Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 23.05.2023
WF 711-15-20/035733
[Favorable à l’Etat belge]
Taxe sur la valeur ajoutée – Assujetti – Administrateur personne morale – Intérêts
Dispositions légales
Article 4, § 1, du Code de la TVA
Article 18, § 1, 3° du Code de la TVA
Article 91, § 1 du Code de la TVA
Résumé
1. Les faits et les antécédents de procédure
La requérante en appel est enregistrée en tant qu'assujettie à la TVA pour des activités en lien avec des holdings, pour d’autres activités liées aux services postaux et aux messageries et également pour une activité de bureau de conseils en gestion d'entreprise et de conseils en fonctionnement d'entreprise.
Un contrôle a révélé que la requérante en appel avait omis de procéder à la révision consécutive à son adhésion à une unité TVA dans la dernière déclaration périodique qu'elle devait déposer. Il a également été constaté qu'elle avait réalisé un chiffre d'affaires en 2018 et qu'elle ne l'avait pas repris dans ses déclarations de TVA.
Par le biais d’une requête contradictoire déposée au greffe du Tribunal de première instance du Limbourg, division Hasselt le 08/06/2020, la requérante avait introduit un recours demandant au tribunal d'annuler le procès-verbal établi par l'administration, de dire qu'aucun intérêt de 9,6% ne pouvait être réclamé et éventuellement de poser deux questions préjudicielles à ce sujet à la Cour constitutionnelle.
Le juge du tribunal de première instance a déclaré la demande recevable mais non fondée. L’assujettie a fait appel de ce jugement en demandant la réformation du jugement rendu en première instance, de déclarer la nullité du procès-verbal, de juger que les intérêts de 9,6 % n’était pas dû et de poser une demande de décision préjudicielle à la Cour de justice de l'Union européenne :
« L'article 4 et l'article 18, §1er, 3°, du code de la TVA violent-ils les articles 9 et 10 de la directive 2006/112 du 28 novembre 2006 relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée, dans la mesure où, en vertu de ces dispositions, il est considéré en Belgique que les administrateurs et/ou gérants d'une société de droit belge sont des travailleurs indépendants et donc des assujettis au sens des articles 9 et 10 de ladite directive ? Le fait que l'administrateur/directeur général soit ou non une société dotée de la personnalité juridique a-t-il une incidence sur la réponse à la question ? »
2. L’arrêt de la cour d’appel
a. L’assujettissement
La qualité d'assujetti peut être acquise par toute personne. La forme juridique (personne physique ou morale) n'a aucune importance pour l'acquisition de la qualité d'assujetti à la TVA.
La Commission européenne a rappelé qu’afin de déterminer si l’administrateur est soumis ou non à la TVA, il y a lieu de vérifier s'il y a l’exercice d’une activité de façon indépendante, et cela quel que soit le lieu, d’une activité économique, quels que soient les buts et les résultats de cette activité (décision de la Commission européenne AV8. 2818 TAXUD C3 D(2018) 2448198 du 25 avril 2018-non publiée).
Toutes les délégations présentes à la 53ème réunion du Comité-TVA ont convenu que les services fournis par une personne morale en sa qualité de membre du conseil d'administration d'une société doivent être considérés comme une activité économique exercée de manière indépendante au sens de la directive TVA et donc soumise à la TVA.
Compte tenu des spécificités du cas d'espèce, la requérante exerce son activité de manière durable et indépendante et perçoit des honoraires à ce titre.
En attribuant la qualité d'assujetti aux administrateurs-personnes morales, l'article 4 et de l'article 18, §1er, 3°, du Code de la TVA ne violent manifestement pas les articles 9 et 10 de la directive TVA. Il s'agit d'une simple application des critères légaux aux activités de la requérante en appel.
b. Les honoraires
La requérante en appel soutient que la somme de 58.800 € correspondrait à l'attribution d'un tantième imposable tout au plus en 2019 (après le rattachement à l'unité TVA). Toutefois, la Cour considère que les paiements successifs de 2018 ont été effectués en échange de services prestés par l'appelante en 2019 sur lesquels la TVA est due au taux normal de 21%.
c. Les intérêts
Il n’y a aucune raison qui s’oppose à ce que l’appelante soit redevable des intérêts légaux en raison de sa négligence sur la base de l'article 91, § 1er, du Code de la TVA.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Hof van beroep Antwerpen kamer B6M burgerlijke zaken
Arrest van 23/05/2023
Rol: 2022/AR/72
N. BV, ON 0479…79, met zetel te …
Eiseres in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te ... (ref.: ...)
tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 06 januari 2022, gekend onder rolnummer 20/1105/A
tegen
BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, ON 0308.357.159,
met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106,
Verweerder in hoger beroep,
vertegenwoordigd door mr. B. B., advocaat te ... (ref.: …)
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 6 januari 2022, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 12 januari 2021, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1. Voorwerp van de betwisting.
Het geschil heeft betrekking op de BTW-schuld opgenomen in het innings- en invorderingsregister, uitvoerbaar verklaard op 25/06/2020. Het innings- en invorderingsbericht werd verstuurd aan eiseres in hoger beroep op 26/06/2020.
