Chiffre d’affaires non déclaré, déclaration, chiffre d'affaires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 13 février 2024

Rechercher
Texte en néerlandais

Chiffre d’affaires non déclaré, déclaration, chiffre d'affaires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/chiffre-affaires-non-declare-declaration-cour-appel-gand-2024-02-13-38e9

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
13 février 2024

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

134 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel du Gand du 13.02.2024 (Rôle 2022/AR/1580)

Taxe sur la valeur ajoutée – Chiffre d’affaires non déclaré

[ Arrêt favorable ]

Dispositions légales

Art. 53, §1 et art. 53 octies §1 et 70, §1 CTVA

Article 18, § 1 de l’arrêté royal n°1 du 29 décembre 1992 relatif aux mesures tendant à assurer le paiement de la taxe sur la valeur ajoutée

Résumé du jugement / de l’arrêt

1. Faits et antécédents de procédure

Le redevable était enregistré en tant qu'assujetti à la TVA pour l'activité économique de restauration à service complet.

Un contrôle a permis de constater que la comptabilité n'était pas probante. Les relevés bancaires et les tickets de caisse enregistrés étaient absents et les factures n'étaient pas numérotées de manière chronologique et continue. L'administration a procédé à la consultation du Point de contact central de la Banque nationale conformément à l'article 62bis, alinéas 2, 3 et 4 du Code de la TVA. Le chiffre d'affaires du redevable a de suite été établi sur la base des informations financières obtenues lors de l'enquête bancaire. Les infractions ont été consignées dans un procès-verbal qui a été notifié et la dette fiscale a été inscrite dans le registre de perception et de recouvrement. Par une requête contradictoire de 2020, le redevable a saisi le tribunal de première instance d'une demande dirigée contre la dette fiscale susmentionnée. Le tribunal a jugé que la demande du redevable était recevable mais non fondée.

Le redevable a fait appel de ce jugement.

2. Arrêt

L’appelant ne conteste pas les preuves présentées par l’administration, sauf en ce qui concerne le montant des salaires nets payés en espèces. Selon lui, ce montant devrait être retiré de la « base imposable » car la TVA n'est pas due sur les salaires nets payés en espèces. La cour d’appel a jugé que « En l'espèce, en l'absence de comptabilité probante, l'administration a calculé le montant des livraisons de biens et des prestations de services effectuées par l'appelant en additionnant les recettes figurant dans la comptabilité de la société et les paiements en espèces effectués par l'appelant en 2017. La cour d’appel ne peut que constater que l'administration a agi correctement en déterminant l'augmentation du chiffre d'affaires en prenant en compte l'intégralité des paiements en espèces. Ce faisant, l'administration était en droit de supposer que les dépenses en espèces avaient été précédées d'encaissements qui entraient en ligne de compte pour le calcul de la TVA à régulariser. La manière dont les liquidités reçues ont ensuite été dépensées par l’appelante, en les utilisant pour payer des salaires nets ou autrement, est sans influence sur le calcul de la TVA à régulariser ».

En ce qui concerne l'amende, la cour a estimé qu'il ne faisait aucun doute que l'appelant avait agi avec l'intention d’éluder l'impôt. Il a délibérément cherché à se soustraire à l'application de la TVA et seule une enquête soutenue et approfondie de l'administration fiscale aura pu révéler la fraude commise par l'appelant. La cour conclut qu'à la lumière de la gravité et de l'étendue de la fraude telles qu'expliquées ci-dessus et compte tenu de la récidive de l'appelant, l'administration fiscale pouvait raisonnablement infliger une amende administrative de 200 %. Il n'y a aucune raison de remettre ou de réduire l'amende infligée à un montant inférieur.

Texte intégral

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale.

Corps de la décision

Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 13.02.2024

2022/AR/1580 - In de zaak van:

D.D., ON 08…11,

wonende te …,

appellant,

hebbende ais raadsman mr. M.M., advocaat te …

tegen

BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal Centrum KMO Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, Gustave Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. D.C., advocaat te … en mr. B.T., advocaat te …

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 6 september 2022 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer op 20 juni 2022 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 21/749/A, waarvan niet blijkt dat het zou zijn betekend.

