Décision jointe par le SPF
Texte de l’arrêt provisiore
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken
Arrest van 18/11/2014
Rol: 2013/AR/1513
DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de fiscaliteit btw, in de persoon van de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Brussel Wetstraat 12; handelend door tussenkomst van de de Adviseur-e.a. inspecteur van het btw-ontvangkantoor te Hasselt Il waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 47;
Woonstkeuze doende bij de Adviseur-Gewestelijke Directeur van de btw-directie te Hasselt, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 40.
eiser in hoger beroep,
vertegenwoordigd door Mr. G. loco Mr. V. D. S. P., advocaat te ...
tegen het vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 27 februari 2013
tegen
J. Q. T. B., met maatschappelijke zetel te ..., met ondernemingsnummer 089...88
verweerster in hoger beroep,
vertegenwoordigd door Mr. S. B., advocaat te ...
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 27 februari 2013, dat bij gerechtsdeurwaardersexploot van 29 en 30 april 2013 op verzoek van B. J. Q. T. werd betekend, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 23 mei 2013, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. De feiten
De betwisting betreft het verzet tegen het dwangbevel (R.C.I.V.-nr. ...) dat op naam van B. J. Q. T. en lastens haar werd uitgevaardigd op 29 september 2011 door de heer X, ontvanger en dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de heer X, de dienstdoende e.a. Inspecteur voor de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt op 4 oktober 2011.
B. J. Q. T., verweerster in hoger beroep handelt in medische en orthopedische apparatuur en is als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het btw nr. BE 089...88. Verweerster in hoger beroep plaatst onder meer plafondliftsystemen. Het gaat om een liftsysteem dat aan het plafond wordt gemonteerd en via een railsysteem een woning toegankelijk maakt voor beperkt mobiele personen.
Op 24 augustus 2010 werd, na voorafgaande schriftelijke aankondiging, op de maatschappelijke zetel van verweerster in hoger beroep door de heer X een controle aangevat teneinde de naleving van de BTW-wetgeving met betrekking tot de periode 01/01/2008 tot en met 31/12/2009 na te gaan.
Naar aanleiding van deze btw-controle werden een aantal inbreuken vastgesteld dewelke werden opgenomen in een proces-verbaal van 17 mei 2011 (stuk 1 administratief dossier). Het betreft inbreuken op het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven. Volgens de belastingadministratie maakte verweerster in hoger beroep voor de levering en plaatsing van tilliften voor gehandicapten (monoliften) ten onrechte gebruik van het verlaagde tarief van 6 %. Op grond van de artikelen 37 en 38 W.BTW en van artikel 1, 1e lid van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 dient de BTW geheven te worden tegen het tarief van 21%.
Op 29 september 2011 vaardigde de ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Hasselt op basis van het proces-verbaal van 17 mei 2011 een dwangbevel uit dat geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de heer e.a. Inspecteur van het BTW-controlekantoor te Lanaken op 4 oktober 2011 (stuk 2 administratief dossier).
Bij exploot van gerechtsdeurwaarder L B. te Genk werd dit dwangbevel aan verweerster in hoger beroep betekend op 14 oktober 2011: (stuk 3 administratief dossier) Volgens dit dwangbevel zijn volgende bedragen verschuldigd:
• BTW: 20.675,40 euro;
• Proportionele geldboete: 2.060,00 euro (op grond van artikel 70, §§1-3, §5 en 71 W.BTW;
• Wettelijke interesten: 3.472,56 euro (op grond van artikel 91, §1 W.BTW, berekend vanaf 21 januari 2010);
• Te verhogen met de interesten en kosten.
Dit geeft een totaal van 26.207,96 euro.
2. De voorafgaande procedure
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 31 oktober 2011, vorderde verweerster in hoger beroep haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en akte te verlenen van de bij besluiten, neergelegd ter griffie van de rechtbank op 27 juli 2012, gedane eisuitbreiding. De vennootschap vorderde dienvolgens om het bestreden dwangbevel te vernietigen en opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat verweerster in hoger beroep de BTW-wetgeving niet heeft overtreden zodat er uit dien hoofde geen BTW, intresten of kosten verschuldigd zijn. Ze vorderde dienvolgens om teruggave te bevelen van de teveel betaalde BTW, ten bedrage van 28.105,02 euro, in meer de vergoedende en de gerechtelijke intresten. De vennootschap vorderde tenslotte om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig art. 1022 Ger.W. begroot op 1.320,00 euro en het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van kantonnement.
De eerste rechter oordeelt vooreerst dat de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk is.
Ten gronde was de eerste rechter van oordeel dat de beoordeling of de monoliften ingelijfd zijn bij een gebouw een loutere feitenkwestie betreft.
