Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel d'Anvers du 06.09.2011
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER
Recht doende in burgerlijke zaken,
heeft het volgende arrest uitgesproken :
Inzake :2009/AR/3237
PSM NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met .KBO-nummer …,
appellante,
tegen het vonnis gewezen op 21 oktober 2009 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, vertegenwoordigd door Mr. H. K., advocaat te … (…), …,
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de BTW – Registratie en Domeinen, BTW-kantoor Antwerpen 1, te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4, geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. D. V. loco Mr. L. R., advocaat te 2018 Antwerpen, De Damhouderestraat 13;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 21 oktober 2009 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 december 2009;
Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;
1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep :
1.1. De NV PSM, appellante, is uit hoofde van haar economische activiteit van 'Overige adviesbureaus op het gebied van bedrijfsvoering en beheer', 'Overige werkzaamheden in de bouw' en 'groothandel in verf, vernis en bouwmaterialen' onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.
Zij is als dusdanig geregistreerd onder BTW-nummer BE ….
1.2. Appellante is werkzaam als bouwondernemer, meer bepaald op het vlak van de afwerking en renovatie van gebouwen (plaatsen van wanden, industriële vloeren e.d.) en in het bijzonder als coördinator van dergelijke werken, waarbij zij optreedt als hoofdaannemer en voor de praktische uitvoering van de werken beroep doet op onderaannemers.
In de loop van 2003, 2004 en 2005 heeft appellante o.m. werk in onroerende staat uitgevoerd in de gebouwen waar het Nationaal Instituut voor de Statistiek gevestigd is.
Appellante factureerde deze werken in 2003 aan het Bestuur Algemene Diensten. De facturatie van de in 2004 en 2005 uitgevoerde werken, geschiedde aan de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
Op de facturen die appellante aan de hiervoor vermelde administraties uitreikte, vermeldde zij steeds "BTW 21 % : Te voldoen door medecontractant KB 1 Art. 20". Appellante maakte op deze facturen ook steeds melding van het BTW-nummer BE … van de klant aan wie de factuur werd uitgereikt. Dit BTW-nummer staat op naam van de FOD Economie KMO Middenstand en Energie. De FOD Economie KMO Middenstand en Energie is onder dit BTW nummer echter niet gehouden tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2° van het BTW-wetboek bedoelde aangifte.
1.3. Ter gelegenheid van een BTW-controle met betrekking tot de periode van 1 januari 2003 tot 31 december 2005 weerhield E. R., Inspecteur bij de Federale Overheidsdienst Financiën, sector BTW, verbonden aan het BTW-controlekantoor Antwerpen 9, een overtreding op de artikelen 51, § 1, 1° en 51, § 4, van het BTW-Wetboek en op artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1, van 29 december 1992. Volgens de controleambtenaar is de regeling voorzien in artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 niet van toepassing en is appellante ingevolge artikel 51, § 1, 1° van het BTW-wetboek schuldenaar van de belasting.
1.4. Op 14 december 2006 werd door de controleambtenaar een procesverbaal opgesteld, waarin wordt vastgesteld dat appellante ingevolge voormelde overtredingen volgende bedragen verschuldigd is :
- als belasting over de toegevoegde waarde de som van … EUR;
- als boete op grond van artikel 70, § 1, van het BTW-Wetboek de som van tweemaal de verschuldigde BTW, zijnde … EUR, echter verminderd overeenkomstig tabel G, Eerste afdeling, rubriek IV van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele geldboeten op het stuk van de BTW en afgerond overeenkomstig artikel 4 van voornoemd koninklijk besluit tot … EUR;
- de interesten op grond van artikel 91, § 1, van het BTW wetboek tegen 0,8 % te berekenen over … EUR vanaf 21 januari 2006.
Op grond van voormeld proces-verbaal werd op 19 december 2006 door R. D. H., rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Antwerpen 1 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 19 december 2006 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door M. D. G., eerstaanwezend inspecteur a.i. van de BTW te Antwerpen 9, aangewezen door de directeur van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen.
