Majoration du chiffre d’affaires, Présomptions, majoration du chiffre d'affaires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Anvers 29 mars 2022

Rechercher
Texte en néerlandais

Majoration du chiffre d’affaires, Présomptions, majoration du chiffre d'affaires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/majoration-chiffre-affaires-presomptions-presomption-cour-appel-anvers-2022-03-29-d6fe

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Anvers
Date
29 mars 2022

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF
Sens lu par le SPF
favorable à l'État belge

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

213 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'appel d'Anvers du 29.03.2022

WF 707-15-19/010278

[Favorable à l’Etat belge]

Taxe sur la valeur ajoutée – Majoration du chiffre d’affaires – Présomptions

Dispositions légales

Articles 59, § 1er, et 64, § 1er, du Code de la TVA

Article 1349 (ancien) du Code civil

Article 8.29 du Code civil

Résumé

1) Les faits et les antécédents de procédure

L’assujettie exploite une sandwicherie. Il ressort d’un contrôle effectué chez un fournisseur de l’assujettie que des marchandises achetées par cette dernière n'avaient pas été facturées. Cela s’est clairement révélé sur la base de la comparaison entre les bons de livraison trouvés chez le fournisseur et les factures reprises dans la comptabilité de l’assujettie. L'administration a calculé une majoration du chiffre d'affaires sur cette base. Pour cela, elle a utilisé la marge bénéficiaire brute figurant dans les comptes annuels de l’assujettie pour les années en question et a appliqué le taux de TVA de 12 % compte tenu de l'activité du assujettie, de la nature des achats au noir et du fait que, dans les déclarations-TVA, le chiffre d'affaires était déclaré au taux de 12 %

Aucun accord amiable n'ayant pu être trouvé concernant la proposition d'augmentation du chiffre d'affaires, un procès-verbal a été dressé par l'administration. L’assujettie a ensuite déposé une requête au greffe du tribunal de première instance.

Le juge officiant en première instance a estimé que l'administration n'avait pas satisfait à la charge de la preuve qui lui incombait étant donné que son action ne reposait que sur des documents internes à la comptabilité du fournisseur et que ces documents étaient contestés par l’assujettie. En outre, le dossier ne contenait aucune donnée objective confirmant les achats au noir effectués dans le chef de l’assujettie. Par conséquent, le tribunal a déclaré la demande de l’assujettie recevable et fondée. L'administration a fait appel de ce jugement.

2) L'arrêt de la cour d'appel

A la demande de l’assujettie de produire l’entièreté du dossier de contrôle concernant son fournisseur, la cour répond que tous les documents pouvant être utiles à ce litige ont déjà été produits et qu'il n'y a donc pas lieu d'ordonner le dépôt de l’entièreté du dossier.

En ce qui concerne la preuve de la majoration du chiffre d'affaires, la cour constate que les bons de commande et les factures en question reprises dans la comptabilité ont été présentés et que les données qui y sont mentionnées sont crédibles et cohérentes entre elles. De plus, selon la cour, l'authenticité des documents trouvés chez le fournisseur est confirmée par plusieurs autres faits.

En outre, l’authenticité des données est confirmée par le fait que le mode opératoire de l’assujettie correspond au modus operandi décrit dans le procès-verbal dressé à la suite de l'enquête menée dans les locaux du fournisseur.

Le fait que la partie adverse n'ait pas conclu d'accord avec l'administration, contrairement à 43 des 45 clients contrôlés de ce fournisseur, ne démontre pas que l’assujettie n'a pas acheté de marchandises sans facture.

La cour juge également qu'il n'y a pas de raisons de douter de l'exactitude des données et qu'elles peuvent être considérées comme établies et cohérentes. Par conséquent, elles peuvent servir de base à une présomption au sens de l'article 59, § 1er, du Code de la TVA. La majoration d'affaires a donc été calculée de manière correcte par l'administration.

La cour a également jugé que le coefficient de marge brute appliqué et le taux de TVA appliqué ne sont pas arbitraire. Il n'y a pas non plus une cascade de présomptions illégale.

En ce qui concerne l'amende de 200 % infligée, la cour estime que la nature et l'ampleur de l'amende étaient dûment justifiées. Il n'y a donc pas lieu de la réduire.

La cour déclare donc le recours en appel de l'administration recevable et fondé. La cour confirme les montants réclamés par l'administration.

Texte de l’arrêt

L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale

Corps de la décision

Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken

Arrest van 29/03/2022

Rol: 2020/AR/1818

DE BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR VAN HET KMO ANTWERPEN, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92,

Eiser in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. D. A., advocaat te ...

tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 16 oktober 2020, gekend onder rolnummer 19/561/A

tegen

M. B. BV, ON 088...86, met maatschappelijke zetel te ...,

Verweerster in hoger beroep, voor wie verschenen is mevrouw D. S., zaakvoerder vertegenwoordigd door mr. R. I., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 16 oktober 2020, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 23 november 2020, waarbij een tijdig hoger beroep wordt ingesteld.

1. Voorafgaande feiten en procedure

1.1. Voorwerp van de betwisting.

De betwisting betreft een bij dwangbevel nr. 500...23 nagevorderd bedrag aan BTW en een BTW-boete voor de jaren 2011 en 2012.

BV M. B. baat een broodjeszaak uit in ... en is als dusdanig geregistreerd als BTW­ belastingplichtige.