Uit de installatiebeschrijving en het bijgebrachte fotomateriaal bleek volgens de eerste rechter dat de monoliften specifiek ontworpen werden, de nodige aanpassingen vergden van het onroerend goed en stevig verankerd werden voor de verplaatsing van gehandicapte personen. Aldus ging het volgens de eerste rechter om de plaatsing van liften die geheel geïntegreerd werden in de woningen en op een zodanige manier verwerkt werden om er integrerend, conceptueel en duurzaam deel van uit te maken. De theoretische verplaatsbaarheid sloot volgens de eerste rechter niet uit dat een goed onroerend van aard was.
De eerste rechter was dan ook van oordeel dat de monoliften geleverd en op een zodanige manier aangebracht werden aan het onroerend goed dat ze onroerend uit hun aard zijn geworden. Hieruit volgde dat verweerster in hoger beroep terecht het BTW-tarief van 6 % had toegepast. De opgelegde boete verviel bijgevolg.
Verder stelde de eerste rechter vast dat verweerster in hoger beroep middels eisuitbreiding eveneens de teruggave van de BTW voor de plaatsing van statoestellen vorderde die geenszins het voorwerp uitmaakt van het in betwisting zijnde dwangbevel en die door verweerster in hoger beroep zelf gefactureerd werd aan 21%. De eerste rechter oordeelde dat zelfs indien deze vordering, in zoverre ze niet verjaard was, al middels huidige procedure en via eisuitbreiding kon worden gesteld, ze ongegrond was aangezien verweerster in hoger beroep niet aantoonde dat voldaan was aan de voorwaarden van artikel 77 §1 W.BTW. Verweerster in hoger beroep faalde volgens de eerste rechter in de op haar berustende bewijslast in verband met de toepassing van het verlaagde BTW-tarief.
De eerste rechter ging verder niet in op de niet-gemotiveerde vordering om het vonnis uitvoerbaar te verklaren.
Het bestreden vonnis verklaarde de vordering van verweerster in hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond en verklaarde het dwangbevel (R.C.t.V.-nr. ...) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 29 september 2011 door de heer X, ontvanger, en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer X, de dienstdoende e.a. Inspecteur voor de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt op 4 oktober 2011, onwettig.
De eerste rechter beval de terugbetaling van de bedragen welke op basis van voormeld dwangbevel eventueel betaald werden, vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91, §4 W.BTW en veroordeelde verweerster in hoger beroep tot 1/3 en de Belgische Staat tot 2/3 van de kosten van het geding. De kosten in hoofde van verweerster in hoger beroep werden vereffend op 2.200 euro en in hoofde van de Belgische Staat werden de kosten niet vereffend bij gebreke aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusies.
Tegen dit vonnis heeft de Belgische Staat bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 23 mei 2013 hoger beroep ingesteld.
3. Procedure voor het hof van beroep
De Belgische Staat vordert om het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het vonnis a quo te vernietigen en de oorspronkelijke vorderingen en de uitbreiding van vorderingen van verweerster in hoger beroep als ongegrond af te wijzen, met veroordeling van de belastingplichtige tot de kosten van het geding, begroot op 2.200,00 euro rechtsplegingsvergoeding per aanleg.
Met betrekking tot de begroting van de kosten in hoofde van de Belgische Staat verzoekt de Belgische Staat de zaak te verzenden naar de bijzondere rol en dit in afwachting van de uitspraak door het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtsplegingsvergoedingen verschuldigd aan en door de Belgische Staat en de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding (2.200 euro in beroep) in beraad te houden totdat het Grondwettelijk Hof een uitspraak heeft gedaan in voornoemde zaken.
Verweerster in hoger beroep verzoekt het Hof het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en om haar akte te verlenen van het bij besluiten van 12 september 2013 ingestelde incidenteel beroep. De vennootschap vordert bijgevolg om het bestreden vonnis te bevestigen in zoverre het uitspraak heeft gedaan over de (on)wettigheid van het dwangbevel en om het bestreden vonnis te vernietigen in zoverre het de vordering tot teruggave heeft afgewezen. De vennootschap vordert om, opnieuw rechtdoende de teruggave te bevelen van de teveel betaalde BTW, ten bedrage van 28.105,02 euro, in meer de vergoedende en de gerechtelijke intresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van beide gedingen, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig art. 1022 Ger.W. begroot op 2.200,00 euro zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
4. Bespreking
4.1. Bewijswaarde proces-verbaal.
De Belgische Staat is van oordeel dat de verbalisant tijdens de controle die plaatsvond op 24 augustus 2010 effectief materiele vaststellingen heeft gedaan dewelke opgenomen werden in het proces-verbaal van 17 mei 2011. De controleur zou, in tegenstelling tot wat de belastingplichtige beweert wel degelijk naar de wijze waarop de plafondliften geplaatst werden hebben geïnformeerd. Tijdens de controle werden gelijkaardige stavingstukken voorgelegd als deze welke verweerster in hoger beroep voorlegde aan de rechtbank. Op basis van deze stukken besliste de administratie dat het verlaagde tarief niet van toepassing was.
