Motivation du procès-verbal, Registre de perception et recouvrement · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Gand 21 décembre 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Motivation du procès-verbal, Registre de perception et recouvrement

https://juriel.be/fr/jurisprudence/motivation-proces-verbal-registre-perception-tribunal-gand-2023-12-21-a170

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Gand
Date
21 décembre 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

145 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 21.12.2023

WF 710-15-21/016933

[Défavorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée - Motivation du procès-verbal - Registre de perception et recouvrement - Titre exécutoire - Loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs - Droit à déduction - Amende

Dispositions légales

Articles 45, § 1er, 81 bis, § 1er, et 85, § 1er, 3°, du Code de la TVA.

Résumé

1. Les faits et les antécédents de procédure

A l’occasion d'un contrôle, l'administration a constaté que l’assujettie déduisait à tort la TVA relative à des opérations visées à l'article 45, §1er, du Code de la TVA qui n'étaient pas ou insuffisamment prouvées ou démontrées.

Ces infractions ont été reprises dans un accord de règlement à l'amiable. Par la suite, l’assujettie a largement argumenté son désaccord. Néanmoins, les infractions ont été reprises dans deux procès-verbaux ne mentionnant pas de motivation plus explicite. Les montants de la TVA, des amendes et des intérêts ont ensuite été inscrits dans le registre de perception et recouvrement.

Une requête administrative a été déposée contre ces procès-verbaux. Cette requête été rejetée car considérée comme non fondée.

Par une requête datée du 25 janvier 2022, l’assujettie a introduit une action auprès du tribunal de première instance de Flandre-Orientale, division de Gand, contre les dettes fiscales susmentionnées.

2. Le jugement

a. La motivation des procès-verbaux et la nullité du titre exécutoire

Se référant à l'article 85, §1er, 3°, du Code de la TVA et à l'article 3 de la loi relative à la motivation formelle des actes administratifs, le tribunal juge que les procès-verbaux du 15 décembre 2020 (ainsi que le relevé de régularisation qui les a précédé) ne justifie pas suffisamment la dette fiscale.

Le tribunal décide donc d'annuler les inscriptions reprises dans le registre de perception et recouvrement.

b. La TVA déductible

Dans le cas d'une annulation de l'inscription reprise dans le registre de perception et recouvrement, le tribunal doit en principe toujours se prononcer sur l’existence et le montant de la dette de la taxe sur la valeur ajoutée (Cass. 3 mars 2011, F.08.0082.F, Cass. 23 décembre 2016, F.15.0083.N et Cass. 12 décembre 2019, F.18.0073.N, www.juportal.be) mais en tenant compte des conséquences de l'annulation, notamment en ce qui concerne la prescription.

Vu que que le tribunal juge que les inscriptions reprises dans le registre de perception et recouvrement étaient affectées de nullité et qu'aucun autre acte suspensif ou interruptif n'avait été pris durant le délai de prescription, conformément aux dispositions de l'article 81bis, §1er, du Code de la TVA, la dette TVA est dès lors prescrite.

c. L'amende

L'amende administrative n'est légalement due que lorsqu'elle est "infligée" par l'administration de la TVA, c'est-à-dire lorsqu'elle est concrétisée par un titre exécutoire. En raison de la nullité des inscriptions reprises dans le registre de perception et recouvrement, les amendes administratives ne sont pas dues.

Texte du jugement

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG OOST-VLAANDEREN, afdeling GENT, FISCAAL - ZESDE BURGERLIJKE KAMER

Vonnis van 21/12/2023

Rol: 22/214/A

IN DE ZAAK VAN :

BV B. A. D., KBO 041...23, met zetel te ...,

eisende partij, hebbende als raadsman mr. D. V. L., advocaat met kantoor te 9000 ...;

TEGEN:

De BELGISCHE STAAT, FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II Iaan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, KBO 0308.357.159, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal te KMO Gent Expertise 2, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6 bus 761,

verwerende partij, voor wie optreedt de heer X, attaché bij een fiscaal bestuur;

BESLIST DE RECHTBANK ALS VOLGT:

1. RECHTSPLEGING

De rechtbank hoorde op de openbare terechtzitting van 6 november 2023 partijen in hun argumenten. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam zij de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in.

