Location, Location d’un moyen de transport · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 19 mai 2021

Rechercher
Texte en néerlandais

Location, Location d’un moyen de transport

https://juriel.be/fr/jurisprudence/location-moyen-transport-localisation-prestation-cour-appel-bruxelles-2021-05-19-0215

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
19 mai 2021

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

234 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel de Bruxelles du 19.05.2021

WF 712-15-17/059111

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Location – Location d’un moyen de transport – Localisation de la prestation de services – Exigibilité – Redevable de la taxe – Leasing – Déclaration spéciale

Dispositions légales

Articles 21, § 2, 22, § 1er et § 2, premier alinéa, 51, § 2, premier alinéa et 53ter

Synthèse

1) Les faits et le jugement rendu en première instance

L'appelante est une société active en tant qu’agent et courtier d'assurance exemptée de la TVA en vertu de l'article 44 du Code de la TVA. Le 6 février 2008, elle a conclu un contrat de leasing avec une société de leasing italienne pour la « location » d'un bateau à moteur. La TVA italienne a été facturée et payée jusqu'à l’année 2009 incluse. À partir de 2010, conformément aux règles relatives à la localisation des prestations de services, la TVA belge est devenue exigible sur les loyers et l’appelante est devenue redevable de cette TVA.

À la suite d'un contrôle dans l’établissement de l’appelante, un relevé de régularisation concernant ces loyers a été établi pour la période courant du 1er février 2008 au 31 décembre 2011 inclus. L'appelant a marqué son accord sur ce relevé.

Pour la période suivante, courant à partir du début de l'année 2012, l’appelante a déposé à chaque fois une déclaration spéciale trimestrielle de TVA en application de l'article 53ter du code de la TVA mentionnant la TVA due sur les loyers du bateau. La dernière déclaration déposée concerne le premier trimestre de 2014. Après cela, les paiements auraient cessé en raison d'un différend concernant le contrat en cours.

Suite à un contrôle effectué le 9 mai 2017, l'administration a envoyé un relevé de régularisation reprenant les infractions commises à l'article 21, § 2, et à l'article 51 du Code de la TVA après le premier trimestre de 2014. Un accord n’ayant pas été conclu, un procès-verbal a été dressé et une contrainte a été signifiée. Une requête a été déposée contre cette contrainte au greffe du tribunal de première instance de Louvain le 19 octobre 2017.

Ce tribunal a déclaré la demande recevable mais non fondée.

2) L’arrêt de la cour d’appel

L’appelante (l’assujettie) invoque des procédures pendantes devant les tribunaux italiens concernant le contrat et les efforts effectués pour parvenir à régler le litige avec la société de leasing mais elle ne fournit aucune preuve relative à ses affirmations. Elle ne produit aucune pièce qui apporterait un début de preuve à ses allégations. Il n'y a aucune preuve que le contrat de leasing ait pris fin après janvier 2014. En réalité, il semble que l'appelante n'aurait pas payé les loyers dus contractuellement à la société de leasing italienne à partir de janvier 2014.

Par conséquent l'État belge soutient à juste titre que le fait que la société de leasing italienne n'ait plus émis de factures n'affecte pas son droit de réclamer la TVA exigible sur chaque loyer devant être payé comme le prévoyait le tableau d’amortissement annexé au contrat de leasing.

Le défaut d'émission d'une facture ne fait pas obstacle à ce que la TVA devienne exigible sur la base de l'article 22, § 1er et § 2, premier alinéa du Code de la TVA, à chaque fois que s'achève chaque période prévue du tableau d’amortissement, qui doit être considéré (en ce qui concerne le délai de paiement) comme la contrepartie d'un service donnant lieu à des décomptes successifs, bien que convenu à l'avance (ce qui n'empêche pas qu'il s'agisse de décomptes successifs).

Il n'est absolument pas démontré que le bateau n'a plus été utilisé à partir de janvier 2014 de sorte que l'État belge est en droit de soutenir que la prestation de services s'est poursuivie et que la TVA grevant les loyers prévus est exigible.

L'État belge fait également à juste titre référence aux dispositions de l'article 1er, paragraphe 12, 2°, du Code de la TVA, qui prévoit que l'exigibilité de la taxe est le droit que le Trésor peut faire valoir aux termes de la loi, à partir d’un moment donné, auprès du redevable pour le paiement de la taxe, même si le paiement peut en être reporté.

L’appel est déclaré non fondé et le jugement attaqué est confirmé.

L’appelante a acquiescé à l’arrêt.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 mei 2021

Rol: 2019/AF/179

De BV Z.G.W., met maatschappelijke zetel te ... en met KBO- nummer 044...19, Appellante, Met als raadsman Mr. ..., advocaat te ...,

tegen

De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, en de adviseur-generaal KMO-centrum Leuven, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 1 en met KBO-nummer 0308.357.159 Geïntimeerde, Met als raadsman Mr. ..., advocaat te ...,

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit. Gelet op de stukken van de rechtspleging inzonderheid

1. het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 8 maart 2019 op tegenspraak uitgesproken, volgens de verklaring van partijen niet betekend aan één van hen;

2. het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof op 15 mei 2019;

3. de besluiten (neergelegd ter griffie op 30 december 2019 en 30 juni 2020) en de stukken (neergelegd ter griffie op 31 maart 2021) van appellant en de besluiten (neergelegd ter griffie op 4 september 2019, 27 januari 2020 en 29 september 2020) en stukken (neergelegd ter griffie op 27 januari 2020) van geïntimeerde.

