Notification préalable d’indices de fraude · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 9 mai 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Notification préalable d’indices de fraudeTaxe sur la valeur ajoutée – Notification préalable d’indices de fraude - Preuve d’un service par l’administration

https://juriel.be/fr/jurisprudence/notification-prealable-indices-fraude-preuve-cour-appel-bruxelles-2023-05-09-c7af

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
9 mai 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
défavorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

126 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d’appel de Bruxelles du 09.05.2023

WF 503-15-12/048328

[Défavorable à l'administration]

Taxe sur la valeur ajoutée – Notification préalable d’indices de fraude - preuve d’un service par l’administration

Dispositions légales

Art. 84ter, CTVA

Procédure préliminaire

Résumé

La décision du secrétaire général de l’ISI du 25/01/1994 concernant la compétence territoriale n’a pas d’intérêt public de sorte que la contrainte ne peut être annulée sur base d’une éventuelle violation de celle-ci.

La notification effectuée sur pied de l’article 84ter CTVA ne doit pas apporter la preuve d’éventuels faits de fraude.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep Brussel, Kamer 6N, burgerlijke zaken

Arrest van 09/05/2023

Rol: 2014-AF-168

DE BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, Fod Financiën, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Adviseur-Eerstaanwezend Inspecteur van het Team Invordering Rechtspersonen Brussel 6 (voorheen Ontvangkantoor BTW Brussel 3), waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50 bus 3112,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. V. D. V. K., advocaat te …,

tegen

F. N.V., ON 045...74, met zetel te ..., geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. V. E. J. (…) loco Mr. C. M., advocaat te ...,

Het hof, na beraad, spreekt in openbare zitting volgend arrest uit. Gelet op de processtukken, inzonderheid,

- het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 28 april 2014 waarvan geen betekeningsakte voorligt en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 24 juni 2014 door appellant de Belgische Staat;

- de conclusies van appellant neergelegd ter griffie op 28 mei 2018, 27 november 2018 en 23 februari 2023 en die van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 28 februari 2018, 29 augustus 2018 (in tweevoud), 31 augustus 2018, 29 januari 2019 en 27 januari 2023;

- de stukken van appellant neergelegd ter griffie op 24 februari 2023 en die van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 5 februari 2019 en haar stukken 14 en 15.

Feiten en voorgaanden

Geïntimeerde is als BTW-plichtige geregistreerd onder BTW nr BE 450...74 en had een activiteit de uitbating van holdings en adviesbureaus in ruime zin.

De Belgische Staat heeft geïntimeerde op 8 oktober 2010 gecontroleerd nopens de toepassing van de BTW-wetgeving voor de periode januari 2006-juni 2010.

Dat resulteerde in een proces-verbaal inzake BTW van 7 november 2011.

Op 19 juli 2011 deed appellant aan geïntimeerde een kennisgeving krachtens artikel 84ter WBTW met de melding dat de verjaringstermijn tot 7 jaar zou worden uitgebreid wegens bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden inzake BTW-handelingen.

In het proces-verbaal voornoemd, verwijt de BBI geïntimeerde volgende inbreuken op de BTW- wetgeving naar aanleiding van de mede-eigendom van geïntimeerde voor 99 % in een aantal gebouwen en gronden te ....

De overige 1 % was in volle eigendom in handen van de vennootschap NV C. C. a. R. .

De aankoop van al die grond en gebouwen gebeurde in 2005.

In een deel van die onroerende goederen zou een vastgoedproject gerealiseerd worden. Bij de voornoemde controle zou zijn gebleken dat de BVBA M. C. de verkoopcommissies en kosten van verkoop ten laste zou nemen, in ruil voor de exclusiviteit van de aannemingscontracten van loften gelegen aan de ... voornoemd, toegekend aan die vennootschap M. C. .

Volgens de Belgische Staat had geïntimeerde in ruil voor die exclusiviteit een facturatie moeten verrichten aan die vennootschap M. C. . Er zou sprake zijn van een niet door geïntimeerde aangegeven omzet, te bereken op de totaalprijs van de "verkoop". Dit volgt uit de gedetailleerde analyse in het proces-verbaal inzake BTW van alle verkopen en commissies onderling betaald en gefactureerd tussen de voornoemde verbonden vennootschap en uit de analyse van verkoopscommissies en hun bedrag van derden­ tussenpersonen die tussen kwamen bij het tot stand komen van verkoopsovereenkomsten voor onderdelen van voornoemde onroerende goederen, zoals gedetailleerd uiteen gezet in het proces-verbaal zelf, waarnaar hier wordt verwezen.

