Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 18.09.2013
12/523/A
Taxe sur la valeur ajoutée - Droit à déduction - Mentions obligatoires sur la - Avantages de toute nature - Taux - Preuve -Présomptions - Amendes
12/523/A
Résumé
Des factures qui ne permettent pas de contrôler les opérations reçues , ne donnent pas de droit à déduction pour vice de forme (numéro d'identification TVA incorrect, période de facturation incorrecte et une erreur dans la description pour déterminer l'opération).
Des documents internes ne sont pas des factures et ne sont dès lors pas une preuve du prix et de l'ampleur des prestations de services traiteur.
L' extrapolation des avantages en nature d'un exercice comptable à un autre exercice comptable sans preuve adhérente, n'est pas acceptée par le juge.
Un document interne n'est pas une facture et n'a dès lors pas la valeur probante d'une facture.
L'amende proportionnelle réduite est en proportion avec les violations commises et la gravité des faits, et est par conséquent justifiée.
La décision est publiée uniquement dans la langue originale
Jugement du Tribunal de première instance de Gand du 18.09.2013
AR 12/523/A
Texte intégral
Corps de la décision
In de zaak van:
Bvba S., met zetel te ...en met ondernemingsnummer ...
EISERES, hebbende als raad Mter S. S., advocaat te ...
tegen:
De BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Gewestelijke Directeur der Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, Sector BTW, met burelen te 9300 Aalst, Dr. A. Sierensstraat 16 bus 1
VERWEERDER, voor wie optreedt dhr. G.D.B., e.a. inspecteur-diensthoofd bij een fiscaal bestuur
Vonnist de rechtbank als volgt:
I. DE RECHTSPLEGING.
De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 22 april 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen.
Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift op tegenspraak van 18 januari 2012 en de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.
II. DE VORDERING
De eiseres formuleert haar vordering als volgt:
"De vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
Het dwangbevel van 8 december 2011 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van B.T.W, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn;
De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan [de eiseres] van alle bedragen ten titel van B.T.W, geldboeten en interesten, die reeds door [de eiseres] werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde B.T.W-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten;
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding (ad 2.200 EUR);
Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van elke kantonnering."
III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL.
1. De eiseres is actief als traiteurszaak. Zij omschrijft haar maatschappelijk doel als volgt: het vervaardigen en bereiden van maaltijden, aankoop en verkoop van eetwaren, dranken en toebehoren.
De eiseres beschikt niet over eigen feestzalen, zodat zij beweert dat haar hoofdactiviteit bestaat uit het leveren van maaltijden ten huize (cateringservice).
Daarnaast voert de eiseres ook groot- en kleinhandel in wijnen en likeuren.
Zij stelt dat de klemtoon op externe activiteiten ligt.
2. Op 6 september 2011 voert het Controlecentrum Aalst een controleonderzoek ter plaatse uit over de naleving van de BTW-wetgeving over de jaren 2008 en 2009.
De controle leidde tot een correctieopgave, die op 25 oktober 2011 naar de eiseres wordt toegezonden. Volgens deze correctieopgave zou de eiseres een bedrag van 37.651,82 EUR ten titel van BTW verschuldigd zijn, alsook een boete van 6.690 EUR, hetzij in totaa144.341,82 EUR.
De eiseres verklaarde zich niet akkoord op 7 december 2011.
De administratie gaat over tot het opstellen van een proces-verbaal van 7 december 2011.
Overeenkomstig het proces-verbaal van 7 december 2011 zou de eiseres:
- een inbreuk hebben gepleegd op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur;
- geen BTW hebben aangegeven op een toegekend voordeel van alle aard;
- een inbreuk hebben gepleegd op de wetsbepalingen inzake het toepasselijke BTW-tarief en
- een overtreding hebben begaan tegen de formaliteiten voorgeschreven door artikel 53 § 2 W.BTW en artikel 5 § 1 K.B. nr. 1.
De BTW-administratie stelde dat de eiseres ten gevolge van deze inbreuken een bedrag van 23.341,82 EUR verschuldigd was ten titel van BTW. Daarnaast worden in het proces-verbaal voor deze inbreuken administratieve geldboeten opgelegd in uitvoering van artikel70 W.BTW en artikel1 van het K.B. nr. 41.
Op 8 december 2011 vaardigde de BTW-administratie een dwangbevel uit, dat bij aangetekend verzonden brief van 23 december 2011 ter kennis werd gebracht aan de eiseres.
De eiseres betwist het proces-verbaal en het daaropvolgende dwangbevel en legde op 18 januari 2012 een verzoekschrift op tegenspraak ter griffie van deze rechtbank neer.
