Paiement de la taxe, Compte spécial · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 21 novembre 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Paiement de la taxe, Compte spécial

https://juriel.be/fr/jurisprudence/paiement-taxe-compte-special-mise-cour-appel-anvers-2023-11-21-dc4b

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
21 novembre 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

192 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 21.11.2023

WF 802-15-21/003054

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée - Paiement de la taxe - Compte spécial – Mise à zéro du compte courant - Notification de la mise à zéro - Amende

Dispositions légales

Art. 53, §1, § 1er, 3°, du Code de la TVA

Art. 5 et 8 de l’arrêté royal n° 24, du 29 décembre 1992, relatif au paiement de la taxe sur la valeur ajoutée

Tableau G, section première, I, 2, a), de l’arrêté royal n° 41, du 30 janvier 1987, fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de taxe sur la valeur ajoutée

Résumé

1) Les faits et le jugement rendu en première instance

Etant donné que l’assujettie n'avait pas acquitté dans les délais la TVA due, tel qu’elle ressortait des déclarations de TVA des mois d'août et septembre 2018, l'administration a décidé de procéder à la mise à zéro du compte courant et d’ouvrir un compte spécial pour la période courant du 31 juillet 2018 au 31 octobre 2018.

Conformément à l'article 8, §1er, de l'arrêté royal n° 24, cette décision de mettre à zéro le compte courant a été notifiée à l’assujettie par une lettre recommandée datée du 13 novembre 2018.

Malgré la notification de la mise à zéro du compte courant, l’assujettie a tout de même effectué plusieurs versements au mois de décembre 2018 sur son compte courant dans le but de payer la TVA due qui était reprise dans ses déclarations de TVA des mois d'août et septembre 2018.

Le 7 janvier, l'administration a ouvert un compte spécial pour la période qui précédait le 31 octobre 2018 et elle l'a notifié à l’assujettie.

L’assujettie a sollicité l'administration à trois reprises afin qu’elle procède à la révision de l’amende infligée. A chaque fois, l'administration a rejeté la demande par le biais d’une décision.

Finalement, l’assujettie a déposé une requête au greffe du tribunal de première instance d'Anvers.

Par la suite, le tribunal de première instance d'Anvers a déclaré la demande de l’assujettie recevable et fondée. L'administration a fait appel de ce jugement.

L'administration estimait que la partie adverse et le tribunal de première instance avaient confondu un certain nombre de points, en particulier la distinction entre la notification de la mise à zéro du compte courant, conformément à l'article 8, § 1er, de l'AR n° 24 et le compte spécial lui-même.

2) L'arrêt de la cour d'appel

Sur la base des éléments dont elle dispose, la cour juge que la TVA due a été payée trop tardivement, c'est-à-dire en dehors du délai de dépôt de la déclaration. Le délai de paiement de l'article 53, §1er, alinéa 1er, 3°, du Code de la TVA est un délai légal auquel il ne peut pas être dérogé, même pour une période limitée. C'est donc à juste titre que l'amende a été infligée pour non-paiement dans le délai imparti. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle un compte spécial a été ouvert.

Selon la cour, il n'est pas pertinent que des paiements aient été effectués entre la lettre du 13 novembre 2018 et l'ouverture du compte spécial. En effet, ces paiements étaient de toute façon trop tardifs pour éviter la pénalité.

Le tribunal confirme en outre que la lettre du 13 novembre 2018 doit être considérée comme une lettre au sens de l'article 8, §1er, de l'AR 24 du 29 décembre 1992 et que la lettre du 7 janvier 2019 est la notification de l’ouverture du compte spécial.

La cour conclut donc que l'amende a été correctement calculée et que les dispositions légales applicables ont été correctement appliquées.

En ce qui concerne la proportionnalité de l'amende infligée, la cour note que l'administration a déjà tenu compte du fait qu'il s'agissait d'une erreur non intentionnelle et qu'il n'y avait donc pas de mauvaise foi dans le chef de l’assujettie. Elle rappelle que l'amende infligée non seulement sanctionne de manière appropriée l'infraction mais a également pour but d’encourager l’assujettie à se conformer plus scrupuleusement à ses obligations fiscales. Le respect par l’assujettie de ses obligations fiscales est nécessaire au bon fonctionnement du mécanisme de la TVA. Pour le reste, la Cour constate que l’assujettie ne démontre pas que l'amende est disproportionnée par rapport à l'infraction commise. Par conséquent, selon la cour, il n'y a aucune raison de réduire davantage l'amende ou de la remettre.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M, burgerlijke zaken

Arrest van 21/11/2023

Rol: 2022/AR/887

BELGISCHE STAAT-FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET CENTRUM GROTE ONDERNEMINGEN ANTWERPEN, met diensten te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4,

eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. M. K., advocaat te ...

tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 04 maart 2022, gekend onder rolnummer 20/4501/A

tegen

D. R. NV, ON 04...96, met zetel te ...,

verweerster in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. H. K., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 4 maart 2022, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 mei 2022, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep werd ingesteld;

1. Feiten en betwisting

1 Huidige betwisting betreft de btw-geldboete ten bedrage van 52.500,00 euro

opgelegd ingevolge de opening van een bijzondere rekening voor de periode van 31 juli 2018 tot en met 31 oktober 2018.