Procedure in eerste aanleg

Bij verzoekschrift op tegenspraak (onder rolnr. 17/1886/A) neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 8 maart 2019 vorderde appellante het bestreden dwangbevel van 15 september 2017 met kenmerk nr. 500/.../...93, uitvoerbaar verklaard op 22 september 2017, te vernietigen;

de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond en veroordeelde appellante tot de kosten van het geding, begroot op 0,00 € rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van geïntimeerde, vermits deze verdedigd werd door één van zijn ambtenaren.

Procedure voor het hof

Voor dit hof vordert appellante het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het vonnis van de eerste rechter te vernietigen. Zij herneemt haar vordering zoals gesteld in eerste aanleg en vordert geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld. De ontvankelijkheid ervan wordt niet betwist.

Relevante feitelijke gegevens

Appellante was sinds 1 april 2012 geregistreerd voor de activiteit als verzekeringsagent en makelaar onder het KBO-nummer 044...19 en dit als vrijgestelde belastingplichtige in de BTW ingevolge artikel 44 WBTW met optie "intracommunautaire verwervingen".

Zij ging op 6 februari 2008 een leasingcontract aan met een Italiaanse leasingmaatschappij voor de "huur" van een motorboot Azimut model 43.

Tot en met 2009 werd daarop Italiaanse BTW aangerekend en betaald, althans op de leasingtermijnen.

Vanaf 2010 werd volgens de regels inzake de plaatsbepaling van de dienst Belgische BTW op de leasingtermijnen verschuldigd. Na een controle bij appellante werd voor de periode van 1 februari 2008 tot en met 31 december 2011 een correctieopgave opgemaakt met betrekking tot die verschuldigde BTW op die termijnen. Daarbij verklaarde appellante zich bij monde van haar raadsman op 28 maart 2012 voor die periode akkoord. Voor de navolgende periode, vanaf begin 2012 deed appellante telkens krachtens artikel 53ter WBTW een bijzondere BTW-aangifte (per kwartaal) voor de BTW verschuldigd op de leasingtermijnen van de geleasde boot, en dit voor de laatste maal voor het eerste kwartaal van 2014 en voor de BTW verschuldigd, wat dat laatste kwartaal betreft, beperkt tot die voor de leasingtermijn van januari 2014.

Daarna zouden de betalingen gestaakt zijn wegens een geschil over de lopende het contract toe te passen rentevoet in de te betalen termijnen. Appellante zou van mening zijn dat indien daarmee rekening gehouden werd, al genoeg betaald was om de boot te financieren. In het leasingcontract zelf is een tabel opgenomen (gesteld in de Italiaanse taal, voorgelegd door geïntimeerde als stuk 3, waarbij een vertaling in het Engels is gevoegd) waaruit valt af te leiden dat nog leasingtermijnen moesten betaald worden, in beginsel, tot 14 maart 2015. Ter zitting is uiteen gezet door de raadsman van appellante dat er een geschil hangende is tussen appellante en de Italiaanse leasingmaatschappij bij een "rechtbank" in "Firenze" over dit contract. Er zijn terzake door appellante na uitstel verleend met het oog daarop, geen stukken neergelegd over enig in Italië lopend geschil over een leasingcontract voor een boot.

In de loop van 2017 greep blijkbaar in de kantoren van appellante een BTW-controle plaats voor handelingen betreffende de BTW-reglementering in de periode van 1 februari 2014 tot en met 31 maart 2015.

Naar aanleiding van die controle werd op 9 mei 2017 een mail verzonden door de diensten van geïntimeerde met een correctieopgave over, volgens de Belgische Staat, inbreuken op artikel 21 § 2 WBTW met betrekking tot de plaats van de dienst van de leasing van een boot in Italië, alsmede inbreuken op artikel 51 WBTW inzake de verschuldigdheid van de belasting.

Op 10 mei 2017 liet appellante bij monde van haar raadsman weten niet akkoord te kunnen gaan met de voorgestelde correctieopgave omdat er inzake dat leasingcontract sinds januari 2014 geen betalingen meer gebeurden. De discussie met de Italiaanse leasingmaatschappij zou handelen over de leasingtermijnen waarbij de betalingen gekoppeld zouden zijn aan de evolutie van de zogenaamde Euribor-rentevoet en waarbij volgens appellante alles betaald zou zijn geweest, rekening houdend met die evolutie, tot januari 2014, zodat nadien geen betalingen meer gebeurden.

Daarmee ging geïntimeerde niet akkoord, gezien de vermeldingen in de oorspronkelijke tabel uit het contract nopens de te betalen leasingtermijnen zodat een proces-verbaal van regularisatie werd opgesteld op 3 augustus 2017 aangaande de BTW verschuldigd op die leasingbetalingen en dit voor de periode tussen 1 februari 2014 en 31 maart 2015.