Verweerster in hoger beroep is van mening dat het proces-verbaal van 17 mei 2011 geen vaststellingen bevat. Er wordt in het proces-verbaal enkel gesteld dat de betreffende handelingen van verweerster in hoger beroep niet worden beoogd in rubriek XXXI van tabel A van KB nr. 20. Er werd geen enkele feitelijke vaststelling gedaan betreffende de levering en plaatsing van de plafondliften en de wijze waarop deze liften werden ingebouwd in de onroerende goederen. De administratie heeft niet eens vastgesteld over welke tilliften het gaat.
Overeenkomstig artikel 59, §1, tweede lid W.BTW leveren processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is. Dit betekent dat alles wat de bevoegde ambtenaar gezien, gehoord of anders waargenomen heeft binnen het kader van zijn opdracht, geacht wordt waar te zijn als hij die feitelijke vaststellingen in een proces-verbaal noteert (L.Vandenberghe, Handboek fiscale procedure btw, lntersentia, Antwerpen, 2013, p.75, nr.133).
Het hof stelt vast dat het proces-verbaal van 17 mei 2011 geen beschrijving bevat van de liften, van de onderdelen of van de wijze van plaatsing.
De vermelding in het proces-verbaal dat de toestellen om invaliden of zieken te tillen (heftoestellen) niet aangemerkt kunnen worden als orthopedische toestellen in de zin van rubriek XXIII, punt 2 van tabel A, bijlage bij K.B.nr.20 zodoende dat de levering van deze toestellen niet onderworpen is aan het verlaagd tarief van 6% betreft geen vaststelling door de verbalisanten, doch een juridische gevolgtrekking, gemaakt door de verbalisanten. Hieraan kleeft dan ook geen bijzondere bewijswaarde, zoals bedoeld in artikel 59, §1 W.BTW. Hetzelfde geldt voor de vermelding dat het geen levering en plaatsing van een roerend goed betreft, dat het onroerend maken tot gevolg heeft zoals beoogd in rubriek XXXI, §3 van tabel A bij K.B.nr.20.
Het hof oordeelt dan ook dat het proces-verbaal van 17 mei 2011 geen vaststellingen bevat die bewezen zijn tot bewijs van het tegendeel, doch enkel gevolgtrekkingen.
4.2. Tarief
4.2.1. Algemeen.
Overeenkomstig artikel 37, §1 W.BTW bepaalt de Koning bij een in ministerraad overlegd besluit, de tarieven en geeft hij de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de van de Europese Gemeenschappen ter zake uitgaande reglementering.
Deze bepaling kreeg uitvoering in K.B.nr.20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. Blijkens artikel 1 van dit K.B. bedraagt het normaal tarief van de B.T.W. voor goederen en diensten 21 %. In afwijking hiervan wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van 6% voor de goederen en diensten, opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit en 12% voor de goederen en diensten opgenomen in tabel B van de bijlage bij dit besluit.
Ingevolge deze bepaling bedraagt het tarief in de regel 21% en is het aan de belastingplichtige om aan te tonen dat een verlaagd tarief van toepassing is (zie hierover LVandenberghe, 'Bewijslast m.b.t. toe te passen tarief : fiscus slaat terug', Fisc.Act., 14 maart 2007, nr.9, p.8; X, 'Tarief, in BTW-Handboek, H.Vandebergh (ed.), Larcier, Gent, 2014, p.525, nr.1335).
4.2.2. Plafondliften.
De belastingplichtige meent aldus aanspraak te kunnen maken op de toepassing van het tarief van 6% overeenkomstig rubriek XXXI (werk in onroerende staat met betrekking tot privéwoningen) van tabel A, bijlage bij K.B.nr.20. De installatie vergt een stevige verankering in het gebouw en grondige aanpassingen aan trappen, deuren , en eventueel van de muren, en kan niet zonder beschadiging verwijderd worden.
De administratie van haar kant meent dat het algemeen tarief van 21% toegepast moet worden, vermits de belastingplichtige niet aantoont dat voormelde rubriek van tabel A van toepassing is. Volgens de administratie worden de liften door hun plaatsing hoogstens onroerend door bestemming en kunnen zij gemakkelijk verwijderd worden.
B. J. Q. T. heeft de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige voor de groot- en kleinhandel in medische en orthopedische apparatuur. Onder meer houdt de firma zich bezig met de levering en plaatsing van plafondliften. Deze handelingen worden rechtstreeks gefactureerd aan de gehandicapte ofwel, via een indeplaatsstelling, aan het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap {VAPH). Plafondliften zijn installaties, bedoeld voor het tillen en verplaatsen van patiënten via een plafondrail. Aldus kan een . persoon, gefixeerd in een beugel liggend of zittend worden verplaatst van een bed naar een rolstoel, voor een bezoek aan toilet/bad, naar een ander niveau in een kamer of in een woning of naar een andere kamer.
Cruciaal bij de beoordeling van de vraag welk tarief kan worden toegepast in verband met plafondliften, betreft de vraag of het in deze gaat om werken in onroerende staat in de zin van artikel 19, §2, tweede lid W.BTW. De vraag of een bepaald voorwerp werkelijk is ingelijfd bij een gebouw betreft een loutere feitenkwestie {Com.BTW, nr.18/555). Alles hangt af van de wijze van plaatsing.