De rechtbank heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taaigebruik in gerechtszaken.

2. RELEVANTE FEITEN EN PROCEDURELE VOORGAANDEN

2.1.

Eiseres is sedert 1 april 2013 als btw-belastingplichtige geregistreerd onder het nummer BE 041...23 voor de opgegeven activiteit "adviesbureau op het gebied van public relations en communicatie".

Eiseres is een managementvennootschap. In dit kader is zij actief als één van de directeuren van de Nederlandse vennootschap R. Z. H. BV (een fabrikant van maritieme elektronica, vnl. navigatie- en communicatietoestellen). Als tegenprestatie voor de geleverde diensten (management, consultancy, ...) factureert eiseres een managementvergoeding aan R. Z. H. BV.

Eiseres is eigenaar van een onroerend goed gelegen te ..., alwaar ook haar maatschappelijke zetel is gevestigd.

Op 22 oktober 2020 vond een (ruim vooraf aangekondigde) btw-controleplaats op de maatschappelijke zetel van eiseres met betrekking tot de handelingen die uitgevoerd werden in de periode van 1 januari 2017 tot 31 december 2018. De controle werd uitgeoefend in aanwezigheid van de gevolmachtigde boekhouder/accountant van eiseres. Daarbij nam de btw-administratie kennis van de volgende boeken, facturen en documenten met betrekking tot voormelde periode:

Aan- en verkoopfacturen;

Aan- en verkoopjournaal;

- Historiek Ieveranciers en klanten;

- Grootboekrekeningen.

Dit resulteerde in een correctieopgave van 28 oktober 2020 waarbij een totaalbedrag van 50.725,14 EUR (dit betreft een optelfout, het juiste totaal is 48.818,55 EUR waarover geen betwisting) verworpen werd ais ten onrechte in aftrek gebrachte btw omdat het gebruik voor de in artikel 45, 1 WBTW bedoelde handelingen niet of onvolledig werd aangetoond ("gebruik voor privé of andere doeleinden artikel 45, §1 en gemengd gebruik van bedrijfsmiddelen artikel 45,§1 quinquies"’). Daarbij werd een proportionele geldboete van 10% opgelegd (5.070 EUR). De correctieopgave werd op 29 oktober 2020 naar eiseres opgestuurd.

Tijdens de controle ter plaatse werden ook foto's genomen (ter onderzoek van het mogelijk beroepsmatig gebruik van delen/ruimten van de maatschappelijke zetel), waarbij een proces-verbaal van vaststellingen werd opgemaakt dat werd bijgevoegd aan voormelde correctieopgave.

2.2.

Eiseres antwoordde via haar advocaat per e-mail van 2 december 2020 (stuk 14 van eiseres) op basis van een uitgebreide argumentatie dat zij niet akkoord ging met de in de correctieopgave opgesomde bedragen aan verschuldigde btw en proportionele geldboeten, met uitzondering van een onterecht in aftrek gebrachte btw ten belope van 3.522,27 EUR. Tot slot signaleerde eiseres de optelfout op p. 9 van de correctieopgave.

In het bijzonder wat betreft de verwerping van de btw op de investeringen in en rond het onroerend goed in 2017 en 2018, was volgens eiseres de correctieopgave op tweeërlei vlak onvoldoende gemotiveerd (schending artikel 85, §1, lid 3 WBTW):

- Het beroepsmatig gebruik van het onroerend goed werd beperkt tot15% maar nergens lichtte de administratie toe hoe zij tot dit specifieke percentage was gekomen;

- Volgens de administratie zou er sprake zijn van een onroerende verhuur in plaats van een terbeschikkingstelling, maar nergens wordt toegelicht waarom dit het geval zou zijn (terwijl de administratie volgens eiseres de bewijslast draagt van de vrijgestelde handeling).