Daarin wordt volgehouden dat appellante de volgende bedragen verschuldigd is:

- als BTW gezien inbreuken betreffende de plaats van de dienst op grond van artikel 21 § 2 WBTW voor de verschuldigde leasingtermijnen van nr. 72 verschuldigd op 1 februari 2014 tot en met nr. 84 verschuldigd op 1 februari 2015, telkens voor € 5.361,50, verhoogd met een laatste termijn genummerd "999" ten bedrage van € 504,20, aan een tarief van 21 %, of € 14.742,84;

- als boete zoals bedoeld in het KB BTW nr. 41, tabel G, afd. 1, rubriek IV aan 10 % over het verschuldigd bedrag aan BTW, of € 1.474,28;

- als geldboete bedoeld in artikel 70 § 1 en 70 § lbis WBTW, zijnde het dubbel van de ontdoken belasting, of € 29.485,68;

- als intresten over het bedrag van € 14.740,00 aan 0,8 % per maand vanaf 21 maart 2015 over de verschuldigde BTW : pro memorie

Ingevolge het hoger genoemde proces-verbaal werd op 15 september 2017 lastens appellante een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 4 oktober 2017 werd betekend bij deurwaardersexploot aan appellante.

Het dwangbevel werd uitgevaardigd door de adviseur invordering-ontvanger X , en werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 22 september 2017 door adviseur Y.

In het dwangbevel worden de volgende bedragen gevorderd van appellante (cfr. ook de bedragen genoemd in het hoger vernoemd proces-verbaal)

- als B.T.W. : 14.742,84 €;

- als proportionele geldboete : € 1.470,00;

- als niet proportionele geldboete : € 3.537,60;

- de nalatigheidsintresten over de verschuldigde BTW vanaf 21 september 2017 krachtens artikel 91 § 1 WBTW;

- de moratoire intresten als bedoeld in artikel 81 § 4 WBTW vanaf de dag van de kennisgeving van het dwangbevel;

- de vervolgingskosten, de gerechtskosten en de kosten verbonden aan de hypothecaire inschrijvingen.

Middels het al genoemde verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 19 oktober 2017, tekende appellante verzet aan tegen dit dwangbevel.

Daarbij vorderde appellante het dwangbevel te vernietigen en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

Het bestreden vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond.

Het motiveerde deze beslissing door vast te stellen dat appellante ook in de periode van februari 2014 tot en met maart 2015 gebruik heeft gemaakt van de dienst door haar door de Italiaanse leasingmaatschappij Mercantile Leasing spa is verstrekt, meer bepaald de eigenlijke leasing, en dat die dienst niet is beëindigd door appellante.

Dat geen facturen meer zouden zijn opgemaakt voor de leasingtermijnen en geen betalingen meer zouden zijn gedaan, doet aan de vaststelling van het bestaan van de dienstverrichting geen afbreuk. Steeds volgens het vonnis is het verschuldigd zijn van de leasingbedragen niet afhankelijk van het uitschrijven van een factuur en is de afrekening vervat in een tabel betreffende te betalen leasinggbedragen. Derhalve blijft de BTW erover volgens het bestreden vonnis verschuldigd.

Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis. In rechte

Standpunt van appellante

Appellante voert de volgende middelen aan ter ondersteuning van haar vordering:

de Italiaanse leasingmaatschappij is op een bepaald ogenblik over genomen maar appellante kreeg geen facturen meer;

er werd wel Italiaanse BTW aangerekend;

uit de eigen berekeningen van appellante is gebleken dat zij vanaf januari 2014 geen leasingtermijnen meer verschuldigd was wegens de toepasselijke rentevoet;

er zou een procedure hangende zijn of opgestart zijn nopens dat contract in Milaan (waarbij het hof opmerkt dat verder in de besluiten sprake is van een procedure in Firenze, die sinds 27 februari 2018 is uitgesteld met het oog op onderhandelingen voor een dading);

artikel 51 § 2 lid 1, 1 WBTW geldt niet indien er niet effectief een doorlopende dienst plaats grijpt;

sinds januari 2014 is er echter geen dienstverlening meer en er zijn geen facturen meer ontvangen;

enkel voortgaan op de aflossingstabel is onvoldoende als bewijs van een doorlopende dienst;

er werden geen prestaties meer gedaan door de Italiaanse leasinggever sinds januari 2014;

er is geen tegenprestatie meer voor de dienst sinds die maand;

de maatstaf van heffing zoals bedoeld in artikel 26 WBTW is dus niet aanwezig; er is geen tegenprestatie meer;

dit alles is aangetoond door het arrest EHJ 3 juli 2019 in de zaak UniCredit Leasing C-

242/18;

door de verbreking van de leasingovereenkomst is geen sprake meer van een dienstprestatie;

de boot is geleverd in Nederland;

het gaat om een intracommunautaire dienst en krachtens artikel 22bis WBTW is geen BTW verschuldigd;

de neutraliteit van de BTW is geschonden; door de vordering van de Belgische Staat ontstaat een niet toegelaten dubbele belasting.

