Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour de cassation du 22.02.2024 (F.22.0027.N)
WF 714-15-18/002608
[Favorable à l'État belge]
Taxe sur la valeur ajoutée - Assujettissement – Déduction - Activité économique – Biens d’investissement - Œuvres d'art originales
Dispositions légales
Art. 45, § 1er, du Code de la TVA
Résumé
1. Faits et antécédents
Ce litige concerne la déduction de la TVA grevant l’achats d'œuvres de décoration et les frais relatifs à ces œuvres de décoration. Il ne ressort d’aucun élément qu'une activité économique consistant en la location de ces œuvres ait été exercée. L'administration a estimé que la déduction de la TVA grevant ces dépenses pour la période concernée ne satisfaisait pas aux conditions de l'article 45, § 1er, du Code de la TVA.
2. L’arrêt de la cour d'appel.
Dans son arrêt du 7 décembre 2021, la Cour d'appel de Gand a notamment jugé que la location limitée, c-à-d exclusivement faite à des entreprises liées, non suivie de ventes (à l'exception d'une facture), faite sans aucune publicité et avec un chiffre d'affaires extrêmement minime par rapport à la valeur des tableaux acquis, démontrait que l’assujettie n'avait en réalité exercé aucune activité économique en relation avec ses œuvres de décoration en 2014 et 2015. Le recours en appel était recevable mais non fondé.
L’assujettie a introduit un pourvoi en cassation contre cet arrêt.
3. L’arrêt de la Cour de cassation
« La cour d'appel constate et juge qu'il ne suffit pas que, depuis le 19 avril 2013, l’assujettie ait étendu sa raison sociale à l'achat et à la vente, à la restauration et à la rénovation, à la location et à la mise en location, (.... ) d'œuvres d'art et de décoration, en Belgique et à l'étranger, dès lors que la question de l'existence d'une activité économique déterminée est une question de fait à examiner in concreto; il est en effet relevant que le procès-verbal du 14 novembre 2017 ait consigné que le gérant de la requérante a déclaré à l'agent contrôleur que les œuvres de décoration n'étaient pas destinées à la vente et que cette constatation est un fait auquel s'applique la force probante particulière du procès-verbal, qui fait foi jusqu’à preuve du contraire ; Le contrôle a constaté que la demanderesse n'avait vendu qu'un seul tableau en 2014 et 2015 et qu'en 2014 et 2015 la location de 10 œuvres de décoration avait été facturée; »
(...)
« En ce qui concerne la peinture d’art, il est relevant que les œuvres de décoration puissent être par excellence l'objet d'un simple placement, et l'administration se réfère donc, non sans raison, aux décisions E.T. 13210 du 19 janvier 1973 et E.T. 19449 du 6 décembre 1974 qui prévoient que les biens, tel que l’œuvre d'art originale qu'un assujetti à la T.V.A. acquiert sans intention de revente mais à titre de placement et dont la valeur ne se déprécie pas par l'usage, n'est pas un bien d'investissement. »
La cour d'appel qui juge, par ces motifs, que l'administration a rejeté à bon droit, pour les années 2014 et 2015, la déduction de la taxe en amont, a légalement justifié sa décision. Le moyen ne peut être accueilli".
La Cour de cassation rejette le pourvoi en cassation de l’assujettie.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van Cassatie van België
Datum van het arrest: 22.02.2024
Arrest Nr.: C.22.0154.N
R. C. nv, met zetel te ..., ingeschreven bij de KB0 onder het nummer 043...21,
eiseres,
met als raadslieden mr. B. P., advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te ..., waar de eiseres woonplaats kiest, en mr. J. V., advocaat bij de balie te …, met kantoor te ...,
tegen
BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het Centrum KMO Kortrijk, met kantoor te Gaston Crommenlaan 6 Bus 562 9050 Ledeberg
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. G. d. F. en mr. S. D. V., beiden advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., waar de verweerder woonplaats kiest.
I.RECHTSPLEGING VOOR HET HOF
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 7 december 2021.
Advocaat-generaal J. V. D. F. heeft op 22 januari 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd.
Raadsheer I. C. heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal J. V. D. F. heeft geconcludeerd.
II. CASSATIEMIDDEL
De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.
III. BESLISSING VAN HET HOF
Beoordeling
1.Krachtens artikel 45, § 1, 1°, Btw-wetboek mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.
2.Krachtens artikel 4, § 1, Btw-wetboek is de belastingplichtige eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, levering van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.
Artikel 4, § 1, Btw-wetboek is de omzetting naar Belgisch recht van artikel 9, lid 1, Richtlijn 2006/112/EEG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
Krachtens artikel 9, lid 1, tweede zin, van die richtlijn wordt als economische activiteit beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak (HvJ 21 september 2017, C-441/16, S. G. GmbH, r.o. 47; HvJ 25 juli 2018, C140/17, S. K. A. S., r.o. 34-39) dat enkel iemand die belastingplichtig is en als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed of dienst aanschaft, een recht op aftrek heeft voor dit goed of die dienst en dat de vraag of de belastingplichtige op het tijdstip waarop een goed of een dienst aan hem werd geleverd, heeft gehandeld als belastingplichtige ten behoeve van een economische activiteit, een feitelijke kwestie is die de nationale rechter dient te onderzoeken in het licht van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de betrokken goederen of diensten en het tijdsverloop tussen de verwerving van de goederen of diensten en hun gebruik voor de economische activiteiten van de belastingplichtige.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft dienaangaande in vaste rechtspraak gepreciseerd dat:
- aangezien de economische activiteiten kunnen bestaan in verscheidene opeenvolgende handelingen, voorbereidende handelingen reeds tot de economische acitiviteit - moeten worden gerekend; het beginsel van neutraliteit van de btw ten aanzien van de fiscale belasting van de ondernemer vereist dat de eerste uitgaven die worden gedaan ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, als economische activiteiten worden aangemerkt; het in strijd zou zijn met dat beginsel indien die activiteiten werden geacht eerst een aanvang te nemen wanneer de belastbare inkomsten ontstaan (HvJ 14 februari 1985, 268/83, R., r.o. 22-24; HvJ 11 juli 1991, C-97/90, L., r.o. 13-17; HvJ 29 februari 1996, C-110/94, I., r.o. 15; HvJ 17 oktober 2018, C-249/17, R. Ltd, r.o. 18; HvJ 1 maart 2012, C-280/10, K. O. P. T. P. G. M W. s., r.o. 28-29);
- het volstaat dat de belastingplichtige daadwerkelijk het voornemen had de betrokken goederen of diensten te gebruiken om de economische activiteiten te verrichten waarover hij zijn recht op aftrek heeft uitgeoefend; de belastingdienst de belastingplichtige kan verzoeken om aan te tonen dat het door de belastingplichtige kenbaar gemaakte voornemen om een aanvang te maken met economische activiteiten die aanleiding geven tot belastbare handelingen, door objectieve gegevens wordt bevestigd; in dat verband moet worden beklemtoond dat de hoedanigheid van belastingplichtige slechts definitief verworven wordt, indien de verklaring van het voornemen om een aanvang te maken met de beoogde economische activiteiten, door de belanghebbende te goeder trouw is afgelegd; en de belastingdienst, in geval van fraude of misbruik, wanneer de belastingplichtige heeft voorgewend een bepaalde economische activiteit te willen verrichten doch in werkelijkheid goederen of diensten ten aanzien waarvan aftrek mogelijk is, in zijn privévermogen heeft pogen op te nemen, met terugwerkende kracht terugbetaling van de afgetrokken bedragen kan vorderen omdat deze aftrek op basis van valse verklaringen is verleend (HvJ 21 maart 2000, C-110/98 en C147/98, G. SL, r.o. 45-46; HvJ 8 juni 2000, C-400/98, B., r.o. 3440; HvJ 1 maart 2012, C-280/10, K. O. P. T. P. G., M W. s., r.o. 37; HvJ 12 november 2020, C734/19, ITH C. T. SRL, r.o. 37-38).