De zaak werd behandeld in de openbare terechtzitting van 12 december 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taaigebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellant is sinds 1 augustus 2009 als btw-plichtige geregistreerd voor een activiteit van 'eetgelegenheden met volledige bediening'. Hij baatte in 2017 verschillende eetgelegenheden uit in Brugge.

In het najaar van 2018 voerde de belastingadministratie een belastingcontrole uit bij de appellant, zowel voor wat betreft de personenbelasting ais voor wat betreft de btw voor de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. Een controle van de boekhouding van de appellant Iegde een aantal hiaten en onregelmatigheden bloot. Onder meer bleek dat meer geld op de bank werd gestort dan werd ingeschreven in de dagontvangstenboeken, dat de geregistreerde kastickets niet werden bezorgd, dat de facturen niet chronologisch en doorlopend genummerd waren en dat de overgemaakte rekeninguittreksels onvolledig waren en niet alle beroepsmatige bankrekeningen betroffen.

Vermits de appellant niet inging op het verzoek van de administratie om ontbrekende stukken te verschaffen, werd hem per brief van 9 januari 2019 verzocht om overeenkomstig de artikelen 61 en 63 Btw-wetboek en de artikelen 315, 315bis en 317 WIB92 alle verplichte boeken, bescheiden en rekeningen voor te leggen met betrekking tot de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017. Ter voorbereiding van een vergadering op 22 januari 2019 werd een vragenlijst in verband met de aangifte in de personenbelasting en de btw bijgevoegd.

De appellant zou daarop alle gevraagde stukken niet volledig bezorgd hebben.

Bij aangetekend schrijven van 18 februari 2019 werd een vraag om inlichtingen aan .de appellant gericht met het verzoek om alle ontbrekende gegevens, zoals omschreven in een omstandig overzicht, te bezorgen. Tevens werd gewezen op de toepassing van artikel 322, §2 WIB92, op grond waarvan nuttige inlichtingen aan bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen opgevraagd konden worden.

Op 19 maart 2019 antwoordde de appellant middels zijn boekhouder op de vraag om inlichtingen. Volgens de geïntimeerde was ook dit antwoord onvolledig.

Bij aangetekend schrijven van 4 april 2019 richtte de belastingadministratie een nieuwe vraag om inlichtingen (in de personenbelasting) aan de appellant met het verzoek om de ontbrekende gegevens te bezorgen (rekeninguittreksels en het volledige ontvangstendagboek). Tevens werd gewezen op het bestaan van aanwijzingen van belastingontduiking, gelet op het vastgestelde aanzienlijke vermogenstekort en het gebrek aan medewerking met het fiscaal onderzoek. Opnieuw werd gewezen op de mogelijkheid om alle nuttige inlichtingen aan bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen op te vragen en de mogelijkheid om het centraal aanspreekpunt te raadplegen, overeenkomstig artikel 322, §§2 en 3 WIB92. Ook dit schrijven van de administratie bleef onbeantwoord.

Op 14 mei 2019 werd overeenkomstig artikel 333/1, §1 WIB92 aan de appellant ter kennis gebracht dat, aangezien de gevraagde inlichtingen niet werden voorgelegd, aan drie bankstinstellingen gevraagd zou worden om een overzicht van een aantal welbepaalde bankrekeningen te bezorgen. De bevraging van de banken vond diezelfde dag plaats.

Op 26 september 2019 heeft de geïntimeerde een proces-verbaal opgemaakt met 14 bijlagen, waarin inbreuken op de artikelen 53, §1, eerste lid, 2° en 3° en 58octies, §1, eerste lid Btw-wetboek in verband met de aangegeven omzet vastgesteld werden. De administratie formuleerde volgende vaststellingen en overwegingen in het proces-verbaal:

- de boekhouding werd onvolledig bijgehouden/bezorgd en kon ais dusdanig niet ais bewijskrachtig beschouwd worden, ten gevolge waarvan de ontvangsten op grond van een feitelijk vermoeden begroot werden;

- uit de rekeninguittreksels bekomen ingevolge bevraging van drie banken overeenkomstig artikel 62bis Btw-wetboek, was gebleken dat in 2017 een totaal bedrag van 308.518,98 EUR aan vermoedelijke beroepsinkomsten was ontvangen via de bank;