1.2. Aanslag en bezwaar.

Bij aangetekende brief van 25 juni 2018 deed de administratie een kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn inzake BTW in toepassing van artikel 84ter WBTW voor wat betreft de jaren 2011 en 2012 (stuk 4 administratief dossier). Er werd meegedeeld dat op 13 december 2012 een onaangekondigde controle plaatsvond door de BBI bij een vertegenwoordiger van NV V. H., leverancier in vleeswaren, sauzen, diepvriessnacks, broodjes, frisdranken, bier, vetten en oliën, conserven, zuurwaren/kruiden/verrijkers, koffie en thee, verpakkingen en onderhoudsproducten. Er werden bij deze leverancier van verweerster in hoger beroep leveringsbonnen en interne facturen aangetroffen. Uit de vergelijking tussen deze leveringsbonnen en interne facturen bleek dat voor 2011 12.227,51 EUR aangekochte goederen niet werden gefactureerd aan BV M. B. en voor 2012 14.577,91 EUR aan aangekochte goederen.

Op 25 september 2018 volgde een vraag om inlichtingen aan BV M. B. tot het bezorgen van een historiek van de aankopen bij V. H. in de jaren 2011 en 2012 en om de boekingen van de aankopen bij deze leverancier in de jaren 2011 en 2012 toe te lichten (stuk 5 administratief dossier).

Op deze vraag werd op 23 oktober 2018 geantwoord dat E. V. destijds de boekhouder was van de vennootschap, doch dat hij overleden is in oktober 2014, waarna een curator en een andere boekhouder werden aangesteld. Het dossier van BV M. B. werd evenwel nooit aan de opvolgende boekhouder bezorgd (stuk 6 administratief dossier). Het bleek een warboel te zijn geworden, met als gevolg dat de vennootschap onmogelijk de gevraagde informatie kon bezorgen.

Er werd een correctieopgave opgemaakt, waarin sprake was van een bedrag van 9.057,85 EUR aan verschuldigde BTW en een proportionele boete ingevolge artikel 70, §1 en/of §1bis WBTW van 18.115,70 EUR (stuk 7 administratief dossier). Uit een vergelijking van de bij leverancier V. H. NV aangetroffen leveringsbonnen en interne facturen bleek dat in boekjaar 2011 een bedrag van 16.721,08 EUR aan aangekochte goederen niet werd gefactureerd aan BV M. B. en in boekjaar 2012 en een bedrag van 15.859,04 EUR. De brutowinstmarge werd berekend aan de hand van de gegevens in de interne jaarrekening van 2011 en 2012 op 2,99 voor 2011 en 2,60 voor 2012. Rekening houdend met de activiteit van de belastingplichtige en met de aard van de zwarte aankopen en gelet op het feit dat er in de BTW-aangiften omzet werd aangegeven tegen een tarief van 12%, was het volgens de administratie aannemelijk dat bij de verkoop van dergelijke aankopen het hoogste toepasselijke tarief 12% bedroeg.

Op 20 november 2018 werd een proces-verbaal opgemaakt, gevolgd door een dwangbevel, opgemaakt op 3 december 2018, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 4 december 2018 (stuk 1 administratief dossier). Het totaal verschuldigde bedrag betrof op dat moment (rekening houdend met niet gefactureerde aankopen van 12.227,51 EUR voor 2011 en 14.577,91 EUR voor 2012) 32.313,95 EUR, hetzij

BTW: 9.057,85 EUR

BTW-boete: 18.115,70 EUR

Reeds verlopen interesten vanaf 21 januari 2013: 5.140,00 EUR

Te vermeerderen met de nalatigheidsinteresten vanaf 21 december 2018 in toepassing van artikel 91, §1 WBTW, desgevallend nog moratoire interesten op nog verschuldigde sommen vanaf de kennisgeving of betekening van het dwangbevel overeenkomstig artikel 91, §4 WBTW en de vervolgingskosten, gerechtskosten en kosten, verbonden aan hypothecaire inschrijvingen.

Dit dwangbevel werd bij aangetekende brief van 5 december 2018 ter kennis gebracht van BV M. B. (stuk 1 administratief dossier).

1.3. Procedure voor de eerste rechter.

BV M. B. legde op 5 februari 2019 een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. De vennootschap vorderde om haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en om dienvolgens het dwangbevel nr. 500...23 integraal nietig te verklaren en te zeggen voor recht dat de gevorderde bedragen niet verschuldigd zijn. De vennootschap vorderde om de Belgische Staat te veroordelen om alle reeds betaalde of ingehouden bedragen terug te betalen, meer de interesten en om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, daarin begrepen de rechtsplegingsvergoeding.

In het tussenvonnis van 28 februari 2020 stelde de eerste rechter vast dat de leverings- dan wel bestelbonnen waarnaar de belastingadministratie verwees niet aanwezig waren in het dossier, terwijl gebleken was dat de vennootschap deels inzage had gehad van deze bonnen en hierover standpunt zou innemen.

De vordering werd ontvankelijk verklaard, doch de heropening van de debatten werd bevolen om partijen toe te laten de relevante leverings- dan wel bestelbonnen bij te brengen en hierover standpunt in te nemen.

De bestelbonnen en interne facturen van NV V. H. werden neergelegd door de Belgische Staat.

In het eindvonnis van 16 oktober 2020 ging de rechtbank vooreerst niet in op de vraag van de vennootschap tot voorlegging en/of inzage van het dossier lastens NV V. H., nu de stukken waarop de BTW-vordering werd gesteund werden neergelegd.

Hij stelde verder vast dat BV M. B. de juistheid van de documenten uit het dossier van NV V. H. betwistte en aldus ook dat er zwarte aankopen bij deze leverancier waren geweest. De eerste rechter oordeelde dat het de administratie toekwam om te bewijzen dat de belasting verschuldigd was en stelde vast dat de administratie in toepassing van artikel 59 WBTW een vermoeden steunde op de vergelijking tussen de bestelbonnen en de interne verkoopfacturen van NV V. H. .