In de voornoemde kennisgeving van 19 juli 2011 krachtens artikel 81bis § 1, lid 1 WBTW worden overigens als aanwijzingen van fraude de volgende elementen aangehaald :

- het gegeven dat geïntimeerde geen facturen heeft uitgereikt aan M. C.; er werden commissies voor verkoop aangerekend door immokantoren;

- die vennootschap M. C. kon dan ook geen kosten voor bemiddeling bij verkoop aannemen voor het volle pond;

- bepaalde commissies blijken meermaals te zijn doorgerekend;

- vermits geïntimeerde pas geïdentificeerd werd als BTW-plichtige vanaf 1 september 2008, kon zij aangerekende BTW op commissies op verkoop pas recupereren bij wijze van aftrek vanaf die datum;

- die drie genoemde vennootschappen blijken gelieerd wegens de wijze waarop hun bestuur georganiseerd is zodat geïntimeerde moest weten dat sprake was van fraude inzake BTW;

- dezelfde aangerekende commissielonen zijn terug gevonden bij meerdere vennootschappen; nochtans was minstens de vennootschap C. C. a. R. maar voor 1 % eigenaar.

Aldus werd in het proces-verbaal van 7 november 2011 gesteld dat het volgende door geïntimeerde nog verschuldigd was :

- Als BTW € 30.624,30

- Als proportionele boete € 61.248,60;

- Intresten;

- Vervolgingskosten.

In concreto bepaalt het proces-verbaal het bedrag van € 145.830,00 als een door geïntimeerde niet aangegeven omzet, belastbaar krachtens artikel 53 § 1, 2 en 3 WBTW en artikel 18 KB BTW nr.. Dat bedrag is vastgesteld als het totaal door de BVBA M. C. "ten laste genomen" commissies op verkopen van loften opgesomd in het proces-verbaal. Het proces-verbaal kwalificeert deze omzet als een vergoeding voor de exclusiviteit van de aanneming toegestaan door geïntimeerde, verschuldigd door die BVBA M. C. aan geïntimeerde, doch door deze laatste niet aan die eerste vennootschap gefactureerd, zodat het proces-verbaal besluit tot een niet aangegeven omzet voor voormeld bedrag, waarop een BTW verschuldigd is aan 21 %, zijnde een totaal aan BTW van € 30.624,30.

Op grond van dit voornoemd proces-verbaal werd een dwangbevel uitgevaardigd lastens geïntimeerde op 15 juni 2012, met referte 411...81, op 15 juli 2012 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en per aangetekend brief van 19 juni 2012 aan geïntimeerde betekend. Daarin worden de voornoemde bedragen gevorderd.

Bij dagvaarding van de Belgische Staat tot verschijning voor de Nederlandse rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 17 augustus 2012 werd dit dwangbevel betwist.

Geïntimeerde vorderde daarbij het dwangbevel te vernietigen alsook het voornoemd proces-verbaal en te zeggen voor recht dat de gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn, alsook de terugbetaling te bevelen van onterecht ingehouden bedragen, meer intresten. Ondergeschikt vorderde zij de opgelegde geldboete kwijt te schelden of te verminderen of uitstel van de tenuitvoerlegging ervan te bevelen.

De Belgische Staat vorderde de ongegrondverklaring van al die vorderingen.

Het bestreden vonnis verklaarde de vorderingen van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond, in de zin dat voor recht werd gezegd dat het dwangbevel geen uitwerking had en vernietigd werd evenzeer als het proces-verbaal inzake BTW voornoemd. Appellante werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Het motiveerde die beslissing door te stellen dat artikel 84ter WBTW en de uitbreiding van de verjaringstermijn erin bedoeld onregelmatig werd toegepast gezien het bewijs voorlag van het stellen van onderzoekshandelingen vóór de verzending van de erin bedoelde kennisgeving. Derhalve waren op grond van artikel 81bis § 1 lid 1 WBTW alle BTW-schulden voor handelingen vermeld in het dwangbevel verjaard op het ogenblik van de betekening van het dwangbevel, althans voor zover de oorzaak van opeisbaarheid zich voordeed voor 1 januari 2009.