2 D. R. nv is btw-belastingplichtige en dient maandelijkse btw-aangiftes in.

Op 10 oktober 2018 verzond de Belgische Staat twee brieven aan D. R. nv met de mededeling dat er sprake was van een te betalen saldo van 201.600,00 euro op de rekening-courant en met het verzoek zo spoedig mogelijk tot betaling over te gaan. Er werd op gewezen dat indien er niet betaald zou worden, er een bijzondere rekening zou opgemaakt worden en er boetes geriskeerd zouden worden.

Op 13 november 2018 verstuurde de Belgische Staat een aangetekend schrijven aan D. R. nv waarbij hij erop wees dat er binnenkort een bijzondere rekening zou worden opgemaakt overeenkomstig artikel 8 § 1 KB nr. 24 voor het tijdvak dat voorafgaat aan 31 oktober 2018. Er werd tevens meegedeeld dat de rekening-courant op 31 oktober 2018 een aan de staat verschuldigd saldo van 352.800,00 euro vertoonde. Tot voldoening van de verschuldigde sommen ingevolge de bijzondere rekening werd D. R. nv gevraagd de richtlijnen van het Team beheer te volgen. Er werd verder op gewezen dat voor het tijdvak dat volgt op 31 oktober 2018 de rekening-courant geopend bleef en dat D. R. nv verder alle verplichtingen tot voldoening van btw op het rekeningnummer van de dienst btw-ontvangsten te Brussel diende na te leven.

In de periode eind december 2018-begin januari 2019 deed D. R. nv betalingen voor de btw-achterstallen voor een totaalbedrag van 1.190.000,00 euro en dit op rekening van de dienst btw-ontvangsten Brussel.

Op 7 januari 2019 verzond de btw-administratie een aangetekend schrijven aan D. R. nv waarbij ze meedeelde dat er een bijzondere rekening wordt bijgehouden voor de periode van 31 juli 2018 tot 31 oktober 2018 in uitvoering van artikel 8 § 1 KB nr. 24 en dat in deze bijzondere rekening de ingediende btw-aangiftes, bepaalde regularisaties en de door D. R. nv uitgevoerde betalingen zijn opgenomen. Tevens werd meegedeeld dat er eerstdaags een betalingsbericht zou volgen. In dit schrijven werd de betwiste geldboete ten bedrage van 52.500,00 euro, zijnde 15 % van 350.000,00 euro opgenomen in toepassing van het KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2A.

Hierop reageerde D. R. nv met de mededeling dat de administratie geen rekening hield met de door haar uitgevoerde betaling van 1.190.000 euro. Er werd gevraagd om kwijtschelding van de boete. De administratie antwoordde hierop dat op 31 oktober 2018 de rekening-courant op nul werd gezet en de bijzondere rekening werd opgemaakt. Op 9 januari 2019 deelde de btw-administratie mee de geldboete te behouden. Op 15 januari 2019 deelde de btw-administratie mee 410.900,00 euro te hebben overgeboekt van de rekening-courant naar de bijzondere rekening waardoor deze volledig aangezuiverd werd.

II. Vorderingen eerste aanleg en bestreden vonnis

1 Op 20 oktober 2020 legde D. R. nv een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen.

Voor de eerste rechter vorderde D. R. nv haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, de btw-boete onwettig te verklaren, in ondergeschikte orde deze kwijt te schelden, minstens in belangrijke mate te verminderen. Ze verzocht de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen meer moratoriumintresten en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding.

2 De Belgische Staat verzocht in hoofdorde de vordering van D. R. nv ontvankelijk maar ongegrond te verklaren.

In ondergeschikte orde verzocht de Belgische Staat de vordering van D. R. nv tot kwijtschelding of vermindering van de boete ongegrond te verklaren, de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde sommen ongegrond te verklaren, de vordering van D. R. nv tot verlening van uitstel met betrekking tot de opgelegde boete ongegrond te verklaren en D. R. nv te veroordelen tot de kosten van het geding.

3 De eerste rechter verklaarde de vordering van D. R. nv ontvankelijk en in volgende mate gegrond. De rechtbank vernietigde de btw-geldboete ten bedrage van 52.500,00 euro. Ze veroordeelde de Belgische Staat tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen meer moratoriumintresten en tot de kosten van het geding, in hoofde van D. R. nv vastgesteld op 3.250,00 euro (rechtsplegingsvergoeding) en 20 euro (bijdrage fonds tweedelijnsbijstand).

De eerste rechter stelde vast dat er tussen partijen geen betwisting bestond dat de betwiste boete werd opgelegd op basis van het KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2A dat een btw boete van 15 % van de verschuldigde belasting oplegt bij een overtreding waarvoor de btw-hoofdcontroleur een bericht stuurt betreffende de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° BTW-wetboek of uit het opstellen van de bijzondere rekening. Verder stelde de eerste

rechter dat er tussen partijen geen betwisting bestaat dat de opgelegde boete het gevolg is van het opstellen van de bijzondere rekening voor de periode van 31 juli 2018 tot 31 oktober 2018.