IV. BESPREKING.
1. Inbreuken op de aftrekregeling.
1.1.
In het proces-verbaal werd het beroepsmatig karakter van een aantal leveringen en diensten niet aanvaard en een aantal facturen zouden niet voldoen aan de voorgeschreven formaliteiten.
Dit onderdeel van het geschil heeft aldus betrekking op facturen, waarop de eiseres al dan niet een recht op aftrek kan laten gelden.
Artikel45, §1, WBTW luidt als volgt:
"Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door' hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van:
1° belaste handelingen; ..."
Opdat de belastingplichtige zijn recht op aftrek kan uitoefenen, moet hij in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het hierboven . vermelde Koninklijk Besluit nr 1 van 29 december 1992.
Volgens artikel 5, §1 van dit K.B. moet de factuur (en het in artikel 2 bedoeld stuk) verplicht vermelden:
3° de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het in artikel 50, van het Wetboek, bedoeld BTW-identificatienummer van de medecontractant of, wanneer het in artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het Wetboek, bedoelde leveringen betreft, de naam of de maatschappelijke benaming, het adres en het BTW-identificatienummer dat in de lidstaat van bestemming van de goederen aan de belastingplichtige is toegekend;
(. ..)
5° de datum waarop het belastbaar feit van de levering van de goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de incassering van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur;
6° de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten;
De eiseres liet na om voor de hierna vermelde leveringen en diensten bepalingen inzake verplichte vermelding op de factuur na te leven, hetgeen echter, zoals gesteld, een voorwaarde is om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Aldus heeft de eiseres ten onrechte de BTW afgetrokken van betrokken facturen.
In concreto betreft het volgende facturen, die niet de verplichte vermeldingen zoals opgelegd door artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 bevatten:
factuur nr. 203 dd. 30/06/2008 ontvangen van de BVBA SALONS CARLTON ten bedrage van 40.000,00 EUR en
factuur nr 277 dd. 30/09/2008 ontvangen van de BVBA SALONS CARLTON ten bedrage van 40.000,00 EUR.
Meer bepaald ontbreekt de verplichte vermeldingen voorzien in artikel 5, § 1, 3° van voornoemd K.B. , namelijk het BTW-identificatienummer van de BVBA S. is niet vermeld. In realiteit is het op deze facturen voorkomend BTW-identificatienummer dat van een andere vennootschap, de NV C. genaamd.
Bovendien kan uit de kwestieuze facturen de juiste aard en omvang van de leveringen en de dienstverrichtingen niet worden opgemaakt.
In het proces-verbaal stelt de verbaliserende ambtenaar het vermelden van een verkeerd BTW-nummer van de afnemer vast. Tevens bleek dat werd gefactureerd per kalenderkwartaal, terwijl in artikel 4 § 1 van het KB nr.1 bepaald wordt dat de factuur uiterlijk de vijfde werkdag van de maand na die waarin de belasting opeisbaar wordt dient uitgereikt te worden. Evenmin heeft het 'niet-vermelden van het aantal gepresteerde dagen en/of uren, van het tarief per dag of per uur en de aard van de geleverde prestaties tot gevolg dat geen adequate controle op de correcte toepassing van de aftrekregeling mogelijk is.
In de gegeven omstandigheden zijn de vormgebreken van de ontvangen facturen . van die aard dat de inning en de controle van de BTW door de verweerder in het gedrang komt. Het ontbreken van één of meer wettelijk voorgeschreven vermeldingen op facturen die in het algemeen noodzakelijk (kunnen) zijn voor de inning van of de controle op de BTW vormen in casu een voldoende grond om de aftrek van voorbelasting te weigeren.
De rechtbank kan aldus de stelling van de eiseres dat de aftrek louter verworpen werd op vormgebreken niet bijtreden. Terecht stelde de verweerder dat de voorgelegde facturen, samen met de bijkomend gevraagde inlichtingen, niet toelieten om de juiste aard en omvang van de ontvangen handelingen te controleren.
De grief is ongegrond.
2. Inbreuk omtrent BTW voordelen van alle aard.
2.1.
De verweerder rekent de niet-aangegeven BTW met betrekking tot een voordeel van alle aard voertuigen, waarvoor door de genieter een bijdrage wordt betaald of geboekt via de rekening-courant.
Uit het proces-verbaal blijkt dat in de boekhouding van de eiseres op de rekening 416300 R/C Gelaude in het jaar 2009 een boeking werd verricht waarbij uitdrukkelijk werd vermeld "VIN Wagen" ten bedrage van 3.000 EUR.