Voor zover de vordering niet verjaard was (inzake de zogenaamde lofts nr. 1 tot en met 6, 12 en 15) motiveerde het bestreden vonnis dat de Belgische Staat niet het bewijs leverde van een dienstverlening door geïntimeerde zodat niet bewezen was dat op de "prijs" van die diensten BTW verschuldigd was.

Het hoger beroep is gericht tegen dit vonnis.

In rechte

Vorderingen en middelen van partijen

Vorderingen en middelen van appellant

Appellant vordert zijn hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren. Hij vordert het teniet doen van het bestreden vonnis en de ongegrondverklaring van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde. Hij vordert in ondergeschikte orde mits toepassing van de zogenaamde Antigoonleer bij vernietiging van het dwangbevel wegens de territoriale onbevoegdheid van de BBl-inspectie Gent 5, zodat de eventuele onregelmatigheid de geldigheid van het proces-verbaal en het dwangbevel voornoemd niet kan aantasten. Hij vordert ondergeschikt de opgelegde boete van € 61.420,00 niet te vernietigen, noch deze met uitstel op te leggen. Hij vordert de veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van het geding.

Hij voert daartoe de volgende middelen aan :

- het dwangbevel is regelmatig uitgevaardigd en geldig; de 5e BBl-inspectie was daartoe territoriaal bevoegd; het gaat om een incidenteel beroep van geïntimeerde; het uitvaardigen van het dwangbevel en alle onderzoeksdaden voldoen aan de voorschriften van de Beslissing van de Secretaris-Generaal van 25 januari 1994 (B.S. 1 februari 1995);

- er zijn geen onderzoeksdaden gesteld buiten het Nederlandstalig taalgebied; de uitoefening van die daden vindt zijn oorsprong en geldigheid in het WBTW zelf;

- geen verjaring van een deel van de BTW-vordering krachtens artikel 84ter WBTW is bewezen;

- de kennisgeving erin bedoeld is "voorafgaandelijk" gegeven;

- de arresten van het Hof van Cassatie van 27 maart 2015 en van het Grondwettelijk Hof van 19 januari 2017 ondersteunen de stelling van de Belgische Staat;

- die bepaling houdt geen wettelijke beperking op het controlerecht van de administratie in;

- de gedane kennisgeving is nauwkeurig zoals vereist in artikel 84ter WBTW;

- het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden in hoofde van geïntimeerde is bewezen;

- zij reikte gewoon geen facturen uit voor haar prestaties en de verkoopcommissies;

- de gesloten exclusiviteitsovereenkomsten en hun tegenprestatie houden een dienst in; dit blijkt ook uit de onderlinge relaties betreffende de handelspartners van geïntimeerde;

- de geldboete is rechtsgeldig opgelegd en juist begroot; geen vermindering kan worden toegepast; geïntimeerde participeerde aan BTW-fraude;

- geen uitstel van invordering ervan kan worden verleend.

Vorderingen en middelen van geïntimeerde

Geïntimeerde vordert het hoofdberoep ontvankelijk te verklaren doch ongegrond. Zij vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Zij herneemt haar vordering zoals gesteld in eerste aanleg. Zij vordert de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding in hoger beroep, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Zij voert hiertoe de volgende middelen aan :

- de territoriale onbevoegdheid van de 5e BBI te Gent, zowel voor de gestelde onderzoeksdaden en het opstellen van het pv als voor de uitvaardigen van het dwangbevel vermits deze alle onwettig zijn;

- de verjaring van de BTW-vorderingen gezien hetgeen gesteld in artikel 84ter WBTW en de schending van artikel 81bis § 1 WBTW. De verjaring bedoeld in artikel 81bis § 1 WBTW was ingetreden voor vorderingen waarvan de opeisbaarheid zich voordeed voor 1 januari 2009;

- het stellen van onderzoekshandelingen op een niet toegelaten ogenblik roept geïntimeerde niet meer in gezien de aangehaalde rechtspraak (Cass. en GH);

- de afwezigheid van een nauwkeurige kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking tegen geïntimeerde krachtens artikel 84ter WBTW;

