
Bij aangetekende brief van dezelfde datum deelde eiseres aan de fiscale administratie mee dat de betaling was gebeurd onder voorbehoud van betwisting.
11.Eiseres kon zich niet vinden in deze afwijzende beslissing zodat zij op 12 augustus 2019 een verzoekschrift neerlegde ter griffie van deze rechtbank.
IV. BEOORDELING
1. Ontvankelijkheid
Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.
2. Ten gronde
2.1.
Volgens eiseres heeft zij recht heeft op teruggaaf van de btw over de facturen aan de bvba D. overeenkomstig artikel 77 §1, 7' W. BTW. Zij heeft tijdig haar vordering tot teruggaaf uitgeoefend, deze is niet verjaard.
2.2.
Artikel 77, § 1, 7° W. BTW luidt:
"Onverminderd de toepassing van artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven:
7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan."
De wet van 7 april 2005 heeft artikel 79 W. BTW aangepast door een derde lid toe te voegen:
"De leverancier of de dienstverrichter die tot beloop van het passende bedrag teruggaaf heeft bekomen van de belasting in geval van geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs, moet, in de veronderstelling dat de schuldenaar opnieuw vermogend is geworden en later het geheel of een gedeelte van de oninvorderbaar gewaande som aan de schuldeiser betaalt, aan de Staat het bedrag van de belasting terugstorten dat overeenstemt met het ingevorderde bedrag, en dit door het op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij deze storting heeft ontvangen".
Artikel 82 W. BTW luidt:
"De vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat."
Artikel 82bis W. BTW luidt:
"Er is verjaring voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan."
Artikel 3 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde bepaalt:
"De vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet. De vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7', van het Wetboek ontstaat:
- in geval van faillissement, op de datum van het vonnis van faillietverklaring;
- in geval van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord, op de datum van de homologatie door de rechtbank, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het reorganisatieplan;
- in geval van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord, op de datum van het vonnis dat het minnelijk akkoord vaststelt, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het akkoord;
- op de datum van de uitspraak tot sluiting van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, wat betreft de schuldvorderingen die ten gevolge van de overdracht niet konden worden aangezuiverd."
Artikel 3 van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake B.T.W. bepaalt:
"De vordering tot teruggaaf ontstaat op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet. De vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7°, van het Wetboek ontstaat:
- in geval van faillissement, op de datum van het vonnis van faillietverklaring;
- in geval van gerechtelijke reorganisatie door een collectief akkoord, op de datum van de homologatie door de rechtbank, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het reorganisatieplan;
- in geval van gerechtelijke reorganisatie door een minnelijk akkoord, op de datum van het vonnis dat het minnelijk akkoord vaststelt, wat betreft de schuldvorderingen waarvan de vermindering werd opgetekend in het akkoord;
- op de datum van de uitspraak tot sluiting van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, wat betreft de schuldvorderingen die ten gevolge van de overdracht niet konden worden aangezuiverd."
2.3
De rechtbank stelt vast dat de datum van het vonnis van het faillissement van de bvba D. 18 november 2008 is.
Overeenkomstig artikel 3 van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake btw ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de oorzaak van teruggaaf zich voordoet. In het geval van een faillissement, zoals in het voorliggende geschil, is dit tijdstip de datum van het vonnis van faillietverklaring. De vordering tot teruggaaf in de maandaangifte van november 2015 is dan ook niet tijdig uitgeoefend.
2.4.
De rechtbank kan geen rekening houden met de situatie van een persoonlijke zekerheidsstelling vermits artikel 3 van het K.B. nr. 4 hierin niet voorziet. De zienswijze van eiseres, dat enkel met het vonnis van de Arbeidsrechtbank van 2 februari 2012 dan wel met het overlijden van de heer P. B. dient rekening te worden gehouden om het tijdstip van het ontstaan van de vordering tot teruggaaf te bepalen wordt niet gedeeld door de rechtbank.
2.5.
De zienswijze van eiseres, dat verweerster de wettelijke verjaringstermijn aanzienlijk heeft verkort, wordt al evenmin gedeeld door deze rechtbank. De wettelijke verjaringstermijnen voorzien in artikel 81, 82, 82bis W. BTW werden door de wet van 7 april 2005 niet gewijzigd. De verjaringstermijn is drie jaar gebleven.
De wet van 7 april 2005 heeft enkel het tijdstip van het ontstaan van de vordering tot teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, 7° W. BTW vervroegd tot de datum van faillietverklaring, zonder afbreuk te doen aan de wettelijke verjaringstermijn van artikel 82bis W. BTW.
Artikel 82bis W. BTW bepaalt duidelijk dat er verjaring is "voor de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan."
2.6.
De rechtbank is van oordeel, op grond van de hierboven gemaakte overwegingen, dat er dan ook geen schending voorligt van het legaliteitsbeginsel noch van het neutraliteitsbeginsel.
Besluit
2.7.
Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen als niet ter zake dienend.
De vordering van eiseres is ongegrond.
V. GERECHTSKOSTEN
1.De kosten omvatten in de voorliggende zaak onder meer de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1018, 6° Gerechtelijk Wetboek).
In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.
2.Aangezien verweerster geen beroep op een advocaat heeft gedaan, kan zij ook geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. In deze omstandigheid is het dan ook overbodig tot begroting ervan over te gaan.
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
- alle meeromvattende en strijdige argumenten te verwerpen als niet ter zake dienend; - de vordering van eiseres ontvankelijk en ongegrond te verklaren;
- eiseres te veroordelen tot de kosten van deze aanleg met name de bijdrage bedoeld in artikel 4 § 2 en 5 §§ 1 en 2 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 20,00 EUR ten hare laste te leggen en te zeggen voor recht dat dusver geen andere kosten van het geding te begroten zijn.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de kamer G6 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent op maandag twee november tweeduizend twintig, waar aanwezig waren:
-de heer T. L., rechter, voorzitter van deze kamer,
-mevrouw D. H., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.
Textes cités
17Jurisprudence
3Belgique
3Cour de cassationF.22.0126.N20.06.2024
Faillite, remboursement de la taxe, restitution
Tribunal de première instance de Bruxelles2023/6206/A04.03.2026
Location, Contrôle, Régularisation
Tribunal de première instance de Bruxelles2023/6206/A04.03.2026