Uit die rechtspraak volgt kennelijk dat, wanneer een belastingplichtige aanvoert goederen of diensten te verwerven in het kader van een economische activiteit in opstart, teneinde de btw die op die goederen of diensten verschuldigd is, in aftrek te kunnen nemen, het de nationale rechter toekomt na te gaan of de wilsverklaring van de belastingplichtige om met economische activiteiten aan te vangen die zullen leiden tot belaste handelingen, gelet op de omstandigheden van de zaak, wordt ondersteund door objectieve gegevens en te goeder trouw is afgelegd.
4. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat:
- het niet volstaat dat de eiseres sinds 19 april 2013 haar maatschappelijk doel had uitgebreid met de aan- en verkoop, de restauratie en renovatie, huur en verhuur, het aanwenden van, het ter beschikking stellen van, het deelnemen aan events-en tentoonstellingen, voor publiciteits- en commerciële doeleinden en het versterken van de intrinsieke en marktwaarde, van kunst en decoratiewerken, in binnen- en buitenland, vermits de vraag of er een bepaalde economische activiteit bestaat, een feitenkwestie is die in concreto moet worden onderzocht;
- het wel degelijk relevant is dat in het proces-verbaal van 14 november 2017 is opgenomen dat de zaakvoerder van de eiseres aan de controleagent heeft verklaard dat de decoratieve werken niet bestemd zijn voor verkoop en deze vaststelling een feit is waarvoor de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal geldt, dit is een bewijs tot het tegendeel;
tijdens de controle werd vastgesteld dat de eiseres in 2014 en 2015 slechts één schilderij verkocht, namelijk in 2014 en dat in 2015 de verhuring van 10 decoratieve werken werd gefactureerd;
- de facturen niet vermelden welke werken werden verhuurd, terwijl er ook geen onderliggende huurovereenkomsten waren en dit des te meer relevant is, omdat de controleagent aantoont dat alle bestemmelingen van de facturen vennootschappen zijn die aan de eiseres gelieerd zijn via haar zaakvoerder;
de controleagent heeft berekend dat de omzet die de eiseres in de jaren 2014 en 2015 met die facturatie realiseerde, zeer beperkt was in verhouding tot de aankoop- en boekwaarde van de schilderijen;
- de eiseres niet weerlegt dat ze in die periode geen publiciteit voerde voor enige economische activiteit met betrekking tot de decoratieve werken, zij het voor de verhuring of de verkoop;
- volgens het proces-verbaal de eiseres tijdens de controle slechts enkele catalogi van tentoonstellingen heeft voorgelegd en de eiseres nooit heeft weerlegd dat in die catalogi op geen enkele wijze naar de eiseres verwezen wordt;
- dat sprake was van een `private collectie van R.' hoogstens erop kon wijzen dat werken werden tentoongesteld die een verband hebben met de eiseres, maar allesbehalve van aard is om het bewijs bij te brengen dat de eiseres in verband met de decoratieve werken een economische activiteit had en het tegendeel zelfs waar is, aangezien het feit dat er sprake was van een `private collectie' doet vermoeden dat ze kaderde in een privéaangelegenheid en dus niet in de exploitatie van een onderneming;
- waar het ging om schilderkunst, het wel degelijk relevant is dat de decoratieve werken bij uitstek het voorwerp konden zijn van een loutere belegging en de verweerder dan ook niet zonder reden verwijst naar de beslissingen E.T. 13210 van 19 januari 1973 en E.T. 19449 van 6 december 1974 waarin bepaald wordt dat goederen, zoals oorspronkelijke kunstwerken, die door een belastingplichtige worden gekocht, zonder de bedoeling ze door te verkopen maar als belegging, en waarvan de waarde niet vermindert door het gebruik, geen bedrijfsmiddelen zijn zoals bedoeld in artikel 6 koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, of, meer algemeen geen goederen zijn die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het verrichten van handelingen zoals bedoeld in artikel 45, § 1, 1° tot 3°, Btw-wetboek;
- om als bedrijfsmiddelen te kunnen worden bestempeld in de zin van artikel 6 koninklijk besluit nr. 3, te onderscheiden van handelsgoederen, goederen immers moeten bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen en het louter in eigendom hebben van dergelijke goederen dus niet dienstig is om tot het bestaan van een economische activiteit te besluiten;
- het hof van beroep slechts kan vaststellen dat door de eiseres niet is aangetoond
dat ze in 2014 en 2015 of daarvoor al een economische activiteit exploiteerde met betrekking tot de decoratieve werken.
Vervolgens stelt de appelrechter vast en oordeelt hij dat:
- de eiseres met reden laat gelden dat het recht op aftrek ook moet worden toegestaan voor handelingen die zich situeren in de opstartfase van een economische activiteit en dat het enkele feit dat er in de beginperiode slechts beperkte handelingen gesteld worden en dus ook de omzet minimaal blijft in verhouding tot investeringen en kosten, niet belet dat er sprake is van een reële economische activiteit;
- of er in werkelijkheid een economische activiteit bestaat, hoe dan ook van de concrete omstandigheden afhankelijk is;
- de eiseres een reeks facturen voorlegt, waarvan de eerste alle dateren van 22 december 2016, deze voor 2017 zijn opgemaakt op 31 december 2017 en deze voor 2018 dateren van 26 december 2018, en de verhuring telkens slaat op het volledige afgelopen jaar;
- de klanten grotendeels nog dezelfde zijn als deze waarvan is vermeld dat ze aan de eiseres gelieerd zijn;
het totale bedrag van de gerealiseerde omzet hoger is dan in 2014 en 2015, maar nog steeds relatief beperkt in verhouding tot de laatste gekende waarde van de decoratiewerken, die kennelijk niet verminderd kan zijn bij gebrek aan verkopen, maar blijkens het overzicht van de verweerder moet zijn toegenomen ingevolge de aankoop van nieuwe kunstwerken.