- de afwezigheid van een bewijs van een bedrieglijk opzet of een oogmerk om te schaden in hoofde van geïntimeerde zodat artikel 81bis § 1 lid 2, 4 WBTW niet kan toegepast worden;

- de afwezigheid van bewijs van verschuldigdheid van BTW in hoofde van geïntimeerde; de willekeurigheid van de vordering van appellant en van de begroting van de verschuldigde BTW, in ondergeschikte orde;

- het onevenredig karakter van de opgelegde geldboete in de zin van artikel 6 EVRM;

- het verzoek tot vermindering van deze op grond van dezelfde bepaling, of van de kwijtschelding ervan;

- het verzoek tot het verlenen van uitstel van invordering ervan, en bij gebreke daarvan, de schending van het gelijkheidsbeginsel;

- inzake de kosten van het geding, vordert geïntimeerde ook de terugbetaling van de dagvaardingskosten.

Beoordeling

Aangaande de al dan niet territoriale bevoegdheid van het onderdeel van de administratie dat het onderzoek inzake BTW voerde en het dwangbevel uitvaardigde voor het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad waar geïntimeerde gevestigd is en was

Geïntimeerde voert de onbevoegdheid aan van de Bijzondere Belastinginspectie Gent 5 voor het gebied Brussel-Hoofdstad waar geïntimeerde ten tijde van de gedane onderzoeksverrichtingen inzake BTW, het opstellen van het proces-verbaal inzake BTW voornoemd en het opstellen van het dwangbevel voornoemd gevestigd was.

Dit is vanwege geïntimeerde geen "incidenteel beroep" maar een bijkomend argument en middel teneinde haar vordering tot bevestiging van het bestreden vonnis te staven.

Het gegeven dat dit middel pas in graad van hoger beroep wordt opgeworpen, belet niet dat het rechtsgeldig is opgeworpen.

Appellant betwist niet dat in beginsel zijn bevoegdheid tot het stellen van onderzoeksdaden en het uitvaardigen van dwangbevelen beperkt is, krachtens de Beslissing van de Secretaris­ Generaal van zijn administratie van 25 januari 1994 (B.5. 1 februari 1995), tot het ganse Nederlandstalige taalgebied.

De stelling van appellant dat alle onderzoekshandelingen en administratieve handelingen plaats grepen binnen dat taalgebied omdat hij zich ter zake van deze voor het taxeren van geïntimeerde niet moest verplaatsen naar het tweetalig gebied Brussel Hoofdstad, kan op zich niet worden aangenomen.

Dan nog blijkt dat de betwiste handelingen zijn gesteld voor een BTW-plichtige die niet gevestigd is in een staatkundig gebied waarvoor de administratie van appellant krachtens voormelde Beslissing van de Secretaris-Generaal van 25 januari 1994 bevoegd was.

Echter betreft die Beslissing een besluit dat de inwendige werking van een openbare dienst beoogt waartoe de administratie van appellant behoort, en die geen plichten formuleert in hoofde van de rechtsonderhorigen, zoals geïntimeerde. Zij heeft geen openbaar nut zodat niet op grond van de duidelijk aanwezige schending ervan over gegaan kan worden tot inwilliging van de vordering van geïntimeerde tot nietigverklaring van het dwangbevel en het bijhorende proces-verbaal en de voorafgaande administratieve onderzoeksdaden gesteld door de se BBI Gent (Cass. 10 juni 2010, F.09.0014.N).

De al dan niet schending van artikel 84ter WBTW en 81bis § 1 WBTW

Het bestreden dwangbevel vordert BTW voor de belastbare periode gelegen tussen 1 januari 2006 tot 30 juni 2010.

Op blz. 10 van haar op 27 januari 2023 neergelegde besluiten beroept geïntimeerde zich niet langer op het middel dat de kennisgeving bedoeld in artikel 84ter WBTW niet zou zijn verstuurd voorafgaand aan de eerste onderzoekshandeling, gelet op inmiddels tussen gekomen cassatierechtspraak.

Wel houdt geïntimeerde verder nog vol dat de eigenlijke gedane kennisgeving niet, zoals vereist door artikel 81 bis § 1, lid 1 WBTW (en, in se, artikel 84ter WBTW), nauwkeurig de kennisgeving zou doen van de vermoedens van belastingontduiking die tegen geïntimeerde bestaan voor de betreffende periode.