1.2. Feiten en voorgaanden.
Eiseres in hoger beroep is geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het van kwartaalindiener met als BTW-nummer BE047...78 voor werkzaamheden die verband houden met holdings, overige posterijen en koeriers, overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer, adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering.
Bij eiseres in hoger beroep werd een controle verricht naar aanleiding van het ontstane tegoed na afsluiting van de rekening-courant door het toetreden van eiseres in hoger beroep op 01/01/2019 tot de BTW-eenheid R. F. met BTW-nummer BE065...57 (opgericht op 01/06/2016).
Volgens de belastingadministratie bleek uit de controle van de voorgelegde stukken en de gegevens dat eiseres in hoger beroep had nagelaten om de herziening n.a.v. haar toetreding tot de BTW-eenheid te verrichten in de laatste door haar in te dienen periodieke aangifte.
Daarnaast werd vastgesteld dat zij omzet had gerealiseerd in 2018 en deze niet had opgenomen in haar BTW-aangiften.
Op 28/01/2020 werd een correctieopgave per mail verzonden aan mevrouw M. T. van Z. A. BV, de gevolmachtigde van eiseres in hoger beroep. Per mail van 29/01/2020 werd namens eiseres in hoger beroep meegedeeld dat men niet akkoord ging met de correctieopgave van 28/01/2020.
De inbreuken tegen de BTW-wetgeving werden opgenomen in een proces-verbaal van 11/05/2020 dat aan eiseres in hoger beroep ter kennis werd gebracht.
De BTW-schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister, dat uitvoerbaar verklaard werd op 25/06/2020.
Op 26/06/2020 werd een innings- en invorderingsbericht verstuurd aan eiseres in hoger beroep met erin de volgende verschuldigde bedragen:
12.855,38 euro aan BTW
2.480 euro aan geldboete meer interesten en kosten
1.3. Procedure voor de eerste rechter.
Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 08/06/2020 stelde eiseres in hoger beroep een vordering in rechte in.
Eiseres in hoger beroep vorderde:
- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- het proces-verbaal d.d. 11/05/2020 nietig te verklaren
- de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit proces-verbaal werden geïnd;
te oordelen dat er geen interesten aan 9,6% mogen aangerekend worden; de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:
1) ‘’Schendt art. 91 §1 WBTW jo art. 2,§2 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat op grond van deze bepaling een interest gevraagd wordt van 0,8% per maand (9,6% per jaar), terwijl inzake inkomstenbelastingen
overeenkomstig art. 414 Wf892 een interestvoet verschuldigd is, die is aangepast aan de economische realiteit?"
2) "Schendt artikel 91 §1 WBTW jo art. 2, §2 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat op grond van deze bepaling een interest gevraagd wordt van 0,8% per maand (9,6% per jaar),terwijl op basis van artikel 91, §2bis WBTW slechts een interest verschuldigd is van 7% per jaar?";
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de
rechtsplegingsvergoeding (1.320 euro).
De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten aan de zijde van verweerder in hoger beroep begroot op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman en tot de bijdrage van 20 euro aan het Fonds voor tweedelijnsbijstand.
De eerste rechter oordeelde dat de administratie terecht stelde dat er omzet werd gerealiseerd in 2018. De opeenvolgende betalingen werden gedaan voor diensten van eiseres in hoger beroep in haar hoedanigheid van bestuurder-rechtspersoon aan Z. H. BV. Verder oordeelde de rechtbank dat op dergelijke zaakvoerdersvergoedingen BTW verschuldigd was tegen het normale tarief van 21%. Volgens de rechtbank konden deze vergoedingen niet aangemerkt worden als voorschotten op tantièmes maar wel als bestuurders/zaakvoerdersbezoldigingen.
De rechtbank oordeelde tenslotte dat er geen reden was om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof en was van oordeel dat de wettelijk verschuldigde nalatigheidsinterest niet het karakter van een strafsanctie had maar slechts een compensatie bood voor het verlies dat de Schatkist leed door het niet tijdig beschikken over de verschuldigde belasting (en er dus het genot niet kon van hebben).
Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 12/01/2021, hoger beroep ingesteld.
1.4. Procedure voor het hof van beroep.
Eiseres in hoger beroep vordert:
- de bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering toe te wijzen;
het proces-verbaal d.d. 11/05/2020 nietig te verklaren;
- minstens te oordelen dat er geen interesten aan 9,6% mogen aangerekend worden; de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit proces-verbaal werden geïnd;
- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding 1.430 euro in eerste aanleg en 1.430 euro in hoger beroep en 20 euro rolrechten eerste aanleg (te lezen als bijdrage begrotingsfonds, zie hierna) en 20 euro rolrechten hoger beroep (te lezen als bijdrage begrotingsfonds, zie hierna);
- de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europese Hof van Justitie: "Schenden art. 4 en art. 18 §1, 3 ° WBTW de artikelen 9 en 10 van de Richtlijn 2006/112 d. d. 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van de belasting o ver de toegevoegde waarde, in zoverre op grond van deze bepalingen in België wordt voorgehouden dat bestuurders en/of zaakvoerders van een Belgische vennootschap met rechtspersoonlijkheid zelfstandigen en dus belastingplichtigen zijn in de zin van art. 9 en 10 van de genoemde Richtlijn? Is het voor het beantwoorden van de vraag van belang of de bestuurder/zaakvoerder een vennootschap met rechtspersoonlijkheid is of niet?"