De administratie kon zich volgens de eerste rechter weliswaar beroepen op documenten van derden, doch enkel wanneer aan de juistheid van deze gegevens niet kon worden getwijfeld. Nu de taxatie enkel op deze interne documenten van NV V. H. was gesteund, deze stukken door BV M. B. werden betwist en er geen objectieve gegevens in het dossier voorhanden waren die de zwarte aankopen in hoofde van BV M. B. bevestigden, oordeelde de eerste rechter dat de administratie faalde in haar bewijslast, zodoende dat er geen meeromzet in hoofde van de vennootschap kon worden weerhouden. Ook de boete kwam derhalve te vervallen.

De vordering van BV M. B. werd ontvankelijk en gegrond verklaard en de vordering van de Belgische Staat tot het betalen van 9.057,58 EUR aan BTW, 18.115,70 EUR aan boete, beiden te vermeerderen met interesten en vervat in het bewuste dwangbevel van 3 december 2018 werd ongegrond verklaard. De Belgische Staat werd veroordeeld tot de kosten van het geding, in hoofde van de vennootschap vereffend op een bijdrage voor het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand van 20,00 EUR.

1.4. Procedure voor het hof van beroep.

De Belgische Staat, thans eiser in hoger beroep vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en om het bestreden vonnis aldus te hervormen. De Belgische Staat vordert aldus om te zeggen voor recht dat het dwangbevel nr. 500...23 niet door nietigheid is aangetast en dat de erin gevorderde bedragen ten titel van BTW, boete en nalatigheidsinteresten wel degelijk verschuldigd zijn. Ze vraagt om niet tot kwijtschelding of vermindering van de boete over te gaan en te oordelen dat alle eventuele betalingen, inhoudingen en/of toerekeningen ter inlossing van deze schuld dan ook rechtmatig hebben plaatsgevonden en dat er geen terugbetalingen door de Belgische Staat dienen bevolen te worden. De Belgische Staat vordert om de vennootschap te veroordelen tot alle kosten van beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, begroot op 2.600,00 EUR, alsook de bijdrage aan het begrotingsfonds van 20,00 EUR.

BV M. B., verweerster in hoger beroep, vordert om, alvorens recht te doen, de Belgische Staat te veroordelen tot het overmaken en/of het verlenen van inzage van het dossier lastens NV V. H. en om het bestreden vonnis te bevestigen, minstens om de vorderingen van de Belgische Staat af te wijzen als onontvankelijk, minstens ongegrond. De vennootschap vordert om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 2.600,00 EUR.

2. Bespreking

2.1. Voorlegging van het dossier van NV V. H. .

Verweerster in hoger beroep vordert dat het dossier van NV V. H. zou worden voorgelegd, omdat daarin misschien een reden kan gevonden worden waarom bestelbons werden opgemaakt met vermelding van de naam van BV M. B. .

Het hof stelt samen met de administratie vast dat alle stukken uit het dossier NV V. H., die dienstig kunnen zijn voor onderhavige betwisting werden bijgebracht zodat er geen reden is om de voorlegging van het volledige dossier te bevelen. Er is niets dat erop wijst dat zich in het dossier van NV V. H. stukken in het voordeel van verweerster in hoger beroep bevinden die nog niet werden neergelegd.

2.2. Motivering bestreden vonnis.

Volgens de Belgische Staat is het bestreden vonnis niet afdoende gemotiveerd, vermits niet wordt verduidelijkt waarom het in detail uitgelegde en onderbouwde fraudesysteem van de leverancier en de redenen waarom verweerster in hoger beroep daarin betrokken was zonder meer van tafel werd geveegd.

Vonnissen en arresten moeten gemotiveerd zijn (artikel 149 Grondwet en artikel 780 Ger.W.). Vermits het gaat om een vormvereiste, is aan deze verplichting voldaan van zodra de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen aangeeft die hem ertoe hebben gebracht uitspraak te doen zoals hij heeft gedaan, ongeacht of ze nu fout of onwettig zijn. De rechter hoeft daarbij niet in detail te treden, noch elke aanvoering uitdrukkelijk te beantwoorden.

Loutere beweringen kunnen gewoon worden tegengesproken en aanvoeringen die omwille van zijn beslissing over het geschilpunt zelf niet meer ter zake dienend zijn, moeten niet meer beantwoord worden (cfr. G. De Maeseneire, "Motivering rechterlijke beslissing", N.l. W., 2007, 195).

Het hof stelt vast dat het eerste vonnis bondig doch zeer duidelijk werd gemotiveerd, waarbij de rechter duidelijk de redenen aangeeft waarom hij tot een gegrondverklaring komt van de vordering van de vennootschap. Er kan de eerste rechter dan ook geen schending van zijn motiveringsplicht worden verweten.

2.3. Bewijs van de omzetverhoging.

Volgens de Belgische Staat is de omzetverhoging gesteund op een samenhangend geheel van wettelijke en feitelijke vermoedens. Dit wordt betwist door de vennootschap, die zich aansluit bij het oordeel van de eerste rechter.

2.3.1. Eerste vermoeden: meer aankopen.

Overeenkomstig artikel 59, §1 W.BTW mogen feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door de middelen van het gemeen recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch met uitzondering van de eed.

Vermoedens zijn gevolgtrekkingen die kunnen afgeleid worden uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit (artikel 1349 B.W.(oud)). De bewijswaarde van vermoedens wordt overgelaten aan het oordeel van de rechter, die ze enkel zal aannemen indien zij op één of meer ernstige en precieze aanwijzingen berusten. Voor zover het vermoeden op meerdere aanwijzingen steunt, moeten ze met elkaar overeenstemmend zijn (artikel 8.29 B.W.).