Een voor eensluidend verklaard afschrift van dit dwangbevel werd samen met een kopie van het proces-verbaal van 14 december 2006 aan appellante gezonden bij aangetekende brief van 19 december 2006.
1.5. Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 27 december 2006, vordert appellante de vernietiging van het bestreden dwangbevel, minstens te zeggen voor recht dat zij de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd is, zowel wat de BTW, als wat de boeten, interesten en kosten betreft, derhalve de uitvoering van het dwangbevel te verbieden, en de terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden sommen, te vermeerderen de moratoire interesten overeenkomstig artikel 91, § 3, W.BTW, minstens met de gerechtelijke interesten.
1.6. Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 21 oktober 2009 oordeelt dat appellante op de facturen voor het werk in onroerende staat ten onrechte artikel 20 van het KB nr. 1 heeft toegepast gezien FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie weliswaar een BTW-nummer heeft, doch niet gehouden is tot het indienen van periodieke BTWaangiften. Appellante, die toepassing maakte van artikel 20 van KB nr. 1, moest niet alleen nagaan of haar medecontractant, zijnde FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, belastingplichtige was, maar moest ook nagaan of deze gehouden was tot het indienen van periodieke BTW-aangiften, hetgeen zij echter niet deed. Appellante is dan ook nalatig geweest door niet te hebben nagegaan of de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie gehouden was tot het indienen van periodieke BTW-aangiften en moet bijgevolg de gevolgen dragen van haar eigen nalatigheid. Het loutere feit, dat de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie zijn BTW-nummer zou hebben medegedeeld aan appellante en nooit enige opmerking zou hebben gemaakt omtrent de facturen, kan bij appellante geenszins de gewettigde verwachtingen hebben gewekt dat artikel 20 van KB nr. 1 correct werd toegepast en dat de BTWadministratie deze onterechte toepassing zou aanvaarden. Bovendien kan appellante niet voorhouden dat zij - uit het loutere feit dat de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie een BTW-nummer heeft - er rechtmatig kon van uitgaan dat artikel 20 van KB nr. 1 van toepassing was nu voor deze regeling niet enkel vereist is dat de medecontractant een belastingplichtige is, maar ook uitdrukkelijk vereist is dat deze belastingplichtige gehouden is tot het indienen van periodieke BTWaangiften.
Er is dan ook geen sprake van dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en/of het vertrouwensbeginsel werden geschonden. Appellante kan zich evenmin beroepen op onoverwinnelijke dwaling nu zij heeft nagelaten na te gaan of voldaan werd aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 20 van KB nr. 1 en het is dan ook bewezen dat zij bij het opstellen van de facturen onvoorzichtig is geweest. Betreffende de boete stelt de eerste rechter dat de boete wettelijk is, voldoende gemotiveerd en hij is van oordeel dat deze boete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuk en met de ernst van de feiten. Betreffende de rechtsplegingsvergoeding oordeelt de eerste rechter dat de vordering tot vernietiging van het bestreden dwangbevel en tot terugbetaling van de ingehouden BTW-tegoeden ten bedrage van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf de data waarop deze BTW-tegoeden werden ingehouden, een gemengde vordering (enerzijds niet in geld waardeerbaar en anderzijds wel in geld waardeerbaar) betreft. Voor deze gemengde vordering dienen de tarieven van de hoogste rechtsplegingsvergoeding te worden toegepast, zijnde te dezen de tarieven van de niet in geld waardeerbare vordering waarvoor het basisbedrag … EUR bedraagt. De vordering wordt dan ook ontvankelijk verklaard, doch als ongegrond afgewezen en appellante wordt veroordeeld tot de kosten van het geding door geïntimeerde begroot op … EUR.
1.7. Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 december 2009.