Ter zitting van 25/04/2023 verzoekt de raadsman van eiseres in hoger beroep de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding toe te passen, zijnde 1.650 euro en preciseert hij tevens om de betaalde bijdrage voor het begrotingsfonds per aanleg ten laste van de Belgische Staat te leggen (in de vordering verkeerdelijk benoemd als 'rolrecht').
Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van het hoger beroep en vordert het bestreden vonnis te bevestigen en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, begroot in hoofde van verweerder in hoger beroep op 1.650 euro rechtsplegingsvergoeding hoger beroep (geen vertegenwoordiging in eerste aanleg door advocaat).
2. Bespreking
2.1 Bestuurder-rechtspersoon BTW-plichtige? Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie? Tantième?
Eiseres in hoger beroep meent dat de bepalingen van artikel 4 WBTW, art. 9.1 en art. 10 Rl 2006/112 inzake het Gemeenschappelijk stelsel van de BTW geschonden worden door te oordelen dat bestuurders/zaakvoerders van vennootschappen met rechtspersoonlijkheid BTW-belastingplichtigen zijn. Eiseres in hoger beroep verwijst naar een arrest van het Hof van Justitie van 13/06/2019 (C-420/18) ter onderbouwing van haar stelling. Volgens eiseres in hoger beroep is er geen enkele reden om een onderscheid te maken tussen natuurlijke personen en rechtspersonen en dringt zich een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie op zoals geformuleerd in haar beschikkend gedeelte van de conclusies.
Een belastingplichtige in de zin van het WBTW is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in het WBTW zijn omschreven ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend (art. 4,§1 WBTW).
De hoedanigheid van belastingplichtige kan door eenieder worden verkregen. De rechtsvorm (natuurlijk persoon of rechtspersoon) is voor de verkrijging van de hoedanigheid van BTW belastingplichtige zonder belang.
Art. 18 §1,3° WBTW: "Als een dienst wordt beschouwd, elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek.
Als een dienst wordt onder meer beschouwd, de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft:
… …
3 ° lastgeving
……””
De hoedanigheid van btw-plichtige hangt samen met de uitoefening van een economische activiteit. Alle activiteiten, zonder enige uitzondering, van producent, handelaar of dienstverrichter worden bedoeld.
De lastgeving maakt een belastbare dienst uit in de zin van het BTW-wetboek.
Alle delegaties in de 53ste vergadering van het BTW-comité waren het eens dat de diensten geleverd door een rechtspersoon in de hoedanigheid van lid van de raad van bestuur van een vennootschap moeten beschouwd worden als een economische activiteit die op zelfstandige wijze wordt uitgeoefend in de zin van de BTW-Richtlijn en aldus onderworpen is aan de BTW (zie stuk 15 van verweerder in hoger beroep, de 53ste vergadering BTW-comité op 4 en 5 november 1997, waaruit blijkt dat alle delegaties daarover akkoord waren, en ook geciteerd door C. AMAND, "Geen BTW op de functies van bestuurders natuurlijke personen van in België gevestigde vennootschappen of verenigingen",www.xirius.be,25 mei 2018).
De rechtspersonen die als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar van een vennootschap optreden, zijn in toepassing van de wettelijke bepalingen dus in principe BTW belastingplichtigen.
De Europese Commissie had in verleden zelfs een inbreukprocedure opgestart tegen België, voor wat betreft de behandeling ten aanzien van de BTW van natuurlijke personen (destijds geen toepassing van BTW op bestuurders natuurlijke personen van Belgische vennootschappen) en bestuurders-rechtspersonen (destijds keuzestelsel om zich al dan niet voor de btw te laten identificeren en om de door hun in dit kader verrichte handelingen al dan niet aan de btw te onderwerpen). Onder druk van de Europese commissie werd het keuzestelsel voor bestuurders-rechtspersonen afgevoerd en onderworpen aan de gewone BTW-regels (beslissing nr. E.T. 125.180 van 20 november 2014).
De Europese Commissie wees erop dat om te bepalen of de bestuurder al dan niet onderworpen is aan de BTW, men moet nagaan of er sprake is van een zelfstandige uitoefening van een activiteit en dit ongeacht de locatie, economische activiteit en doelstellingen en resultaten van deze activiteit (Beslissing Europese Commissie AV8.2818 TAXUD C3 D (2018) 2448198 van 25 april 2018-niet gepubliceerd, doch weergegeven door C. AMAND, "Geen BTW op de functies van bestuurders natuurlijke personen van in België gevestigde vennootschappen of verenigingen", www. xirius.be,25 mei 2018). De Commissie wees erop dat zij maar kon tussenkomen wanneer een nationale wetgeving of algemene en constante administratieve praktijk indruist tegen het recht van de Unie. De Commissie kwam tot de conclusie dat België geen inbreuk had begaan tegen de BTW-richtlijn aangezien de behandeling van de bestuurders rechtspersonen was geregeld (lees onderworpen aan de gewone BTW-regeling zie beslissing nr. E.T. 125.180 van 20 november 2014 hoger aangehaald) en dat de Belgische autoriteiten hadden bevestigd dat de behandeling van de bestuurders natuurlijke personen als volgt was geregeld in België:
- de natuurlijke personen die optraden als bestuurders, zaakvoerders en vereffenaars werden niet beschouwd als BTW-plichtigen voor de activiteiten die zij in die hoedanigheid uitoefenen, gezien de afwezigheid van een zelfstandige activiteit;
- als deze natuurlijke personen echter zelfstandig aanvullende activiteiten uitvoerden buiten hun mandaat van bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar werden ze beschouwd als BTW-plichtigen voor die activiteiten.