Een bewijsvoering door middel van vermoedens veronderstelt een logische redenering, waarbij, vertrekkend van gekende feiten, wordt besloten tot het bestaan van een onbekend gegeven. Het is niet vereist dat die vermoedens noodzakelijk uit die feiten volgen; het is voldoende dat ze er eruit kunnen volgen (vgl. Cass., 22 oktober 2004, F.03.0028.N).

De administratie moet dus vertrekken van feiten die vaststaan. Wanneer de administratie zich beroept op gegevens of verklaringen van derden moet die informatie met grote omzichtigheid benaderd worden. Bijgevolg zijn dergelijke gegevens enkel bruikbaar voor zover aan de juistheid ervan niet kan getwijfeld worden en voor zover ze bevestigd worden door andere objectieve gegevens {zie onder meer de rechtspraak vermeld bij 1. De Troyer en l. Vandenberghe, Handboek fiscale procedure inkomstenbelastingen, lntersentia, Antwerpen, 2018, p. 115, nr.138 en volgende).

In onderhavig geval steunt de administratie de berekening van de meeromzet op stukken, meer bepaald roze bestelbonnen en facturen op naam van BV M. B., aangetroffen bij NV V. H., leverancier van verweerster in hoger beroep.

NV V. H. maakte op 19 januari 2011 het voorwerp uit van een onaangekondigde controle door een aantal ambtenaren van de BBl-inspectie van Antwerpen (proces-verbaal 20 augustus 2014, stuk 37 administratief dossier). Er werden foto's genomen van de beroepslokalen en van sommige aangetroffen documenten. Er werden documenten en kopies van documenten meegenomen tegen ontvangstbewijs en er werden vier processen­ verbaal van vaststellingen opgemaakt. Er werden ook kepies genomen van verscheidene computers en USB-sticks en hiervan werd eveneens een proces-verbaal opgemaakt.

Ook op 13 juli 2012 werd de maatschappelijke zetel van NV V. H. bezocht (proces­ verbaal 20 augustus 2014, stuk 37 administratief dossier), werden er foto's genomen van de beroepslokalen en van sommige aangetroffen documenten. De heer V. D. was aanwezig maar weigerde te antwoorden op vragen. Er werd een proces-verbaal opgemaakt en er werden documenten en kepies van documenten meegenomen tegen ontvangstbewijs.

In een proces-verbaal van 20 augustus 2014 (stuk 37 administratief dossier) werd uit de gedane vaststellingen bij NV V. H. het volgende afgeleid:

"Uit voorgaande vaststellingen leid ik af dat de NV V. H. systematisch goederen levert zonder rechtmatige factuur.

Er worden leveringsbonnen aangemaakt die bij de levering worden meegegeven, zowel aan de chauffeur bij de leveringen die bij de klant worden afgeleverd als bij de leveringen die worden afgehaald door de klanten in het magazijn op de maatschappelijke zetel van NV V. H. . De in het zwart geleverde goederen worden cash ontvangen inclusief BTW en de officieel geboekte of witte leveringen worden meestal per bank of chèque betaald.

Er worden vervoerlijsten aangemaakt die worden meegegeven met de chauffeurs. Hierop worden de bedragen van de echte leveringen vermeld en de chauffeurs schrijven de ontvangen bedragen op. Nadat ze binnengekomen zijn wordt een 2de versie van deze vervoerlijst opgemaakt met de te factureren bedragen. Deze bedragen zijn lager dan deze op de 1e vervoerslijst.

De zwarte betalingen worden ingeboekt en bijgehouden in een apart systeem.

Er bestaan afspraken met de klanten over de te hanteren hoeveelheden of percentages die in het zwart geleverd worden.

Bij de verscheidene klanten werden bewijzen aangetroffen van zwarte betalingen die overeenstemmen met vaststellingen bij V. H..

Bepaalde documenten die de zwarte leveringen bewijzen worden wekelijks verwijderd uit de bedrijfslokalen van V. H. en ondergebracht op het privéadres van de bediende de heer ... .

De NV V. H. boekt de omzet op fictieve klanten en stelt hiervoor valse facturen op. De NV V. geeft als groothandel haar klanten de mogelijkheid de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, gezien ze stelselmatig goederen heeft verkocht aan belastingplichtigen zonder een geldige factuur uit te reiken."

Als stuk 22 van het administratief dossier werden kopies voorgelegd van de roze bestelbonnen en de interne facturen op naam van BV M. B. voor het boekjaar 2011, waarbij op de bestelbon telkens een bedrag vermeld staat, dat overeenkomt met de som van de twee op de interne factuur vermelde bedragen: een bedrag dat gedrukt staat en een bedrag dat met de hand werd ingevuld. Het betreft voor boekjaar 2011 ongeveer 130 gevallen.

Artikel 23 van het administratief dossier betreft gelijkaardige kopies van roze bestelbonnen en interne facturen voor boekjaar 2012.

Op de bestelbonnen komen handgeschreven vermeldingen voor van personen, die door de administratie geïdentificeerd werden als chauffeurs van NV V. H. (stuk 37 administratief dossier).

Het valt op dat het handgeschreven bedrag op de interne facturen telkens overeenstemt met de helft van het op deze interne facturen vermelde totale bedrag, exclusief BTW. Dit gegeven stemt overeen met het feit dat M. B. op stuk 18 administratief dossier voorkomt als zijnde een klant (nr. 13169) die voor 50% in het zwart afnam.

Als stuk 11 legt de Belgische Staat een lijst voor van de officiële facturen, die door NV V. H. werden uitgeschreven aan BV M. B.. Het factuurbedrag op deze lijst stemt overeen met de helft van het bedrag, excl. BTW, vermeld op de interne facturen.