1.8. In dit verzoekschrift en in haar op 10 december 2010 neergelegde syntheseconclusie stelt appellante dat zij, gezien het Bestuur Algemene Diensten, evenals de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, haar het BTW-nummer BE … hebben medegedeeld, in de stellige overtuiging verkeerde dat de regeling voorzien in artikel 20 van het KB nr. 1, toepassing vond en de BTW voldaan diende te worden door de medecontractant. Wanneer een overheidsinstelling met het oog op de facturatie van werken in onroerende staat een BTW-nummer aan een aannemer meedeelt, dan mag deze laatste er redelijkerwijze van uitgaan dat de overheidsinstelling als BTW-belastingplichtige voldoet aan alle voorwaarden opdat de regeling medecontractant toepassing zou vinden. Dit was hier des te meer het geval omdat noch het Bestuur Algemene Diensten, noch de FOD Economie, KMO, middenstand en Energie ooit enige opmerking gemaakt hebben dat de regeling van artikel 20 van het KB nr. 1 niet van toepassing zou zijn.
Daarnaast betreft het verschaffen van correcte inlichtingen aan de burgers een essentiële plicht van behoorlijk bestuur en vormt dit een aspect van de voorzichtigheidsplicht of zorgvuldigheidsplicht. De burger moet erop kunnen vertrouwen dat de door de overheid verschafte inlichtingen juist zijn. Dit wordt niet alleen vereist door de rechtszekerheid, maar tevens door het algemeen rechtsbeginsel dat de administratie het door haar gewekte vertrouwen waarop men in redelijkheid kan afgaan, niet mag beschamen. De openbare besturen mogen niets onverlet laten dat in hun macht en bevoegdheid ligt, om de burger zo behoorlijk mogelijk nopens de draagwijdte van zijn rechten in te lichten en de behartiging van diens belangen te beveiligen, in zoverre het algemeen belang hierdoor niet wordt gehinderd. Indien een orgaan van een openbaar bestuur verkeerde informatie aan een belastingplichtige verstrekt en deze laatste ingevolge deze foutieve informatie de wettelijk verschuldigde rechten niet of slechts gedeeltelijk aan de overheid voldoet, wordt op fiscaal vlak aangenomen dat de overheid als sanctie niet tot navordering van de wettelijk verschuldigde rechten kan overgaan. Het lijdt geen twijfel dat de overheid evenmin tot navordering van rechten in hoofde van een belastingplichtige kan overgaan wanneer de overheid weet had dat de belastingplichtige een verkeerde werkwijze hanteerde, doch deze hiervan nooit op de hoogte bracht. Indien een orgaan van een openbaar bestuur nalaat de rechtsonderhorige erop attent te maken dat deze een verkeerde werkwijze hanteert, maakt dit ook een fout uit in hoofde van deze overheid. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de Belgische Staat één en ondeelbaar is. Aldus kan een fout vanwege de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie wel degelijk in aanmerking genomen worden voor wat de navordering van BTW, interesten en boeten door de FOD Financiën betreft. Daar noch het Bestuur Algemene Diensten, noch de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie ooit enige opmerking gemaakt hebben dat zij geen periodieke BTW-aangiften indienden en de regeling van artikel 20 van het K.B. nr. 1 aldus niet van toepassing zou zijn met betrekking tot de facturen die appellante aan deze besturen uitreikte, mocht appellante er rechtmatig op vertrouwen dat de regeling verlegging medecontractant wel van toepassing was. Dat deze publieke overheden nooit enige opmerking gemaakt hebben wat de niet toepassing van deze BTW-regeling betreft, druist overigens in tegen de zorgvuldigheidsplicht. Door alsnog de BTW in hoofde van appellante na te vorderen, schendt de Belgische Staat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht.