Op 15 december 2020 stelde de btw-administratie twee processen-verbaal op (met name over de jaren 2017 en 2018) voor een totale btw-schuld van 48.818,55 EUR (35.601,72 EUR + 13.216,83 EUR) aan onterecht in aftrek

gebrachte btw, verhoogd met een btw-boete van elk 10% (3.560 EUR + 1.320 EUR).

De btw-vordering werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder artikelnummers 500...37 en 500...41, uitvoerbaar verklaard op respectievelijk 21 december 2020 en 26 januari 2021.

Op 1 maart 2021 diende eiseres via haar advocaat daartegen een bezwaarschrift in. Zij kon slechts akkoord gaan met de verwerping van de btw-aftrek ten belope van 3.522,27 EUR. Voor het overige was de btw volgens eiseres terecht in aftrek gebracht. Wat betreft de verwerping van de btw op de onroerende investeringen, opperde eiseres dat zij nog steeds niet wist hoe de administratie gekomen was tot het percentage beroepsmatig gebruik van 15%. Evenmin was zij op de hoogte van de juridische (of feitelijke?) redenering op grond waarvan de administratie meende te kunnen besluiten tot een vrijgestelde onroerende verhuur (in plaats van een terbeschikkingstelling). Eiseres laakte dat zij het bezwaar zonder deze kennis had moeten indienen.

Bij beslissing van 26 oktober 2021 werd het bezwaarschrift van eiseres afgewezen ais ongegrond.

Middels verzoekschrift neergelegd ter griffie op 25 januari 2022 maakte eiseres de zaak aanhangig bij deze rechtbank, waarmee ze huidige procedure opstartte.

3. VORDERINGEN VAN PARTIJEN

3.1.

Eiseres vordert in laatste conclusie:

"De vordering overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32° Ger. W. ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:

- In hoofdorde:

De betwiste opnames in het innings- en invorderingsregister met nummers 202...17 (opgemaakt op 18/12/2020; uitvoerbaar verklaard op 21/12/2020; artikelnummer 500...37) en 202...18 (opgemaakt op 25/01/2021 en uitvoerbaar verklaard op 26/01/2021; artikelnummer 500...41) te vernietigen, gelet op:

•De schending van artikel 85,§1, lid 3 WBTW: de belastingschuld werd voorafgaandelijk niet afdoende gemotiveerd (eerste middel):

•De schending van artikel 85, §1, lid 3 WBTW: de manier waarop de belastingschuld voorafgaandelijk werd verantwoord is tegenstrijdig (tweede middel);

•De schending van artikel 85, §2 WBTW: het innings- en invorderingsregister werd niet opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de wettelijk beoogde persoon (derde middel);

Dienvolgens tevens voor recht te zeggen dat de btw-vorderingen voor de jaren 2017 en 2018, zoals deze onder de nummers 2020...17 en 202...18 (schuldnummers 500...37 en 500...41) werden opgenomen in het innings- en invorderingsregister, zijn verjaard bij gebrek aan andere schorsende of stuitende handelingen binnen de verjaringstermijn (toepassing artikel 81bis, 1 WBTW);

- In eerste ondergeschikte orde:

Te zeggen voor recht dat de alhier betrokken btw-aftrek voor de jaren 2017 en 2018 (grotendeels) ten onrechte werd verworpen, ni. in de mate waarin er een hoger bedrag werd verworpen/nagevorderd dan:

1.525,80 EUR voor wat betreft het jaar 2017, en

•955,67 EUR voor het jaar 2018.