Geïntimeerde doelt daarbij op de BTW-navordering waarvoor de oorzaak van opeisbaarheid zich voordeed voor 1 januari 2009.

Zij stelt dat de kennisgeving geen dergelijke nauwkeurige kennisgeving doet.

Het hof kan daarmee na nazicht van de bewuste kennisgeving gedaan op 19 juli 2011 en de inhoud ervan niet instemmen.

De verplichting in voormelde bepaling strekt ertoe erop toe te zien dat de belastingplichtige zich rekenschap kan geven waarvan hij verdacht wordt zodat hij zich ter zake tegen eventuele navorderingen, of onderzoeken erover, en tegen eventuele komende administratieve boeten met kennis van zaken kan verdedigen en deze verdediging kan voorbereiden.

De kennisgeving beoogt niet al het bewijs te leveren van eventuele feiten van ontduiking, doch enkel de belastingplichtige op precieze wijze te waarschuwen over een komend onderzoek naar dergelijke feiten waarvoor de administratie over aanwijzingen ervan beschikt.

De hier bedoelde kennisgeving is op dat vlak voldoende precies. Het zet de omstandigheden van de eigendomsvoorwaarden uiteen waaraan geïntimeerde deelachtig is, de onderlinge relaties tussen de voornoemde verbonden vennootschappen, het gegeven dat het gaat om de bouwverrichtingen en verkopen betreffende die eigendom en het gegeven dat aanwijzingen bestaan dat één vennootschap kosten voor verkoop ten laste nam in ruil voor een exclusieve toebedeling van aannemingen aan haar, maar dat er onderzocht zal worden of geïntimeerde in dat kader dienstverrichtingen heeft verleend aan die vennootschap en gevraagd heeft ervoor te worden vergoed. Verder stelt de kennisgeving dat aanwijzingen bestaan dat commissies meerdere malen door gerekend zijn en dat geïntimeerde in ieder geval pas BTW-plichtig was vanaf 1 september 2008.

Dit maakt voldoende duidelijk dat in voorkomend geval kan worden vol gehouden dat geïntimeerde mogelijk geen facturatie heeft verricht terwijl dat wel moest met toepassing van de BTW-wetgeving, wat een mogelijke ontduiking is, en dat in een context van handelsactiviteiten met andere, ook verbonden vennootschappen, regels inzake BTW­ wetgeving mogelijk niet zijn nageleefd, en dat dat zal worden onderzocht.

Onterecht wordt vol gehouden dat de kennisgeving niet voldoet aan de vereisten van artikel 84ter WBTW, waaruit volgt dat op zich het gegeven een navordering tot doen inzake BTW voor de ganse periode bedoeld in artikel 81bis § 1 lid 2, 4 WBTW, niet "buiten termijn" is geschied of dat die vordering op zich dan bij het uitvaardigen van het dwangbevel hier bedoeld, verjaard was.

Deze vordering van geïntimeerde is niet gegrond, ook niet in zoverre de vordering van de Belgische Staat zich uitstrekt tot een navordering waarvan de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan voor 1 januari 2009.

Nopens de vraag of een verschuldigdheid van BTW bewezen is zoals vol gehouden in het dwangbevel van 14 juni 2012 en het proces-verbaal van 7 november 2011

Geïntimeerde betwist dat appellant heeft bewezen dat geïntimeerde een dienstverrichting heeft verleend aan de BVBA M. C. zoals uiteen gezet in het bestreden proces­ verbaal en waarvoor een facturatie van de prijs ervan had dienen te gebeuren met aanrekening van BTW.

Met reden besloot het bestreden vonnis tot de afwezigheid van een bewijs van een dienstverlening door geïntimeerde aan de BVBA M. C. bestaande in het "verlenen van exclusiviteit" voor het doen van aannemingen aan gebouwen en op gronden waarvan geïntimeerde voor 99 % eigenaar was, die zou moeten vergoed worden door de prijs die daarvoor in het proces-verbaal bepaald wordt (bestaande uit de commissies onderling aangerekend aan en door andere vennootschappen van de zogenaamde "bouwgroep" en derden-tussenpersonen), en dit ook voor ganse periode beschouwd in dat proces-verbaal van 7 november 2011.