- de appellant had 165.020,55 EUR aan cash uitgaven (cash betaalde facturen, contante nettolonen, cash afhalingen, ...) gedaan, waarbij 25.353,20 EUR kon worden toegewezen aan het uitbetalen van nettolonen;

- de behaalde beroepsinkomsten werden derhalve vastgesteld op 473.539,53 EUR, btw inbegrepen (= 308.518,98 + 165.020,55);

- gelet op de aangegeven ontvangsten ten bedrage van 203.579,17 EUR werden bijgevolg te weinig ontvangsten aangegeven ten bedrage van 269.960,36 EUR, btw inbegrepen (= 473.539,53 - 203.579,17);

- aan de hand van de verdeelsleutel tussen de verschillende btw-tarieven (6%/12%/21%) zoals die voortvloeide uit de btw-aangiften werd de btw op deze ontvangsten berekend op 36.002,07 EUR;

- gelet op het grote verschil tussen de aangegeven ontvangsten en de werkelijke ontvangsten, werd vastgesteld dat de aangiftetekorten waren gebeurd met het oogmerk om belasting te ontduiken, ten gevolge waarvan een geldboete van 200% in aanmerking genomen werd. Tevens werd gewezen op het niet-antwoorden op diverse vragen om inlichtingen, op de weigering om mee te werken met het fiscaal onderzoek en de gevraagde gegevens te bezorgen en op het niet bewijskrachtige karakter van de boekhouding.

De volgende bedragen werden in het proces-verbaal verschuidigd verklaard:

- ais btw: 36.002,07 EUR

- ais proportionele geldboete (200%): 72.000,00EUR

- als interesten: pro memorie vanaf 21 januari 2018

Dit proces-verbaal werd aan de appellant ter kennis gebracht. Bij ontstentenis van betaling werden dezelfde bedragen ais deze vermeld in het proces-verbaal op 4 november 2019 opgenomen in het innings- en invorderingsregister onder schuldnummer 500215712818 en uitvoerbaar verklaard, met dien verstande dat de verschuldigde nalatigheidsinterest (saldo 11 december 2019) werd bepaald op 7.464,00 EUR. Een uittreksel uit het innings- en invorderingsregister werd middels een innings- en invorderingsbericht inzake btw van 11 december 2019 aan de appellant toegestuurd.

Bij bezwaarschrift van 23 december 2019 betwistte de appellant de ten aanzien van hem ingevorderde btw. In essentie betoogde hij dat zich een aantal correcties op de door de administratie gehanteerde cijfers opdrong en dat het door de administratie aangevoerde bewijs van de gebrekkige bewijskracht van de boekhouding en de zwarte omzet niet voldragen was. Wat betreft de opgelegde geldboete stelde hij dat er geen bewijs was van een opzet om de btw te ontduiken, maar dat werd gehandeld met een opzet om de zaak in leven te houden ondanks betalingsproblemen. De appellant verwees ook naar een brand en hield voor dat de geldboete verminderd diende te worden tot 20%.

In de daaropvolgende periode richtte de belastingadministratie een aantal vragen om bijkomende inlichtingen aan de appellant met het oog op het behandelen van het bezwaar, die evenwel onvolledig dan wel niet beantwoord werden. Bij administratieve beslissing van 22 december 2020 werd het bezwaar van de appellant na een onderzoek ten gronde afgewezen.

Met een verzoekschrift van 25 maart 2021 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Hij vorderde om de btw in hoofdsom gedeeltelijk te ontheffen en de belastingverhoging teniet te doen of te ontheffen, minstens te herleiden tot 10%. In het vonnis van 20 juni 2022 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge de vordering van de appellant afgewezen, in volgende bewoordingen:

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, aan zijn zijnde niet te begroten

aangezien ze hem ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

Lopende de procedure in eerste aanleg diende de appellant een verzoek in tot kwijtschelding

van de opgelegde btw-boete.