De appelrechter komt tot het besluit dat:
- de beperkte verhuring, uitsluitend aan gelieerde ondernemingen zonder verkoop, met uitzondering van één factuur, zonder enige publiciteit en met een uiterst minimale omzet in verhouding tot de waarde van de aangekochte schilderijen, aantoont dat de eiseres in werkelijkheid in 2014 en 2015 geen economische activiteit had met betrekking tot de decoratieve werken;
- dat er naderhand, enkele jaren later wel een dergelijke activiteit ontstond, in de gegeven omstandigheden niet volstaat om die eerdere, hier betrokken jaren als een periode van aankoop en/of opstart te beschouwen; waar de eiseres zelf gewaagt van een voorzichtige opstart, dat, zeker gelet op de grote financiële middelen waarover ze blijkens de gedane aankopen blijkt te hebben kunnen beschikken, niet op economische of financiële gronden te verklaren valt; de verhuring aan uitsluitend gelieerde ondernemingen tegen die achtergrond te beschouwen is als een pose om te doen uitschijnen dat er wel een economische activiteit was, dit in weerwil van de werkelijkheid; de verweerder terecht erop wijst dat voor de jaren 2014 en 2015 geen galerijruimte werd gehuurd en dat zelfs voor een huur in 2016 tijdens de controle voor die jaren geen stuk werd voorgelegd; de verweerder even terecht laat gelden dat de eiseres kennelijk onder invloed van de controle de beslissing heeft genomen om, voorbij de pose, de omslag te maken om naderhand wel een economische activiteit uit te werken.
5.De appelrechter die op die gronden oordeelt dat de verweerder voor de jaren 2014 en 2015 de aftrek van de voorbelasting met reden verworpen heeft, verantwoordt zijn beslissing naar recht.
Het middel kan niet worden aangenomen.
6.De door de eiseres voorgestelde prejudiciële vraag dient niet te worden gesteld.
Dispositif
Dictum
Het Hof,
Verwerpt het cassatieberoep.
Veroordeelt de eiseres tot de kosten.
Bepaalt de kosten voor de eiseres op 490,84 euro.
Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter G.J., als voorzitter, en de raadsheren I. C., S. M., M. G. en M. T., en in openbare rechtszitting van 22 februari 2024 uitgesproken door sectievoorzitter G. J., in aanwezigheid van advocaat-generaal J. V. D. F., met bijstand van griffier W. V.
Décision jointe par le SPF
Texte de l’arrêt de la Cour d'appel
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep Gent, vijfde kamer
Arrest van 07.12.2021
Rol: 2020/AR/1579
In de zaak van:
R. C. N.V., ON 043...21,
met maatschappelijke zetel te ..., BELGIË,
appellante,
hebbende als raadsman mr. V. W., advocaat te ...
tegen
BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159,
Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, BELGIË, vertegenwoordigd door het Centrum KMO Kortrijk, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), G.Crommenlaan 6 bus 543, BELGIË,
geïntimeerde,
hebbende als raadsman mr. D. C., advocaat te ...
wijst het hof het volgend arrest:
1. De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 30 september 2020 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 6 januari 2020 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 18/2718/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 9 november 2021, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is een vennootschap opgericht op 20 november 1987. Van oorsprong heeft zij een maatschappelijk doel dat verband houdt met het verrichten van management en consulting.
Op 19 april 2013 werd het volgende toegevoegd aan het maatschappelijk doel : de aan- & verkoop, de restauratie & renovatie, huur & verhuur, en het aanwenden van-, het ter beschikking stellen van-, het deelnemen aan events- en tentoonstellingen, voor publiciteits- en commerciële doeleinden & het versterken van de intrinsieke- & marktwaarde, van kunst & decoratie werken, in het binnen- en buitenland.
Artikel 3 van haar statuten bepaalt daarnaast:
De vennootschap heeft daarenboven tot doel, alle onroerende verrichtingen met als hoofddoel de verhuring van onroerende goederen. Zij kan alle facetten van koop en verkoop, huur, leasing, verbouwing, restauratie, afbraak verrichten en alle handelingen, die noodzakelijk zijn tot optimalisatie van het onroerend patrimonium in bezit, in huur of in leasing.
De vennootschap mag, in België en in het buitenland, alle industriële, handels-, financiële, roerende en onroerende verrichtingen verwezenlijken die rechtstreeks of onrechtstreeks haar onderneming kunnen uitbreiden of bevorderen. Zij mag alle roerende en onroerende goederen verwerven, zelfs als deze rechtstreeks, noch onrechtstreeks verband houden met het doel van de vennootschap.
De appellante is wat de btw betreft sinds 1 mei 2004 (slechts) geregistreerd voor haar economische activiteit van overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer, adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering.
In de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2015 heeft de appellante een reeks decoratieve werken en kunstwerken gekocht voor een totaal bedrag van 1.181.293,87 euro. Zij heeft enerzijds de btw verschuldigd op de aankoop van deze werken afgetrokken en anderzijds de daaraan verbonden kosten (zoals kosten van catalogi van stukken uit de stock, reis- en verblijfkosten naar gespecialiseerde beurzen, kosten voor catering van de recepties naar aanleiding van tentoonstellingen, enz.) afgetrokken als beroepskosten in de vennootschapsbelasting.
De appelante is ook eigenaar van een onroerend goed in ....
De appellante heeft voor de belastingen in aanmerking genomen dat dit onroerend goed door haar voor 50% werd aangewend voor bedrijfsdoeleinden, en voor de andere 50% voor privédoeleinden van haar gedelegeerd zaakvoerder.
Toen de appellante in 2013 voor de vennootschapsbelasting een controle kreeg waarop die verdeling besproken werd, heeft de controleagent daarover uitleg gevraagd. Nadat een plan van de woning werd overgemaakt, is de verdeling door de taxatiedienst van de vennootschapsbelasting niet betwist.
Op 11 april 2017 is door de controleagent van de geïntimeerde met betrekking tot de btw een controle van de boekhouding gevoerd met betrekking tot de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015.
Dat leidde tot het opmaken van een regularisatieopgave van 26 april 2017 waarin de controleagent een btw-bedrag van 243.535,05 euro verschuldigd achtte, bestaande uit:
131.185,05 euro btw ingevolge inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van handelingen die de belastingplichtige niet gebruikt voor het verrichten van in artikel 45 §1 WBTW bedoelde handelingen.
112.350,00 euro btw ingevolge inbreuken betreffende de toepassing van het artikel 1,3,5 en 8 van het KB 18.
Daarnaast werd ook een proportionele geldboete van 24.350,00 euro verschuldigd geacht, meer de nalatigheidsinteresten op de verschuldigde belasting vanaf 21 januari 2016.
Op 29 juni 2017 liet de appellante weten niet akkoord te gaan.
De controleagent heeft vervolgens, op 14 november 2017, een proces-verbaal opgesteld. Daarin wordt meegedeeld, dat, met uitzondering van de argumentatie betreffende de inbreuken aangaande de toepassing van artikel 1,3,5 en 8 van het KB 18, de geformuleerde bezwaren niet konden aanvaard worden.