De eiseres betwist het bestaan van een belastbaar voordeel. Zij stelt dat niet bewezen is dat het voertuig Jaguar met nummerplaat XCG044 voor private doeleinden wordt gebruikt en dat het een tien jaar oud voertuig betreft dat wordt aangewend voor feestvierende klanten. De eiseres argumenteert dat het loutere ter beschikking stellen van een bedrijfswagen aan de werknemer/bedrijfsleider niet zomaar kan afgeleid worden dat een effectief voordeel werd genoten.
De rechtbank stelt vast de eiseres tegen haar boekhouding in argumenteert, gezien de terbeschikkingstelling van het voertuig geen hypothetisch gegeven is, doch in casu werd geconcretiseerd doordat het voordeel in natura werd berekend en geboekt op de lopende rekening van de bedrijfsleider.
2.2.
Het proces-verbaal maakt gewag van een voordeel in natura, geboekt op de R/C Gelaude in het jaar 2009. De verweerder verklaart niet waarom hij eveneens een voordeel in natura aanrekent voor het boekjaar 2008. Er blijkt geen vaststelling te zijn gebeurd voor het boekjaar 2008. De administratie heeft aldus op basis van een louter vermoeden aangenomen dat de eiseres in de loop van het boekjaar 2008 ook dit voordeel in natura heeft toegekend aan haar bedrijfsleider.
Dit louter vermoeden kan de rechtbank niet als afdoende bewijs aannemen zodat de aangerekende BTW voor het jaar 2008 ten belope van 520,66 EUR dan ook moet verworpen worden.
3. Overtreding inzake de BTW-tarieven.
3.1
Uit het proces-verbaal blijkt dat de eiseres heeft een factuur nr. 2008056 van 30 juni 2008 heeft uitgeschreven met betrekking tot contante verkopen over het tweede kwartaal 2008, waarvan de traiteurdiensten werden opgesplitst in 36.670 EUR aan 6% en 53.340 aan 21%.
In regel bedraagt overeenkomstig artikel 1 K.B.nr 20 het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het BTW-wetboek, 21 %, tenzij het verlaagd tarief van 6% of 12% van toepassing is wanneer het goederen en diensten betreft waarvan uitdrukkelijk melding worden gemaakt in de tabellen van de bijlage van voormeld K.B.
De verweerder stelt echter dat in toepassing van artikel 64 §3 WBTW de totaliteit van voormelde prestaties moeten belast worden tegen het normale tarief van 21%.
De navordering werd berekend op 5.500,50 EUR.
3.2.
De eiseres houdt voor dat een deel van de traiteurdiensten betrekking hadden op het leveren van spijzen en dranken, die werden verbruikt bij de afnemer van de dienst en niet in de gebouwen van de eiseres. Zij stelt zelfs niet over de vereiste infrastructuur te beschikken. Deze traiteurdiensten werden volgens daarom terecht onderworpen aan het tarief van 6% en kan artikel 18, §1, lid 2, 11° WBTW niet worden toegepast.
De eiseres stelt verder dat, gezien een verkoopfactuur voorhanden is, artikel 64 §3 WBTW niet kan worden toegepast. Zij meent het bewijs te hebben geleverd aan de hand van de aanvaarde factuur, die overeenkomstig artikel 25 W.Kh. bewijskrachtig is.
De rechtbank stelt echter vast dat de vermeende factuur niets anders is dan een intern document van de eiseres aan de hand van hetwelk zij boekhoudkundig haar contante verkopen gaat formaliseren. Dit intern document kan dan ook geenszins gelijkgesteld worden met een factuur.
3.3
In principe draagt de administratie, wanneer zij vindt dat een BTW-belastingplichtige ten onrechte toepassing gemaakt heeft van het verlaagd tarief, de bewijslast dat dit BTW-tarief niet van toepassing is. (Cass. 13 mei 2005, T.F.R., 2005, nr. 290, p. 917.)
De verweerder verwijst in deze naar artikel 64, §3, WBTW.
Artikel 64,§3, WBTW bepaalt dat "wanneer iemand als bedoeld in de §§1 en 2 handelingen verricht met betrekking tot goederen of diensten die aan een verschillend tarief onderworpen zijn, die handelingen behoudens tegenbewijs geacht worden voor het geheel betrekking te hebben op de goederen of de diensten waarvoor het hoogste tarief geldt. "
De eiseres kan aldus toepassing maken van het verlaagd tarief van 6% voor zover zij kan aantonen dat zij daadwerkelijk goederen of diensten heeft geleverd die de toepassing van dit verlaagd tarief verrechtvaardigen, met andere woorden dient zij in voorliggend geval aan te tonen dat traiteurdiensten werden verkocht aan afnemers die deze diensten in de zaak werden afgehaald.