De eerste rechter oordeelde dat het schrijven van 13 november 2018 van de Belgische Staat niet als grondslag voor de boete kon worden beschouwd aangezien hierin nergens melding werd gemaakt van enige boete. Bovendien werd in dit schrijven vermeld dat er binnenkort een bijzondere rekening zal worden opgemaakt hetgeen er volgens de eerste rechter op duidt dat er nog geen bijzondere rekening werd opgemaakt op 13 november 2018.

De eerste rechter was van oordeel dat er door de Belgische staat geen duidelijkheid werd gegeven op welke datum de bijzondere rekening werd opgemaakt.

Het was volgens de eerste rechter dan ook enkel het schrijven van 7 januari 2019 dat geldt als kennisgeving van de bijzondere rekening en waarin de betwiste boete werd opgelegd. Aangezien alsdan alle achterstallige btw reeds door D. R. nv werd betaald, werd de btw-geldboete ten onrechte opgelegd volgens de eerste rechter.

III. Vorderingen in hoger beroep

1 De Belgische Staat vraagt in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen en te hervormen en opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vorderingen ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en D. R. nv te veroordelen tot de kosten van het geding.

In ondergeschikte orde verzoekt hij de vordering van D. R. nv tot kwijtschelding of vermindering van de boete met betrekking tot de bijzondere rekening ongegrond te verklaren, de vordering tot terugbetaling van ten onrechte betaalde sommen ongegrond te verklaren en de vordering van D. R. nv tot verlening van uitstel met betrekking tot de opgelegde boete ongegrond te verklaren.

2 D. R. nv vraagt het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het bestreden vonnis te bevestigen en eiser in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde verzoekt D. R. nv om de boete kwijt te schelden, minstens in belangrijke mate te verminderen en de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, meer moratoriumintresten.

IV. Beoordeling

A. Wettigheid opgelegde boete (KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2°,A)

1 De Belgische Staat verzoekt het bestreden vonnis te hervormen. Hij stelt dat tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2°, A, duidelijk gaat om de overtreding van de niet-betaling en het niet-tijdig betalen van de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit het opstellen van de bijzondere rekening. Dat er door de belastingplichtige nog betalingen gebeurden tussen de kennisgeving tot opnulzetting van de btw-rekening-courant en het opmaken en toezenden van de bijzondere rekening zorgt er volgens de Belgische Staat niet voor dat er onterecht een btw-boete werd opgelegd. Hij stelt dat de boete dan ook correct werd opgelegd.

2 D. R. nv verzoekt om de bevestiging van het bestreden vonnis. Ze stelt dat de brief van 13 november 2018 niet kan beschouwd worden als een bericht verzonden door de hoofdcontroleur in de zin van tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2°, A. Ze stelt dat er van uitgegaan mag worden dat de opening van de bijzondere rekening pas gebeurd is begin 2019 nadat alle verschuldigde bedragen werden betaald zodat de boete niet verschuldigd kan zijn. Volgens D. R. nv kon de administratie niet meer overgaan tot de effectieve opening van een bijzondere rekening aangezien de belastingplichtige op het ogenblik van de opening van de bijzondere rekening alle achterstallige btw betaald had.

3 Krachtens artikel 70, §1, 1e lid BTW-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Krachtens artikel 70, §1bis BTW-wetboek verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbel van die belasting in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van artikel 70, §1, 1 e lid BTW-wetboek.

Krachtens artikel 84, derde lid BTW-wetboek wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Deze boetes worden, krachtens artikel 1, 1e lid van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, verminderd overeenkomstig de schaal bepaald in de tabellen van de bijlage bij dit koninklijk besluit.

Overeenkomstig het KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2°, A wordt een boete van 15% voorzien voor overtredingen waarvoor de BTW-hoofdcontroleur een bericht stuurt betreffende belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, § 1, eerste lid, 3°, van het Wetboek, of uit het opstellen van de bijzondere rekening.

4 De opgelegde boete betreft een geldboete voor de overtreding, beoogd in artikel 70, §1 BTW-wetboek, met name wegens het niet tijdig betalen van de belasting, waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangiften of uit het opstellen van de bijzondere rekening.

Door D. R. nv wordt niet betwist dat ze niet tijdig overging tot betaling van de door haar verschuldigde btw. Het staat op basis van de voorliggende gegevens vast dat de verschuldigde btw te laat, namelijk niet binnen de termijn voor indiening van de aangifte (uiterlijk de 20ste van de maand die volgt op de maand waarop de aangifte betrekking heeft) werd betaald (inbreuk op artikel 53 §1 eerste lid, 3° BTW-wetboek). De betalingstermijn van artikel 53 §1, eerste lid 3° BTW-wetboek is een wettelijke termijn waarvan niet kan worden afgeweken, ook niet voor een beperkte periode. De boete werd dan ook terecht opgelegd wegens niet betaling binnen de gestelde termijn, reden waarom er een bijzondere rekening werd opgemaakt. De schulden die voortvloeien uit de niet-betaling van de btw worden via een systeem van opnulzetting en de creatie van een bijzondere rekening aan de rekening-courant onttrokken.