3. De vorderingen van de partijen

3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Dit hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, en bijgevolg het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren

Dienvolgens:

in hoofdorde: het dwangbevel van 26 september 2019 te vernietigen ten belope van het bedrag van de btw op het bedrag van 23.353,20 EUR;

in ondergeschikte orde: de geldboete van 200% nietig te verklaren of te ontheffen, minstens te herleiden tot een redelijk niveau;

Dienvolgens de terugbetaling te bevelen van alle onterecht betaalde of geinde sommen, te verhogen met de moratoriuminteresten,

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de verschuldigde geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding ten belope van 4.500,00 EUR, evenals de betaalde bijdrage aan het begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.

3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en de bestreden aanslag(en) te bevestigen.

Dienvolgens te zeggen voor recht dat de vordering met RCIV nummer 500/2157/12818 inzake BTW opgenomen in het innings- en invorderingsregister, in hoofdsom, intresten en kosten geheel verschuldigd is.

Appellant tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, in graad van hoger beroep begroot op 4.500,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

4. De betwistingen en de beoordeling ervan

4.1. Over de omzetverhoging

De appellant voert geen betwisting inzake de bewijsvoering van de administratie, zoals die blijkt uit het proces-verbaal van 26 september 2019 en zoals hierboven summier omschreven, behoudens wat betreft het bedrag van de contant betaalde nettolonen van 25.353,20 EUR. Dat bedrag moet volgens hem uit de 'belastbare basis' worden gehaald, om reden dat op de contante nettolonen geen btw verschuldigd is.

De appellant is, ais in die hoedanigheid handelende belastingplichtige, verplicht om de btw op alle door hem geleverde goederen en verrichte diensten, door te storten aan de Belgische Schatkist. In deze heeft de administratie, bij gebreke van bewijskrachtige boekhouding, het bedrag van de door de appellant geleverde goederen en verrichte diensten berekend door de ontvangsten op de bedrijfsrekeningen samen te tellen met de contante betalingen die de appellant in 2017 heeft verricht. Het hof kan slechts vaststellen dat de administratie correct tewerk is gegaan bij het bepalen van de omzetverhoging, door rekening te houden met het geheel van de uitgaven in contanten (165.020,55 EUR). Daarbij mocht door de administratie aangenomen worden dat aan de contante uitgaven, contante ontvangsten zijn voorafgegaan die in aanmerking kwamen voor de berekening van de na te vorderen btw. De wijze waarop de ontvangen contanten naderhand door de appellant werden besteed, door er nettolonen mee te betalen of anderszins, is zonder invloed op de berekening van de verschuldigdheden inzake btw, zoals de geïntimeerde in besluiten terecht opwerpt.

Deze grief van de appellant is ongegrond.

4.2. Over de opgelegde geldboete

4.2.1. Aan de appellant werd op grond van artikel 70, §1 Btw-wetboek een proportionele geldboete van 72.000,00 EUR opgelegd, dit is 200% van de ontdoken belasting.

De geïntimeerde houdt voor dat de appellant handelde met het oogmerk de belasting te ontduiken. Hij wijst onder meer op de onvolledige en niet-controleerbare boekhouding, gemanipuleerde cijfers in de boekhouding, het feit dat met verschillende bedrijfsmatige rekeningen werd gewerkt die tijdens het onderzoek niet spontaan werden voorgelegd, het grote verschil tussen de aangegeven en de werkelijke ontvangsten, het niet-antwoorden op diverse vragen om inlichtingen, alsook de weigering om mee te werken aan het fiscaal onderzoek en de gevraagde gegevens te bezorgen.

De appellant betwist in hoofdorde dat er in zijnen hoofde sprake zou zijn van enig bedrieglijk opzet om de belasting te ontduiken en vraagt dat de geldboete wordt ontheven, minstens herleid tot 10%. Hij houdt voor dat hij meewerkte met het onderzoek, door zijn boekhouding binnen te brengen en correspondentie te voeren met de belastingadministratie. Hij wijst erop dat hij op 9 maart 2019, lopende het administratieve onderzoek, geconfronteerd werd met een ernstige brand in een van zijn restaurants met veel schade en de tijdelijke sluiting van de zaak tot gevolg. De loutere niet-aangifte van bepaalde bestanddelen zou ook niet automatisch mogen doen besluiten dat de appellant handelde met bedrieglijk opzet.