Standpunt van geïntimeerde

Geïntimeerde stelt het volgende:

de plaats van de dienstverrichting van de leasing van de motorboot is krachtens artikel 21 § 2 WBTW in België (vermits de afwijkingen van artikel 21 § 3 WBTW niet van toepassing zijn) en dit vermits appellante hier de zetel van haar economische activiteit heeft;

ook krachtens artikel 51 § 2, 1 WBTW (vermits de dienstverrichter een belastingplichtige is die niet in België is gevestigd) blijkt de BTW verschuldigd door de ontvanger van de dienst, in deze appellante;

de hoegrootheid van de rentevoeten voor de leasingtermijnen staat los van de belastbaarheid van de dienst met Belgische BTW;

krachtens artikel 22 § 1 WBTW is de BTW opeisbaar op het ogenblik dat de dienst wordt verricht;

het bepaalde in artikel 22 bis § 1 WBTW is niet van toepassing vermits er geen facturen en afrekeningen zijn;

krachtens artikel 22bis § 2 WBTW is de BTW wel degelijk telkens opeisbaar; dit geldt voor iedere verstreken periode genoemd in de aflossingstabel;

overeenkomstig de overeenkomst zelf (meer bepaald de "general conditions" of "algemene voorwaarden", artikel 3, 1) werden de termijnen telkens verschuldigd en dit onafhankelijk van het uitschrijven van een factuur;

ook krachtens artikel 22 § 2 WBTW is de BTW dus telkens verschuldigd; er is nog altijd geen bewijs dat het leasingcontract verbroken is;

over de rechtszaken hierover wordt geen duidelijkheid geschapen;

appellante bewijst niet dat haar verbintenissen zoals bedoeld in de leasingovereenkomst teniet zijn gegaan, zoals de verschuldigdheid door haar van de leasingtermijnen;

betalingsproblemen tussen contractspartijen zijn niet tegenstelbaar aan de Belgische Staat;

de door appellante aangehaalde rechtspraak van het EHJ is op de voorliggende situatie niet van toepassing;

geen enkele dubbele belasting inzake BTW wordt door appellante bewezen; in ieder geval ook geen niet toegelaten dubbele belasting inzake BTW;

het "neutraliteitsbeginsel" is niet geschonden.

Beoordeling

Al dan niet bestaan van het bewijs van een dienstverrichting op grond van de leasingovereenkomst met verschuldigdheid van BTW in België

Tussen partijen blijkt geen betwisting te bestaan over het gegeven dat in beginsel op grond van te betalen leasingtermijnen vanaf februari 2014 voor het leasingcontract betreffende de boot, de plaats van de dienstverrichting krachtens artikel 21 § 2 WBTW in België gelegen zou zijn, nu appellante de zetel van haar economische activiteit in België heeft (en geen vaste inrichting heeft, in bv. Italië), evenmin als dat tussen partijen een betwisting blijkt te bestaan nopens het gegeven dat het bewuste leasingcontract in beginsel dienstverrichtingen tot voorwerp heeft (en geen levering van een goed, zijnde de bewuste boot).

Vermits de leasingnemer, in deze appellante, de ontvanger is van de bewuste intracommunautaire dienst (de leasinggever is in Italië gevestigd), is in zoverre Belgische BTW verschuldigd zou blijken te zijn, die BTW krachtens artikel 51 § 2, 1 WBTW in België verschuldigd door appellante zelf. De dienstverrichter is immers in Italië gevestigd.

Dit laatste aspect blijkt in betwisting te zijn tussen partijen in zoverre appellante voorhoudt dat de Belgische gevorderde BTW een niet toegelaten dubbele belasting zou zijn omdat ook Italiaanse BTW door haar verschuldigd zou zijn.

Doch op zich stelt appellante die vaststelling inzake, in voorkomend geval, de regeling betreffende de voldoening van de belasting krachtens artikel 51 § 2, 1 WBTW, niet in vraag.

Wat in concreto wel in betwisting is tussen partijen is de vraag of vanaf februari 2014 nog wel een dienstverrichting bestond en of het leasingcontract zelf nog bestond. Appellante voert immers aan dat er dan al "genoeg betaald was", dat de nog in het leasingcontract voorziene betalingen niet meer verschuldigd waren, en dat er gewoon geen leasingovereenkomst meer bestond zodat zij niet alleen geen leasingtermijnen meer verschuldigd was, maar ook geen Belgische BTW erop meer. Er zou krachtens artikel 26 WBTW geen tegenprestatie meer bewezen zijn en dus zou er geen maatstaf van heffing meer voorhanden zijn ook.

In die zin voert appellante aan dat er geen intracommunautaire dienstverrichting in de zin van artikel 22 WBTW meer was die in België gesitueerd moest worden wat de plaats van de dienst betreft.

Terecht nam het bestreden vonnis aan dat de Belgische Staat het bewijs levert dat nog steeds sprake was van een bestaand leasingcontract met lopende leasingtermijnen, van een bestaande dienstverrichting met een verschuldigdheid maand na maand van te betalen leasingtermijnen, en dit als tegenprestatie voor de dienstverrichting en als maatstaf van heffing zoals bedoeld in artikel 26 WBTW.

Appellante ging enerzijds, voor het bewuste contract in het verleden akkoord met de verschuldigdheid van Belgische BTW over de leasingtermijnen voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011, en diende anderzijds voor de periode erna inzake de verschuldigdheid van Belgische BTW op de leasingtermijnen zelf kwartaalaangiften inzake die door haar verschuldigde BTW in.

Zij betwist enkel dat vanaf januari 2014 het leasingcontract nog bestond.