Puntsgewijs staat in dat proces-verbaal het volgende:
- de appellante heeft op 19 april 2013 haar maatschappelijk doel uitgebreid zoals hoger al vermeld;
- de zaakvoerder van de appellante verklaart dat de decoratieve werken niet bestemd zijn voor verkoop;
- er werd één keer een schilderij verkocht, namelijk in 2014 voor 18.000,00 euro + btw;
- zowel in 2014 als in 2015 werd in de boekhouding voor 8.200,00 euro verhuur van decoratieve werken geboekt die telkens weer werd weggeboekt; er werd in dat verband niet gefactureerd; - in 2015 zijn 5 facturen uitgereikt voor de verhuur van samen 10 decoratieve werken;
- de huurders van die facturen zijn (via haar zaakvoerder) aan de appellante gelieerde vennootschappen (met verduidelijking door de controleagent van hoe de onderlinge band bestaat);
- op de vraag van de controleagent werden door de appellante betalingsbewijzen voor die facturen voorgelegd, maar geen schriftelijke huurovereenkomsten, ook niet door twee aangeschreven huurders;
- er werd een overzicht gegeven van de verhouding tussen de omzet en de waarde van de kunst- en decoratieve werken van de appellante en wel als volgt:
| Datumbeginboekjaar | Datumeindeboekjaar | Aankopendecoratievewerken | VoorraaddecoratieveWerken 31/12 | verhuur & verkoopdecoratievewerken | Verhoudingomzet/voorraad |
| 1/12/2011 | 31/12/2012 | 281,922,00 € | 281.922,00 € | 15.000,00 € | 0,053 |
| 1/01/2013 | 31/12/2013 | 4524452,05.€ | 734,374,05 € | 8,000,00 € | 0,011 |
| 1/01/2014 | 31/12/2014 | 446,494,36 C | 1,18(1868,41 € | 18,000,00 € | 0,015 |
| 1/01/2015 | 31/12/2015 | 281347,46 € | L463.215,87 € | 9.000 , 00 € | 0,006 |
- de appellante voerde nooit publiciteit voor verhuring of verkoop van kunst- en decoratieve werken;
- de appellante beweert het tegendeel en legt in dat verband twee catalogi voor die zouden zijn uitgebracht n.a.v. tentoonstellingen die anderen zouden georganiseerd hebben, maar daarin wordt geen melding gemaakt van de appellante; er is enkel sprake van een private collectie van R.;
- tijdens de gecontroleerde periode (2014 en 2015) bevond de maatschappelijke zetel van de appellante zich in leper;
- er werd btw in aftrek genomen door de appellante voor de aankoop van goederen en diensten met betrekking tot de woning van de appellante in ... waar haar zaakvoerder gedomicilieerd is, wat volgens die zaakvoerder al sinds 1991 haar administratief adres zou zijn; - de zaakvoerder beroept zich op een stilzwijgend akkoord met de controleagent voor de directe belastingen, de heer M., waarbij het bedrijfsgedeelte van de woning in ... op 50% is bepaald;
- de volgende passage:
Uit een mail de dato 24 oktober 2013 blijkt dat de heer X in verband met het onroerend goed te ... de volgende vraag heeft. gesteld: "woonhuis te ...: U stelt dat 50% hiervan beroepsmatig is. Graag een plan met de indeling van de woonst en aanduiding van de delen die beroepsmatig zijn. Welke beroepsactiviteiten gebeuren werkelijk in de woonst?"
Op 26 november 2013 werd een mail verstuurd naar het e-mailadres X@minfinfed.be met in bijlage een rudimentaire schets van het onroerend goed ingekleurd door belastingplichtige. Noch in de mail, noch bij de schets worden er afmetingen vermeld of wordt er een berekening gemaakt van de oppervlakte van de lokalen die voor beroepsdoeleinden bestemd zijn tegenover de totale oppervlakte van de beschikbare ruimten, er werd evenmin geantwoord op de vraag welke beroepsactiviteiten er in de woonst gebeuren.
Uit een telefonisch onderhoud met de heer X werd door hem bevestigd dat er een nazicht van het dossier verricht werd in die periode maar dat er geen akkoord, noch mondeling noch schriftelijk, afgesloten werd met betrekking tot het beroepsgedeelte van het onroerend goed in ....
- de zetel van de appellante werd tijdens de controle inzake vennootschapsbelasting overgebracht van een adres in Brussel, naar leper.
- op 28 maart 2017, zijnde tussen de aankondiging van de controle inzake btw en de datum van de controle zelf, werd de maatschappelijke zetel van de appellante verplaatst naar Luik, maar alle briefwisseling die naar daar werd verstuurd (met gewone of met aangetekende post) kwam onbesteld terug;
- uit een proces-verbaal van 25 juli 2017 opgesteld door een controleagent van de afdeling Opsporingen, blijkt dat deze pas na vier onaangekondigde bezoeken iemand op het adres van de woning in ... kon aantreffen en dat na een afgesproken bezoek op 23 mei 2017 werd vastgesteld dat er zich binnen en buiten in de tuin van de woning een gedeelte van de decoratieve werken bevinden die eigendom zouden zijn van de appellante.
De controleagent oordeelde dat onvoldoende bewezen was dat de decoratieve werken die aan de appellante toebehoorden, bestemd zijn voor het verrichten van belaste handelingen. Tevens werd overwogen dat beslissing E.T. 13210 van 19 januari 1973 en beslissing E.T. 19449 van 6 december 1974 bepalen dat goederen, zoals oorspronkelijke kunstwerken (schilderijen, beeldhouwwerken, enz.), die door een belastingplichtige worden gekocht, zonder de bedoeling ze door te verkopen maar als belegging, en waarvan de waarde niet vermindert door het gebruik, geen bedrijfsmiddelen zijn als bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, of, meer algemeen, geen goederen zijn die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikel 45, § 1, 1° tot 3° van het btw-wetboek. De belasting geheven op de aankoop van die goederen zou dus niet aftrekbaar zijn. Dezelfde oplossing zou ook gelden voor de aankoop van lijsten, voetstukken en andere houders of steunen bestemd voor bovenbedoelde kunstwerken te beschermen of tentoon te stellen.
Op grond daarvan verwierp de controleagent de aftrek van btw die was betaald op de verrichtingen met betrekking tot de decoratieve werken.
Daarnaast werd ook de btw-aftrek geweigerd voor de levering van goederen en diensten met betrekking tot de woning in ... omdat het bewijs zou ontbreken dat ze voor de doeleinden van de economische activiteit van de appellante wordt gebruikt.
De conclusie was de volgende:
Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de NV R. C. verschuldigd is aan de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de fiscaliteit
1) als belasting over de toegevoegde waarde een bedrag van honderd vijftien duizend drie honderd en eenenvijftig euro vijf cent (115,351,05 euro)
2) als boete op grond van artikel 70 § 1, van het btw-wetboek , een bedrag gelijk aan het dubbel van de rechten zijnde twee honderd dertig duizend zeven honderd twee euro tien eurocent (230.702,10). In uitvoering van het koninklijk besluit nummer 41, van 30 januari 1987, tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, tabel 1-1, wordt deze boete verminderd tot 11.535,11 (elf duizend vijfhonderd vijvendertig euro elf eurocent ), afgerond E 11,530,00 (elf duizend vijf honderd dertig euro ).