5 De vraag of het schrijven van 13 november 2018 dan wel het schrijven van 7 januari 2019 als een brief van de hoofdcontroleur in de zin van het KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2°, A dient beschouwd worden, acht het hof niet relevant in het kader van voorliggende betwisting. Zelfs indien het schrijven van 7 januari 2019 als brief van de hoofdcontroleur in de zin van het KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2°, A wordt beschouwd en niet het schrijven van 13 november 2018, is immers aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van de boete voldaan.

6 Het feit dat er tussen het schrijven van 13 november 2018 en het openen van de bijzondere rekening nog betalingen zouden uitgevoerd zijn, acht het hof evenmin relevant. Deze betalingen waren sowieso te laat om de boete zoals voorzien in artikel 70 BTW-wetboek alsnog te vermijden. D. R. nv werd met het schrijven van 10 oktober 2018 aangemaand om tot betaling van het saldo over te gaan. Ze werd er op gewezen dat er bij gebrek aan tijdige betaling een bijzondere rekening zou opgemaakt worden en ze hogere boetes riskeerde voor niet-betaling van de periodieke aangiftes overeenkomstig artikel 70

BTW-wetboek en tabel G, eerste afdeling, I, 2°, A van de bijlage van KB nr. 41 van 30 januari 1987.

Het schrijven van 13 november 2018 dient beschouwd te worden als een schrijven in de zin van artikel 8 § 1 van het KB 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Hierin werd immers opgenomen dat handelingen aan de rekening-courant worden onttrokken en dat een bijzondere rekening zal worden bijgehouden voor het tijdvak dat aan die datum voorafgaat. Er werd hierin melding gemaakt van de toestand van de rekening-courant op 31 oktober 2018 alsmede van het tijdvak waarvoor de bijzondere rekening wordt bijgehouden. Ingevolge dit schrijven diende de administratie automatisch over te gaan tot het opmaken van een bijzondere rekening ongeacht de betalingen die er ondertussen nog zouden uitgevoerd zijn. De betalingen die D. R. nv in de periode eind december 2018 — begin januari 2019 uitvoerde, werden terecht ingeschreven op de rekening-courant van D. R. nv. Artikel 8 § 2 van het KB 24 van 29 december 1992 met betrekking tot de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt immers dat iedere betaling, die wordt ingeschreven op de rekening-courant en die uitwerking heeft na de in § 1 van dit artikel bedoelde kennisgeving, niettegenstaande elke strijdige verklaring, wordt geacht te zijn gedaan ter voldoening van de in artikel 1 en artikel 5, § 2, bedoelde bedragen, die de belastingplichtige verschuldigd is of zal worden voor het tijdvak dat volgt op dat waarvoor het bijhouden van een bijzondere rekening werd voorgeschreven.

7 In voorliggend geval werd aan eiseres in hoger beroep via een aangetekende brief

van 7 januari 2019 kennis gegeven van het openen van een bijzondere rekening. Een exemplaar van de bijzondere rekening werd in bijlage gevoegd (deel I), alsook de 'Verklarende nota' (deel II). In voormelde documenten werd niet alleen verduidelijkt om welke redenen en voor welke periode de bijzondere rekening werd geopend, met een gedetailleerde berekening van het verschuldigde bedrag aan BTW, boeten en interesten, doch er werd tevens gemotiveerd waarom een boete werd opgelegd. Er werd meegedeeld dat het ging om een verminderde proportionele geldboete wegens niet betaalde belasting bij toepassing van artikel 70 §1 BTW-wetboek, in principe gelijk aan het dubbele van de niet tijdig betaalde belasting. Deze wettelijke geldboete werd vervolgens verminderd tot 15% van de verschuldigde belasting, afgerond tot de lagere euro of tot het lagere veelvoud van 10 euro en er werd verwezen naar tabel G, eerste afdeling, I, 2°, A van de bijlage van KB nr. 41 van 30 januari 1987. De boete werd concreet berekend.

De administratie heeft de geldboete correct berekend en de toepasselijke wettelijke bepalingen correct toegepast.

Het bestreden vonnis dient aldus hervormd te worden.

B. Schending evenredigheidsbeginsel

8 D. R. nv stelt dat de boete onevenredig is met de begane overtreding en vordert de kwijtschelding of de vermindering van de boete, minstens deze met uitstel op te leggen.

9 Er bestaat geen betwisting over het principe dat fiscale administratieve sancties onder bepaalde voorwaarden kunnen beschouwd worden als straffen in de zin van artikel 6 EVRM (EHRM, 24 februari 1994, Bendenoum t/Frankrijk en EHRM, 21 februari 1984, …/Duitsland).

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen (zie o.a. Cass., 21 januari 2005, C.02.0572.N; Cass., 16 februari 2007, F.05.0015.N; Cass., 16 februari 2007, C.04.0390.N; Cass., 16 februari 2007, F.06.0032.N; Cass., 21 september 2018, F.17.0086.N).

Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kan kwijtschelden of verminderen.

10 Het hof is van oordeel dat de administratieve boete, die in onderhavig geval in principe 200% bedraagt, een strafsanctie betreft in de zin van artikel 6 EVRM. Dit heeft tot gevolg dat de waarborgen gekoppeld aan artikel 6 EVRM gelden, zoals het recht op de toegang tot een rechterlijke instantie die met volle rechtsmacht kan oordelen (EHRM, 4 maart 2004, S. H. S., TFR, 2004, nr. 264, p 363 met noot B. Coopman, 'Rechterlijke toetsing van fiscale boetes: cassatie teruggefloten door Straatsburg; zie ook Grondwettelijk Hof, 24 februari 1999, nr.22/1999; Grondwettelijk Hof, 12 juni 2002, 96/2002). De evenredigheid van de boete kan dan ook getoetst worden.