De Europese Commissie besloot dat de Belgische administratieve praktijk de hypothese van de zelfstandige uitoefening van een economische activiteit afzonderlijk beschouwde, wat effectief een relevant criterium was, zodat deze praktijk geen problemen leek te geven.
De relevante criteria ter beoordeling werden nogmaals bevestigd in het arrest van het Hof van Justitie van 13 juni 2019 (HvJ nr. C-420/18,13 juni 2019 (IQ/Inspecteur van de rijksbelastingdienst) dat weliswaar betrekking heeft op de BTW-plicht van commissarissen en dus niet op bestuurders-rechtspersonen. Het voormeld arrest is wel van belang waar het bevestigt dat het zelfstandig uitvoeren van een economische activiteit een essentiële voorwaarde is om als belastingplichtige in de zin van art. 9 BTW-richtlijn (art. 4 WBTW) te worden beschouwd. Dit betekent dat een persoon/rechtspersoon aan de BTW onderworpen wordt van zodra men zelfstandig een economische activiteit plaats, het oogmerk of het resultaat van die activiteit (art. 9 BTW-Richtlijn).
Het Hof van Justitie stelt wat betreft het economisch karakter van de activiteit dat het moet gaan om een activiteit die 'duurzaam' wordt verricht en waarvoor een vergoeding wordt uitgekeerd.
Het Hof van Justitie benadrukt wat betreft de zelfstandige uitoefening van de activiteit dat een loontrekkende of een persoon die met zijn werkgever een arbeidsovereenkomst aangaat, of enige andere juridische band heeft waaruit een verhouding van ondergeschiktheid ten aanzien van de arbeids- of bezoldigingsvoorwaarden ontstaat, uitgesloten is van het toepassingsgebied van de BTW (art. 10 BTW-Richtlijn).
Gelet op de concrete gegevens van onderhavige zaak zoals hierna weergegeven en vastgesteld door het hof, verricht eiseres in hoger beroep haar activiteit (diensten in uitvoering van een contract van lastgeving) op een duurzame en zelfstandige wijze en zij krijgt hiervoor vergoedingen uitgekeerd.
Eiseres in hoger beroep is geregistreerd als BTW-belastingplichtige voor werkzaamheden die verband houden met holding, overige posterijen en koeriers, overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer, adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering.
Eiseres in hoger beroep trad in 2018 op als bestuurder van Z. H. BV.
Er werd daarvoor een zaakvoerdersovereenkomst d.d. 12 juli 2018 afgesloten voor onbepaalde duur (art. 2.1 zaakvoerdersovereenkomst) waarin bepaald werd dat vanaf 01/08/2018 het beleid van het departement verzekeringen zal worden uitgevoerd door eiseres in hoger beroep. Onder beleidsvoering wordt verstaan het voeren van de directie in de meest ruime zin van het woord (art. 1.1 en 1.2 van de zaakvoerdersovereenkomst). De overeenkomst is opzegbaar met inachtneming van een opzegtermijn van 3 maanden (art. 2 samenwerkingsovereenkomst).
Eiseres in hoger beroep volbrengt een mandaat van bestuurder in uitvoering van voormeld samenwerkingscontract en deze activiteit wordt door eiseres in hoger beroep op een duurzame wijze verricht.
Eiseres in hoger beroep voert aldus een contract uit dat "de lastgeving" in de van artikel 18 §1, 3° WBTW tot voorwerp heeft, zijnde een belastbare handeling in de zin van het BTW wetboek.
Eiseres in hoger beroep ontvangt een vergoeding voor haar activiteit (uitoefening bestuurdersmandaat).
De belastingadministratie stelt in het proces-verbaal van 11/05/2020 op basis van de interne jaarrekening vast dat er in 2018 "geleverde prestaties" ter waarde van 58.500 euro geboekt werden op rekening 701000 en op rekening 400400 "op te stellen facturen”(geldt tot het bewijs van het tegendeel, art. 59 WBTW).
Uit de rekeninguittreksels van 2018 van AXA blijken ook volgende betalingen: 20/07/2018: 9.500 euro
- 20/09/2018: 13.000 euro
- 22/10/2018: 12.000 euro
- 20/11/2018: 12.000 euro
- 20/12/2018: 12.000 euro
totaal: 58.500 euro.