3) de intresten bedoeld in en berekend volgens artikel 91, § 1 van het btw-wetboek, te rekenen vanaf 21.01.2016 op de verschuldigd btw hetzij 115,351,056 - bedrag afgerond op het lagere tiental hetzij 115,350,00E
Tussen de regularisatieaangifte van 26 april 2017 en het proces-verbaal van 14 november 2017, namelijk op 4 september 2017 sloot de appellante met de taxatiedienst van de vennootschapsbelasting een akkoord voor de aanslagjaren 2015 en 2016. Behalve de wijzigingen ten gronde, bevat het ook de volgende tekst:
Het stilzwijgend akkoord tussen belastingplichtige en de administratie der directe belastingen inzake de verhouding tussen het beroepsmatige en het privatieve gebruik van het onroerend goed te ... — akkoord ingevolge het nazicht van de aangiften in de vennootschapsbelasting Al 2011 (balans 31/11/2011) en Al 2013 (balans per 31/12/2012) — wordt met ingang van 01/01/2018 opgezegd door de administratie.
Op 1 december 2017 werd namens de geïntimeerde aan de appellante een overeenkomstig
dwangbevel betekend, met als te betalen bedragen
- 115.351,05 euro aan btw
- 11.530,00 euro aan boetes
- 21.114,40 euro aan interesten op btw
Totaal: 148.105,45 euro.
Op 21 december 2017 werd door de appellante onder voorbehoud een bedrag van 125.000 euro betaald.
Op 22 december 2017 diende de appellante bezwaar in tegen de verschuldigd verklaarde btw.
Op 22 juni 2018 werd de appellante in kennis gesteld van de beslissing van de geïntimeerde om het bezwaar af te wijzen.
Met een verzoekschrift van 26 september 2018 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
In het vonnis van 6 januari 2020 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg
West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten
laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
3. De vorderingen van de partijen
3.1. De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellante toelaatbaar, ontvankelijk en gegrond te verklaren, en dienvolgens;
het bestreden vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge d.d. 6 januari 2020 in de zaak gekend onder rolnummer 18/2718/A te hervormen en opnieuw te oordelen als volgt:
De administratieve beslissing op het bezwaarschrift d.d. 22 juni 2018, in de zaak gekend bij de fiscale administratie onder de referte 714...08 en uitgebracht door de Adviseur Teamchef bij de dienst KMO Kortrijk-Expertise 2, 8800 Roeselare, Rondekomstraat 30, te vernietigen;
— De vernietiging dan wel integrale ontheffing uit te spreken van het dwangbevel in de btw voor de gecontroleerde periode 1/2014-12/2015, gekend onder artikelnummer 500...89;
— De Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van voormeld dwangbevel zijn geïnd of ingehouden, vermeerderd met de moratoriuminteresten;
— De Belgische staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding waarvan het basisbedrag kan worden geraamd op 6.000,00 euro, en dit zowel voor de eerste aanleg als voor de aanleg in hoger beroep.
3.2. De vordering van de .geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep van appellante ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;
Het bestreden vonnis a quo van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling
Brugge van 06.01.2020 te bevestigen;
Appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de
rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van geïntimeerde in graad van hoger beroep begroot op
een bedrag van € 6.500,00.
Gezien geïntimeerde in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste
aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.
4. De betwistingen en hun beoordeling
4.1. Over het bewijs van het bestaan van een economische activiteit met betrekking tot decoratieve werken in de jaren 2014 en 2015
Om er het recht op aftrek voor te kunnen uitoefenen moeten de aan de belastingplichtige geleverde goederen en verleende diensten door hem gebruikt worden (o.a.) voor het verrichten van belaste handelingen (art. 45 WBTW).
De appellante moet hier dan ook aantonen dat zij een economische activiteit had in de zin van artikel 4 WBTW in het kader waarvan ze belaste handelingen stelde in verband met de haar toebehorende decoratieve werken (kennelijk kunstwerken, namelijk schilderijen).
In dat verband volstaat het niet dat de appellante sinds 19 april 2013 haar maatschappelijk doel had uitgebreid met de aan- en verkoop, de restauratie & renovatie, huur en verhuur, het aanwenden van-, het ter beschikking stellen van-, het deelnemen aan events- en tentoonstellingen, voor publiciteits- en commerciële doeleinden & het versterken van de intrinsieke- & marktwaarde, van kunst & decoratiewerken, in binnen- en buitenland. De vraag of er een bepaalde economische activiteit bestaat (en dus of er in verband met die
activiteit belaste handelingen verricht werden of konden worden, is een feitenkwestie die in concreto moet worden onderzocht.
Het is wel degelijk relevant dat in het proces-verbaal van 14 november 2017 is opgenomen dat de zaakvoerder van de appellante aan de controleagent verklaard heeft dat de decoratieve werken niet bestemd zijn voor verkoop. De vaststelling door de controleagent dat de zaakvoerder dat verklaard heeft, is een feit waarvoor de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal (art. 59, §1, tweede lid WBTW) speelt, zijnde een bewijs tot het bewijs van het tegendeel.
Tijdens de controle werd vastgesteld dat de appellante in 2014 en 2015 slechts één schilderij verkocht, namelijk in 2014 en dat in 2015 de verhuring van 10 decoratieve werken werd gefactureerd. De appellante weerlegt niet dat die facturen niet vermelden welke werken werden verhuurd, terwijl er ook geen onderliggende huurovereenkomsten waren. Dat is des te meer relevant omdat de controleagent aantoont dat alle bestemmelingen van de facturen vennootschappen zijn die aan de appellante gelieerd zijn via haar zaakvoerder (zoals verduidelijkt in het proces-verbaal van 14 november 2017).
Zoals uit het feitenrelaas ook blijkt, heeft de controleagent berekend dat de omzet die de appellante in de betreffende jaren 2014 en 2015 met die facturatie realiseerde, zeer beperkt was in verhouding tot de aankoop- en boekwaarde van de schilderijen. Het ging respectievelijk om 15 en 6 promille.
De appellante heeft niet weerlegd, ook tot op vandaag niet, dat ze in de betreffende periode geen publiciteit voerde voor enige economische activiteit met betrekking tot de decoratieve werken, zij het voor de verhuring of de verkoop ervan. Volgens het proces-verbaal heeft de appellante tijdens de controle slechts enkele catalogi voorgelegd van tentoonstellingen. De appellante (die deze catalogi niet in het debat brengt) heeft nooit weerlegd dat in die catalogi op geen enkele wijze verwezen werd naar de appellante. Dat er sprake was van 'een private collectie van R.' kon er hoogstens op wijzen dat werken werden tentoongesteld die — gelet op de overeenstemmende letter 'R' — een verband hebben met de appellante, maar is allesbehalve van aard om het bewijs bij te brengen dat de appellante in verband met de decoratieve werken een economische activiteit had. Het tegendeel is zelfs waar: het feit dat sprake was van een 'private collectie', doet vermoeden dat ze kadert in een privéaangelegenheid en dus niet in de exploitatie van een onderneming.