11 In onderhavig geval stelt het hof vast dat de administratieve boete overeenkomstig tabel G, afdeling 1, I, 2°, A bij artikel 1 van KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde teruggebracht werd tot 15%.

De boete werd zoals hoger geoordeeld overeenkomstig de wettelijke bepalingen opgelegd. Door de boete overeenkomstig voormelde tabel G bij KB nr.41 te verminderen tot 15% werd reeds rekening gehouden met het feit dat het ging om een niet-intentioneel begane fout en er aldus geen sprake is van kwade trouw in hoofde van D. R. nv.

De opgelegde geldboete bestraft niet alleen de inbreuk op gepaste wijze, maar is ook passend om de belastingplichtige ertoe aan te zetten haar fiscale verplichtingen op meer nauwgezette wijze na te komen. De naleving van de fiscale verplichtingen door de belastingplichtige is noodzakelijk voor de goede werking van het BTW-mechanisme.

12 Het hof ziet geen enkele reden om een verdere vermindering of kwijtschelding van de boete toe te kennen. De aanvoeringen van D. R. nv zijn niet van aard het hof tot andere inzichten te brengen. Het hof ziet niet in in welke mate de onderhandelingen of betwisting die D. R. nv met Avis Belgium heeft gehad, terzake enige relevantie hebben. Het hof ziet evenmin in hoe het ontslag van enkele van haar medewerkers een reden zou kunnen zijn voor D. R. nv om tot kwijtschelding of vermindering van de boete over te gaan. Dit wordt door D. R. nv niet toegelicht. Van de tijdelijke cashflowproblemen die er in hoofde van D. R. nv zouden bestaan hebben, wordt geen bewijs voorgelegd. Bovendien dient te worden opgemerkt dat uit de uiteenzetting van de Belgische Staat eerder blijkt dat er sprake is van structurele liquiditeitsproblemen aangezien D. R. nv meermaals heeft nagelaten de door haar verschuldigde btw tijdig te betalen.

Omtrent de opmerking van D. R. nv dat de boete wordt berekend op de omzet, oordeelt het hof, voor zover dit al enige relevantie heeft, dat dit feitelijke grondslag mist. De verschuldigde btw is niet berekend op de gerealiseerde omzet doch is een afrekening tussen opeisbare en aftrekbare btw eventueel rekening houdend met bepaalde herzieningen. Het eventuele saldo van deze berekening dient door de belastingplichtige te worden voldaan.

Het feit dat de belastingplichtige intrest dient te betalen op de niet-tijdig betaalde btw acht het hof evenmin relevant. Nalatigheidsintrest betreft geen strafsanctie maar een vergoeding voor de schade die het gevolg is van de laattijdige betaling van de verschuldigde belasting.

Het feit dat de boete in het verleden voor bepaalde periodes slechts 10% zou bedragen hebben, mist eveneens relevantie. Dit was onder meer een tijdelijke maatregel in de coronacrisis om tegemoet te komen aan de moeilijkheden ten gevolge van deze crisis. Het hof ziet niet in in welke mate dat ertoe zou leiden te concluderen dat de opgelegde boete niet evenredig is.

Gelet op het voorgaande toont D. R. nv niet aan dat de boete van 15% onevenredig is ten aanzien van de gepleegde inbreuk. Er is dan ook geen reden om deze boete verder te verminderen of kwijt te schelden.

13 In zijn arrest van 21 februari 2013 (arrest nr. 13/2013) heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat artikel 70, §2, eerste lid BTW-wetboek niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de rechtbank niet mogelijk maakt het voordeel van het uitstel te verlenen aan overtreders van het BTW-wetboek.

Die vaststelling van gedeeltelijke ongrondwettigheid heeft volgens het Hof echter niet tot gevolg dat die bepaling, in afwachting van een optreden van de wetgever, niet meer zou kunnen worden toegepast door de rechtsinstanties wanneer zij vaststellen dat de overtredingen vaststaan, dat het bedrag van de geldboete niet onevenredig is met de ernst van de overtreding en dat er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien (overwegingen 6.4.2 en B.4.3 van voormeld arrest).

Ook het Hof van Cassatie bevestigde deze zienswijze. Het uitstel van de tenuitvoerlegging van straffen heeft tot doel de nadelen die inherent zijn aan de tenuitvoerlegging van straffen te beperken en de re-integratie van de overtreder niet in het gedrang te brengen. Indien om uitstel wordt verzocht kan de rechter, zonder schending van het gelijkheidsbeginsel, het verzoek van de belastingplichtige verwerpen en de opgelegde belastingverhoging bevestigen wanneer hij vaststelt dat er geen aanleiding zou geweest zijn om uitstel toe te kennen, wanneer de wet in die mogelijkheid had voorzien (cfr. Cass., 20 juni 2013, F.11.0007.F, www.juportal.be, Fiscoloog, 2013, nr.1351, p.13; Cass., 13 november 2015, F.14.0119.F, www.juportal.be

In onderhavig geval blijken uit het dossier geen redenen om uitstel te verlenen, zelfs niet indien de wet in die maatregel had voorzien. Gelet op het voorgaande kan de betrokken boete zonder uitstel behouden blijven.