De betwiste opnames in het innings- en invorderingsregister met nummers 2020...17 (opgemaakt op 18/12/2020; uitvoerbaar verklaard op 21/12/2020; artikelnummer 500...37) en 202...18 (opgemaakt op 25/01/2021 en uitvoerbaar verklaard op 26/01/2021; artikelnummer 500...41) in diezelfde mate te vernietigen of te ontheffen en de btw-vorderingen ongegrond te verklaren (vierde middel).

- In tweede ondergeschikte orde:

De opgelegde administratieve geldboetes te vernietigen of te ontheffen wegens onevenredigheid met de beweerdelijk begane inbreuk (vijfde middel)

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin inbegrepen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding vastgesteld op het basisbedrag gelijk aan 3.750 EUR, alsmede de vergoeding aan het Fonds voor Juridische Tweedelijnsbijstand (24 EUR), en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde (of ingehouden) belasting over de toegevoegde waarde, boete en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten in toepassing van artikel 91, §4 WBTW, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan eiseres aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten."

3.2.

Verweerder vordert in laatste conclusie:

"Het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

De vordering van eiser of te wijzen;

De eiser te veroordelen tot het betalen van de bedragen die in de voormelde processen-verbaal van taxatie d.d. 15.12.2020 werden opgenomen.

Eiser tot de kosten te veroordelen."

4. ONTVANKELIJKHEID

Er is geen betwisting tussen partijen over de ontvankelijkheid van de vordering. Ambtshalve ziet de rechtbank geen redenen om de vordering onontvankelijk te verklaren. De vordering van eiseres is ontvankelijk.

5. BEOORDELING TEN GRONDE

5.1. Over de voorafgaandelijke verantwoording van de belastingschuld (artikel 85, §1, lid 3 WBTW)

5.1.1.

Als eerste middel voert eiseres aan dat de belastingschuld voorafgaandelijk niet afdoende verantwoord werd zodat de daaropvolgende opnames in het innings-en invorderingsregister vernietigd moeten worden. Volgens eiseres gaat het om een substantiële formaliteit (vgl. met het bericht van wijziging en de kennisgeving van beslissing tot taxatie inzake inkomstenbelastingen) zodat de schending ervan de nietigheid van de daaropvolgende opnames in het innings-en invorderingsregister met zich meebrengt, aldus eiseres.

Volgens verweerder zijn de processen-verbaal van 15 december 2020 wel degelijk afdoende gemotiveerd zodat de belastingschuld vooraf afdoende verantwoord werd. In dit verband wijst verweerder uitdrukkelijk op artikel 45, §1, 1' WBTW en de daaruit voortvloeiende bewijslast voor de belastingplichtige inzake het recht op btw-aftrek. Met andere woorden is het aan de belastingplichtige om met objectieve bewijzen/stukken in casu aan te tonen dat het betrokken onroerend goed voor de door haar ingeroepen 100% beroepsmatig wordt gebruikt, en dat is in voorliggend geval geenszins gebeurd, aldus verweerder.

5.1.2.

Op grond van artikel 85, §1 WBTW wordt de belastingschuld (bestaande in de belasting, interesten, fiscale geldboeten en toebehoren) bij niet-betaling

ervan opgenomen in een innings- en invorderingsregister, dat de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de belastingschuld en dat deze concretiseert. De verantwoording van de belastingschuld moet ter kennis gebracht worden van de belastingplichtige, uiterlijk één maand voor de opname ervan in een dergelijk innings- en invorderingsregister, behalve indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen. In dat laatste geval moet zij aan de belastingschuldige ter kennis worden gebracht ten laatste op het ogenblik dat de belastingschuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen.

Middels deze wetsbepaling beoogt de wetgever een zekere harmonisatie met de invorderingsprocedure inzake directe belastingen. Daarbij wordt het innings- en invorderingsregister uitdrukkelijk aangemerkt ais de tegenhanger van het kohier, en het innings- en invorderingsbericht ais de tegenhanger van het aanslagbiljet.