Artikel 19 §2 W.BTW luidt als volgt :
”Met een dienst verricht onder bezwarende titel wordt eveneens gelijkgesteld de uitvoering door een belastingplichtige van een werk in onroerende staat:
1 ° voor de doeleinden van zijn economische activiteit, metuitzondering van :
a) werk dat bestaat in de oprichting van een gebouw door een in ar tikel 12, § 2, bedoelde belastingplichtige;
b) herstellings-, onderhouds-,· en reinigingswerk, indien dergelijk werk verricht door een andere belastingplichtige een volledig recht op aftrek van de belasting zou doen ontstaan.
2 ° voor zijn privé-doele inden of deze van zijn personeel en, meer algemeen, om niet of voor
andere doeleinden dan deze van zijn economische activiteit.
Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder werk in onroerende staat het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het rein igen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodan ige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt."
In rubriek XXXI van bijlage A bij K.B.nr.20 wordt in §3 verder verduidelijkt :
"Worden beoogd :
1 ° het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel often dele" van een uit zijn aard onroerend goed;
2 ° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze
aan te brengen aan een onroerend goed dat hetonroerend uit zijn aard wordt;
3 ° iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw :
a) Van de bestanddelen of van een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestel/en verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;
b) Van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding ofeen riool;
c) Van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;
d) Van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;
e) Van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;
f) Van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;
4 ° iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de
levering van wandbekleding of vloerbekleding of -bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding af bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte.
5 ° het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het
reinigen, van goederen bedoeld in 3° en 4° hierboven;
6 ° de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.
( ..)"
In onderhavig geval blijkt uit de stukken van het dossier het volgende :
- Uit de handleiding voor de installatie van plafondliften (stuk 3 belastingplichtige) blijkt dat de installatie niet zonder meer aan een plafond kan worden bevestigd. Vermits de lift het (bewegend) gewicht van een persoon moet kunnen dragen, is een verankering vereist in dwarsbalken boven het plafond of in de muren. Dit vereist het verwijderen van het plafond of van de vloer van een bovenliggende verdieping of (bij nieuwbouw) het installeren van de lift vooraleer plafonds of vloeren worden geplaatst. Uit de betrokken plaatsingsinstructies blijkt dus dat een stevige verankering vereist is omwille van de veiligheid en de relatief zware belasting van het toestel.
- Uit de door de belastingplichtige neergelegde foto's blijkt dat de plafondlift wordt aangepast aan de locatie waar hij wordt aangebracht : het betreft maatwerk, afhankelijk van de omvang en de vorm van de ruimte en van de noden van de patiënt.
- Uit deze foto's blijkt ook dat de plafonds dienen te worden aangepast, evenals de deuren, waarbij het deel tussen de deur en het plafond moet worden verwijderd of voorzien van een opening, zodat de rail kan passeren.
Uit de installatie-instructies en de foto's blijkt eveneens dat de installatie niet zonder meer kan worden verplaatst naar een andere locatie. Het verwijderen van de installatie vergt aanpassingen aan plafonds, vloeren, deuren, en eventueel van de muren, en heeft noodzakelijkerwijze een beschadiging van plafonds, vloeren, deuren, en eventueel van de muren tot gevolg. Gelet op de plaatsingsvoorschriften en vermits de installatie is aangepast aan de locatie, waarin zij werd geplaatst, kan zij slechts op een andere locatie worden gebruikt, mits aanpassing van deze locatie en van de installatie zelf, waarbij onmogelijk kan vermeden worden dat minstens een deel van de installatie door de verwijdering teloor gaat.
Het hof oordeelt dan ook, samen met de eerste rechter, dat het gaat om een handeling, waarbij een roerend goed wordt geleverd en op zodanige wijze aan een onroerend goed wordt aangebracht dat het onroerend wordt uit zijn aard. Het betreft uitrustingsgoederen van een gebouw die onroerend worden uit hun aard, zowel wegens de inlijving ervan in het gebouw als wegens de omvang ervan.
Dat de administratie daarop een andere visie heeft, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Een beslissing van de administratie dienaangaande (zie o.m. de Beslissing nr.E.T.121.671 van 4 juli 2012) is in deze niet bindend.
Het hof oordeelt derhalve dat de belastingplichtige ten genoege van recht heeft aangetoond dat de levering en plaatsing van de plafondliften onder toepassing valt van het tarief van 6%, vermits het een handeling betreft, zoals omschreven in rubriek XXXI, §3, 2° of XXXI, §3, 3°, c).
Vermits de belastingplichtige terecht het tarief toepaste van 6%, kan geen BTW worden nagevorderd en vervalt ook de gevorderde boete. De argumentatie dienaangaande is dan ook niet langer dienstig.