De facturen zelf worden niet voorgelegd maar er is geen enkele reden om te twijfelen aan de waarachtigheid van deze door de administratie opgemaakte lijst. De voorlegging van de facturen zelf dient dan ook niet bevolen te worden. Het hof merkt daarbij trouwens op dat deze facturen niet kunnen vergeleken worden met de facturen in het bezit van verweerster in hoger beroep, nu blijkt dat deze na het overlijden van de voormalige boekhouder over geen enkel boekhoudkundig stuk en dus ook niet meer over de betrokken facturen beschikt.

In een proces-verbaal van vaststellingen bij verweerster in hoger beroep van 18 april 2012 (stuk 17 administratief dossier) werd vastgesteld:

- Dat er 38 zitplaatsen zijn maar dat er geen BTW-bons worden uitgeschreven.

- Dat de kassa niet goed blijkt te functioneren en dat er geen rapporten worden gegenereerd.

- Dat er geen bewijsstukken zijn van de omzet.

- Dat er geen kasboek is, hoewel het een BVBA betreft.

- Dat de kassatickets niet genummerd zijn en dat de artikelen fout worden genummerd.

Het staat vast dat in hoofde van BV M. B. geen boekhoudkundige stukken meer voorhanden zijn. Dat dit in hoofde van verweerster in hoger beroep overmacht uitmaakt blijkt uit geen enkel objectief gegeven. Er is slechts sprake van overmacht wanneer de belastingplichtige door een situatie, onafhankelijk van zijn wil, en die niet kon worden voorzien of afgewend, niet in staat is geweest om binnen de wettelijk voorziene termijn aan zijn wettelijke verplichtingen te voldoen. De bewijslast rust hierbij op de belastingplichtige. Het enige dat vaststaat is dat de heer V., de voormalige boekhouder is overleden in oktober 2014, dat meester N. V. aangesteld werd als curator en dat deze bevestigde dat er geen documenten konden worden bezorgd, mede omdat een deel van de stukken werden geblokkeerd door een derde die deze slechts wou vrijgeven na betaling van bepaalde bedragen. Een belastingplichtige is verantwoordelijk voor de keuze van zijn lasthebber. Hij dient controle uit te oefenen op diens werkzaamheden en kan zich niet verschuilen achter de nalatigheid van zijn lasthebber. Overmacht werd aldus niet aangetoond.

Het hof oordeelt, gelet op het voorgaande dat de administratie naar behoren heeft aangetoond dat verweerster in hoger beroep een groot deel van haar goederen afnam van NV V. H., zonder dat daarvoor een officiële factuur werd opgemaakt. De betrokken bestelbonnen en interne facturen van de leverancier worden voorgelegd. Het betreft een grote hoeveelheid aan gedetailleerde bonnen en interne facturen voor elk van beide jaren. De gegevens die erop vermeld werden zijn geloofwaardig en stemmen onderling overeen.

Hun waarachtigheid wordt bovendien bevestigd door het feit dat de manier van werken van verweerster in hoger beroep overeenstemt met de modus operandi, beschreven in het proces-verbaal naar aanleiding van het onderzoek bij NV V. H., waarbij 43 van de 45 gecontroleerde afnemers van deze leverancier, die volgens dezelfde wijze opereerden een regeling troffen met de fiscale administratie. Uit het feit dat BV M. B. niet tot een regeling overging kan niet worden afgeleid dat ze geen goederen aankocht zonder factuur. De waarachtigheid van de bij de leveranciers aangetroffen stukken wordt verder bevestigd door:

Het feit dat telkens voor 50% in het zwart werd afgenomen, zoals bevestigd in stuk 18 administratief dossier.

De vermeldingen, op de leveringsbonnen bijgeschreven door personen, door de fiscale administratie geïdentificeerd als chauffeurs bij NV V. H. .

Het feit dat verweerster in hoger beroep zelf geen kasboek, kassaregister en BTW­ bonnen bijhield, hoewel ze daartoe verplicht was.

Het feit dat de boekhouding van verweerster in hoger beroep niet meer voorhanden is, zonder dat daarvoor een aanvaardbare reden voorhanden is.

Er is derhalve geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens, vermeld op voormelde stukken en deze gegevens kunnen derhalve als vaststaand en overeenstemmend beschouwd worden. Zij kunnen bijgevolg als basis dienen voor een vermoeden in de zin van artikel 59, §1 W. BTW. Het feit dat in deze geen door de zaakvoerder van verweerster in hoger beroep ondertekende stukken voorhanden zijn doet aan de betrouwbaarheid van deze gegevens geen afbreuk.

De administratie is op basis van een vergelijking van de roze bestelbonnen, de interne facturen en de werkelijk gefactureerde bedragen op een correcte wijze overgegaan tot een berekening van de niet gefactureerde aankopen bij NV V. H. .

2.3.2. Tweede vermoeden: wat aangekocht werd wordt vermoed met toepassing van de BTW terug te zijn verkocht.

Overeenkomstig artikel 64, §1 W. BTW wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Uit punt 2.3.1. blijkt dat verweerster in hoger beroep in 2011 voor 12.227,51 EUR en in 2012 voor 14.577,91 EUR aan goederen bij NV V. H. werden aangekocht, zonder dat daar een factuur voor werd opgemaakt.

Gelet op artikel 64, §1 W. BTW mag de administratie vermoeden dat deze goederen werden geleverd onder de voorwaarden waaronder de BTW opeisbaar is geworden.

Het tegenbewijs wordt door verweerster in hoger beroep geenszins geleverd.

2.3.3. Derde vermoeden: toegepaste brutowinstcoëfficiënt.

De administratie paste op de aldus vermoede leveringen een brutowinstcoëfficiënt toe die overeenstemt met de coëfficiënt van de officiële leveringen. Er werd aldus geenszins willekeurig tewerk gegaan en uit geen enkel gegeven blijkt dat voor de hier in betwisting zijnde leveringen andere coëfficiënten werden gehanteerd.

