Prescription, Retenue de crédits d’impôt, Acte interruptif · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Anvers 2 octobre 2017

Rechercher
Texte en néerlandais

Prescription, Retenue de crédits d’impôt, Acte interruptif

https://juriel.be/fr/jurisprudence/prescription-retenue-credits-impot-acte-tribunal-anvers-2017-10-02-9cc5

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Anvers
Date
2 octobre 2017

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

87 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance d’Anvers du 02.10.2017

WF-707-15-16/045198

[Défavorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Prescription – Retenue de crédits d’impôt – Acte interruptif – Rédaction d’un procès-verbal – Délivrance d’une contrainte

Dispositions légales

Article 81bis, § 1er, premier alinéa, du Code de la TVA

Article 83, § 1er, alinéas 1 et 2, du Code de la TVA

Article 84 du Code de la TVA

Article 81 de l’arrêté royal n° 4

Résumé

L’assujetti, identifié à la TVA pour une activité de recyclage de substances inertes (graisse de friture), a été déclaré en faillite. Au cours des années 2012 et 2013, plusieurs comptes spéciaux ont été ouverts dans son chef pour dépôts tardifs de déclarations périodiques à la TVA. Lors d’un contrôle, la comptabilité n’a été présentée qu’en partie. Cela concerne la période courant du 1er janvier 2011 au 30 mars 2013. L’assujetti n’a pas marqué son accord sur le relevé de régularisation qui avait été soumis à son approbation. Le 17 novembre 2014, un procès-verbal a été rédigé.

Le 27 janvier 2016, un avocat agissant pour le curateur a déposé une requête contradictoire au greffe.

La requérante estime que l’action en recouvrement est prescrite et a, dès lors, introduit une action afin d’obtenir le remboursement d’un crédit de TVA retenu d’un montant de 125.418,44 €.

L’administration, non seulement ne considère pas qu’aucun acte interruptif de la prescription n’a été posé mais soutient au contraire qu’elle détient une créance fiscale certaine, liquide et exigible qui lui permet d’imputer le crédit de TVA à l’apurement de la TVA due au sens de l’article 81 de l’arrêté royal n° 4.

Cela n’est cependant pas la question. L’administration ne présente pas un seul acte interruptif. Aucune contrainte visée par les articles 85 et 83, § 2, du C.TVA n’existe. On ne trouve pas de trace de la notification de la retenue du crédit d’impôt et encore moins de la lettre recommandée exigée par l’article 81, § 3, 8ème alinéa, de l’arrêté royal n° 4.

En outre, le curateur a marqué son désaccord sur le relevé de régularisation dans une lettre datée du 13 février 2015, certes dans une simple liste reprenant les motifs, et ce sans réaction de l’administration. Il est possible que cette dernière n’ait pas réagi.

La créance fiscale n’était pas certaine, liquide et exigible. En conclusion, à défaut d’acte interruptif, la prescription est acquise pour les années 2011 et 2012.

Le tribunal déclare l’action en justice recevable et condamne l’administration au remboursement de la somme de 106.094,10 € à laquelle s’ajoutent les intérêts moratoires courant à partir du 27 janvier 2016.

Remarque

L’Etat belge ne dispose pas de moyens pour se porter en appel. Les sommes sont définitivement prescrites en raison de l’absence d’acte interruptif. La rédaction d’un relevé de régularisation et la rédaction d’un procès-verbal ne sont évidemment pas suffisantes. Lorsqu’il y a désaccord, une contrainte doit toujours être décernée et ce également lorsque les sommes ont déjà été retenues.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Rolnummer: 16/ 481/A

lnzake:

Meester … , advocaat, Kantoorhoudende te … , - in zijn hoedanigheid van curator, aangesteld door de rechtbank van Koophandel te Antwerpen bij vonnis van 30 april 2013, van de failliete NV V-R, ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het ondernemingsnummer … , met zetel te … , eisende partij

- vertegenwoordigd ter zitting door Mr. … , advocaat, kantoorhoudende te … ,

TEGEN:

BELGISCHE STAAT

in de persoon van de minister van Financiën, van wie de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal-directeur van het centrum KMO Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4, verwerende partij -vertegenwoordigd door de heer … , in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.


Gelet op de stukken in het dossier van de rechtspleging waaronder:

•Het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 27 januari 2016;

•de synthesebesluiten namens eisende partij, neergelegd op 27 februari 2017;

•de synthesebesluiten namens verwerende partij, neergelegd op 30 mei 2017;

•de stukken van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Gehoord de partijen in hun middelen en besluiten, ontwikkeld in de Nederlandse taal ter terechtzitting van 4 september 2017.


Het geschil behelst BTW inzake NV V-R, maandaangeefster.

Zij werd, op eigen aangeven, in staat van faillissement verklaard op 30 april 2013.

Zij werd indertijd voor de BTW geregistreerd voor activiteit 'terugwinning van inerte stoffen', lees van frituurvet.

Er waren op 31 maart 2012, 30 juni 2012, 28 februari 2013 en 30 juli 2013, in haren hoofde bijzondere rekeningen geopend bij laattijdige aangiften.

De belastingdienst nam controle voor, maar verkreeg de boekhouding niet ter inzage, althans slechts ten dele.

Het betreft de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 maart 2013.

Een correctieopgave van 22 januari 2014, ter verwerping van de aftrek, leidde niet tot gevolg.