Zij toont echter geenszins aan dat de bewuste overeenkomst met de verschuldigdheid van leasingtermijnen volgens de desbetreffende tabel bij de overeenkomst erin voorzien (zijnde stuk 3 van geïntimeerde) ontbonden is, nietig is, verbroken is of dat aan haar verbintenissen tot betaling van de leasingtermijnen vanaf die maand een einde is gekomen.

Appellante haalt aan dat procedures gevoerd zijn voor Italiaanse rechtbanken betreffende de overeenkomst en sinds 2018 moeite gedaan wordt voor het bereiken van een dading met de leasingmaatschappij (die inmiddels zou zijn "over genomen"), maar bewijst die beweringen op geen enkele manier. Zij legt, ondanks een daarvoor verleend uitstel, geen enkel stuk voor dat enig begin van bewijs vormt van die bewering.

Waarom dan met een wijziging van de situatie zou moeten worden rekening gehouden vanaf januari 2014 (wegens foutieve toepassing van een in de leasingovereenkomst voorziene rentevoet), en meer bepaald, waarom het uitdoven van de verbintenis tot betaling van leasingtermijnen overeenkomstig de leasingovereenkomst vanaf januari 2014 een feit zou zijn, wordt niet duidelijk gemaakt. Dat de leasingovereenkomst een einde zou hebben genomen, wordt in het geheel niet bewezen.

Er wordt ook geen enkele uitleg gegeven nopens de vraag of het voorwerp van de overeenkomst, de boot, dan terug is gegeven dan wel in het beheer van appellante is gebleven.

In die omstandigheden bewijst appellante in het geheel niet dat de leasingovereenkomst beëindigd is.

Met reden dan ook houdt de Belgische Staat vol dat hij zich kan baseren op de voorwaarden van de leasingovereenkomst en de betalingstermijnen zoals daarin overeengekomen, om het bestaan van de dienstverrichting met haar contractuele voorziene tegenprestatie te bewijzen. Met reden ook heeft het bestreden vonnis op dat vlak het voortbestaan van de dienstverrichting en het bestaan van verschuldigde betalingen aangenomen.

De niet-uitvoering van de leasingovereenkomst door appellante, bewijst niet dat zij niet meer bestaat of van die uitvoering bevrijd was. Voor de beweerde te hoge eerdere betalingen (inzake de aangevoerde Euribor-rentevoet) wordt ook geen enkele berekening of bewijs bij gebracht.

Wat feitelijk voor blijkt te liggen, is dat appellante de overeen gekomen leasingtermijnen niet meer zou hebben betaald vanaf januari 2014 aan de Italiaanse leasingmaatschappij.

Haar verwijzing naar hetgeen overwogen in het arrest UniCredit Leasing van het EHJ (3 juli 2019, zaak C-242/18) is dus niet van toepassing vermits de overwegingen in dat arrest uitgaan van een annulering of ontbinding van de leasingovereenkomst, en omwille daarvan, een mindere ontvangst aan tegenprestatie dan oorspronkelijk voorzien voor de leasinggever.

De ontbinding, vernietiging of beëindiging van de hier aan de orde zijnde leasingovereenkomst wordt echter door appellante niet bewezen.

Derhalve houdt de Belgische Staat terecht vol dat het feit dat geen facturen meer zouden zijn uitgereikt door de Italiaanse leasingmaatschappij (of de beweerde overnemers van die maatschappij), geen afbreuk doet aan zijn recht de BTW over de telkens toepasselijke leasingtermijnen zoals voorzien in de aflossingstabel gevoegd bij de leasingovereenkomst te vorderen.

Terecht roept de Belgische Staat artikel 22 § 1 en § 2, lid 1 WBTW in.

Artikel 22bis lid 1 WBTW zoals van toepassing in de belastbare periode ter discussie, blijkt niet van toepassing vermits het handelt over situaties waarin de BTW opeisbaar wordt wegens ontvangst van de prijs voor het tijdstip waarop de dienst is verricht (terwijl hier geen ontvangsten blijken te zijn en terwijl lid 2 van die bepaling dienstverrichtingen voor particulieren betreffen).

De niet-uitreiking van een factuur belet niet het opeisbaar worden van de BTW op grond van artikel 22 § 1 en § 2, lid 1 WBTW telkens wanneer iedere voorziene periode van de aflossingstabel verstreken is, die (wat de betalingstermijn betreft) beschouwd moet worden als de tegenprestatie voor een dienst die aanleiding geeft tot een opeenvolgende afrekening, weliswaar op voorhand overeen gekomen (wat niet belet dat het een opeenvolgende afrekening is).

Er wordt in het geheel niet bewezen dat vanaf januari 2014 geen gebruik meer zou zijn gemaakt van de boot zodat de Belgische Staat terecht vol houdt dat de dienstverrichting doorging, met verschuldigdheid van de voorziene leasingtermijnen.

Terecht merkt het bestreden vonnis op dat het verschuldigd zijn van de leasingbedragen niet afhankelijk is van het uitschrijven van een factuur door de leasinggever en dat zij krachtens artikel 3, 1 van de leasingovereenkomst moeten worden betaald uiterlijk vijf dagen na de vervaldata vermeld in de aflossingstabel.

Eveneens terecht verwijst de Belgische Staat naar hetgeen bepaald in artikel 1, § 12, 2 WBTW dat stelt de opeisbaarheid van de belasting het recht is dat de Schatkist heeft om krachtens de wet de belasting vanaf een bepaald tijdstip te vorderen van de persoon die de belasting moet voldoen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld.