De wetgever heeft voorzien in een verplichte voorafgaandelijke kennisgeving ten aanzien van de belastingplichtigen. In de Memorie van Toelichting bij de invoering van deze nieuwe wettelijke verplichting wordt hierover vermeid dat de mededeling van deze verantwoordingselementen gebeurt in het kader van de uitdrukkelijke motivering van het innings- en invorderingsregister en bestaat uit de kennisgeving van de overwegingen in rechte en in feite die ais grondslag dienen van het innings- en invorderingsregister. Bedoeling is dat de belastingplichtige kan kennisnemen van de oorzaak van de sommen die van hem worden gevorderd, en om, in voorkomend geval, rechtsmiddelen in te stellen.

De opgelegde motivering moet de juridische en feitelijke overwegingen vermeiden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn. (artikel 3 van Wet Motivering Bestuurshandelingen)

Dat de motivering afdoende moet zijn, betekent dat de beslissing voldoende door de motivering moet worden gedragen en dat de motivering evenredig moet zijn met de belangrijkheid van de genomen beslissing en de aard van de bevoegdheid van de overheid. Een motivering is afdoende indien zij aan de bestemming toelaat de gronden te kennen van de beslissing die hem aanbelangt. Of dat al dan niet het geval is, hangt af van alle omstandigheden

van de zaak.

5.1.3.

Toegepast, treedt de rechtbank eiseres bij dat de processen-verbaal van 15 december 2020 (zoals de correctieopgave die hieraan voorafging), in het licht van de concrete omstandigheden van huidige zaak, de belastingschuld niet afdoende verantwoorden. De rechtbank komt tot dit besluit op grond van de overgelegde stukken en het geheel van de hiernavolgende overwegingen samen:

- De btw-administratie heeft de processen-verbaal van 15 december 2020 uitdrukkelijk aangemerkt ais "kennisgeving, in de zin van artikel 85, .§1, derde lid van het 8TW-wetboek, van de verantwoording van de belastingschuld" (zie p. 2 van stukken 3 en 4 van verweerder);

- De beide processen-verbaal van 15 december 2020 blijken een "copy-paste" van de correctieopgave. Zoals eiseres met reden opmerkt, wordt in de processen-verbaal niet geantwoord op de fundamentele grieven die eiseres geuit had op de correctieopgave. Met name had eiseres, naar aanleiding van de correctieopgave, zelfs met uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 85 WBTW, opgeworpen dat het voor haar niet duidelijk was (i) hoe de btw-administratie tot een percentage van 15% beroepsmatig gebruik was gekomen, en (ii) waarom de btw-administratie van mening was dat er sprake was van een (vrijgestelde) onroerende verhuur (uitzondering op de

principiële belastbaarheid) en geen (belaste)

terbeschikkingstelling terwijl er daarvan schriftelijke overeenkomsten voorliggen. Wanneer de administratie in de daaropvolgende processen-verbaal, die conform hun aanhef waren opgesteld "naar aanleiding van het antwoord op de correctieopgave", vervolgens nalaat om deze beide elementen te verduidelijken, is er niet voldaan aan de vereiste van artikel 85, §1, derde lid WBTW. Dit geldt minstens voor wat betreft de stelling inzake de onroerende verhuur: een loutere verwijzing naar de wettekst kon in voorliggend geval niet volstaan, precies

omdat eiseres in haar antwoord op de correctieopgave uitdrukkelijk te kennen had gegeven dat zij — op basis van de wettekst alleen — niet verstond waarom er geen rekening werd gehouden met de voorgelegde overeenkomsten van terbeschikkingstelling. De administratie wist dus dat eiseres geen kennis had van bepaalde essentiële gegevens, en heeft niettemin nagelaten om daar een antwoord op te geven in de processen-verbaal. Eiseres had het recht om afdoende te worden geïnformeerd over de redenen die de btw-administratie ertoe gebracht hebben te beslissen om de btw-schuld op te nemen in het innings- en invorderingsregister, en waarom de btw-administratie geen rekening hield met haar opmerkingen. Bijgevolg was de btw-schuld, in de concrete context van huidig geschil, voorafgaandelijk niet afdoende verantwoord;

Essentieel is dat de belastingplichtige een btw-schuld moet begrijpen, en dit enkel kan wanneer hij een gemotiveerd antwoord krijgt op elk van zijn gegeven opmerkingen na de correctieopgave. Dit antwoord op de opmerkingen moet de belastingplichtige in staat stellen te oordelen of er reden is tot het indienen van een bezwaarschrift en desgevallend, om zijn verweermiddelen te organiseren.