Bijgevolg kan niet tot navordering in hoofde van appellante worden overgegaan en dient de in het bestreden dwangbevel geformuleerde BTW vordering onwettig te worden verklaard. Minstens was er in hoofde van appellante sprake van dwaling doordat de overheidsinstanties waaraan appellante haar facturen uitreikte, geen enkele opmerking maakten dat zij niet voldeden aan de voorwaarden, vereist voor de toepassing van artikel 20 van het KB nr. 1. Er is sprake van onoverwinnelijke dwaling wanneer men gehandeld heeft zoals ieder redelijk en voorzichtig persoon zou gehandeld hebben in gelijkaardige omstandigheden. In casu verkeerde appellante te goeder trouw in de waan dat de regeling medecontractant toepassing vond op de facturen die zij uitreikte aan het Bestuur Algemene Diensten en de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie. Dit was des te meer het geval omdat deze openbare besturen geen enkele opmerking maakten over de toepassing van deze BTW-regeling. Bijgevolg was er sprake van onoverwinnelijke dwaling in hoofde van appellante en kan niet tot navordering van BTW in haren hoofde worden overgegaan. Met betrekking tot de opgelegde boete voert appellante aan dat zij in casu volkomen te goeder trouw in de overtuiging verkeerde dat de facturatie aan het Bestuur Algemene Diensten en de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie onder het toepassingsgebied van artikel 20 van het KB nr. 1 viel. In die omstandigheden is het opleggen van een BTW-boete niet evenredig met de vermeende inbreuk die appellante ten laste kan worden gelegd. Bij de beoordeling van de disproportionaliteit van de opgelegde boete, dient verder rekening gehouden te worden met het feit dat het bedrag van de BTW die in het gewone tarief reeds 21 % bedraagt, niet berekend wordt op de gerealiseerde winst, doch op de gerealiseerde omzet waardoor de opgelegde proportionele boete eveneens op de omzet wordt berekend en niet op de winst en aldus een zware financiële last betekent. Appellante merkt verder op dat er tot op heden BTW-tegoeden ten bedrage van in totaal … EUR werden ingehouden. Zij vordert deze bedragen terug, te vermeerderen met de moratoire interesten in de zin van artikel 91, § 3, W.BTW. Appellante begroot tenslotte het totaal bedrag van de vordering op … EUR en het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR. Appellante besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de toewijzing van haar oorspronkelijke vordering.
1.9. Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 4 februari 2011 neergelegde syntheseconclusies de redengeving van het bestreden vonnis en voegt daar aan toe dat appellante aan de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie niet alleen om haar BTW-nummer had moeten vragen, maar tevens moeten vragen of zij BTW-aangiften indiende. Appellante heeft bij haar facturatie niet de nodige voorzichtigheid aan de dag gelegd. Appellante is actief in de sector van het zogenaamde "werk in onroerende staat" en derhalve bekend met de regelgeving ter zake. Van dwaling, laat staan van onoverwinnelijke dwaling, kan in casu dan ook geen sprake zijn. Er werden door geïntimeerde geen inlichtingen, en zeker geen foutieve inlichtingen verstrekt, om de eenvoudige reden dat er door appellante nooit om verzocht werd. Indien de vordering van appellante gegrond zou worden verklaard, zal er op de door appellante aan de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie verrichte diensten geen BTW betaald zijn, door wie dan ook. Appellante beroept zich dan ook ten onrechte op de beginselen van behoorlijk bestuur en onder meer op het rechtszekerheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel. Een akkoord mag aan de belastingplichtige geen rechten verlenen die strijdig zijn met de wet. Het legaliteitsbeginsel heeft dan immers voorrang op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In casu gaat het duidelijk om een rechtskwestie, nl. de correcte toepassing van artikel 51, § 4, van het BTW-Wetboek en artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1 van 29 december 1992. De in deze artikelen gestelde voorwaarden zijn duidelijk en de medecontractant van appellante voldoet er niet aan. In casu heeft geïntimeerde met appellante geen enkel akkoord gesloten, noch uitdrukkelijk, noch stilzwijgend. Bovendien kan appellante in casu bezwaarlijk stellen dat geïntimeerde haar verkeerde inlichtingen zou hebben verschaft. Appellante heeft aan geïntimeerde met betrekking tot de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie gewoonweg geen inlichtingen gevraagd. Als er verwijten dienen te worden gemaakt, dienen deze ontegensprekelijk te worden gericht aan de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie en niet aan geïntimeerde. Geïntimeerde heeft in casu niets anders gedaan dan het toepassen van een wetgeving, die van openbare orde is. Geïntimeerde heeft voorts geen enkele reden om aan de goede trouw van appellante te twijfelen en heeft daarom geen boete van 200 pct. opgelegd maar wel van 20 pct. Geïntimeerde is dan ook niet uitgegaan van de kwade trouw van appellante of van enig oogmerk van appellante om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Geïntimeerde bevestigt tenslotte de inhouding bij toepassing van artikel 8/1, § 3, vierde lid van het Koninklijk Besluit nr. 4 van 29 december 1969, met betrekking tot de teruggaven inzake BTW.