Waar het ging om schilderkunst, is het wel degelijk relevant dat de betreffende decoratieve werken bij uitstek het voorwerp konden zijn van een loutere belegging. De geïntimeerde verwijst dan ook (al is het in ondergeschikte orde) niet zonder reden naar de beslissingen E.T. 13210 van 19 januari 1973 en E.T. 19449 van 6 december 1974 waarin bepaald wordt dat goederen, zoals oorspronkelijke kunstwerken, die door een belastingplichtige worden gekocht, zonder de bedoeling ze door te verkopen maar als belegging, en waarvan de waarde niet vermindert door het gebruik, geen bedrijfsmiddelen zijn zoals bedoeld in artikel 6 van het KB nr. 3 van 10 december 1969, of, meer algemeen geen goederen zijn die bestemd zijn om te worden gebruikt voor het verrichten van handelingen zoals bedoeld in artikel 45 § 1 1° tot 3°. Om als 'bedrijfsmiddelen' te kunnen worden bestempeld in de zin van artikel 6 van KB nr. 3 (te onderscheiden van `handelsgoederen'), moeten goederen immers bestemd zijn om op een duurzame wijze te worden gebruikt als werkinstrumenten of exploitatiemiddelen. Het louter in eigendom hebben van dergelijke goederen is dus niet dienstig om tot het bestaan van een economische activiteit te besluiten.
Het hof kan slechts vaststellen dat door de appellante niet is aangetoond dat ze in 2014 en 2015 (of daarvoor) al een economische activiteit exploiteerde met betrekking tot decoratieve werken.
De appellante laat met reden gelden dat het recht van aftrek ook moet worden toegestaan voor handelingen die zich situeren in de opstartfase van een economische activiteit en dat het enkele feit dat er in de beginperiode slechts beperkte handelingen gesteld worden en dus ook de omzet minimaal blijft in verhouding tot investeringen en kosten, niet belet dat er sprake is van een reële economische activiteit. De appellante stelt dat zij er in het begin voor gekozen heeft om voorzichtig van start te gaan, wat o.a. verklaart dat ze zich tot klanten (huurders) richtte die ze kende. Er is volgens haar ook geen noodzaak tot het opmaken van schriftelijke overeenkomsten, wat toen ook niet nodig zou zijn geweest. De activiteit zou geleidelijk aan zijn uitgebouwd, waarmee de appellante inroept dat er tussen de eerste en latere jaren een continuïteit bestaat. De appellante legt daartoe stukken voor met betrekking tot de latere jaren die volgens haar de werkelijke economische activiteit met betrekking tot de decoratieve werken aantonen.
Waar de appellante zich beroept op bewijzen van na 2015 laat de geïntimeerde gelden dat hij ook na controle op 14 mei 2019 voor de jaren 2016 en 2017 (dus voor de periode na deze waarop het geschil betrekking heeft), nog steeds tot de conclusie kwam dat de appellante met betrekking tot haar decoratieve werken geen economische activiteit exploiteerde. In het door de geïntimeerde voorgelegde stuk dat daarmee verband houdt (de correctieopgave — zijn stuk 5) staat geen nadere motivering dan de vermelding De belastingplichtige heeft echter onvoldoende aangetoond dat de kunstwerken bestemd zijn voor het verrichten van belaste handelingen.
De geïntimeerde stelt in conclusies dat de reden voor zijn standpunt met betrekking tot 2016 en 2017 was dat er alleen verhuring was van decoratieve werken aan partijen die op de één of andere manier verbonden zijn aan de appellante, terwijl er ook geen enkele intentie tot verkoop werd aangetoond en dat de ruimte die wordt gehuurd en als galerij is ingericht niet open is, behalve op afspraak. De geïntimeerde wijst er ook op dat weliswaar een website gecreëerd werd voor de galerij, maar dat de catalogus alleen kan geraadpleegd worden door wie een paswoord krijgt, terwijl slechts 1 keer publiciteit werd gevoerd, namelijk in De Tijd.
Of er in werkelijkheid een economische activiteit bestaat is hoe dan ook afhankelijk van de concrete omstandigheden.
De appellante legt van haar kant een reeks facturen voor, waarvan de eerste alle dateren van 22 december 2016, deze voor 2017 alle zijn opgemaakt op 31 december 2017 en deze voor 2018 dateren van 26 december 2018. De verhuring slaat telkens op het volledige (afgelopen) jaar. De klanten zijn grotendeels nog dezelfde als deze waarvan hoger is vermeld dat ze gelieerd zijn aan de appellante. De facturen zijn nu wel gedetailleerd en vermelden de periode van de verhuring. Het totale bedrag van de gerealiseerde omzet is hoger dan in 2014 en 2015, maar nog steeds relatief beperkt in verhouding tot de laatste gekende waarde van de betreffende decoratiewerken (die kennelijk niet verminderd kan zijn bij gebrek aan verkopen, maar blijkens het overzicht in het stuk 5 van de geïntimeerde moet zijn toegenomen ingevolge aankoop van nieuwe kunstwerken).
De appellante legt ook de facturen met betrekking tot de jaren 2019 en 2020 voor. De geïntimeerde stelt in dat verband dat hij vaststelt dat de appellante vanaf 2019 wel een economische activiteit ontwikkeld heeft. Een en ander houdt verband met het feit dat er aan de ene kant verhuringen zijn aan derden (vennootschappen of personen waarmee de appellante geen banden heeft) en dat er nu ook verkopen plaats vinden. De geïntimeerde stelt dat dit evenwel niet kan beletten dat die economische activiteit nog niet bestond in de onderzochte jaren 2014 en 2015.
Het hof is van oordeel dat de beperkte verhuring, uitsluitend aan gelieerde ondernemingen, zonder verkoop (met uitzondering van 1 factuur), zonder enige publiciteit en met een uiterst minimale omzet in verhouding tot de waarde van de aangekochte schilderijen, aantoont dat de appellante in werkelijkheid in 2014 en 2015 geen economische activiteit had met betrekking tot haar decoratieve werken.
Dat er naderhand, enkele jaren later wel een dergelijke activiteit ontstond, volstaat in de gegeven omstandigheden niet om die eerdere, hier betrokken jaren als een periode van 'aanloop' en/of 'opstart' te beschouwen. Waar de appellante zelf gewaagt van een 'voorzichtige opstart', valt dat — zeker gelet op de grote financiële middelen waarover ze blijkens de gedane aankopen blijkt te hebben kunnen beschikken — niet op economische of financiële gronden te verklaren. De verhuring aan uitsluitend gelieerde ondernemingen is tegen die achtergrond te beschouwen als een pose om te doen uitschijnen dat er wel een economische activiteit was, dit in weerwil van de werkelijkheid.
De geïntimeerde wijst er terecht op dat voor de jaren 2014 en 2015 geen galerijruimte werd gehuurd en dat zelfs voor een huur in 2016 tijdens de controle voor die jaren geen stuk werd voorgelegd.
Even terecht laat de geïntimeerde gelden dat de appellante kennelijk onder invloed van de controle de beslissing heeft genomen om, voorbij de 'pose', de omslag te maken om naderhand wel een economische activiteit uit te werken.
De geïntimeerde heeft voor de betreffende jaren 2014 en 2015 dan ook de aftrek van de voorbelasting met reden verworpen.
4.2. Over het gebruik van de woning in ... voor de uitoefening van de economische activiteit
Zoals in het feitenrelaas vermeld, heeft de geïntimeerde ook de btw-aftrek verworpen met betrekking tot de levering van goederen en het verlenen van diensten aan de appellante die betrekking hebben op de woning die toebehoort aan de appellante en door haar zaakvoerder als gezinswoning wordt betrokken.