C. Gerechtskosten

14 Het bestreden vonnis wordt hervormd.

Rekening houdende met het ongelijk in hoofde van D. R. nv wordt zij veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Dispositif

V. Uitspraak

Het hof doet uitspraak bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk en gegrond als volgt.

Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt.

Het hof verklaart de vorderingen van D. R. nv ontvankelijk maar ongegrond.

Het hof veroordeelt D. R. nv tot de kosten van beide aanleggen. Deze worden in hoofde van D. R. nv niet vastgesteld aangezien ze te haren laste blijven. In hoofde van de Belgische Staat worden deze vastgesteld op 22 euro (bijdrage begrotingsfonds tweedelijnsbijstand hoger beroep) en 3.750,00 euro (rechtsplegingsvergoeding hoger beroep).

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 21 november 2023 door

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

E. D. B. Raadsheer

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

Décision jointe par le SPF

Jugement du tribunal de première instance

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen , afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi1

Datum van het vonnis: 04/03/2022

Rol: 2022/AR/887

Inzake:

D. R. NV

met zetel te ..., KBO: 04...96

eiseres

- vertegenwoordigd ter zitting door meester K. H., advocaat, met kantoor te ...

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het Centrum GO Antwerpen, team expertise, met kantoren gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, KBO : 0308.357.159,

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar

voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 20 oktober 2020, ingeschreven op 20 oktober

2020,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 8

januari 2021,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 4 februari 2022.

1. Procedurele voorgaanden, relevante feiten en vorderingen van partijen

De betwisting heeft betrekking op de btw-boete t.b.v. 52.500,00 euro opgelegd in hoofde van eiseres.

Eiseres is btw-belastingplichtige en dient maandelijks btw-aangiften in.

Op 10 oktober 2018 zendt de btw-administratie twee brieven aan eiseres met de mededeling dat er nog een te betalen saldo is t.b.v. 200.000,00 euro btw en 1.600,00 euro interesten op de rekening-courant van eiseres en wordt eiseres verzocht om het openstaand saldo te betalen op de rekening van de dienst btw-ontvangsten te Brussel. Tevens kondigt de btw-administratie aan dat bij gebrek aan tijdige rechtzetting een bijzondere rekening zal opgemaakt worden en eiseres boetes riskeert (stukken 8 en 9 van verweerder).

Op 13 november 2018 zendt de btw-administratie een schrijven aan eiseres met de mededeling dat binnenkort een bijzondere rekening zal opgemaakt worden overeenkomstig artikel 8, §1 KB nr. 24 voor het tijdvak dat voorafgaat aan 31 oktober 2018 en dat eiseres een exemplaar van de bijzondere rekening zal ontvangen. In dit schrijven wordt tevens gemeld dat de rekening-courant geopend blijft en dat eiseres alle verplichtingen tot voldoening van de btw op het rekeningnummer van de dienst btw-ontvangsten te Brussel dient na te leven (stuk 10 van verweerder).

In de periode eind december 2018—begin januari 2019 deed eiseres extra betalingen voor de achterstallen van btw voor een totaal bedrag van 1.190.000,00 euro en dit op de rekening van de dienst btw-ontvangsten Brussel (stuk 8 van eiseres).

Op 7 januari 2019 zendt de btw-administratie een schrijven aan eiseres met de mededeling dat er een bijzondere rekening wordt bijgehouden voor de periode 31.07.2018 tot 31.10.2018 overeenkomstig artikel 8, §1 KB nr. 24 en dat in deze bijzondere rekening de btw-aangiften, bepaalde regularisaties en de door eiseres uitgevoerde betalingen zijn opgenomen. Tevens wordt gemeld dat eiseres eerstdaags een betalingsbericht zal ontvangen voor de betaling van de verschuldigde btw, geldboeten en interesten met verzoek om deze betalingsgegevens te gebruiken en de betaling niet uit te voeren op de rekening van de dienst btw-ontvangsten te Brussel (stuk 2 van eiseres). In dit schrijven wordt verwezen naar de betwiste btw-boete t.b.v. 52.500,00 euro, zijnde 15% van 350.000,00 euro overeenkomstig het KB nr. 41, bijlage tabel G, eerste afdeling, I, 2° A.

Naar aanleiding van dit schrijven zendt eiseres op 8 januari 2019 een e-mail aan de btw-administratie en deelt zij mede dat de btw-administratie geen rekening heeft gehouden met de betalingen t.b.v. 1.190.000,00 euro die ondertussen zijn gebeurd en verzoekt eiseres een kwijtschelding van de btw-boete. De btw-administratie antwoordt dat op 31 oktober 2018 de rekening-courant op nul werd gezet en de bijzondere rekening werd opgemaakt (stuk 9 van eiseres).

Op 9 januari 2019 deelt de btw-administratie mede dat de opgelegde boete blijft behouden (stuk 1 van eiseres). In deze beslissing wordt verwezen naar een artikelnummer 50...31.