5.1.4.

Omwille van deze redenen, eigen aan de specifieke omstandigheden van deze zaak, besluit de rechtbank tot de nietigheid van de inschrijving in het innings-en invorderingsregister onder artikelnummers 500...37 en 500...41, en met registernummers 2020...17 en 202...18, uitvoerbaar verklaard lastens eiseres op respectievelijk 21 december 2020 en 26 januari 2021.

Gelet op de vernietiging van de beide inschrijvingen op grond van dit middel, behoeven de overige middelen van eiseres strekkende tot dit doel, geen verdere beoordeling.

5.2. Over het bestaan van de btw-schuld

5.2.1.

Zoals eiseres met reden opmerkt, dient de rechtbank, in geval van vernietiging van de opname in het innings- en invorderingsregister, indien zij daartoe wordt verzocht door de partijen, zich in principe nog steeds uit te spreken over het bestaan en de grootte van de btw-schuld op zich. (vgl. Cass. 3 maart 2011, F.08.0082.F, Cass. 23 december 2016, F.15.0083.N en Cass. 12 december 2019, F.18.0073.N, www.juportal.be)

Het Hof oordeelt: "De fiscale wet raakt de openbare orde. Behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld, dient de rechter bijgevolg, ongeacht de nietigheid van de administratieve akte, zelf in feite en in rechte te beslissen over het bestaan van de belastingschuld wanneer hij daartoe wordt uitgenodigd door de vorderingen die door de partijen worden gesteld.

Hieruit volgt dat wanneer de belastingplichtige in een geschil betreffende de belasting over de toegevoegde waarde niet alleen de nietigverklaring van het dwangbevel zoals bedoeld in artikel 85 Btw-wetboek vordert, maar ook de terugbetaling van de door hem reeds betaalde sommen, de rechter die het dwangbevel nietig verklaart moet oordelen over het bestaan van de btw-schuld. De rechter kan de terugbetaling van de btw-schuld niet bevelen zonder na te gaan of de belasting al dan niet verschuldigd is. De nietigverklaring van het dwangbevel impliceert immers niet dat de belasting onverschuldigd werd betaald. De rechter dient hierbij rekening te houden met de door de partijen aangevoerde gevolgen van de nietigverklaring van het dwangbevel, onder meer op het vlak van de verjaring." (onderlijning door de rechtbank)

Eiseres roept ter zake de verjaring van de btw-schuld in. Verweerder voert ter zake geen betwisting.

5.2.2.

De rechtbank volgt het standpunt van eiseres.

Artikel B01bis,§1 WBTW voorziet in de volgende (gewone) verjaringstermijn:

"Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van de opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan."

De betreffende btw-schulden werden in het innings- en invorderingsregister opgenomen en uitvoerbaar verklaard op 21 december 2020 (wat betreft het jaar 2017) en 26 januari 2021 (wat betreft het jaar 2018) (stukken 5 en 6 van verweerder).

Hoger in randnummer 5.1 van dit vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat deze opnames in het innings- en invorderingsregister zijn aangetast door nietigheid.

Er zijn geen andere schorsende of stuitende handelingen binnen de verjaringstermijn, minstens ligt daarvan geen bewijs voor, wat tot gevolg heeft dat de btw-schuld is verjaard.

5.2.3.