4.2.2. Krachtens artikel 70, §1 Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid Btw-wetboek wordt, binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, laatste lid van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

In de voorliggende zaak bestaat er geen twijfel over dat de appellant gehandeld heeft met het oogmerk de belasting te ontduiken.

Uit het dossier is gebleken dat de appellant niet alle aankopen en omzet heeft opgenomen in zijn boekhouding en aangiftes inzake btw. In het kader van de controle inzake de personenbelasting werd, in antwoord op de kennisgeving van aanslag van ambtswege betreffende aanslagjaar 2018 van 28 oktober 2019, door de boekhouder op schrift gesteld dat de aankopen van eetwaren en dranken elk verminderd werden met 20.000,00 EUR 'om het resultaat op te smukken' (stuk 9 van de geïntimeerde). De boekhouding van de appellant was dus niet enkel onvolledig en daardoor oncontroleerbaar, maar werd doelbewust gemanipuleerd door de appellant. Er werd gewerkt met zes bedrijfsrekeningen zonder dat dit overzichtelijk werd gemaakt. Op elk van de gebruikte bankrekeningen werden contanten gestort zonder mededeling, zodat de oorsprong van de gelden verborgen bleef. Het bestaan van een omvangrijke niet-aangegeven 'zwarte' omzet wordt als dusdanig ook niet ontkend. Uit de cijfers blijkt dat de niet-aangegeven omzet over de betrokken periode, hoger is dan de aangegeven omzet.

Van een loutere niet-aangifte van bepaalde bestanddelen van de omzet (die volgens de appellant niet automatisch kan doen besluiten dat gehandeld werd met bedrieglijk opzet) is, gelet op de hierboven omschreven bijkomende feitelijke omstandigheden, geen sprake.

Dat de onregelmatigheden in de boekhouding ongewild zouden zijn geweest, dan wel het gevolg van omstandigheden buiten de wil van de appellant, kan niet aangenomen worden, mede in het licht van de vaststelling dat tijdens de bezwaarfase niet meegewerkt werd met het onderzoek en dat cruciale gegevens met betrekking tot de omzet niet werden aangereikt. Van een belastingplichtige die ongewild of ingevolge omstandigheden buiten zijn wil een onregelmatige en onvolledige boekhouding voert, kan immers verwacht worden dat hij het nodige doet om de situatie te regulariseren en dat hij transparantie creëert in de gebeurtenissen die tot de onregelmatigheden hebben geleid, hetgeen de appellant manifest niet deed (zie onder meer de communicatie in januari/februari 2019, bijlagen 3, 5 en 6 bij het proces-verbaal van 26 september 2019). Noch het feit dat de appellant wel een aantal stukken aan de administratie overhandigde en correspondentie voerde met de administratie, zoals hij in conclusies benadrukt, noch het feit dat een van de etablissementen van de appellant in maart 2019 geteisterd werd door een brand, doet aan deze vaststelling afbreuk.

Door in de geschetste omstandigheden een aanzienlijk deel van de gerealiseerde omzet niet in de boekhouding te verwerken en niet op te nemen in de btw-aangiften en door, dientengevolge, de door hem verschuldigde btw niet correct te betalen, heeft de appellant btw ontdoken. Hij heeft doelbewust getracht zich te onttrekken aan de toepassing van de btw en slechts volgehouden en doorgedreven onderzoek van de belastingadministratie heeft de door de appellant gepleegde fraude aan het licht kunnen brengen.

4.2.3. Op 3 september 2021, Iopende de procedure in eerste aanleg, diende de appellant een verzoek tot kwijtschelding van de opgelegde geldboete in op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 "van het bestuur van 's lands middelen" (stuk 31 van de geïntimeerde). Het verzoek zou inmiddels afgewezen zijn door middel van een administratieve beslissing waarvan de toetsing hier niet wordt gevorderd.

Waar het verzoek ingediend werd hangende het huidige geding (in eerste aanleg) en de opgelegde geldboete nog geen definitief karakter gekregen heeft, komt het hoe dan ook voor dat het verzoek prematuur en onontvankelijk was. Het genaderecht van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 betreft immers een gunstmaatregel waardoor het bestuur afziet van de uitvoering van een definitief opgelegde belastingverhoging of geldboete (vgl. Cass. 24 juni 2005, C.02.0433.N, via https://juportal.be).