De neutraliteit van de BTW

Appellante toont niet aan waarom dit neutraliteitsbeginsel geschonden zou zijn door het vorderen van BTW op de tegenprestatie van de bewezen dienstverrichtingen bedoeld in het dwangbevel. Zij duidt ook niet aan welk soortgelijk goed of dienst in enige productie- of distributieketen anders belast zou worden dan de hier belaste dienstverrichting, op een wijze strijdig met dit beginsel.

Appellante stelt ook nog dat enige dubbele belasting, geheven wegens de gevorderde BTW bedoeld in het dwangbevel, het neutraliteitsbeginsel schendt. Echter duidt zij niet aan welke belasting dan als "dubbel" moet worden beschouwd en niet welke BTW geheven is op dezelfde dienstverrichting voor dezelfde belastbare periode die in dat opzicht een onterechte dubbele belasting zou zijn. Uiteindelijk blijkt ook niet bewezen dat de leasingtermijnen vanaf januari 2014 niet meer betaald moesten worden en dat appellante die niet meer rechtens verschuldigd is zodat het vorderen van BTW op die termijnen geen schending van het neutraliteitsbeginsel kan uitmaken.

Er ligt ook zelfs geen begin van bewijs voor dat bv. de Italiaanse BTW-administratie BTW vordert op leasingvergoedingen verschuldigd vanaf januari 2014. Ook om die reden is geen aanwijzing voorhanden van enige "dubbele" verschuldigdheid van BTW.

Om deze door appellante aangehaalde reden kan het dwangbevel dan ook niet nietig verklaard worden.

De vordering van appellante blijkt ongegrond en het bestreden vonnis moet bevestigd worden.

Aangaande de kosten

Gelet op het voorgaande, moet appellante veroordeeld worden tot de kosten van het hoger beroep, begroot op 1.440,00 € geïndexeerde rechtsplegingvergoeding.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,

bevestigt het bestreden vonnis,

veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot op € 1.440,00 geïndexeerde rechtsplegingvergoeding ,

Arrest uitgesproken in openbare burgerlijke terechtzitting van de kamer 6N van het hof van beroep te Brussel op 19 mei 2021

waar aanwezig waren en zitting hielden:

Ondertekeningen

Décision jointe par le SPF

Texte du jugement du tribunal de première instance

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Burgerlijke rechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Leuven, Kamer 12

Vonnis van vrijdag 8 maart 2019

Rol: 17/1886/A

In de zaak van:

Z.G.W. bvba, KBO nummer 044...19, met vennootschapszetel te ..., eisende partij, vertegenwoordigd door ..., advocaat te ....

tegen

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdierist Financiën, algemene administratie van de fiscaliteit, directe belastingen, in de persoon van de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-Generaal, Centrumdirecteur KMO Leuven, waarvan de 'kantoren gevestigd zijn te 3001 Leuven, Philipssite 3A bus 1. verwerende partij,

I. Procedure

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 'op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd .

De rechtbank nam onder meer kennis van:

- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie op 19 oktober 2017;

- de laatste besluiten van partijen en de door hen neergelegde stukken;

- de overige stukken van het rechtsplegingsdossier.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 8 februari 2019. De zaak werd nadien in beraad genomen.

ll. Feiten en voorwerp van de vordering

1 Eiseres is sinds 1 april 2012 geregistreerd onder het BTW-nummer BE0046.518.219 voor de activiteit van verzekeringsagent -en makelaar.

2 Verweerder voerde op 8 februari 2012 een BTW-controle uit bij eiseres, dit voor de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011.

Er werd toen vastgesteld dat eiseres op 14 maart 2008 met de Italiaanse firma Mercantile Leasing spa een leasingcontract had afgeslotèn voor de huur van een motorboot (Azimut model 43).

Verweerder was de mening toegedaan dat op deze dienst door eiseres BTW verschuldigd was in België en besloot om die reden dat er een inbreuk was begaan op de artikelen 21, §2 en 51 van het BTW-wetboek.

Er werd op 28 maart 2012 voor de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2011 een correctieopgave opgesteld voor een bedrag van 25.191,65 euro aan nog verschuldigde BTW.

Eisers erkende deze BTW verschuldigd te zijn.

3 Vanaf het eerste kwartaal 2012 tot e'n- met het eerste kwartaal van 2014 (meer bepaald tot en met de maand januari 2014) heeft eiseres een bijzondere BTW-aangifte gedaan voor de BTW die verschuldigd was ingevolge de motorboot die door haar wordt geleased van de voormelde Italiaanse leasingmaatschappij.

Deze aangegeven BTW werd telkens ingevorderd door verweerder.

4 Voor de periode vanaf de maand februari 2014 deed eiseres geen bijzondere BTW- aangiften meer.

Eiseres deelde aan verweerder mee in een juridische procedure te zijn verwikkeld met de Italiaanse leasinggever en sinds januari 2014 haar betalingen aan deze Italiaanse firma te hebben stopgezet.

5 Verweerder stelde een correctieopgave op voor een bedrag van 14.742,84 euro aan verschuldigde BTW op de leasing van de motorboot tijdens de periode van februari 2014 tot en met maart 2015.