2.3.4. Vierde vermoeden: toegepaste BTW-tarief.

Wanneer iemand belastbare leveringen verricht met betrekking tot goederen of diensten die aan een verschillend tarief onderworpen zijn, dan worden die handelingen behoudens tegenbewijs geacht voor het geheel betrekking te hebben op de goederen of de diensten waarvoor het hoogste tarief geldt. Artikel 64, §3 W.BTW voert aldus een weerlegbaar wettelijk vermoeden in.

In onderhavig geval heeft de administratie het tarief van 12% toegepast rekening houdend met de activiteit van de belastingplichtige en met de aard van de niet-geboekte aankopen (hoofdzakelijk snacks, sauzen, broodjes,...) en gelet op het feit dat de klanten de mogelijkheid hadden om ter plaatse te consumeren. De belastingplichtige toonde toen en nu nog steeds niet aan dat de niet-aangegeven omzet daadwerkelijk goederen en diensten betroffen die de toepassing van het verlaagd tarief van 6% rechtvaardigden.

Het hof oordeelt dat de administratie aldus niet willekeurig tewerk is gegaan door het tarief van 12% toe te passen.

2.3.5. Opeenstapeling van vermoedens.

Verweerster in hoger beroep verwijt de administratie over te gaan tot een verboden opeenstapeling van vermoedens.

De rechter stelt op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt. Ofschoon de feiten die hij als uitgangspunt van zijn redenering neemt moeten vaststaan (dit wil zeggen bewezen moeten zijn), belet geen enkele wetsbepaling dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (Cass., 22 mei 2014, Arr.Cass., 2014, nr.372; Cass., 20 januari 2017, F.15.0129.N, www.juportal.be, met gelijkluidende conclusie procureur-generaal D. Thijs.

Een bekend feit dat als uitgangspunt dient voor een vermoeden is een bewezen feit. Als de rechter een feit als bewezen beschouwd, weze het via een bewijs via vermoedens, dan wordt dat feit een bekend feit waarop dan eventueel een nieuw bewijs door vermoedens kan worden gebaseerd (procureur-generaal D. Thijs, conclusies voor Cass., 20 januari 2017, voormeld).

Er is in deze dan ook geen sprake van een verboden opeenstapeling van vermoedens.

2.4. Boete.

Verweerster in hoger beroep betwist de opgelegde boete.

Er werd in onderhavig geval een boete opgelegd van 200%. Het opleggen van deze boete werd als volgt verantwoord in het proces-verbaal van 20 november 2018, dat als bijlage werd gevoegd bij het dwangbevel van 3 december 2018, per aangetekende brief van 5 december 2018 ter kennis gebracht van BV M. B.:

"Het artikel 70, §1 van het Btw- Wetboek bepaalt dat voor iedere overtreding van de verplichting belasting te voldoen er een geldboete wordt opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdige betaalde belasting.

Uit de vaststellingen blijkt dat de BVBA M. B. bij V. H. systematisch en voortdurend aankopen verrichtte die niet werden gefactureerd. Deze aankopen werden niet in de boekhouding geregistreerd en de daardoor gegenereerde omzet werd niet aangegeven. Rekening houdend met de omvang en de tijdspanne waarin dit gebeurde, had deze handelswijze ontegensprekelijk het opzet de belasting te ontduiken.

Het artikel 1, tweede lid van het koninklijk besluit nr.41, van 30 januari 1987, tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de btw bepaalt dat de schalen opgenomen in de tabellen van dit koninklijk besluit niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken".

Het hof oordeelt dat de aard en de omvang van de boete aldus naar behoren werden gemotiveerd. Hoewel het hof bevoegd is om de redelijkheid van de boete te toetsen,

worden er in deze geen elementen bijgebracht die erop zouden kunnen wijzen dat de boete in onderhavig geval in strijd zou zijn met de redelijkheid of onevenredig zou zijn ten aanzien van de gepleegde inbreuken. Er is dan ook geen reden om tot vermindering ervan over te gaan.

2.5. Rechtsplegingsvergoeding.

De Belgische Staat is in deze te beschouwen als de in het gelijk gestelde partij, zodat BV M. B. tot de kosten van het geding moet worden veroordeeld. De Belgische Staat liet zich in eerste aanleg niet bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, zodat ze voor die aanleg geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding.

Partijen zijn het erover eens dat betwistingen inzake belastingen geen onbepaalde waarde hebben, doch dat ze kunnen gewaardeerd worden naar het bed rag van de betwiste aanslag.

De rechtsplegingsvergoeding dient dan ook bepaald te worden volgens het pecuniair bedrag van de vordering (Cfr. Cass., 12 maart 2010, F.J. F., nr.2010/183, p.720).

Gelet op het bedrag van de betwiste aanslagen, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep 2. 600,00 EUR. Er is geen reden om van dit basisbedrag af te wijken.

Het hof stelt vast d at onderhavige zaak vrij is van rolrecht in hoger beroep overeenkomstig artikel 2791, 1 °, juncto 162, 4° W. Reg"

De bijdrage aan het begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand in eerste aanleg van 20, 00 EUR dient ten laste te blijven van de vennootschap en de vennootschap moet worden veroordeeld tot vergoeding van de bijdrage van 20,00 EUR die de Belgische staat in hoger

beroep betaalde.

Dispositif

3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat toelaatbaar en gegrond. Het hof hervormt het beroepen vonnis.

Het hof verklaart de oorspronkelijke vordering van BV M. B. toelaatbaar doch ongegrond en zegt voor recht dat het dwangbevel nr. 500...23 niet is aangetast door nietigheid en dat de erin gevorderde bedragen ten titel van BTW, boete en nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn.