Ten bewijze daarvan steunt de eiseres zich op wat zij ten onrechte als de aanvaarde factuur nr. 2008056 van 30/06/2008 bestempeld, terwijl dit document in wezen, zoals hierboven reeds gesteld, slechts een intern document is.
De eiseres kan geen afdoende verantwoordingstukken voorleggen, zodat de rechtbank moet besluiten dat de eiseres er niet in slaagt te bewijzen hoeveel en tegen welke prijs afgehaalde traiteurdiensten in werkelijkheid heeft verkocht.
De in het proces-verbaal opgebouwd argumentatie van de verweerder is aldus consistent, zodat de navordering van 5.500,50 EUR als terecht kan beschouwd worden.
4. Overtreding inzake artikel 53. §2. WBTW en artikel 5 §1 K.B. nr. 1.
In het proces-verbaal werd vastgesteld dat de uitgaande factuur nr. 2009033 d.d. 31/12/2008 ten bedrage van 151.500 EUR aan de BVBA Salons Carlton het BTW-nummer van de klant ontbreekt en dat geen volledige omschrijving en hoeveelheid van geleverde goederen werd vermeld.
De factuur is aldus niet in overeenstemming met artikel 53,§2, WBTW uitgeschreven.
De rechtbank verwijst met betrekking tot de verplichte vermeldingen op de factuur overeenkomstig artikel 5 van het K.B. nr 1 van 29 december 1992 naar punt 1.
De rechtbank neemt dezelfde argumentatie aan als hierboven en stelt vast dat de
navordering van 9.084 EUR terecht is.
5. De boete.
De navordering van de belasting over de toegevoegde waarde werd vastgesteld op 23.341,82 EUR.
Krachtens artikel 70, §1bis WBTW zou de verschuldigde boete het dubbele van de verschuldigde BTW bedragen, hetzij 46.683,64 EUR.
Voor wat betreft inbreuken onder de rubrieken 1) tot en met 3) van het proces-verbaal stelde de verweerder in toepassing van artikel 109 van de Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen en artikel 1 K.B. nr 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op 2.334,18 EUR.
Voor wat betreft inbreuken onder de rubriek 4) van het proces-verbaal stelde de administratie de geldboete vast op 9.084,00 EUR.
De totale geldboete werd na afronding vastgesteld op 11.410 EUR.
De rechtbank stelt vast dat de berekening van de geldboete in het proces-verbaal op wettelijk gronden rust, correct werd berekend en op afdoende wijze is gemotiveerd.
De rechtbank is van oordeel dat deze proportionele verminderde boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten zodat deze als gerechtvaardigd overkomt.
V. DE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING.
De eiseres begroot de rechtsplegingsvergoeding op 2.200 EUR.
De vordering situeert zich in de schijf van 20.000,01 EUR tot 40.000,00 EUR zodat overeenkomstig artikel 2 van het K.S. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek de rechtsplegingsvergoeding kan vastgesteld worden op het basisbedrag van 2.200,00 EUR.
Gezien de eiseres overwegend in het ongelijk gesteld wordt, dient zij overeenkomstig artikel1017, 1e lid van het Gerechtelijk Wetboek, de kosten van het geding te dragen.
De verweerder heeft echter geen beroep gedaan op een advocaat zodat dan ook geen rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend.
VI. UITVOERBAARHEID BIJ VOORRAAD.
Overeenkomstig artikel 92bis WBTW schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing, zodat het vonnis dan ook niet uitvoerbaar bij voorraad kan verklaard worden.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Recht doende op tegenspraak.
Met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken .
Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet ter zake dienend.
Verklaart de vordering ontvankelijk en deels gegrond.
Bevestigt, behoudens het hierna gestelde, het proces-verbaal van 2 maart 2004.
Zegt voor recht dat de verweerder ten onrechte een navordering instelt voor het voordeel van alle aard voertuig met betrekking tot het jaar 2008 ten belope van 520,66 EUR.
Beveelt dienovereenkomstig de correctie in het bestreden dwangbevel uitgevaardigd op 8 december 2011, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 20 december 2011 met RVIZ nummer 411/1207/39033.
Verwijst de eiseres tot de kosten van het geding en begroot deze als volgt:
- langs de zijde van de eiseres: nul EUR
- langs de zijde van de verweerder: nul EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de zesde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op woensdag achttien september tweeduizend en dertien, waar aanwezig waren:
de heer C. S., toegevoegd rechter, voorzitter van deze kamer,
mevrouw G.L., griffier.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.