4.2.3. Incidenteel beroep : teruggaaf van BTW.
• Argumenten partijen
Vanaf 2007 verkocht verweerster in hoger beroep staliften aan een BTW-tarief van 21%. Uit de administratieve beslissing ET nr. 95.923 van 13 februari 2002 blijkt dat statoestellen het verlaagd tarief van 6% kunnen genieten. Verweerster in hoger beroep wijst er op dat de statoestellen in kwestie aangepast worden aan de behoeften van degene die ze gebruikt zodat de beslissing in casu van toepassing is.
Hieruit volgt dat verweerster in hoger beroep sinds 2007 teveel BTW betaalde. Het betreft een bedrag van 28.105,02 euro. Zij vordert dan ook op grond van artikel 77 §1 W.BTW de teruggave van de teveel betaalde BTW boven hetgeen wettelijk verschuldigd was.
Verweerster in hoger beroep stelt verder dat haar vordering geenszins verjaard is. Art. 14 van KB nr. 4 van 29/12/1969 stelt dat de vordering in rechte met betrekking tot de teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve boeten, moet worden ingesteld voor het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op, naargelang het geval, dit van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag om teruggaaf wordt verworpen ofwel dit van de betaling van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie. Volgens verweerster in hoger beroep is ofwel voormeld artikel van toepassing en dan geldt er een verjaringstermijn van 3 jaar vanaf de verwerping van het verzoek tot teruggaaf, d.i. vanaf 8 oktober 2012, de datum van neerlegging van de synthesebesluiten in eerste aanleg door de Belgische Staat. Ofwel is voormeld artikel niet van toepassing en dan kan ze haar vordering in rechte tot teruggaaf instellen binnen de gemeenrechtelijke termijn van 10 jaar.
De Belgische Staat is daarentegen van oordeel dat de vordering tot teruggave elke rechtsgrond mist aangezien niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 77, §1 W.BTW. Uit de stukken die door verweerster in hoger beroep in eerste aanleg werden neergelegd blijkt volgens de Belgische Staat duidelijk dat de toestellen in kwestie standaardtoestellen betreffen die niet aan de individuele behoeften van de gehandicapte gebruikers aangepast zijn. Het betreft immers geen toestellen die specifiek/uitsluitend dienen voor, hetzij het voorkomen of verhelpen van lichamelijke misvormingen, hetzij het ondersteunen of op hun plaats houden van organen na ziekte of operatie.
Met betrekking tot de verjaring van de vordering tot teruggave stelt de Belgische Staat dat krachtens artikel 82 bis W.BTW de vordering tot teruggaaf van de belasting, interesten en van de administratieve geldboeten verjaart na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. De jaren 2007 en 2008 zijn dan ook reeds verjaard. De argumentatie van verweerster in hoger beroep dat er krachtens artikel 14 van het KB nr. 4 nog geen verjaring optreedt kan niet gevolgd worden.
• Ontvankelijkheid.
Overeenkomstig artikel 807 Ger.W. kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, worden uitgebreid of ·gewijzigd, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.
De uitgebreide of gewijzigde vordering moet met andere woorden verbonden zijn met feiten die in de initiële eis aan bod kwamen. Ze moet steunen op dezelfde oorzaak als de initiële eis (B.Allemeersch, Taakverdeling in het burgerlijk proces, lntersentia, Antwerpen, 2007, p.143, nr.29).
Het hof stelt vast dat de vordering van B. J. Q. T., zoals geformuleerd in het inleidend verzoekschrift van 31 oktober 2011 ertoe strekte om het bestreden dwangbevel te horen vernietigen en opnieuw rechtdoende te horen zeggen voor recht dat de vennootschap terecht het verlaagde BTW-tarief van 6% heeft toegepast en derhalve de BTW-wetgeving niet heeft overtreden zodat er uit dien hoofde geen BTW, boeten, interesten en kosten verschuldigd zijn.
Het dwangbevel waarnaar werd verwezen was dat van 29 september 2011, uitvoerbaar verklaard op 4 oktober 2011, dat betrekking had op de plafondliften voor gehandicapten, waarbij de belastingplichtige argumenteerde dat zij voor de levering en plaatsing van deze liften onderworpen was aan het tarief van 6%, gelet op rubriek XXXI van tabel A van K.B.nr.20.
In haar laatste conclusies in eerste aanleg, neergelegd op 27 juli 2012 vorderde B. J. Q. T. eveneens om de teruggave te bevelen van de teveel betaalde BTW, ten bedrage van 28.105,02 EUR, meer vergoedende en gerechtelijke interesten.
Deze vordering betrof de BTW, betaald bij de levering van statoestellen, door de vennootschap gefactureerd aan 21% BTW, waarbij de belastingplichtige nu voorhield dat ze voor wat deze toestellen betrof ook kon genieten van het verlaagd tarief van 6% en waarvoor dus teruggave werd gevraagd van de aldus teveel betaalde BTW.