Het hof veroordeelt BV M. B. tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat begroot en vereffend op een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van 2. 600,00 EUR en een bijdrage aan h et begrotingsfonds juridische tweedelijnsbijstand in hoger beroep van 20,00 EUR.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 29 maart 2022 door

…

Décision jointe par le SPF

Jugement du tribunal de première instance

Le jugement est publié uniquement dans la langue originale

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi1

Vonnis van 16/10/2020

Rol :19/561/A

Inzake:

M. B. BVBA

met zetel te ..., KBO: 088...86

eiseres

- vertegenwoordigd ter zitting van 11 september 2020 door mevrouw 088...86 (RRN : 74....22) in haar hoedanigheid van zaakvoerder

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3 bus 92, KBO: 0308.357.159

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting van 11 september 2020 door mevrouw X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het tussenvonnis van 28 februari 2020 van de AFi1 kamer van deze rechtbank

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 11 september 2020, pleidooien hernomen gelet op het tussenvonnis van 28 februari 2020. Ter zitting van 11 september 2020 werd de zaak in voortzetting gesteld naar de zitting van 18 september 2020 voor neerlegging van stukken. Ter zitting van 18 september 2020 werd de zaak in beraad genomen.

1. Procedurele voorafgaanden en relevante feiten

De betwisting heeft betrekking op de in het btw-dwangbevel nr. 500...23 gevorderde bedragen (btw, btw-boete en nalatigheidsinteresten).

De activiteit van eiseres betreft de uitbating van een broodjeszaak. Op 25 juni 2018 verzendt de administratie een bericht tot uitbreiding van de verjaringstermijnen inzake btw voor de jaren 2011 en 2012 overeenkomstig artikel 84ter W.BTW. De administratie stelt dat op 13 december 2012 BBI Antwerpen een onaangekondigde controle heeft uitgevoerd bij Nv V. H., een leverancier van eiseres. De administratie stelt dat zij bij Nv V. H. bestelbonnen en interne facturen heeft teruggevonden waaruit zou blijken dat bepaalde aangekochte goederen niet aan eiseres zouden zijn gefactureerd. De administratie verwijst hiervoor naar een proces-verbaal van vaststelling van 16 november 2015 (stuk 3 van de administratie). Op 25 september 2018 verzendt de administratie een vraag om inlichtingen inzake btw aan eiseres, met name om een historiek van de aankopen bij leverancier Nv V. H. voor de jaren 2011 en 2012 voor te leggen. Op 23 oktober 2018 wordt namens eiseres geantwoord dat de boekhouding in die periode werd gedaan door E. V. die overleden is in oktober 2014 en waarbij de boekhouding van die jaren nooit aan de nieuwe boekhouder werd bezorgd.

Op 20 november 2018 stelt de administratie een proces-verbaal op waarin zij meent dat eiseres goederen voor verbruik in 2011 en 2012 heeft aangekocht bij Nv V. H. die evenwel niet in de boekhouding werden opgenomen. De administratie berekent de verschuldigde btw op de niet aangegeven meeromzet en legt een boete van 200% op. De volgende bedragen worden van eiseres gevorderd:

- 9.057,85 euro btw

- 18.115,70 euro geldboete in toepassing van artikel 70 §1 W.BTW

- wettelijke interesten in toepassing van artikel 91, §1 W.BTW aan 0,8% per maand te berekenen vanaf 21 januari 2013 op een bedrag van 9.050,00 euro.

Op 3 december 2018 wordt een btw-dwangbevel uitgevaardigd. Op 5 februari 2019 wordt namens eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter betwisting van de in het betreffende dwangbevel opgenomen bedragen. Het dwangbevel en het proces-verbaal worden aan het verzoekschrift aangehecht.

2. De vorderingen van partijen

De vordering van eiseres strekt ertoe verweerder te veroordelen tot overlegging of inzage van het dossier lastens Nv V. H., het dwangbevel met nr. 500...23 te vernietigen, te oordelen dat eiseres de gevorderde bedragen niet verschuldigd is, verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen te vermeerderen met interesten en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding,

m.i.v. de rechtsplegingsvergoeding.

Verweerder verzoekt de rechtbank om de conclusies van eiseres van 7 mei 2020 uit de debatten te weren, de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

3. Ontvankelijkheid

Zoals reeds geoordeeld in het tussenvonnis d.d. 28 februari 2020 is de vordering van eiseres ontvankelijk.

4. Beoordeling - verzoek weren conclusie en stukken

Verweerder verzoekt de rechtbank om de conclusie van 7 mei 2020 van eiseres te weren uit de debatten omdat eiseres een vraag zou stellen die geen verband houdt met het onderwerp van de heropening der debatten, met name het verzoek van eiseres tot voorlegging of inzage van het dossier lastens Nv V. H. .

In het vonnis d.d. 28 februari 2020 heeft de rechtbank de debatten heropend teneinde partijen toe te laten de relevante leverings-dan wel bestelbonnen bij te brengen en hierover standpunt in te nemen.

Verweerder heeft de bestelbonnen en interne facturen van Nv V. H. vervolgens neergelegd (stukken 21 tot en met 24 van de administratie). Eiseres kreeg vervolgens de mogelijkheid om standpunt aangaande deze stukken in te nemen, het verzoek van eiseres tot voorlegging en inzage van het dossier lastens Nv V. H. kadert in haar stellingname aangaande deze nieuw voorgelegd stukken. Ook de berekeningen opgesteld door eiseres in de conclusie van 7 mei 2020 kaderen in deze stellingname.

De rechtbank oordeelt dat er geen reden is om de conclusie d.d. 7 mei 2020 of de stukken van eiseres te weren uit de debatten.