Uit deze vaststellingen blijkt dat er in 2018 prestaties van beleidsvoering werden geleverd en vergoed. Er is een duidelijk rechtstreeks verband tussen de door eiseres in hoger beroep verrichte diensten en de ontvangen vergoedingen. Hoewel de zakenovereenkomst bepaalt dat er pas een vergoeding voor de prestaties zou worden uitbetaald vanaf 01/01/2019, blijkt uit de feitelijke vaststellingen dat eiseres in hoger beroep reeds in 2018 prestaties verrichtte en dat daarvoor ook al in 2018 betalingen werden uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het steeds de bedoeling geweest is van de partijen om de door eiseres in hoger beroep geleverde prestaties (van beleidsvoering) te vergoeden. Het beleid van het departement verzekeringen werd gevoerd door eiseres in hoger beroep (geleverde prestaties in 2018) en zij kreeg hiervoor periodieke betalingen die exact overeenkomen met de geboekte geleverde prestaties.
De vergoeding die eiseres in hoger beroep ontving is gelet op de voorgelegde stukken ontegensprekelijk de tegenprestatie voor de geleverde diensten van de bestuurder rechtspersoon (eiseres in hoger beroep) aan Z. H. BV.
Uit de samenwerkingsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan tussen eiseres in hoger beroep en Z. H. d.d. 12/07/2018 blijkt geen enkele band van ondergeschiktheid, integendeel. Eiseres in hoger beroep, bestuurder-rechtspersoon, handelt zelfstandig. Eiseres in hoger beroep is een van Z. H. BV afzonderlijke rechtspersoon. Z. H. kan in feite geen gezag uitoefenen over de handelingen van eiseres in hoger beroep. Eiseres in hoger beroep bepaalt vrijelijk haar werkwijze. Eiseres in hoger beroep kan naast de werkzaamheden bij Z. H. BV ook werkzaamheden verrichten ten behoeve van andere opdrachtgevers (art. 7 samenwerkings-overeenkomst, stuk 9 verweerder in hoger beroep). Artikel 3 van de zaakvoerdersovereenkomst bepaalt dat eiseres in hoger beroep zelf de personen aanwijst om het management van Z. H. BV te voeren. Artikel 4 bepaalt de vergoedingen die in het kader van de overeenkomst aan eiseres in hoger beroep toekomen.
Eiseres in hoger beroep verricht diensten van lastgeving en maakt daarvan haar economische activiteit. Eiseres in hoger beroep handelt in het kader van haar eigen economische activiteit voor eigen rekening en verantwoordelijkheid. Gelet op de concrete gegevens van onderhavige zaak is het hof van oordeel dat de bestuurder-rechtspersoon (eiseres in hoger beroep) niet in een band van ondergeschiktheid handelt ingevolge haar afzonderlijke rechtspersoonlijkheid. Eiseres in hoger beroep draagt verder ook individuele verantwoordelijkheid. In bepaalde omstandigheden is eiseres in hoger beroep immers aansprakelijk voor de gevolgen van de onbehoorlijke uitoefening van het bestuursmandaat en de door de schadelijdende partij gevorderde schadevergoeding (art. 2:56 WVV).
Het hof is van oordeel dat er kennelijk geen schending is door artikel 4 en 18 §1, 3° WBTW van de artikelen 9 en 10 van de Richtlijn 2006/112 d.d. 28/11/2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde in zoverre op grond van deze bepalingen de bestuurders-rechtspersonen onderworpen worden aan de gewone BTW-regeling.
Er is kennelijk geen sprake van een inbreuk van artikel 4 en artikel 18 §1, 3° WBTW op de artikelen 9 en 10 van de BTW-richtlijn door het toekennen van de hoedanigheid van belastingplichtige aan bestuurders-rechtspersonen. Het betreft hier een loutere toepassing van de wettelijke criteria op de activiteiten van eiseres in hoger beroep. De vraagstelling gaat dan ook uit van een verkeerde veronderstelling en is niet relevant ter oplossing van onderhavig geschil.
Eiseres in hoger beroep houdt voor dat het bedrag van 58.500 euro de toekenning zou zijn van een tantième die hooguit belastbaar is 2019 (ogenblik dat zij al was toegetreden tot de BTW-eenheid), zijnde de datum waarop de jaarlijkse vergadering zou beslist hebben tot toekenning. Eiseres in hoger beroep legt een factuur voor met als datum 04/03/2019. De factuur heeft de omschrijving: "AV 04/03/2019 Resultaatbestemming 30/09/2018 Tantièmes". De maatstaf van heffing bedraagt 58.500 euro. De factuur vermeldt eveneens "handeling binnen de BTW eenheid, buiten het toepassingsgebied van de BTW-wetgeving".
Uit de concrete gegevens van het dossier blijkt niet dat de in de loop van 2018 gedane betalingen voorschotten zouden zijn op een in 2019 toegekende tantième, waarvan de BTW slechts opeisbaar is geworden op het moment dat de algemene vergadering in 2019 de beslissing tot uitkering van een tantième heeft genomen.