Indien er uiteindelijk door geïntimeerde toch tot terugbetaling van de ingehouden bedragen moet overgegaan worden, dan dienen deze bedragen te worden vermeerderd met de interest overeenkomstig artikel 91, § 3, 1°, van het BTW-Wetboek. Geïntimeerde besluit dan ook tot de niet-ontvankelijkheid minstens ongegrondheid van het hoger beroep en dienvolgens de bevestiging van het bestreden vonnis. Geïntimeerde begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op … EUR.
2. Beoordeling :
2.1. Krachtens artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde is de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die in België een belastbare levering van goederen of een belastbare dienst verricht.
Artikel 51, § 4, W.BTW bepaalt dat de Koning hiervan kan afwijken, om de medecontractant van de leverancier van goederen of van de dienstverrichter tot voldoening van de belasting te verplichten in de mate dat Hij zulks noodzakelijk acht om die voldoening te vrijwaren.
Artikel 20 van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde (B.S., 31 december 1992 (vierde uitg.)) bepaalt als volgt onder welke voorwaarden de belasting zal verschuldigd zijn door de medecontractant wanneer de handeling werk in onroerende staat betreft :
§1
In afwijking van artikel 51, § 1, 1°, van het Wetboek moet de medecontractant van de in België gevestigde belastingplichtige die een van de in § 2 aangeduide handelingen verricht de belasting die over die handeling verschuldigd is voldoen, wanneer hij zelf een in België gevestigde belastingplichtige is en gehouden tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte of een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek Hij moet deze belasting voldoen op de in § 4 hierna voorgeschreven wijze.
§2
Wordt bedoeld alle werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, van het Wetboek
(…)".
Uit voormelde wetsbepalingen volgt dat wanneer de medecontractant niet een in België gevestigde belastingplichtige is die gehouden is tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek bedoelde aangifte noch een niet in België gevestigde belastingplichtige is die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het BTW-Wetboek, artikel 20 van het Koninklijk besluit nr. 1 niet van toepassing is en de belasting overeenkomstig artikel 51, § 1, 1°, W.BTW verschuldigd is door de dienstverrichter.
Door het Hof dient te worden vastgesteld dat :
- de kwestieuze medecontractant van appellante de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie is;
- niet in betwisting staat dat de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie onder het BTW-nummer BE … niet gehouden is tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, W.BTW bedoelde aangifte;
- appellante de door haar verrichte diensten aan haar medecontractant heeft gefactureerd met verlegging van de heffing van de BTW naar de contractant bij toepassing van artikel 20 van het Koninklijk besluit nr 1 van 29 december 1992.
Uit vorenstaande vaststellingen dient te worden besloten dat geïntimeerde op juiste gronden en in overeenstemming met artikel 51, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek de op de kwestieuze facturen verschuldigde BTW heeft nagevorderd.