Op 15 januari 2019 deelt de btw-administratie aan eiseres mede dat een bedrag van 410.900,00 euro werd overgeboekt van de rekening-courant naar de bijzondere rekening en dat hiermee de bijzondere rekening volledig is aangezuiverd. Uit het overzicht van de rekening-courant blijkt een tegoed in het voordeel van eiseres t.b.v. 187.724,05 euro (stuk 8 van eiseres).

Op 20 oktober 2020 legt eiseres een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie ter betwisting van de btw-boete.

Eiseres verzoekt de rechtbank in hoofdorde om de btw-boete t.b.v. 52.500,00 euro onwettig te verklaren, in ondergeschikte orde de boete kwijt te schelden, minstens in belangrijke mate te verminderen, de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen te verhogen met de moratoire interesten in de zin van artikel 91, §4 W.BTW vanaf de datum van instelling van de fiscale vordering, i.e. 20 oktober 2020 en verweerder te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, m.i.v. een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.250,00 euro en de bijdrage t.b.v. 20,00 euro voor het Begrotingsfonds.

De Belgische Staat verzoekt de rechtbank in hoofdorde om de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. In ondergeschikte orde verzoekt de Belgische Staat om de kwijtschelding of vermindering van de boete ongegrond te verklaren, de vordering tot terugbetaling ongegrond te verklaren, de vordering tot verlening van uitstel m.b.t. de boete ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, waarbij verweerder verwijst naar een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 3.250,00 euro.

Overeenkomstig artikel 748bis Ger. W. wordt door de rechtbank enkel rekening gehouden met de laatste conclusie van partijen.

2. Ontvankelijkheid

Verweerder betwist de ontvankelijkheid van de vordering van eiseres niet. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van eiseres ontvankelijk is.

3. Beoordeling: betreffende de btw-boete

i. Relevante bepaling en standpunt van partijen

Tussen partijen bestaat geen betwisting dat de betwiste boete werd opgelegd op basis van het KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2° A dat een btw-boete van 15% van de verschuldigde belasting oplegt bij een overtreding waarvoor de btw-hoofdcontroleur een bericht stuurt betreffende de belasting waarvan de opeisbaarheid blijkt uit de ingediende periodieke aangiften bedoeld in artikel 53, eerste lid, 3° W.BTW of uit het opstellen van de bijzondere rekening. Tussen partijen bestaat geen betwisting dat de opgelegde boete het gevolg is van het opstellen van de bijzondere rekening voor de periode van 31.07.2018 tot 31.10.2018.

Verweerder stelt dat het bericht zoals hierboven vermeld het aangetekend schrijven van 13 november 2018 (stuk 10 van verweerder) betreft en niet het aangetekend schrijven van 7 januari 2019. Volgens verweerder is het schrijven van 13 november 2018 in overeenstemming met de bepalingen van artikel 8, §1 van het KB nr. 24 én het KB nr. 41, tabel G, eerste afdeling, rubriek I, 2 A. Volgens verweerder betreft dit schrijven aldus de kennisgeving van de beslissing tot opening van de bijzondere rekening. In de mate dat de rechtbank zou oordelen dat het schrijven van 13 november 2018 niet kan beschouwd worden als een regelmatige kennisgeving van de beslissing tot opening van de bijzondere rekening dan stelt verweerder dat het niet betalen van de belasting de geldboete verschuldigd maakt.

Eiseres stelt dat de boete niet kan blijken uit het bericht van 13 november 2018 aangezien dit niet kan beschouwd worden als een bericht van de btw-hoofdcontroleur. Eiseres stelt dat overeenkomstig artikel 8 van het KB nr. 24 van de opening van de bijzondere rekening een aangetekende brief dient verzonden te worden en dat de btw, boeten en interesten m.b.t. de bijzondere rekening niet dienen betaald te worden op de rekening van de dienst btw-ontvangsten te Brussel maar op de bankrekening 'Inning en Invordering'. Volgens eiseres blijkt uit niets wanneer de bijzondere rekening juist werd geopend en dat dit alleszins niet kan gebeurd zijn in oktober/november 2018 aangezien vanaf de opening van de bijzondere rekening de belastingplichtige in kennis moet gesteld worden van de juiste betaalgegevens zodoende dat de belastingplichtige op de juiste rekening kan betalen. Volgens eiseres werd de bijzondere rekening dan ook pas geopend begin januari en werd aldus de boete onwettig opgelegd gelet op de vele betalingen die eiseres eind december 2018 had uitgevoerd. Volgens eiseres was de achterstallige btw voor de maanden augustus en september 2018 aangezuiverd op het ogenblik dat een bijzondere rekening werd geopend in januari 2019.

ii. Beoordeling

De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte verwijst naar het schrijven van 13 november 2018 als grondslag voor de boete (stuk 10 van verweerder). Immers wordt in dit schrijven nergens melding gemaakt van enige boete overeenkomstig het KB nr. 41, tabel G, t.b.v. 52.500,00 euro. Bovendien wordt in dit schrijven uitdrukkelijk gesteld:

- binnenkort een bijzondere rekening zal opgemaakt worden, hetgeen erop duidt dat er nog geen bijzondere rekening werd opgemaakt op 13 november 2018; dat eiseres een exemplaar van de bijzondere rekening zal ontvangen met de nodige toelichting, hetgeen erop duidt dat eiseres nog een exemplaar van de bijzondere rekening moet ontvangen;

- dat eiseres de betalingen verder dient uit te voeren op het rekeningnummer van de dienst btw-ontvangsten te Brussel.