Vooreerst is het in dat verband relevant vast te stellen dat er in de betrokken periode (2014 en 2015) geen economische activiteit bestond met betrekking tot de aan de appellante toebehorende kunst- en decoratieve werken. Dat heeft het hof hierboven in hoofdstuk 4.1. vastgesteld.
De appellante hekelt dat dit in strijd is met wat door de geïntimeerde inzake directe belastingen is aangenomen voor de betreffende jaren.
Waar in de akkoordverklaring van 4 september 2017 inzake de vennootschapsbelasting uitdrukkelijk opgenomen is dat het 'stilzwijgend akkoord inzake de verhouding tussen het beroepsmatige en het privatieve gebruik van het onroerend goed in ...' vanaf 1 januari 2018 wordt opgezegd, kan die opzegging geen grotere uitwerking hebben dan het wegvallen van het akkoord met de betekenis die er aan te geven was: meer bepaald was tijdens een controle inzake de vennootschapsbelasting voor de inkomstenjaren 2011 en 2012 op basis van een voorgelegd plan aanvaard dat de kosten voor de woning voor 50% aftrekbaar waren. De opzegging mag dan wel het akkoord impliceren vanwege de administratie van de directe belastingen, toch kan dat de geïntimeerde wat betreft de toepassing van de btw niet beletten de dwaling aan te tonen waarop dat akkoord was gesteund. Dat is precies wat de geïntimeerde doet. Hoger is immers het bewijs vastgesteld dat de appellante in de betreffende periode geen economische activiteit had die betrekking heeft op decoratieartikelen en/of kunstwerken, terwijl niet betwist is dat het beroepsmatig gebruik van de woning dat door de appellante wordt ingeroepen precies zou bestaan hebben in het gebruik voor de economische activiteit met betrekking tot decoratie en kunst. Dat de zaakvoerder van de appellante op basis van de aanname dat de woning voor de helft bedrijfsmatig werd gebruikt, een voordeel van alle aard aangaf in de personenbelasting voor de helft van het forfaitair tarief, kan daar niets van afdoen. Bovendien is de aanname dat de zaakvoerder een voordeel van alle aard genoot dat belastbaar was als bezoldiging, niet het gevolg van het beroepsmatig gebruik van de woning door de appellante (de vennootschap), maar van het privégebruik van een onroerend goed dat toebehoort aan de vennootschap waarvan hij de zaakvoerder is. Dat de taxatiedienst inzake de directe belastingen het liet gebeuren dat de zaakvoerder het voordeel van alle aard slechts voor de helft van het forfaitair tarief als bezoldiging aangaf, was niets meer dan het gevolg van een toepassing van het akkoord waarvan hoger is gebleken dat het op een onjuiste beoordeling van de feiten was gesteund.
De appellante beroept zich nog op het beginsel van rechtszekerheid en vertrouwen.
De appellante gaat er bij dat alles evenwel aan voorbij dat ze als de beste wist en dus moest weten dat het feit dat ze in haar woning kunstwerken en decoratieartikelen staan had, niet kaderde in een werkelijke economische activiteit en dat de enkele stukken die ze in dat verband slechts had opgemaakt (zeer beperkt en steeds aan met haar gelieerde personen of vennootschappen) niet meer dan een pose was. Bekend met de realiteit, moet de appellante dus steeds beseft hebben dat het feit dat de taxatiedienst met betrekking tot de directe belastingen de door de appellante gehanteerde verdeling van 50% privé en 50% bedrijfsmatig na de controle voor de inkomstenjaren 2011 en 2012 niet bekritiseerde, een (juridische) toestand was waarvan ze niet kon verwachten dat deze een verworvenheid was. Met andere woorden: in hoofde van de appellante kan in de gegeven omstandigheden niet het rechtmatig vertrouwen zijn ontstaan dat de geïntimeerde het bedrijfsmatig gebruik van de woning (ook niet gedeeltelijk) zou (blijven) aannemen.
Dat de feiten na de controle waarop het 'stilzwijgend akkoord' is toegepast in 2014 en 2015 nog niet gewijzigd waren, kan trouwens niet beletten dat de juridische conclusie die impliciet maar zeker uit die feiten getrokken werd, onwettig was. Immers, het enkele feit dat de woning van de appellante voor een deel gebruikt werd voor het onderbrengen van decoratieartikelen en kunstwerken (zoals op een grondplan verduidelijkt), werd ten onrechte voldoende geacht om er uit af te leiden dat de woning voor een deel beroepsmatig gebruikt werd. In die zin beroept de geïntimeerde zich niet zonder reden ook op het legaliteitsbeginsel.
Waar de appellante stelt dat het stilzwijgend akkoord ondertussen — door de opzegging op 4 september 2017 - een uitdrukkelijk akkoord is geworden, moet er nochtans mee rekening gehouden worden dat de door haar ingeroepen 'erkenning door uitdrukking' (hoewel in wezen ook gesteund op een dwaling) een gegeven was dat haar nog niet bekend kon zijn in de betreffende jaren 2014 en 2015 en dus geen rol kan hebben gespeeld in het ontstaan en/of bestaan van haar 'vertrouwen' en 'rechtszekerheid'.
In de geschetste omstandigheden is de geïntimeerde dus voor de btw wat betreft de jaren 2014 en 2015 niet door het stilzwijgend akkoord gebonden.
5. De gerechtskosten
De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.
5.1. Wat het rolrecht betreft
Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).
5.2. Wat de rechtspIegingsvergpeding betreft
De vordering in hoger beroep is in geld waardeerbaar. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 euro.
Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 6.500,00 euro. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag.
De appellante is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 6.500,00 euro.
BESLISSING VAN HET HOF
Het hof doet recht op tegenspraak;
Het hof beslist als volgt:
het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;
het bestreden vonnis wordt bevestigd.
het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het
hoger beroep, vastgesteld als volgt:
- aan de kant van de appellante (maar te haren laste blijvend):
bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde:
rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 6.500,00 EUR
Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 7 december 2021.
Aanwezig:
D. V., kamervoorzitter, alleenrechtsprekend
J. D., griffier
Jugement du tribunal de première instance
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer
Vonnis van 06.01.2020
Rol: 18/2718/A
In de zaak : 18/2718/A
Hoofdzaak :
R. C. nv (KBO 043...21),
wonende te ...,
EISENDE PARTIJ,
voor wie optreedt Meester V. W., advocaat te G. .
tegen :
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, algemene administratie van de fiscaliteit, sector BTW, centrumdirecteur van het centrum KMO Kortrijk met kantoor te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31,
VERWERENDE PARTIJ,
voor wie optreedt mevrouw X, fiscaal adviseur.
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het verzoekschrift d.d. 26 september 2018.