Een tantième is een vorm van winstverdeling, een soort bonus die kan toegekend worden door de algemene vergadering aan de bestuurder in functie van de resultaten. Tantièmes kunnen enkel toegekend worden door de algemene vergadering, hetzij bij de winstverdeling tijdens de jaarlijkse gewone algemene vergadering, hetzij als tussentijdse tantième door een bijzondere algemene vergadering. Het gaat om gerealiseerde en goedgekeurde resultaten. Inzake tantièmes is het bedrag nog niet gekend op de datum waarop het boekjaar wordt afgesloten. Voor de overige vergoedingen (andere dan tantièmes) hoeft men niet te wachten op de vaststelling van het resultaat om tot uitbetaling over te gaan (Beslissing E.T.127.850 d.d. 30.03.2016).
In tegenstelling tot tantièmes zijn in casu in 2018 maandelijkse opeenvolgende vergoedingen betaald in ruil voor de diensten van eiseres in hoger beroep geleverd als bestuurder rechtspersoon, die op voorhand met eiseres in hoger beroep werden overeengekomen (zie hoger m.b.t. de feitelijke uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst). Op het ogenblik dat het boekjaar 2018 werd afgesloten was het bedrag van de vergoedingen reeds gekend (58.500 euro) en volledig betaald. Het blijkt niet dat er diende gewacht te worden op de vaststelling van het resultaat van de andere vennootschap (Z. H. BV) om tot toekenning/uitbetaling over te gaan. Er werden door Z. H. BV ook geen tussentijdse bijzondere algemene vergaderingen gehouden zodat er ook geen sprake kan zijn van "een tussentijdse tantième".
Het hof is dan ook van oordeel dat de opeenvolgende betalingen in 2018 werden gedaan in ruil voor diensten gepresteerd in 2018 door eiseres in hoger beroep als bestuurder rechtspersoon aan Z. H. BV en dat op deze vergoedingen voor in 2018 gepresteerde diensten BTW verschuldigd is tegen het normale tarief van 21%.
Tenslotte is er geen enkele reden waarom eiseres in hoger beroep de wettelijke nalatigheidsinteresten niet verschuldigd zou zijn op basis van artikel 91 §1 WBTW. Voor zoveel als nodig, treedt het hof de oordeelkundige bevindingen desbetreffend van de eerste rechter bij en maakt zich deze eigen.
2.3 De rechtsplegingsverqoeding
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S.31.05.2007).
Eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij dient tot de kosten van het hoger beroep veroordeeld te worden (art. 1017 Ger.W.).
Partijen zijn het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 1.650 euro.
Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep ten laste van eiseres in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W. Reg..
Dispositif
3. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond. Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.
Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding in hoger beroep.
Het hof vereffent de kosten in hoger beroep in hoofde van verweerder in hoger beroep op 1.650 euro rechtsplegingsvergoeding.
Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) betaald in hoger beroep ten laste van eiseres in hoger beroep.
Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 23 mei 2023
Décision jointe par le SPF
Jugement du tribunal de première instance
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, sectie burgerlijk llA- kamer
Vonnis van 06/01/2022
Rol: 20/1105/A
INZAKE:
N. BV, KBO nr. BE047...78, met maatschappelijke zetel gevestigd te ...
- eiser-
Ter zitting van 09.12.2021 vertegenwoordigd door Mr. H. V., advocaat met kantoor te ...
TEGEN :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financiën 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO-Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.
- verweerder -
Ter zitting van 09.12.2021 vertegenwoordigd door mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt, gemachtigd om namens de Belgische Staat te verschijnen voor de rechtbank
VOLGT HET VONNIS
Gelet op:
- het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 08.06.2020;
- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 17.09.2020;
- de syntheseconclusies en stukken van verweerder;
-de syntheseconclusies en stukken van eiseres.
I. FEITEN EN VOORGAANDEN:
Eiseres is sedert 01.02.2003 geregistreerd als BTW-belastingplichtige onder het regime van kwartaalindiener met als BTW-nummer BE047...78 voor werkzaamheden die verband houden met holdings, overige posterijen en koeriers, overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer; adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering.
Bij eiseres werd er een controle verricht naar aanleiding van het ontstane tegoed na afsluiting van de rekening-courant door het toetreden van eiseres op 01.01.2019 tot de BTW-eenheid R. F. met BTW-nummer BE065...57 (opgericht op 01.06.2016).
De administratie was van oordeel dat uit de controle van de voorgelegde stukken en de gegevens bleek dat eiseres had nagelaten om de herziening n.a.v. haar toetreding tot de BTW-eenheid te verrichten in de laatste door haar in te dienen periodieke aangifte.
Daarnaast werd vastgesteld dat zij omzet heeft gerealiseerd in 2018 en deze niet heeft opgenomen in haar BTW-aangiften.
Op 28.01.2020 werd een correctieopgave per mail verzonden naar mevrouw M. T. van Z. A. BV, de gevolmachtigde van eiseres.
Per e-mail van 29.01.2020 werd namens eiseres meegedeeld dat men niet akkoord gaat met de correctieopgave van 28.01.2020.
De inbreuken tegen de BTW-wetgeving werden opgenomen in een proces-verbaal van 11.05.2020 dat aan eiseres ter kennis werd gebracht.
De btw-schuld werd opgenomen in een uitvoerbare titel, namelijk het innings- en invorderingsregister, hetwelk uitvoerbaar werd verklaard op 25.06.2020.