Middels het huidige geding bestrijdt de appellant evenwel de opgelegde geldboete zelf, waarvan hij de rechtsgeldigheid, de evenredigheid en de overeenstemming met een aantal supranationale normen betwist. Artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 is vreemd aan deze betwisting en aan de hier opgeworpen grieven over de toetsingsbevoegdheid van dit hof (vgl. Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N, via https://juportal.be). De verwijzingen van zowel de appellant ais de geïntimeerde naar het Regentsbesluit om de toetsingsbevoegdheid te verruimen dan wel in te perken, zijn dan ook misplaatst. Dat de appellant lopende de procedure in eerste aanleg een verzoek tot kwijtscheiding van de opgelegde geldboete indiende overeenkomstig artikel 9 van het Regentsbesluit ontneemt het hof niet zijn rechtsmacht — waarvan de draagwijdte wordt afgebakend onder randnummer 4.2.4 — om de administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, §1 Btw-wetboek te toetsen.

4.2.4. Wat betreft de omvang van die rechtsmacht past het in de eerste plaats erop te wijzen dat de in artikel 70 Btw-wetboek bedoelde fiscale geldboeten een repressief karakter hebben in de zin van artikel 6.1 EVRM. Deze geldboeten hebben immers tot doel inbreuken door alle belastingplichtigen, zonder enig onderscheid, die de bij dat Wetboek opgelegde verplichtingen niet naleven, te voorkomen en te bestraffen. Uit de aard en de wijze van bepaling van de omvang van de boete blijkt dat deze geen vergoedende functie heeft, maar in wezen ertoe strekt te straffen en herhaling van inbreuken te voorkomen. De belastingplichtige die vooraf de sanctie die hij riskeert op te lopen kent, wordt ertoe aangezet zijn verplichtingen na te komen.

Gelet op het strafrechtelijk karakter ervan is de appellant gerechtigd op een rechterlijk toezicht 'met voile rechtsmacht' met betrekking tot de administratieve geldboete van 200% die hem werd opgelegd op grond van artikel 70, §1 Btw-wetboek. Het beginsel der scheiding der machten, zoals door de geïntimeerde aangevoerd, kan niet in de weg staan aan dit grondrecht op een daadwerkelijke jurisdictionele toetsing van een administratieve sanctie met repressief karakter.

De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, §1 Btw-wetboek te toetsen, moet nagaan of de door de administratie genomen beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel (vgl. GwH arrest nr. 79/2008 van 15 mei 2008). In het bijzonder mag de rechter nagaan of de sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag bij het toetsen van de evenredigheid van de opgelegde straf in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties, de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld en de weerslag van de sanctie voor de betrokkene, alsook de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie (vgl. Cass. 24 maart 2023, F.21.0056.N, via https://juportal.be). In dat verband kan evenwel opgemerkt worden dat ook de belastingadministratie handelt binnen het kader van de internationale normen en rechtsbeginselen, hetgeen haar ook zou toelaten een beleid te voeren waarbij de hierboven omschreven Europeesrechtelijk verankerde redelijkheidstoets wordt toegepast. Ook van een overheidsadministratie mag immers verwacht worden dat zij handelt in de lijn van het recht, inclusief van het supranationaal recht.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een louter subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie onder meer Cass. 23 september 2022, F.20.0112.N, consulteerbaar via https://juportal.be). Waar de appellant voorhoudt dat de rechter de bevoegdheid moet hebben om boetes kwijt te schelden om loutere redenen van opportuniteit omdat ook de minister van financiën die bevoegdheid heeft op grond van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, gaat hij eraan voorbij dat het genaderecht van de minister in het kader van die procedure — die, zoals gezegd, in principe volgt na het einde van de gerechtelijke behandeling — een gunstmaatregel betreft die volkomen discretionair van aard is. Het voorliggende verzoek om de op grond van artikel 70, §1 Btw-wetboek opgelegde geldboete te toetsen, is hieraan in wezen vreemd. Een en ander belet niet dat het hof ten deze een bevoegdheid met voile rechtsmacht uitoefent die het in staat stelt de geldboete te toetsen overeenkomstig de hierboven uiteengezette beginselen.