Hoewel aldus betwijfeld kan worden of de vordering in verband met de statoestellen gebaseerd is op de feiten, vermeld in de oorspronkelijke vordering stelt het hof vast dat de Belgische Staat de onontvankelijkheid van de vordering niet langer inroept. Er wordt niet meer over geconcludeerd en de Belgische Staat vraagt op dit punt de bevestiging van het bestreden vonnis, dat deze vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaarde. Vermits artikel 807 Ger.W. niet van dwingend recht of van openbare orde is, kan het niet ambtshalve worden ingeroepen, zodat de vordering ontvankelijk is.
• Tarief.
Wat de grond van de zaak betreft, beroept de belastingplichtige zich op de toepassing van het verlaagd tarief van 6% en verwijst daarbij naar de beslissing E.T.nr.95.923 van 13 februari 2002.
Deze beslissing handelt over de orthopedische toestellen (medisch-chirurgische gordels daaronder begrepen), zoals bedoeld in rubriek XXIII, punt 2 van tabel A, bijlage bij K.B.Nr.20.
In deze beslissing (neergelegd als stuk 12 van de Belgische Staat) worden zogenaamde 'statoestellen' omschreven als volgt :
"Zogenaamde "statoestellen11 zijn toestellen voor gehandicapten die n iet meer in een gepaste opgerichte houding overeind kunnen blijven : de in valide wordt gevat in het statoestel derwijze dat de betrokken lichaamsdelen op gepaste wijze worden ondersteund en zodoende (verdere) lichamelijke misvormingen worden verholpen of voorkomen. Het gedeelte van die toestellen dat de romp en de benen van de invalide geheel of gedeeltelijk omsluit, wordt dan ook meestal op maat vervaardigd aan de hand van een individuele gietvorm. Het lichaam en desgevallend de benen van de invalide worden op die man ier gestabiliseerd en ondersteund in een zo goed mogelijk gestrekte positie waardoor onder meer de belasting van de beenderen wordt verbeterd, botontkalking wordt tegengaan, de druk optimaal wordt verdeeld en de doorbloeding gunstig wordt beïnvloed. "
Van deze toestellen neemt de administratie aan dat ze worden aangemerkt als orthopedische toestellen in de zin van rubriek XXIII, cijfer 2, van tabel A, van de bijlage bij K.B. nr.20 en dat ze bijgevolg kunnen genieten van het verlaagd BTW-tarief van 6%.
Anderzijds wordt in dezelfde administratieve beslissing uitdrukkelijk gesteld :
'Verder wordt opgemerkt dat rijwielen voor invaliden, toestellen om invaliden of zieken te tillen (heftoestellen), rolstoelen, orthopedische stoelen, looprekken, orthopedische hoofd- of zitkussens en dergelijke hulpmiddelen of gebruiksvoorwerpen niet kunnen worden aangemerkt als orthopedische toestellen in de zin van rubriek XXIII, cijfer 2,van Tabel A van de bijlage bij het genoemde K.B.nr.20. Het betreft immers geen toestellen die specifiek/uitsluitend dienen voor, hetzij het voorkomen of verhelpen van lichamelijk misvormingen, hetzij het ondersteunen of op hun plaats houden van organen na ziekte of operatie. Terzake is dus van geen belang dat sommige van die hulpmiddelen of gebruiksvoorwerpen aangepast zijn aan of ontworpen en ingericht zijn voor invaliden of gehandicapten en zodoende te koop worden aangeboden onder de noemer uorthopedisch" of onder de bevoegdheid van de orthopedisten ofbandagisten vallen".
Het hof oordeelt dat de 'Quick move' {stuk 9 belastingplichtige), de 'Return 7500' (stuk 12), de 'Eva' (stuk 12/1) en de 'minilift 125' (stuk 12/2), gelet op hun beschrijving en functie veeleer tiltoestellen betreffen en toestellen om korte verplaatsingen mogelijk te maken, doch geen 'statoestellen' in de zin van voormelde beslissing. De belastingplichtige toont dan ook niet aan dat deze toestellen vallen onder rubriek XXIII, cijfer 2 van tabel A, bijlage bij K.B.nr.20, zodat ze niet aantoont dat hiervoor een verlaagd tarief van 6% van toepassing is.
Het bestreden vonnis dient op dit punt dan ook te worden bevestigd en de overige argumenten in dit verband zijn niet verder dienstig.
4.3. Rechtsplegingsvergoeding
De rechtbank van Aarlen heeft bij vonnissen van 8 januari 2014, 12 februari 2014 en 19 maart 2014 prejudiciële vragen gesteld inzake de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding aan de Belgische Staat. De Belgische Staat verzoekt het Hof dan ook om de toekenning van de rechtsplegingsvergoeding, door beide partijen begroot op 2.200,00 EUR in beraad te houden totdat het Grondwettelijk Hof hierover uitspraak zal hebben gedaan.
Het hof acht het opportuun het antwoord van het Grondwettelijk Hof dienaangaande af te wachten, alvorens op dit punt uitspraak te doen.