In tegenstelling tot de btw-schuld op zich (dit wil zeggen de hoofdsom) kan de administratieve geldboete, bij gebrek aan spontane betaling door de belastingplichtige, enkel wettelijk verschuldigd zijn wanneer zij door de btw-administratie wordt "opgelegd", dit wil zeggen door deze geldboete te concretiseren in een uitvoerbare titel (vroeger door de uitvaardiging en de uitvoerbaarverklaring van een dwangbevel; met ingang van 1 april 2019 door de opname en uitvoerbaarverklaring van een innings- en invorderingsregister). De administratieve beslissing waarmee de administratieve boete wordt opgelegd (met name de opname ervan in een dwangbevel/innings- en invorderingsregister) is immers noodzakelijk voor de totstandkoming van deze administratieve geldboete (vgl. Cass. 29 januari 2021, F.18.0169.N, www.juportal.be);

Als gevolg van de nietigheid van de opnames in het innings- en invorderingsregister, zijn de administratieve geldboetes (3.560 EUR en 1.320 EUR, zie stukken 5 en 6 van verweerder) niet verschuldigd, gelet op het ontbreken van een administratieve beslissing noodzakelijk voor de

totstandkoming van deze boete.

5.2.4.

Uit het voorgaande volgt dat de betwiste btw-vorderingen (zowel voor het jaar 2017 als voor het jaar 2018) niet verschuldigd zijn, hetzij wegens verjaring (wat betreft de btw-schuld in hoofdsom), hetzij wegens het ontbreken van een administratieve beslissing (wat betreft de btw-boetes).

6. GERECHTSKOSTEN

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het geschil in deze aanleg dragen.

Verweerder moet conform artikel 1022 juncto 1018, 6° en 8° van het Gerechtelijk Wetboek, naast zijn eigen kosten, de rechtsplegingsvergoeding dragen van eiseres die vertegenwoordigd wordt door een advocaat, alsook de bijdrage bedoeld in artikel 4, 2, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand ten belope van 22,00 EUR.

Bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan wordt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gehanteerd, rekening houdend met de inzet van het geschil. Vermits de waarde van de vordering, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 van het Gerechtelijk Wetboek zich in de schijf van 40.000,01 EUR tot 60.000,00 EUR bevindt, is het basisbedrag van 3.750,00 EUR toepasselijk (indexering 1 november 2022).

De kosten van tenuitvoerlegging komen ten laste van de partij tegen wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd (artikel 1024 van het Gerechtelijk Wetboek) zodat de rechtbank daarover niet bijkomend dient te statueren.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK, RECHT DOENDE OP TEGENSPRAAK,

Verwerpt alle meeromvattende en strijdige conclusies ais niet ter zake dienend; Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk, en gegrond ais volgt;

Vernietigt de opnames in het innings- en invorderingsregister met nummers 2020...17 (opgemaakt op 18/12/2020, uitvoerbaar verklaard op 21/12/2020; artikelnummer 500...37) en 202...18 (opgemaakt op 25/01/2021 en uitvoerbaar verklaard op 26/01/2021; artikelnummer 500...41);

Zegt voor recht dat de btw-vorderingen voor de jaren 2017 en 2018 (zoals opgenomen in het innings- en invorderingsregister) niet verschuldigd zijn:

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde (of ingehouden) belasting over de toegevoegde waarde, boete en nalatigheidsintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriuminteresten in toepassing van artikel 91, §4 WBTW;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres bepaald op een rechtsplegingsvergoeding van 3.750,00 EUR en de bijdrage voor het fonds voor juridische tweedelijnsbijstand van 22,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde

burgerlijke kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen,

afdeling Gent, op donderdag 21 december 2023, waar aanwezig waren :

- H. V.O., rechter, voorzitter van deze kamer,

- T. D. Z., griffier.

Textes cités

5
CTVA art. 8512 occurrences
CTVA art. 454 occurrences
CTVA art. 81bis4 occurrences
CTVA art. 12 occurrences
CTVA art. 912 occurrences

Décisions similaires

8