Op 26.06.2020 werd een innings-en invorderingsbericht BTW verstuurd aan eiseres met erin de volgende verschuldigde bedragen:
•12.855,38 euro als BTW;
•2480,00 euro als geldboete;
•nalatigheidsinteresten te rekenen vanaf 21.01.2019 overeenkomstig artikel 91 § 1 WBTW.
Vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings-en invorderingsregister is van rechtswege een nalatigheidsinterest verschuldigd overeenkomstig artikel 91 § 2bis WBTW over de in te vorderen sommen die niet bedoeld zijn in de §§ 1 en 2 van datzelfde artikel.
Na toerekening van de betaling gedaan door eisers op datum van 25.06.2020 van 16.980,18 euro is het saldo van de schuld op 26.06.2020 nog 102,80 euro.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, ter griffie neergelegd door eiseres op 08.08.2020 stelde eiseres een vordering in rechte in.
II. BEOORDELING:
1. Ontvankelijkheid:
Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. Ten gronde:
2.1. BTW verschuldigd?
1. Eiseres is op 01.01.2019 lid geworden van de BTW-eenheid R. F. .
De andere leden van de BTW-eenheid zijn de vertegenwoordiger H. Z. BV, H. & CO NV en K. Comm.V"
Tussen eiseres en één van de andere leden van de BTW-eenheid, H. Z. BV, werd op 12.07.2018 reeds een zaakvoerdersovereenkomst afgesloten (zie stuk 9 administratief dossier}.
Artikel 1 van deze overeenkomst bepaalt dat eiseres vanaf 01.08.2018 het beleid van het departement verzekeringen van Z. H. BV zal voeren en dat onder de beleidsvoering het voeren van de directie in de meest ruime zin van het woord wordt verstaan.
De zaakvoerdersvergoeding die Z. H. BV BV aan eiseres verschuldigd is wordt in artikel 4 van deze overeenkomst vastgesteld op € 12.000,00 per maand (exclusief BTW}. Verder bepaalt artikel 4 dat de vergoeding per maand wordt uitbetaald te starten vanaf 01.01.2019.
Uit de interne jaarrekening van 2018 van eiseres blijkt dat er "geleverde prestaties" zijn ter waarde van 58.500,00 euro geboekt op rekening 701000. Op de rekening 400400 op te stellen facturen staat tevens het bedrag ter waarde van 58.500,00 (zie stuk 10 van het administratief dossier).
Uit de uittreksels van 2018 van de AXA rekening van eiseres blijken volgende betalingen ter waarde van 58.500,00 euro, dewelke werden betaald door H. Z. BV aan eiseres in volgende periodieke schijven (zie stuk 11 van het administratief dossier):
- 20.07.2018: 9.500,00 euro
- 20.09.2018: 13.000,00 euro
- 22.10.2018: 12.000,00 euro
- 20.11.2018: 12.000,00 euro
- 20.12.2018: 12.000,00 euro
- Totaal: 58.000,00 euro
Op het moment van de geleverde prestaties, noch op het moment van de betalingen werden er echter facturen opgemaakt.
De betreffende handelingen werden volgens de jaarrekening van het boekjaar 2018
enerzijds geboekt als omzet/bedrijfsopbrengsten en anderzijds als op te stellen facturen. Terecht stelde de administratie dan ook dat deze omzet werd gerealiseerd in 2018.
De opeenvolgende betalingen werden gedaan voor diensten van eiseres in haar
hoedanigheid van bestuurder-rechtspersoon aan Z. H. BV.
Op de toekenning van dergelijke zaakvoerdersvergoedingen is BTW verschuldigd tegen het normale tarief van 21%.
Ook al werden er geen facturen opgesteld, de BTW is opeisbaar de 15e dag van de maand waarin de dienst werd verricht.
2. Eiseres is vooreerst de mening toegedaan dat het EHJ in haar arrest van 13.06.2019 {C-
420/18) voorgehouden heeft dat bestuurders geen BTW-belastingplichtigen zijn.
Het arrest waar naar verwezen wordt, handelt echter over de toepassing van de BTW wetgeving op de jaarlijkse vergoeding ontvangen door een lid van de raad van commissarissen van een stichting en is bijgevolg ter zake niet dienend.
3. Eiseres houdt voor dat er geen BTW verschuldigd is.
Eiseres stelt dat op de AV in 2019 een tantième werd toegekend aan de zaakvoerder van 58.000,00 euro. De in 2018 gedane betalingen zijn voorschotten/leningen. Pas in 2019 werd de tantième toegekend en dergelijke tantième is niet belastbaar.
De rechtbank stelt vooreerst vast dat uit de interne jaarrekening blijkt dat er prestaties van beleid voeren zijn geleverd. Er werden "geleverde prestaties" ter waarde van 58.500,00 euro geboekt op rekening 701000 en op rekening 400400 op te stellen facturen staat het bedrag ter waarde van 58.500,00 euro.
In de zaakvoerdersovereenkomst van 12 juli 2018 werd bepaald dat vanaf 01.08.2018 het beleid van het departement verzekeringen zal worden gevoerd door eiseres. De periodieke betalingen komen overeen met de geboekte geleverde prestaties.