Er is niet in voldoende mate bewezen dat het verlenen door geïntimeerde van "exclusiviteit" voor het doen van aannemingen een materieel of intellectueel werk is, of een dienstverrichting gedaan door geïntimeerde in de zin van artikel 18 WBTW die precies vergoed zou zijn geweest door het "ten laste nemen van kosten van verkoop" voor de bedragen zoals weerhouden qua omzet in het proces-verbaal en in het dwangbevel.

Weliswaar heeft geïntimeerde klaarblijkelijk afgezien van het maken van winst en omzet voor kosten van verkoop die zij mogelijk had kunnen doorrekenen aan derden of voor het verlenen van de zogenaamde exclusiviteit, omdat het ging om verkopen van gebouwen en/of gronddelen die grotendeels haar eigendom waren, doch dat zij naast de verkoopprijs voor die onroerende goederen een "omzet" boekte of moest boeken (of moest factureren aan BVBA M. C.), bestaande in kosten van verkoop als tegenprestatie voor de beweerde dienstverrichting aan de BVBA M. C. haar exclusiviteit te verlenen als aannemer voor bouwwerken op haar dan nog eigendom (voor 99 %) precies voor de bedragen in het proces-verbaal samen gerekend, is niet in voldoende mate bewezen. Dit is terecht zo beslist door het bestreden vonnis, en dit geldt ook voor de overige gecontroleerde belastbare periode dan die waarvoor het bestreden vonnis de verjaring van de vordering van de Belgische Staat aannam. Een taxatie op een ideële of hypothetisch gedane verrichting door geïntimeerde kan niet worden door gevoerd.

Meer nog, er is in onvoldoende mate bewezen dat het verlenen van "exclusiviteit" voor aannemingen aan de BVBA M. C., een dienstverrichting was, waarvan de tegenprestatie bepaald moet worden op de prijs bepaald in het proces-verbaal, die in essentie samen gesteld is na analyse van en optelling van bedragen aangetroffen bij de controle van derden-vennootschappen en derden-personen onderling daar aangerekend als verkoopscommissie. De correlatie tussen die prijs en de beweerde dienstverrichting "exclusiviteit" te verlenen, is geponeerd maar niet bewezen, zoals terecht minstens ten dele door het bestreden vonnis vastgesteld.

De bijzondere bewijskracht van artikel 59 WBTW voor een proces-verbaal inzake BTW strekt zich enkel uit tot de eigenlijke vaststellingen gedaan door de verbaliserende ambtenaar, niet tot de gevolgtrekkingen die hij of zij eruit afleidt.

Huidig geding handelt enkel over de fiscale toestand van geïntimeerde, niet over die van andere vennootschappen of derden (met name BVBA M. C., de NV C. C. a. R. en/of de heer D. S.) en de in de schoot van dezen al dan niet terecht ten laste genomen kosten voor wat dan ook of facturaties onderling of gedane aftrekken van voorbelasting inzake BTW, die hun beslag moeten kennen in het kader van het eventueel rechtzetten van hun fiscale toestand. In het kader van dit geding is dit hof daarover niet bevoegd.

Nu een daadwerkelijke dienstverrichting, en haar eventuele tegenprestatie niet ten genoegen van recht bewezen is, moet het bestreden vonnis bevestigd worden en komt het overbodig voor de overige argumenten en middelen van partijen nog verder te bespreken, daar zij niet kunnen leiden tot een "herleving" van de vordering van de Belgische Staat. Eveneens terecht overigens, besloot het bestreden vonnis tot de vaststelling dat de bewijslast in deze zaak integraal berust bij appellant, die echter niet in voldoende mate blijkt ingevuld te zijn.

Aangaande de kosten

Gelet op het voorgaande, moet appellant veroordeeld worden tot de kosten van het hoger beroep, begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van € 4.500,00.

Dispositif

OM DEZE REDENEN, HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep van appellant ontvankelijk doch ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis om de redenen hoger aangehaald,

Veroordeelt appellant tot de kosten van het hoger beroep, begroot op € 4.500,00 geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van de 6N kamer van het hof van beroep te Brussel op 9 MEI 2023

…

Textes cités

6
CTVA art. 84ter13 occurrences
CTVA art. 81bis7 occurrences
CTVA art. 42 occurrences
CTVA art. 181 occurrence
CTVA art. 531 occurrence
CTVA art. 591 occurrence

Décisions similaires

8