Kern van de zaak is dat het hof de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.

4.2.5. Het middel opgeworpen door de appellant, volgens hetwelk de opgelegde geldboete van 200% strijdig is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, kan niet slagen. De appellant toont het bestaan van een dergelijke schending niet aan.

De sanctie ten bedrage van het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting is niet onevenredig ten aanzien van het gepleegde misdrijf, rekening houdend met (1) de weerslag die de belastingontduiking kan hebben op de Schatkist en de concurrentieverstoringen die daaruit kunnen voortvloeien voor de bedrijven die wel hun fiscale verplichtingen nakomen, (2) met de mogelijkheid om de in de wet bepaalde boete te vervangen door een verminderde proportionele boete of geheel of gedeeltelijk te laten kwijtschelden (artikel 84, derde lid, van het BTW-Wetboek, artikel 1, eerste lid, 1°, en tweede lid van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 en artikel 9 van het organiek besluit van de Regent van 18 maart 1831 "van het bestuur van 's lands middelen") en (3) met de bevoegdheid van de rechtbanken om met voile rechtsmacht toe te zien op de wettigheid en verantwoording in rechte en in feite van de opgelegde geldboete, rekening houdend met, onder meer, het evenredigheidsbeginsel. De door dergelijke geldboeten veroorzaakte inmenging in het recht op het ongestoorde genot van de eigendom, dat gewaarborgd is bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is bijgevolg evenredig en redelijk verantwoord (vgl. GwH, arrest nr. 135/2021 van 7 oktober 2021, waarnaar de geïntimeerde terecht verwijst). Er zijn voldoende mechanismen ingebouwd om een daadwerkelijke toetsing van de opgelegde geldboete mogelijk te maken, zodat het eigendomsrecht van de appellant niet geschonden wordt en de concrete situatie van de appellant in rekening gebracht kan worden, met dien verstande dat de rechter niet om loutere redenen van opportuniteit kan overgaan tot kwijtschelding of vermindering van de opgelegde administratieve sanctie. Er is geen reden om de nietigheid vast te stellen van de opgelegde sanctie dan wel deze nietig te verklaren wegens schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

4.2.6. Het staat vast dat de bestreden geldboete werd opgelegd overeenkomstig de artikelen 70, §1 en 84, derde lid Btw-wetboek en artikel 1, laatste lid van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 zonder toepassing van de schalen voorzien in tabel G bij het voornoemde koninklijk besluit, mede gelet op het bestaan van frauduleus opzet. De geldboete werd in rechte en in feite verantwoord; het hof noteert dat de administratie binnen dit reglementair kader handelde op grond van een gebonden bevoegdheid en gebonden was in verband met de omvang van de op te leggen sanctie.

De appellant meent dat de feiten niet van aard zijn een proportionele geldboete van 200% te rechtvaardigen en dat de opgelegde geldboete een onredelijk zware financiële Iast en een buitensporige straf (in de zin van artikel 6 EVRM) uitmaakt die niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten en de repressieve en preventieve doelstellingen die er mogelijkerwijze mee bedoeld worden.

Echter, zowel het doelbewust en voortgezet karakter van de fraude, ais de omvang ervan, maken van het vergrijp van de appellant een ernstige inbreuk. Het hof houdt in het bijzonder rekening met het feit dat de niet-aangegeven omzet hoger was dan de aangegeven omzet over diezelfde periode, dat de fraude tot uiting kwam op verschillende bankrekeningen van de appellant en dat de appellant reeds voor de jaren 2014 en 2015 de omzet niet volledig opnam in de btw-aangiftes, waarna een geldboete van 20% werd opgelegd — gegeven dat door de geïntimeerde bij herhaling in conclusies wordt aangevoerd en niet door de appellant betwist wordt. De destijds opgelegde geldboete heeft kennelijk niet het gewenste effect gehad en heeft geen gedragswijziging in hoofde van de appellant tot stand gebracht. Dit alles rechtvaardigt een strenge pecuniaire bestraffing.