2.2. In zoverre door appellante wordt aangevoerd dat zij gedwaald heeft doordat zij door de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie in het ongewisse werd gelaten omtrent het feit dat zij niet aangifteplichtig was en dat de door appellante uitgeschreven facturen bijgevolg verkeerdelijk de vermelding "BTW 21 % : Te voldoen door medecontractant KB 1 Art. 20" bevatten, dient te worden opgemerkt dat evenmin in betwisting staat dat appellante zelf nooit heeft geïnformeerd omtrent de gehoudenheid van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie om periodieke BTW-aangiftes in te dienen en dat er bijgevolg geen sprake kan zijn van een onoverkomelijke dwaling, die van aard zou zijn haar van haar fiscaalrechtelijke verplichtingen ten aanzien van de BTW-administratie te bevrijden.
Uit de aan de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie verweten inertie om appellante er op te wijzen dat haar facturen verkeerde vermeldingen bevatten kan evenmin enige schending van een beginsel van behoorlijk bestuur in hoofde van de FOD Financiën worden afgeleid. De gebeurlijke schending van het vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel of nog het rechtszekerheidsbeginsel door de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie kan niet tot gevolg hebben dat appellante niet meer gehouden zou zijn tot betaling van de ten onrechte op haar medecontractant verlegde BTW-heffingen.
Artikel 28 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit bepaalt immers dat de ministers geen enkele uitgave mogen aangaan boven de voor ieder van hen geopende kredieten, en dat zij het bedrag van de kredieten, bestemd voor de uitgaven van hun onderscheiden diensten, niet mogen verhogen door bijzondere inkomsten. Hieruit blijkt dat elk departement een eigen begroting heeft, duidelijk te onderscheiden van die van de andere departementen.
Uit het bestaan van onderscheiden begrotingen vloeit voort dat de Staat, in zijn buitengerechtelijke of gerechtelijke verhoudingen met derden, (slechts) rechtsgeldig vertegenwoordigd wordt door de minister van het departement waarop die verhoudingen betrekking hebben en voor zover die van belang zijn voor de begroting van dat departement (Cass. 12 maart 1906, Pas. 1906, I, p. 161; Cass. 30 april 1975, Arr. Cass. 1975, 951; Cass. 21 april 1989, Arr. Cass. 1988-89, 977, conclusie van advocaat-generaal G. D'Hoore, RW 1989-90, 120, noot).
Het komt immers aan elke minister toe om afzonderlijk de zaken van zijn departement te behandelen, de desbetreffende uitgaven te regelen, en zich tegen eventuele daarmee verband houdende vorderingen te verweren (Cass. 8 februari 1940, Pas. 1940, I, p. 41).
Het bestaan van onderscheiden begrotingen brengt met zich dat elk departement ten aanzien van derden eigen verbintenissen op te nemen heeft (J. Van Compernolle, G. Closset-Marchal, J.-Fr. Van Drooghenbroeck, A. Decroës, 0. Mignolet, "Examen de jurisprudence. Droit judiciaire privé (1991 à 2001)", RCJB 2002, nr. 472, p. 496-497). Niettegenstaande de Staat één enkel en onsplitsbaar geheel vormt, kunnen de ministeriële departementen bijgevolg aansprakelijk zijn zonder dat de aansprakelijkheid van het ene departement enige invloed heeft op de aansprakelijkheid en de begroting van de andere (Cass. 30 april 1975, Pas. 1975, I, p. 860-861, Arr. Cass. 1975, p. 951-952; raadpl. Cass. 12 maart 1906 (Bull. en Pas. 1906, I, 161) en 8 februari 1940 (Pas. 1940, I, p. 41).