5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof verklaart het incidenteel beroep van B. J. Q. T. toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen, met uitzondering van de beslissing nopens de kosten, waarover later uitspraak zal worden gedaan.
Het hof houdt de beslissing nopens de kosten aan in afwachting van een uitspraak van het Grondwettelijk Hof over de prejudiciële vragen die aangaande de rechtsplegingsvergoeding werden gesteld door de rechtbank van eerste aanleg te Aarlen.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 18 november 2014.
Jugement du tribunal de première instance
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Burgerlijke Rechtbank van eerste aanleg Hasselt, elfde kamer A
Vonnis van 27/02/2013
Rol: .11/2915/A
INZAKE
B. J. Q. T., met zetel te …, ondernemingsnummer 089...88
Eiseres, vertegenwoordigd door haar zaakvoerders dhr. R. V. L. en A. V. bijgestaan door Mr. B. S., advocaat in de advocatenmaatschap C. A., met kantoren te ...
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN, in
de persoon van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12. ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN, in de persoon van de gewestelijke directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43.
Verweerder, vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde, dhr. X.
VOLGT HET VONNIS
Gelet op:
- het verzoekschrift neergelegd ter griffie op 31 oktober 2011
- de conclusies, tweede conclusie en syntheseconclusies van verweerder;
- de besluiten en synthesebesluiten van eiseres;
I. DE FEITEN EN VOORGAANDEN
De vordering van eiseres betreft het verzet tegen het dwangbevel (R.C.I.V. nr....) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 29.09.2011 door de heer X, ontvanger en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer X, de dienstdoende e.a. Inspecteur voor de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt op 04.10.2011.
Het dwangbevel, werd samen met het proces-verbaal van 17.05.2011, op 14.10.2011 betekend aan eiseres middels gerechtsdeurwaarderexploot met bevel tot betalen.
Bij voormeld dwangbevel wordt door verweerder van eiseres gevorderd:
- BTW (hoofdsom): 20.675,40 euro
- Boete: 2.060 euro meer intresten en kosten.
Bij eiseres werd een controle uitgevoerd met betrekking tot de BTW-wetgeving over de periode van 01.01.2008 tot 31.12.2009.
Door verweerder werden inbreuken op de BTW-wetgeving vastgesteld en hiervan werd proces-verbaal opgesteld op 17.05.2011. Volgens verweerder maakte B. J. Q. T. voor de levering en plaatsing van tilliften voor gehandicapten ten onrechte gebruik van het verlaagde tarief van 6 %.
Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 31.10.2011, stelde eiseres een vordering in rechte in.
Eiseres vordert:
- de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;
- akte te verlenen van de bij besluiten, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27.07.2012, gedane eisuitbreiding;
- dienvolgens het bestreden dwangbevel te vernietigen en opnieuw rechtdoende te zeggen voor recht dat eiseres de BTW-wetgeving niet heeft overtreden zodat er uit dien hoofde geen BTW, intresten of kosten verschuldigd zijn;
- dienvolgens teruggave te bevelen van de teveel betaalde BTW, ten bedrage van 28.105,02 euro, in meer de vergoedende en de gerechtelijke intresten;
- verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding, inbegrepen de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig art. 1022 Ger.W. begroot op 1,320 euro;
- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande alle verhaal en zonder zekerheidstelling en met uitsluiting van kantonnement.
Verweerder besluit tot de ontvankelijkheid doch ongegrondheid van de vordering van eiseres en vordert eiseres te veroordelen tot alle kosten van het geding.
II. IN RECHTE
1. De ontvankelijkheid
Verweerder werpt geen middelen van niet-ontvankelijkheid op en de rechtbank: bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.
De vordering is dan ook ontvankelijk.
2. De gegrondheid
Eiseres stelt vooreerst dat het betreffende proces-verbaal niet de bijzondere bewijswaarde heeft van art. 59§1 WBTW zodat niet bewezen wordt dat de gevorderde BTW verschuldigd is. Verder houdt eiseres voor dat het plaatsen van dergelijke plafondliften werk in onroerende staat uitmaakt overeenkomstig art. 19 §2 WBTW.
Verweerder daarentegen stelt dat de plafondliften door hun plaatsing in het gebouw in principe niet onroerend uit hun aard worden. Volgens verweerder maakte eiseres ten onrechte toepassing van het verlaagde BTW-tarief.
De bewijslast in verband met de toepassing van het verlaagde BTW-tarief rust op de belastingplichtige.
Art. 37 WBTW bepaalt dat het de Koning is die de tarieven bepaalt en dat Hij de indeling geeft van de goederen en diensten bij die tarieven.
Ter uitvoering van artikel 37 WBTW stelt KB nr. 20 van 20 juli 1970 de tarieven van de BTW vast en geeft de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven.
De bijlage bij het KB nr. 20 omvat twee tabellen.
Tabel A geeft een opsomming van de goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 6 % en tabel B geeft een opsomming van de goederen en diensten onderworpen aan het tarief van 12 %. Alle goederen en diensten die niet uitdrukkelijk in een van deze tabellen zijn opgenomen worden onderworpen aan het normale tarief.