Terecht wijst de geïntimeerde er ook op dat de Laattijdige betaling (of niet-betaling) van de btw verstorend werkt voor het btw-mechanisme waarbij de btw-belastingplichtige optreedt ais ontvanger van de btw. De bijzondere rol van de btw-plichtige die instaat voor de inning en doorstorting van de btw, rechtvaardigt gestrengheid inzake het boetebeleid bij misbruik van dit systeem, zoals ter zake het geval is.

Waar de appellant aangeeft niet over de nodige middelen te beschikken om de btw-schuld met inbegrip van de geldboeten en nalatigheidsinteresten te betalen, moet het hof vaststellen dat de appellant geen gegevens beschikbaar stelt die toelaten in te schatten wat de situatie van diens vermogen is en hoe de omvang van de opgelegde boete hem concreet kan treffen. De verwijzing door de appellant naar het feit dat de zaken reeds geruime tijd gesloten zijn door de sanitaire crisis, is op heden alvast niet meer actueel-Het loutere feit dat de geldboete van 72.000,00 EUR bijzonder hoog genoemd kan worden, volstaat in dat verband niet. De financiële impact van de brand die zich in maart 2019 voordeed, wordt niet concreet gemaakt.

Het hof besluit dat de belastingadministratie in het licht van de ernst en de omvang van de fraude zoals hierboven uiteengezet en rekening houdend met de recidive van de appellant, in redelijkheid een administratieve geldboete van 200% kon opleggen. Er is geen reden om de opgelegde geldboete kwijt te scheiden of te herleiden naar een lager bedrag.

4.2.7. Gelet op de aard, de ernst en de omvang van de vastgestelde inbreuken is bovendien alleen een effectieve sanctie zinvol. Een beslissing om het opleggen van een boete op te schorten of een boete met uitstel op te leggen, zou ingaan tegen het doel van de sanctie dat er zowel in bestaat te vergoeden — met name een compensatie te bieden voor het verloren gaan van menselijke energie en van financiële middelen die door de belastingoverheid ten gunste van de gemeenschap besteed wordt aan controles en verificaties om fraude en onjuiste aangiften op te sporen en de verschuldigde belasting te berekenen — ais te bestraffen en af te schrikken om herhaling in de toekomst te vermijden. Een eerdere administratieve sanctie van 20% heeft dit Iaatste doel kennelijk niet bereikt. Een aanzienlijke effectieve straf is dus op zijn plaats. De vraag om de uitspraak van de veroordeling op te schorten (al dan niet verbonden aan voorwaarden) of om de geldboete op te leggen met uitstel (al dan niet onder voorwaarden) — ais dat al zou kunnen — is ongegrond.

Het hoger beroep van de appellant wordt ook wat dit middel betreft afgewezen en is in zijn geheel ongegrond.

5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten in hoger beroep dragen.

Het rolrecht is vrijgesteld (belastingen (art. 162, 4° + 279/1 Wb.Reg.)).

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, stelt het hof vast dat de vordering in hoger beroep in geld waardeerbaar is. De rechtsplegingsvergoeding wordt geïndexeerd op datum van de uitspraak (vandaag). De waarde van de vordering bevindt zich in de schijf van 60.000,01 tot 100.000,00 EUR.

Na indexatie is het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding gelijk aan 4.500,00 EUR. Er is geen reden om af te wijken van het basisbedrag. De appellant is voor de procedure in hoger beroep aan de geïntimeerde een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd van 4.500,00 EUR.

Dispositif

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist ais volgt:

het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

het bestreden vonnis wordt bevestigd;

het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van het

hoger beroep, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):

bijdrage begrotingsfonds hoger beroep 22,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde:

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 4.500,00 EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 13 februari 2024.

Aanwezig:

S.V., raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend

J.D., griffier

Note du SPF Finances

Référence WF

WF 708-15-19/067862 Finality 5478972901

Textes cités

9
CTVA art. 7010 occurrences
AR no 1 art. 182 occurrences
AR no 41 art. 12 occurrences
CTVA art. 53octies2 occurrences
CTVA art. 62bis2 occurrences
CTVA art. 842 occurrences
CTVA art. 531 occurrence
CTVA art. 611 occurrence
CTVA art. 631 occurrence

Décisions similaires

8