Datgene wat de Staat in de persoon van de ene minister verricht heeft, kan voor de Staat, in het geding vertegenwoordigd door een andere minister, noch voordeel, noch nadeel opleveren (Cass. 27 januari 1927, Pas. 1927, I, 132, conclusie eerste advocaat-generaal B. Jottrand; Cass. 8 februari 1940, Pas. 1940, I, p. 41; Cass. 30 april 1975, Arr. Cass. 1975, 951; Cass. 21 april 1989, Arr. Cass. 1988-89, 977, conclusie advocaatgeneraal G. D'Hoore, RW 1989-90, 120, noot; RvS 14 maart 1962, m. 9241, Mommens).
Om dezelfde reden kan er in beginsel geen schuldvergelijking zijn: de schulden van een persoon ten opzichte van het ene departement komen in beginsel niet in aanmerking voor compensatie met schuldvorderingen van diezelfde persoon op een ander departement (vgl. artikel 5 van de Wet 6 februari 1970 betreffende de verjaring van schuldvorderingen ten laste of ten voordele van de Staat en de provinciën. Zie i.v.m. de vroegere gelijkluidende bepaling van artikel 40 van de Wet 15 mei 1846: Cass. 29 november 1923, Pas. 1924, I, p. 52. Zie ook Cass. 29 mei 1973, Arr. Cass. 1973, 949; Cass. 17 december 1973, Arr. Cass. 1974, 438; Cass. 14 oktober 1974, Arr. Cass. 1975, 213).
2.3. Krachtens artikel 70, § 1, BTW-wetboek, wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting.
Krachtens artikel 84, derde lid, BTW-wetboek, wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.
Naar luid van artikel 1, eerste lid, 1°, van het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde voor overtredingen begaan vóór 1 november 1993 in tabel A, en voor overtredingen begaan na 31 oktober 1993 in tabel G van de bijlage bij dit besluit, ten aanzien van overtredingen beoogd in artikel 70, § 1, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaald.
In casu werd de geldboete overeenkomstig tabel G, Eerste afdeling, rubriek IV van de bijlage bij het Koninklijk besluit nr. 41 verminderd, hetzij tot 20 pct. van de verschuldigde belasting wegens het ten onrechte toepassen van artikel 20 van het Koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en overeenkomstig artikel 4 van dit Koninklijk besluit afgerond tot … EUR.
Luidens artikel 1, laatste lid, van het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, zijn de schalen voor vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van de overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.
Gezien de toepassing van de vermindering van de geldboete dient uit voormelde wetsbepaling te worden afgeleid dat geïntimeerde geen kwade trouw noch enig oogmerk om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken in hoofde van appellante weerhouden heeft.
De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, mag de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.
Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.
De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.
Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie o.a. Cass. (lek.) AR F.09.0146.N, 12 november 2010 (Belgische Staat/ Garage Doublet bvba), APT 2011 (samenvatting), afl. 1, 67).
Rekening houdende met de reeds wettelijk toegepaste herleiding van de geldboete tot 20 % dient te worden besloten dat de sanctie proportioneel is met de begane inbreuk en de ernst van de feiten. De administratie mocht in de gegeven omstandigheden in alle redelijkheid overgaan tot het opleggen van deze beperkte geldboete.
2.4. Ten deze staat tenslotte niet in betwisting dat een totaal bedrag van … EUR werd ingehouden bij toepassing van artikel 8/1, § 3, vierde lid, van het Koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.
Gezien de afwijzing van het verzet tegen het dwangbevel, bestaat er echter geen aanleiding tot teruggave van de ingehouden bedragen.
Het hoger beroep faalt derhalve in al zijn onderdelen zo in feite als in rechte.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Recht doende op tegenspraak,
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;
Wijst appellante ervan af en bevestigt het bestreden vonnis;
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Antwerpen van zes september tweeduizendenelf,
waar aanwezig waren :
D. W., Raadsheer wd. Voorzitter;
M. D. en
S. B., Raadsheren;
A. V. L., Griffier.
A.V. L. S. B. M. D. D. W.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.