De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van de door partijen neerlegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 2 december 2019.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in
acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1.Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE043...21, voor de activiteit van overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer, adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Na een controle wordt een correctieopgave opgemaakt waarin o.a. is opgenomen dat eiseres in de periode 2014 - 2015 onterecht BTW i.v.m. een onroerend goed gelegen te ..., ... en decoratieve werken heeft afgetrokken. Bij gebrek aan akkoord wordt op 14 november 2017 een proces-verbaal opgesteld door X, adjunct-fiscaal deskundige verbonden aan het centrum KMO te Kortrijk. In dit proces-verbaal worden de vaststellingen ingevolge een controle op 11 april 2017 opgenomen. De inbreuken voor de periode 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015 worden vermei Volgens de administratie heeft eiseres geen recht op aftrek van de BTW geheven van de kosten en investeringen van het gebouw en de decoratieve werken. Verschuldigd is als BTW 115.351,05 EUR, als proportionele geldboete 11.530,00 EUR en nalatigheidsintresten vanaf 21 januari 2016. Op 1 december 2017 wordt een dwangbevel betekend aan eiseres. Op 21 december 2017 betaalt eiseres onder alle voorbehoud 125.000,00 EUR. Op 22 december 2017 tekent eiseres bezwaar aan. Bij beslissing d.d. 22 juli 2018 wordt het bezwaar afgewezen.
Door eiseres wordt een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge op 26 september 2018.
2.Eiseres vraagt dat:
- de eis ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- de beslissing d.d. 22 juni 2018 wordt vernietigd;
- het dwangbevel nietig wordt verklaard, minstens wordt ontheven;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle sommen die op grond van het dwangbeveI
werden geïnd of ingehouden, te vermeerderen met de moratoriumintresten;
- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de geïndexeerd
rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.000 EUR.
3.Verweerder vraagt dat:
- de eis ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;
- eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
I. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststel is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
Conform artikel 45 §1,1° W.BTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door het ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij d goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.
De bewijslast dat de voorwaarden van artikel 45 §1 W.BTW zijn voldaan, ligt bij de belastingplichtige. Eiseres werd opgericht in 2004 en pas op 19 april 2013 werd aan haar maatschappelijk doel toegevoegd 'de aan- en verkoop, de restauratie & renovatie, huur en verhuur, het aanwenden van-, het ter beschikking stellen van-, het deelnemen aan events- en tentoonstellingen, voor publiciteits- en commerciële doeleinden & het versterken van de intrinsieke- & marktwaarde, van kunst & decoratiewerken, in binnen en buitenland'. Het betreft een activiteit die helemaal niets te maken heeft met de uitgeoefend economische activiteit van eiseres, zijnde overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer en adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering. Het louter vermelde van een activiteit in het maatschappelijk doel volstaat ook niet om te bewijzen dat de economische activiteit effectief wordt uitgeoefend.
Eiseres heeft decoratieve werken aangekocht voor in totaal 1.181.293,87 EUR in de periode van 1 januari 2013 tot 31 december 2015. De bestuurder van eiseres heeft verklaard dat de werken niet bestemd zij voor verkoop. In 2014 werd 1 schilderij verkocht. In 2015 werden 10 decoratieve werken verhuurd voor in totaal 9.000 EUR (exclusief BTW). De verhuringen gebeuren steeds aan de bestuurder van eiseres of aan vennootschappen die zijn gelinkt aan eiseres (de bestuurder van eiseres is ook bestuurder van de hurende vennootschappen). Betreffende de verhuringen werden geen schriftelijke huurovereenkomsten opgemaakt. De facturen zijn zeer summier opgemaakt: het verhuurde werk wordt niet vermeld evenmin als de huurperiode. Door eiseres wordt geen publiciteit gemaakt omtrent het verhuren of verkopen van decoratieve werken. Eiseres verwijst wel naar 2 catalogi opgemaakt ingevolge tentoonstellingen, maar eiseres wordt in deze catalogi niet vermeld noch wordt de mogelijkheid vermeld om de werken te huren of te kopen bij eiseres. De in de catalogi opgenomen werken behoren volgens de vermelding tot een private collectie.
Ook vanaf 2016 wordt door eiseres enkel (beperkt) verhuurd aan vennootschappen of personen die aan haar gelinkt zijn. Schriftelijke huurovereenkomsten worden ook vanaf 2016 niet opgemaakt. Vanaf 2017 wordt wel een ruimte gehuurd om decoratieve werken ten toon te stellen (de ruimte is enkel toegankelijk na afspraak). Bewijs dat het decoratieve werken betreffen die tot 31 december 2015 werden aangekocht, wordt door eiseres niet geleverd.
Op basis van de gegevens van het dossier is de rechtbank van oordeel dat eiseres in de periode 2014 tot 2015 geen economische activiteit heeft uitgebouwd betreffende de verhuur (of verkoop) van decoratieve werken.
Eiseres is eigenaar van een onroerend goed gelegen te ..., .... Het betreft de woonplaats van de bestuurder van eiseres. Volgens eiseres gebruikt zij het onroerend goed voor 50 % voor haar beroepsdoeleinden.
Op 23 mei 2017 werd vastgesteld dat de door eiseres aangeduide ruimten voor haar beroepsgebruik, worden gebruikt voor het plaatsen van decoratieve werken.
Zoals reeds geoordeeld betreft de verhuur of verkoop van decoratieve werken geen economische activiteit van eiseres in de gecontroleerde periode. Daaruit volgt dat ook het betreffende onroerend goed niet gebruikt wordt voor de beroepsactiviteit van eiseres.
Volgens eiseres heeft de administratie der directe belasting voor de jaren 2011 en 2012 wel stilzwijgend aanvaard dat het onroerend goed voor 50 % beroepsmatig werd gebruikt door eiseres. Uit niets blijkt evenwel dat de controleur der directe belasting het onroerend goed heeft bezocht. Blijkbaar werd door eiseres ingevolge een vraag om inlichtingen enkel een plan voorgelegd met daarop aangeduid de ruimtes die volgens haar beroepsmatig werden gebruikt. Uit niets blijkt dat er voor de jaren 2014 en 2015 een controle werd uitgevoerd door de directe belastingen wat betreft het beroepsgebruik van het onroerend goed door eiseres.
De administratie kan niet gebonden zijn door een akkoord als de belastingplichtige niet alle informatie heeft meegedeeld. Bovendien heeft eiseres pas vanaf 2012 decoratieve werken aangekocht. Het is niet duidelijk waarvoor eiseres in de jaren 2011 en 2012 de ruimtes, die volgens haar beroepsmatig werden gebruikt, gebruikt heeft. Het feit dat eiseres erin geslaagd is kosten i.v.m. het onroerend goed in mindering te brengen van haar belastbare inkomsten en/of het feit dat er in het verleden een fiscale controle is gebeurd, bewijzen niet dat er (met kennis van zaken) een akkoord is afgesloten betreffende het beroepsgebruik van het onroerend goed. Er is dan ook geen schending van het vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft derhalve terecht de aftrek van de BTW verworpen.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1' lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.
Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten last blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtsgebouw te Brugge, op ze januari tweeduizend twintig.
Aanwezig zijn:
D. P. L. rechter
L. N. griffier
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.
Textes cités
16Jurisprudence
2Belgique
2Tribunal de première instance22/2102/A09.04.2026
Contrôle, Acquisition, Droit à la déduction, absorption
Tribunal de première instance22/851/A19.01.2026