In de e-mail d.d. 9 januari 2019 van de btw-administratie (stuk 9 van eiseres) stelt de btw-administratie dan ook ten onrechte dat op 31 oktober 2018, zijnde aldus voorafgaandelijk aan het schrijven van 13 november 2018, de bijzondere rekening werd opgemaakt.

Bovendien legt verweerder geen uittreksel van het artikelnummer 50...31 (waarnaar verwezen wordt in de beslissing d.d. 9 januari 2019 — stuk 1 van eiseres) voor.

De rechtbank oordeelt dat verweerder geen duidelijkheid geeft op welke datum de bijzondere rekening nu werd opgemaakt.

Het is dan ook enkel en alleen het schrijven van 7 januari 2019 dat geldt als kennisgeving van de bijzondere rekening en waarin de betwiste boete wordt opgelegd aangezien in dit schrijven:

- wordt verwezen naar de toepassing van artikel 8, §1 van het KB nr. 24;

- een exemplaar van de bijzondere rekening aan eiseres wordt bezorgd rekening houdende met de ingediende btw-aangiften en uitgevoerde betalingen;

- de periode van de bijzondere rekening van 31.07.2017 tot 31.10.2018 wordt gedefinieerd;

uitdrukkelijk wordt gesteld dat niet mag betaald worden op de rekening van de dienst btw-ontvangsten te Brussel;

- wordt verwezen naar de verminderde proportionele geldboeten wegens niet-betaling t.b.v. 52.500,00 euro;

uitdrukkelijk wordt gesteld dat de bijzondere rekening ter kennis wordt gebracht aan eiseres per aangetekend schrijven van 7 januari 2019.

De rechtbank oordeelt dat de bijzondere rekening aldus werd opgemaakt op een ogenblik dat alle achterstallige btw reeds door eiseres was betaald, zodoende dat er ten onrechte een btw-boete werd opgelegd. In de bijzondere rekening ter kennis gebracht aan eiseres in januari 2019 wordt geen rekening gehouden met de vele betalingen van eiseres eind 2018. Dit blijkt des te meer uit het feit dat er uiteindelijk geen betalingsbericht meer werd verzonden aan eiseres na 7 januari 2019 m.b.t. de bijzondere rekening voor de periode van 31.07.2018­31.10.2018 omdat alles al betaald was. In de e-mail d.d. 15 januari 2019 uitgaande van de btw-administratie wordt door de btw-administratie bevestigd dat de bijzondere rekening volledig werd aangezuiverd door betalingen uitgevoerd door eiseres eind 2018 (stuk 8 van eiseres).

Ten onrechte tracht verweerder te laten uitschijnen dat het schrijven van 13 november 2018 de grondslag vormt voor de betwiste geldboete. Het feit dat mogelijks enige onregelmatigheid in de kennisgeving van de beslissing tot opening van de bijzondere rekening geen gevolgen kan hebben voor de verschuldigdheid van enige geldboete ontslaat de btw-administratie niet om eiseres in kennis te stellen van de motieven en wettelijke bepalingen van de opgelegde geldboete (vergelijk Cassatie, 14 mei 2020, F.17.0042.N). In het schrijven van 13 november 2018 is helemaal niets vermeld aangaande enige geldboete (stuk 10 van verweerder).

De rechtbank oordeelt dat er gelet op de concrete gegevens van het dossier geen wettelijke basis is voor het opleggen van de betwiste geldboete.

De vordering van eiseres is dan ook gegrond, zodoende dat verweerder veroordeeld wordt tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde of ingehouden sommen m.b.t de geldboete te vermeerderen met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 91, §4 W. BTW.

Gelet op voormeld oordeel dienen de overige middelen van eiseres niet te worden beoordeeld.

De rechtbank stelt vast dat partijen geen betwisting voeren over het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

OM DEZE REDENEN DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Vernietigt de btw-geldboete t.b.v. 52.500,00 euro opgelegd in hoofde van eiseres ingevolge de opening van een bijzondere rekening voor het tijdvak van 31 juli 2018 tot en met 31 oktober 2018.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling aan eiseres van alle ten onrechte betaalde of ingehouden sommen m.b.t. deze boete, meer moratoriumintresten te berekenen overeenkomstig artikel 91, §4 W.BTW vanaf 20 oktober 2020 tot de dag van algehele betaling.

Veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot en door de rechtbank vereffend op 3.250,00 euro rechtsplegingsvergoeding en 20,00 euro aan bijdrage voor het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.

Dit vonnis werd uitgesproken op vier maart tweeduizend tweeëntwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:

A. B., rechter

N. D., griffier

Textes cités

6
AR no 24 art. 811 occurrences
CTVA art. 537 occurrences
CTVA art. 706 occurrences
AR no 24 art. 52 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 841 occurrence

Décisions similaires

8