5. Beoordeling - verzoek van eiseres tot voorlegging of inzage van het dossier Nv V. H.

Eiseres verzoekt de rechtbank om, alvorens recht te doen, verweerder te veroordelen tot voorlegging en/of inzage van het dossier lastens Nv V. H. .

Na de heropening van de debatten, heeft verweerder de stukken voorgelegd op basis waarvan verweerder zijn btw-vordering heeft gesteund. Eiseres kan aldus op basis van deze stukken haar rechten van verdediging vrijwaren. De rechtbank oordeelt dat het verzoek van eiseres tot voorlegging of inzage van een dossier lastens een andere btw-belastingplichtige ongegrond is.

6. Beoordeling - ten gronde

Verweerder bevestigt dat de btw-vordering gesteund is op documenten, met name bestelbonnen en interne facturen, die werden aangetroffen bij Nv V. H., en waarbij het niet wordt betwist dat Nv V. H. een leverancier was van eiseres in de periode 2011 en 2012. Verweerder stelt dat Nv V. H. een parallelle boekhouding bijhield waarvan de bestelbonnen het logistieke en administratieve werkinstrument zijn.

Eiseres betwist de juistheid van de documenten uit het dossier van Nv V. H. en stelt dat dit louter interne documenten van Nv V. H. zijn. Eiseres betwist dat er sprake zou zijn van zwarte aankopen bij deze leverancier.

Het komt aan de administratie toe te bewijzen dat een belasting verschuldigd is. In casu baseert de administratie de omzetverhoging op wettelijke en feitelijke vermoedens. Volgens de administratie is het eerste feitelijk vermoeden de bestelbonnen aangetroffen bij leverancier Nv V. H. die zouden aantonen dat er meer aankopen van handelsgoederen geweest zijn dan er aan eiseres gefactureerd werden.

Overeenkomstig artikel 59 W. BTW kan de administratie de verschuldigdheid van de btw aantonen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed en daarenboven door de processen­ verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.

De rechtbank stelt vast dat de vordering van de administratie gesteund is op de vergelijking tussen de bestelbonnen en de interne verkoopfacturen van Nv V. H., zoals ook opgenomen in het proces-verbaal d.d. 16 november 2015 (stuk 3 van de administratie).

De rechtbank oordeelt dat de administratie zich kan beroepen op documenten van derden. De belastingplichtige kan evenwel niet zonder meer belast worden op gegevens van derden, hij heeft immers geen controle op wat anderen noteren. Gegevens die de administratie vindt bij derden zijn enkel bruikbaar tegen een bepaalde belastingplichtige indien aan de juistheid van deze gegevens niet kan getwijfeld worden.

De rechtbank is van oordeel dat de vermelding dat eiseres meer goederen heeft aangekocht bij Nv V. H. dan gefactureerd ook slechts als een vermoeden geldt dat aan de beoordeling van de rechtbank is onderworpen.

De bestelbonnen en interne facturen opgesteld door Nv V. H. kunnen slechts tegen eiseres ingeroepen worden wanneer er voldoende aanwijzingen zijn dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid en de ernst ervan, gelet op de bevestiging en de ondersteuning door andere gegevens die allemaal in dezelfde richting wijzen.

De rechtbank dient vast te stellen dat op basis van het voorgelegde administratief dossier er door de administratie niet wordt aangetoond dat eiseres zich schuldig heeft gemaakt aan 'zwarte aankopen' voor het door de administratie weerhouden bedrag. De taxatie van de administratie is enkel en alleen gebaseerd op interne documenten opgesteld door derden, die geenszins werden ondertekend door eiseres en die door haar betwist worden. Het loutere feit dat eiseres een reguliere klant is van Nv V. H. betekent niet dat eiseres bij diezelfde leverancier goederen in het zwart heeft aangekocht.

Zelfs al zou, volgens de administratie, het onderzoek bij de leverancier leiden tot een geheel van vaststellingen die logisch en samenhangend zijn en die enkel kunnen leiden tot een conclusie dat op systematische en voortdurende wijze zwartleveringen werden verricht aan haar klanten, volstaat dat in de concrete omstandigheden van het dossier niet als onderbouwing van de bestreden bedragen. Er zijn immers geen objectieve gegevens in het dossier die de zwarte aankopen in hoofde van eiseres bevestigen.

De administratie faalt in haar bewijslast, zodoende dat er ook geen meeromzet in hoofde van eiseres kan weerhouden worden. De vordering van eiseres is dan ook gegrond. Gelet op de gegrondheid van de vordering van eiseres, is er geen geldboete verschuldigd.

Aangezien eiseres op de terechtzittingen niet vertegenwoordigd werd door een advocaat en eiseres ook zelf een conclusie heeft opgesteld zonder tussenkomst van een advocaat, kent de rechtbank haar geen rechtsplegingsvergoeding toe.

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend. Verklaart de rechtsvordering ontvankelijk en gegrond.

Verklaart de vordering van verweerder tot betaling door eiseres van 9.057,85 euro aan btw, van 18.115,70 euro aan btw-boete, en beiden vermeerderd met interesten zoals vervat in het dwangbevel met nummer 500...23 van 3 december 2018 ongegrond.

Veroordeelt verweerder tot terugbetaling van de ten onrechte ingehouden of betaalde bedragen te vermeerderen met moratoire interesten.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding en vereffent deze in hoofde van eiseres op 20,00 euro aan bijdrage voor het fonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.

Dit vonnis werd uitgesproken op zestien oktober tweeduizend twintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit: …

Textes cités

6
CTVA art. 594 occurrences
CTVA art. 642 occurrences
CTVA art. 912 occurrences
AR no 41 art. 11 occurrence
CTVA art. 701 occurrence
CTVA art. 84ter1 occurrence

Décisions similaires

8