6 Op 10 mei 2017 werd namens eiseres geantwoord dat zij van mening is geen Belgische BTW verschuldigd te zijn voor deze periode aangezien zij sedert januari 2014 geen betalingen meer heeft gedaan aan de Italiaanse leasingmaatschappij.

7 Op 3 augustus 2017 werd door verweerder een proces-verbaal van regularisatie opgesteld voor de periode van februari 2014 tot en met maart 2015, meer bepaald voor een bedrag van 14.742,84 euro aan verschuldigde BTW, 1.470,00 euro aan geldboete en interesten op het bedrag van 14.740,00 euro vanaf 21 maart 2015. Per aangetekende brief van 3 augustus 2017 werd dit proces-verbaal ter kennis gebracht aan eiseres.

8 Op 15 september 2017 werd een dwangbevel uitgevaardigd dat op 22 september 2017 uitvoerbaar werd verklaard. Volgens dit dwangbevel, gekend onder nummer 500/.../...93, is eiseres 14.742,84 euro verschuldigd als BTW, 1.470,00 euro als geldboete en 3.537,60 euro als wettelijke interesten berekend vanaf 21 maart 2015, te vermeerderen met de interest vanaf 21 september 2017.

9 Hierop stelde eiseres bij verzoekschrift van 19 oktober 2017 een vordering in rechte in.

Eiseres vordert in haar laatste conclusie het volgende:

In hoofdorde

Verklaart de vordering van bvba Z.G.W. toelaatbaar en gegrond.

Vernietigt het dwangbevel d.d. 15 september 2017, uitvoerbaar verklaard op 22 september 2017, met nr. 500/.../...93.

Veroordeelt de Belgische Staat tot terugbetaling van alle ten onrechte lastens bvba Z.G.W. ingehouden en/of door haar betaalde bedragen, meer de interesten op de door de wet bepaalde wijze.

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van het geding, in hoofde van bvba Z.G.W. begroot als volgt:

bijdrage pro-deo fonds: 20,00 euro

rechtspleqinqsverqoedinq: 1.440,00 euro

totaal: 1.460,00 euro

In ondergeschikte orde:

Verklaart de vordering van bvba Z.G.W. toelaatbaar, doch ongegrond.

Veroordeelt bvba Z.G.W. tot de kosten van het geding, begroot op 20,00 bijdrage pro-deo fonds."

Verweerder vraagt in zijn laatste conclusie om:

"De vordering van eiser ontvankelijk en ongegrond te horen verklaren;

De BTW, boeten en interesten uit het proces-verbaal van 3 augustus 2017 te behouden, het dwangbevel met schuldnummer 500.1838.46193 te behouden. Eiser te veroordelen tot de kosten van het geding."

III. Beoordeling

1 De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist. De rechtbank ziet ook geen ambtshalve aan te voeren redenen om de vordering niet ontvankelijk te verklaren.

De vordering wordt ontvankelijk verklaard.

2 Eiseres betwist dat zij nog BTW verschuldigd is voor het leasen van een motorboot bij de Italiaanse firma Mercantile Leasing spa omdat zij sinds januari 2014 geen betalingen meer heeft gedaan aan, of facturen heeft ontvangen van, deze leasingmaatschappij.

Bij gebrek aan betalingen/facturen is er vblgens eiseres geen sprake meer van een (doorlopende) dienstverlening in de zin van· artikel 51, §2, eerste lid, 1° van het BTW­ wetboek.

Aangezien de Italiaanse leasingmaatschappij van eiseres sinds januari 2014 geen tegenprestatie (betaling) meer heeft ontvangen voor de leasing van de motorboot, is op de geleverde dienst geen BTW verschuldigd, zo argumenteert eiseres.

3 Verweerder betwist de argumentatie va"n,eiseres.

Volgens verweerder staat de betaling of niet-betaling door eiseres (leasingnemer) aan de leasinggever los van de belastbaarheid van de' dienst die er is krachtens het leasingcontract en de bepalingen van de artikelen 21, §2 en 52; §2, eerste lid, 1° van het BTW-wetboek.

Verweerder stelt dat voor diensten, overeenkomstig artikel 22 van het BTW-wetboek, het belastbaar feit plaatsvindt, en de belasting opeisbaar wordt, op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht, waarbij voor diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, de dienst wordt geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft.

4 Artikel 22 van het BTW-wetboek bepaalt:

"§ 1. Voor diensten vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip waarop de dienst is verricht,

§ 2. In afwijking van paragraaf 1, worden diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening_ of betaling betrekking heeft.

Doorlopende diensten waarvoor de belasting wordt verschuldigd door de ontvanger van de dienst krachtens artikel 51, § 2, eerste lid, 1 ° en die gedurende een periode langer dan één jaar geen aanleiding geven tot afrekeningen of betalingen in die periode worden geacht te zijn verricht 'bij het verstrijken van elk kalenderjaar totdat de dienst wordt beëindigd."

Verder bepaalde artikel 22bis van het BTW-wetboek in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015:

"Wordt de prijs of een deel ervan ontvangen vóór het tijdstip waarop de dienst is verricht, dan wordt de belasting opeisbaar op het tijdstip van de ontvangst ten belope van het ontvangen bedrag.