Eiseres geeft derhalve aan dat de omzet werd gerealiseerd op 31.12.2018 rekening houdend met het feit dat de betreffende handelingen volgens de jaarrekening van het boekjaar 2018 enerzijds werden geboekt als omzet/bedrijfsopbrengsten en anderzijds als op te stellen facturen.
De betalingen werden gedaan voor diensten van eiseres in haar hoedanigheid van bestuurder-rechtspersoon aan Z. H. BV.
Verder stelt de rechtbank vast dat de algemene vergadering op 04.03.2019 de beslissing tot uitkering van een tantième heeft genomen.
Er werd een factuur voorgelegd met als datum 04.03.2019. De factuur heeft als omschrijving: "AV 04/03/2019 Resultaatbestemming 30/09/2018 Tantièmes". De maatstaf van heffing bedraagt 58.500,00 euro . De factuur vermeldt eveneens "handeling binnen de BTW eenheid, buiten het toepassingsgebied van de BTW-wetgeving".
Tantièmes kunnen enkel worden toegekend door de algemene vergadering, hetzij bij de winstverdeling door de jaarvergadering, hetzij als tussentijdse tantième door de bijzondere algemene vergadering. Er werden door Z. H. BV geen tussentijdse bijzondere algemene vergaderingen gehouden.
Het bedrag van 58.500,00 euro was reeds volledig betaald in 2018.
Deze vergoedingen betaald in 2018 kunnen derhalve niet beschouwd worden als voorschotten op een tantième maar werden terecht aangemerkt als bestuurders/zaakvoerdersbezoldigingen.
2.2. M.b.t. de intresten:
Eiseres is van oordeel dat een intrest van 9,6% op basis van art. 91 § 1 WBTW discriminatoir is en strijdig is met art. 10, 11 en 172 van de Grondwet.
Art. 11 van de Grondwet legt de wetgevende instanties op de burgers gelijk te behandelen.
Het gelijkheidsbeginsel sluit evenwel niet uit dat er een verschil in behandeling wordt ingesteld (zie Cass., 8 juni 2006, F.J.F., nr. 2006/268; Cass., 30 november 2006, F.J.F., nr. 2007/92}. Het gelijkheidsbeginsel belet niet dat een bepaalde categorie anders wordt behandeld voor zover er een redelijke en objectieve verantwoording bestaat.
In casu steunt het verschil in behandeling steunt op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van de schuldeiser, die in het ene geval de Staat is, die het algemeen belang behartigt, en die in het andere geval een particulier kan zijn, die zich door een persoonlijk belang mag laten leiden.
In het arrest V. e.a. t. Griekenland van 25 september 2014 oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat het niet onverantwoord is dat de Staat, voor de moratoriuminteresten die hij verschuldigd is in de uitvoering van zijn taken van algemeen belang, een rentevoet bepaalt die vier procentpunt lager is dan de rentevoet die van toepassing is op de moratoriuminteresten die particulieren moeten betalen. Een dergelijk beperkt verschil schendt artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet.
Artikel 91, § 5 WBTW geeft de Koning de mogelijkheid om de toegepaste rentevoeten aan te passen wanneer zulks verantwoord is ingevolge de op de geldmarkt toegepaste rentevoeten. Het referentiekader dat de wetgever aan de Koning heeft toegereikt om de rentevoeten inzake BTW aan te passen, blijft aldus niet beperkt tot dat van de wettelijke rentevoet.
Aangezien in het stelsel van de BTW de belastingplichtige in de regel zelf ontvanger is van de BTW die aan de schatkist verschuldigd is, is het van fundamenteel belang voor de vlotte werking van het BTW-stelsel dat elke vertraging in de betaling van de BTW door de belastingplichtige een nalatigheidsinterest verschuldigd maakt. Het is in die zin dus terecht dat de nalatigheidsinteresten krachtens de wet en automatisch verschuldigd worden. Het is bovendien eveneens van fundamenteel belang dat het tarief van de nalatigheidsinteresten voldoende hoog is om te vermijden dat de belastingplichtige zichzelf al te gemakkelijk een krediet zou kunnen verschaffen jegens de schatkist.
Het feit dat in art. 91 § 1 WBTW een interest gevraagd wordt van 0.8% per maand en minstens een intrest van 7% terwijl in burgerlijke zaken de burger slechts een intrest moet betalen overeenkomstig art. 2 § 1 van de wet van 05.05.1865 dewelke in casu slechts 2 à 3 % bedraagt, kan dan ook geen schending van het gelijkheidsbeginsel uitmaken.
De rechtbank oordeelt ook dat er geen reden is om hieromtrent een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de wettelijk verschuldigde nalatigheidinterest niet het karakter van een strafsanctie heeft, maar slechts een compensatie biedt voor het verlies dat de Schatkist lijdt door het niet tijdig beschikken over de verschuldigde belasting (en er dus het genot niet kan van hebben).
De vordering van eiseres is dan ook ongegrond.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).
Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen.
De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.
OM DEZE REDENEN:
De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten en begroot deze kosten aan de zijde van verweerder op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging van door een raadsman en tot de bijdrage van 20 euro aan het fonds voor tweedelijnsbijstand.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A - kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 6 januari 2022 alwaar zetelden:
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.