Het verlaagd tarief van 6 % is van toepassing op alle goederen en diensten die in tabel A zijn vermeld van KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van goederen en diensten bij die tarieven.
Onder bepaalde voorwaarden kunnen werk in onroerende staat in de zin van artikel 19,§ 2, tweede lid, van het Btw-Wetboek, met uitsluiting van het reinigen, en de gelijkgestelde handelingen die op beperkende wijze zijn opgesomd in rubrieken XXXI en XXXVIII,§ 3, 3° tot 6°, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake btw-tarieven aan privé-woningen en bepaalde verblijfsinrichtingen, in aanmerking komen voor de toepassing van een van de verlaagde btw-tarieven van 6% of 12% in de onroerende sector (rubrieken XXXI, XXXII, XXXIII, XXXVI, XXXVII en XXXVIII van tabel A en rubriek X van tabel B van de bijlage bij het voormeld koninklijk besluit nr. 20).
Onder werk in onroerende staat moet worden verstaan alle werkzaamheden die bestaan in het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele van een uit zijn aard onroerend goed, alsmede elke handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.
Of een bepaald voorwerp ingelijfd is bij een gebouw vormt een loutere feitenkwestie.
Partijen verklaren ter zitting het erover eens te zijn dat de verkoopfacturen zoals vermeld in het dwangbevel betrekking hebben op de monoliften zoals beschreven door eiseres en waarvan eiseres o.a. de foto's en installatiebeschrijving aan de rechtbank overlegt.
Uit de aan de rechtbank overgelegde stukken meer in het bijzonder de installatiebeschrijving en het bijgebrachte fotomateriaal blijkt dat de monoliften die het voorwerp uitmaken van deze betwisting allemaal specifiek ontworpen werden, de nodige aanpassing vergen van het onroerend goed en dermate stevig verankerd worden voor de verplaatsing van zwaar gehandicapte personen. Het gaat te dezen om plaatsing van liften die geheel geïntegreerd worden in de woningen en op een zodanige manier verwerkt worden om er integrerend, conceptueel en duurzaam deel van uit te maken. De theoretische verplaatsbaarheid sluit niet uit dat een goed onroerend van aard is.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat deze monoliften werden geleverd en op een zodanige wijze werden aangebracht aan het onroerend goed dat ze onroerend uit hun aard zijn geworden. Bijgevolg is de rechtbank van oordeel dat de monoliften om reden van hun plaatsing onroerend uit hun aard zijn geworden zodat eiseres terecht het BTW-tarief van 6 % heeft toegepast.
De vordering van eiseres is derhalve gegrond.
Door ontheffing vervalt ook de opgelegde geldboete.
Eiseres vordert middels eisuitbreiding tevens de teruggave van de BTW voor de plaatsing van statoestellen, die geenszins het voorwerp uitmaken van het in betwisting zijnde dwangbevel en die door eiseres zelf gefactureerd werden aan 21%. Zelfs indien deze vordering, in zoverre ze niet verjaard is, al middels huidige procedure en via eisuitbreiding zou kunnen gesteld worden, dan komt deze vordering de rechtbank. minstens ongegrond voor aangezien niet aangetoond is dat voldaan is aan de voorwaarden van art. 77 §1 WBTW. Eiseres faalt desbetreffende in de op haar berustende bewijslast in verband met de toepassing van het verlaagde btw-tarief. Het louter verwijzen naar de aanschrijving ET nr. 95.923 van 13.02.2002 is onvoldoende als bewijs.
De rechtbank. kan niet ingaan op de niet-gemotiveerde vordering om het vonnis uitvoerbaar te verklaren.
Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf01.01.2008.
De vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om afte wijken van het basisbedrag van een in geld waardeerbare vordering tussen 20.000,01 euro tot 40.000 euro.
Gelet op de art 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
Om die redenen
DE RECHTBANK,
Rechtdoende op tegenspraak.
Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en als volgt gegrond,
Verklaart het het dwangbevel (R.C.I.V.-nr....) dat op haar naam en lastens haar werd uitgevaardigd op 29.09.2011 door de heer X, ontvanger en dat werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer X, de dienstdoende e.a. Inspecteur voor de gewestelijk directeur van de BTW te Hasselt op 04.10.2011, onwettig.
Beveelt de terugbetaling van de bedragen welke op basis van voormeld dwangbevel eventueel betaald werden vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig art. 91 §4 WBTW.
Veroordeelt eiseres tot 1/3 en verweerder tot 2/3 van de kosten van het geding. Vereffent de kosten in hoofde van eiseres op 2.200 euro. Vereffent de kosten in hoofde van verweerder niet bij gebreke aan opgave en begroting van eigen kosten in conclusies.
Aldus gevonnist en uitgesproken in buitengewone openbare zitting van de elfde kamer A, op het gerechtshof te Hasselt op 27 februari 2013