Ten aanzien van de diensten verricht door een belastingplichtige die gewoonlijk diensten verricht voor particulieren en -Jvaarvoor hij niet verplicht is een factuur uit te reiken, wordt de belasting opeisbaar in verhouding tot de ontvangst van de prijs of van de subsidies als bedoeld in artikel 26, eerste lid."

5 Uit artikel 22, §1 van het BTW-wetboek volgt dus dat voor diensten in principe het belastbaar feit plaatsvindt, en de BTW opeisbaar wordt, op het tijdstip waarop de dienst wordt verricht.

Artikel 22, §2 van het BTW-wetboek voorziet echter in een afwijking van dit principe.

Bij diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, wordt de dienst geacht te zijn verricht bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft.

6 Eiseres is als leasingsnemer van een motorboot, geleased bij de Italiaanse firma Mercantile Leasing spa, de ontvanger van eén intracommunautaire dienst, zodat eiseres overeenkomstig artikel 51, § 2, eerste lid, 1° van het BTW-Wetboek in België BTW verschuldigd is op deze dienst.

Het leasingcontract dat door eiseres werd afgesloten met Mercantile Leasing spa, bepaalt dat eiseres maandelijks een leasingbedrag verschuldigd is, dit vanaf 14 maart 2008 tot en met 14 maart 2015. De overeenkomst bevat een gedetailleerde aflossingstabel met de maandelijks verschuldigde bedragen.

7 Het staat vast dat eiseres ook in de periode van februari 2014 tot en met maart 2015 verder gebruik heeft gemaakt van de dienst die haar door Mercantile Leasing spa werd verstrekt, namelijk de leasing van een motorboot. De dienst werd dus niet beëindigd door eiseres.

Wel is het zo dat er in deze periode geen .facturen meer zouden zijn opgemaakt door Mercantile Leasing spa en dat eiseres ook geen betalingen meer heeft gedaan voor de verstrekte dienst. Er blijkt een betwisting te bestaan tussen eiseres en Mercantile Leasing spa, die hangende is voor een Italiaanse rechtbank.

8 Uit de leasingovereenkomst blijkt dat de maandelijks verschuldigde leasingbedragen door eiseres moesten worden betaald uiterlijk vijf dagen na de vervaldata vermeld in de aflossingstabel (artikel 3, 1) van de algemene voorwaarden van de overeenkomst).

Het verschuldigd zijn van de leasingbedragen is dus niet afhankelijk van het uitschrijven van een factuur door de leasinggever.

De afrekening, zoals bedoeld door artikel 22, §2 van het BTW-wetboek, zit dan ook naar het oordeel van de rechtbank vervat in de leasingovereenkomst zelf, en is meer bepaald de aflossingstabel. Deze aflossingstabel is namelijk een gedetailleerde afrekening van de bedragen die maandelijks door eiseres verschuldigd zijn voor de verstrekte dienst gedurende de duur van het contract.

9 Bijgevolg wordt overeenkomstig artikel !22, §2 van het BTW-wetboek de dienst geacht te zijn verricht aan eiseres bij het verstrijken van elke periode waarop de afrekening betrekking heeft, meer bepaald bij het einde van iedere maand.

Op dit tijdstip vindt het belastbaar feit plaats en wordt de BTW op de dienst opeisbaar (artikel 22, §1 van het BTW-wetboek).

Het gegeven dat eiseres niet verder heeft betaald wat zij contractueel verschuldigd is, doet daaraan geen afbreuk.

10 Artikel 1, §12, 2° van het BTW-wetboek definieert 'opeisbaarheid van belasting' als "het recht dat de Schatkist heeft om krachtens de wet de belasting vanaf een bepaald tijdstip te vorderen van de persoon die de belasting moet voldoen, ook al kan de betaling daarvan worden uitgesteld.".

Bijgevolg heeft verweerder het recht om van eiseres de betaling te vorderen van de BTW die verschuldigd is op de dienst die haar in de periode van februari 2014 tot en met maart 2015 werd verstrekt door de Italiaanse leasingmaatsdiappij Mercantile Leasing spa.

11 De vordering van eiseres is ongegrond.

12 Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Zij wordt veroordeeld tot de kosten zoals hierna bepaald.

IV. Beslissing

De rechtbank doet uitspraak na tegenspraak en in eerste aanleg.

De vordering van Z.G.W. bvba is ontvankelijk maar ongegrond.

De rechtbank veroordeelt Z.G.W. bvba tot de kosten van de procedure. Deze kosten moeten voor Z.G.W. bvba niet worden vastgesteld omdat zij te haren laste blijven en worden voor de BELGISCHE STAAT vastgesteld op 0,00 (nul) euro.

Dit vonnis werd uitgesproken in de openbare zitting van kamer 12 van de rechtbank van eerste aanleg Leuven op vrijdag 8 maart 2019.

Waar zitting namen: ...

Ondertekeningen

Textes cités

11
CTVA art. 2212 occurrences
CTVA art. 518 occurrences
CTVA art. 217 occurrences
CTVA art. 22bis5 occurrences
CTVA art. 14 occurrences
CTVA art. 263 occurrences
CTVA art. 442 occurrences
CTVA art. 53ter2 occurrences
CTVA art. 811 occurrence
CTVA art. 911 occurrence

Décisions similaires

8