Hetzelfde geldt voor een correctieopgave van 14 november 2014. Op 17 december 2014 kwam het dan tot een proces-verbaal.

ln hoofdzaak gaat het daar om ais onbewezen verworpen intracommunautaire leveringen. De curator schreef op 13 februari 2015:

'... lk kan de voor U opgestelde correctieopgave niet aanvaarden. lk zal U dit in een afzonderlijke brief motiveren en kom hiermee bij U terug'.

Een raadsman voor de curator legde op 27 januari 2016 een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie.

Het wordt geformuleerd ais vordering tot terugbetaling van een BTW-tegoed in het voordeel van de gefailleerde, zulks ten bedrage van 146.668,22 EUR.

Het verwijst naar een elektronisch bericht (e-mail) van de belastingdienst van 6 februari 2014.

Ontvankelijkheid van de rechtsvordering staat niet in betwisting.

Ten gronde 1.

1. Eiser stelt dat de fiscale vordering verjaard is voor de jaren 2011 en 2012 (in de mate dat meer wordt gevorderd dan 17.574,34 EUR aan rechten, 1.750,00 EUR aan boete en de nalatigheidsintrest over de vermelde bedragen.

lnhoudelijk stelt eiser dat ten onrechte werd overgegaan tot verwerping van de vrijstelling van BTW inzake intracommunautaire leveringen

Eiser knoopt hieraan een vordering tot terugbetaling van 125.418,44 EUR aan ingehouden BTW - tegoeden meer moratoire intrest (art.91 §3 Wetboek BTW) vanaf 1 april 2014, minstens moratoire intrest (art.91 §4 Wetboek BTW) vanaf datum van instelling van de rechtsvordering.

Verweerder betwist aile vorderingspunten (behoudens onrechtmatig verrichte aanrekening van 908,80 EUR intrest).

2. Verjaring- 2011- 2012

De verjaringstermijn voor 2011 liep tot 31 december 2014.

De verjaringstermijn voor 2012 liep tot 31 december 2015.

Verweerder houdt niet voor dat er stuitingsdaden ten opzichte van de verjaring werden gesteld.

Wél poneert hij dat het volstond dat hij beschikte over een zekere, vaststaande en opeisbare (fiscale) vordering om de BTW - tegoeden te kunnen aanwenden tot aanzuivering van verschuldigde BTW (en ook van inkomstenbelasting), zulks in de zin van art.8/1 van KB 4 inzake BTW.

Dit lijkt echter niet de kwestie.

Verweerder wijst met name geen daad van stuiting van verjaring aan.

ln het bijzonder ligt ook geen dwangbevel voor in de zin van art.85 en art.83 §2 Wetboek BTW (zie en vgl.Cass.9 maart 2006, C040284N, ook TFR 2006/81).

Ook treft men geen kennisgeving van inhouding van BTW-tegoed, laat staan bij wijze van aangetekende brief, naar vereiste van art.8/1 §3 lid 8 van KB 4 inzake BTW.

Voorts heeft de curator de correctieopgave(n) van verweerder betwist in een brief van 13 februari 2015, weliswaar summier, maar hoe dan ook.

Dit deed hij weliswaar in loutere aankondiging van te volgen motieven, zonder daarop enige reactie vanwege de belastingdienst.

Mogelijk heeft deze laatste zich hierdoor 'in slaap laten wiegen'.

De fiscale vordering was bijaldien niet zeker, vaststaand en opeisbaar.

Per slotsom is verjaring ingetreden voor de jaren 2011 en 2012 bij gebrek aan stuitingsdaad.

3. 2013 (januari tot en met maart)

Op geen enkele wijze werd aangetoond dat de gefailleerde eiseres overging tot intracommunautaire leveringen in de zin van art.39bis Wetboek BTW.

Zulks zelfs onder de soepele bewijsregeling van art.52 van KB 52 inzake BTW.

De CMR-documenten (voor zover er al zijn) werden zowel uitgegeven door de bestemmeling ais door hem afgetekend.

Enig leveringsdocument ligt niet voor, evenmin ais enig spoor van vervoer naar en tot in Nederland.

Het lijkt er dan ook op dat de Nederlandse firma slechts hand- en spandiensten verleende voor NV V-R en men niet kan nagaan waar de betrokken vetten uiteindelijk zijn geëindigd.

4. Over de bedragen op zich loopt ais dusdanig geen betwisting.

5. Over het bedrag der rechtsplegingvergoeding bestaat geen onenigheid.

Dispositif

OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk, verder ais volgt gegrond,

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan de curator qualitate qua van de som 106.094,10 EUR, meer moratoire intrest krachtens art.91 §4 Wetboek BTW met ingang van de datum van instelling der rechtsvordering 27 januari 2016,

Veroordeelt verweerder tot de kosten,

Vereffent de kosten in hoofde van eiser op 6.000 (zesduizend) EUR bij wijze van wettelijk geïndexeerde rechtsplegingvergoeding,

Wijst eiser tenslotte af van het meer dan wel anders gevorderde.

Dit vonnis werd uitgesproken op twee oktober tweeduizend zeventien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:

Ondertekeningen

Textes cités

7
CTVA art. 834 occurrences
AR no 4 art. 813 occurrences
CTVA art. 913 occurrences
CTVA art. 81bis2 occurrences
CTVA art. 842 occurrences
CTVA art. 39bis1 occurrence
CTVA art. 851 occurrence

Décisions similaires

8