Intracommunautair goederenverkeer, fraude, calcul du chiffre d’affaires · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 2024/AR/840 2 décembre 2025

Rechercher
Texte en néerlandais

Intracommunautair goederenverkeer, fraude, calcul du chiffre d’affaires

https://juriel.be/fr/jurisprudence/intracommunautair-goederenverkeer-fraude-calcul-chiffre-cour-appel-gand-2025-12-02-7f70

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Numéro de rôle
2024/AR/840
Date
2 décembre 2025

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

123 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la cour d’appel de Gand du 02.12.2025 (2024/AR/840)

WF 54745057/01

Résumé

Non fourni

Texte intégrale

Uniquement disponible dans la langue de l’arrêt

Corps de la décision

Hof van beroep Gent

Arrest

vijfde kamer

02.12.2025

2024/AR/840

In de zaak van:

S.Z., ON ..., RRN ..., wonende te ..., ... 61,

appellant,

hebbende als raadsman mr. VANDEWALLE Frank, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Léon Stynenstraat 75 bus C en mr. WASTEELS Sylvie, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Léon Stynenstraat 75 bus C

tegen

BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN, ON ...,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door

de AABBI, 5de directie, met burelen te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 805,

geintimeerde, vertegenwoordigd door I.V., adviseur en C.D., adviseur

wijst het hof het volgend arrest:

1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 21 mei 2024 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, op 22 april 2024 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 22/793/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 4 november 2025. Daarna werd het debat gesloten en nam het hof de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellant is sedert 1 juli 2014 als btw-belastingplichtige geregistreerd in België onder het nummer ... voor de activiteit van detailhandel in huismeubilair (nl. kleinhandel in matrassen, bedden en sofa's) op het adres van de winkeluitbating te Antwerpen, .... De appellant huurt ook een magazijn in ..., een winkel met magazijn in ... en een pand in Duitsland (...). De appellant woont in Duitsland (...) en heeft er geen Duits btw-nummer.

Volgend op een vraag tot uitwisseling van informatie gesteld door de Duitse belastingdienst, stelde de administratie bij raadpleging van de databank VIES vast dat aan de appellant in de periode 2018 tot 2020 verschillende intracommunautaire leveringen werden verricht voor een totaalbedrag van 1.739.866,67 euro. In de btw-aangiftes van de appellant waren voor deze periode geen intracommunautaire verwervingen aangegeven. De administratie bekwam van de Nederlandse, Duitse en Poolse belastingadministraties inlichtingen betreffende de leveranciers van deze intracommunautaire aankopen, waaruit bleek dat de goederen, indien geleverd, werden afgeleverd in Antwerpen. Sommige leveranciers verklaarden dat de goederen contant werden betaald bij levering. De administratie stelde tevens vast dat de facturen van deze leveranciers niet waren opgenomen in de boekhouding van de appellant.

Op 14 september 2020 verrichtte de administratie een controle op het kantoor van de boekhouder van de appellant. Tijdens deze controle werd vastgesteld dat verkoopfacturen die waren uitgereikt zonder btw met vermelding "BTW 0%" aan de Zweedse vennootschap cie1 door de appellant niet waren opgenomen als intracommunautaire levering in zijn btw-aangiftes en dat er evenmin door de appellant een intracommunautaire opgave werd ingediend. Uit een vraag om inlichtingen aan de Zweedse belastingdienst bleek dat de goederen effectief werden ontvangen door cie1 maar niet waren opgenomen in de btw-aangifte. De Zweedse belastingdienst verklaarde dat de goederen geleverd werden onder consignatiestelsel waarbij de goederen eigendom bleven van de appellant tot op het moment dat deze werden verkocht door cie1. De appellant heeft zich niet geregistreerd voor btw-doeleinden in Zweden.

Tijdens de controle bij de boekhouder van de appellant op 14 september 2020 werd aan de administratie eveneens een doos overhandigd die was gevuld met losse papieren, zijnde de stukken die de boekhouder had ontvangen van de appellant. In deze doos zat een bundel met losse rekeninguittreksels van 2018 tot en met 2020 van een rekeningnummer ..., een bundel met daarop een post-it "sell 2020" met losse verkoopfacturen met aangehechte CMR, een bundel met post-it "BUY 2020" met losse inkomende facturen, een bundel met post-it "BUY 2019" met losse inkomende facturen en een bundel met post-it "BUY 2018" met losse inkomende facturen. De boekhouder verklaarde dat deze stukken de week voorafgaand aan de controle werden bezorgd door de appellant en nog niet waren verwerkt.

Tussen 16 september 2020 en maart 2021 probeerde de administratie om een afspraak te maken met de appellant. Vanaf het tweede kwartaal van 2021 werden er geen btw-aangiftes meer ingediend.

Op 1 april 2021 werd een correctie-opgave inzake btw verstuurd aan de appellant voor de periode van 1 januari 2018 tot 31 december 2020, waarin de administratie de btw navorderde voor de intracommunautaire verwervingen die niet waren aangegeven, met dien verstande dat voor de leverancier K.O. de cijfers werden aangepast aan de cijfers bekomen van de Duitse belastingdienst. Ook werd een niet-aangegeven meeromzet weerhouden, die werd berekend aan de hand van de aankopen (m.n. een bedrag van 2.327.966,00 euro), waarna de reeds aangegeven omzet en de omzet voortvloeiend uit een aantal facturen opgesteld aan cie1 in aftrek werd genomen. De administratie stelde dat bij toepassing van artikel 64, §1 WBTW vermoed werd dat de appellant de goederen die hij intracommunautair had verworven had geleverd onder omstandigheden die de btw opeisbaar maken, en dat er aangenomen werd dat de goederen tegen inkoopprijs werden verkocht. Deze overtredingen resulteerden in een bijkomend verschuldigde btw van 716.308,36 euro. Aan de appellant werd een proportionele geldboete opgelegd van 200% of 1.432.610,00 euro, alsook negen niet-proportionele geldboetes van telkens 3.000,00 euro wegens het niet-indienen van kwartaalopgaves voor de intracommunautaire leveringen door de appellant aan cie1. De administratie stelde dat er sprake was van fraude en motiveerde dit als volgt:

"- de [appellant] is in gebreke voor wat betreft zijn fiscale verplichtingen, niet indienen van intracommunautaire listings, indienen van btw-aangiften waarbij de ingevulde cijfers niet overeenstemmen met de werkelijkheid,

- de aard en zwaarwichtigheid van de overtredingen, namelijk het verrichten van belastbare handelingen zonder deze aan te geven, het niet aangeven van intracommunautaire verwervingen,

- de omvang van de overtredingen, gelet op de bedragen in kwestie,

- het gebrek aan gekende boekhouder: de vorige boekhouder heeft de samenwerking

stopgezet, en een eventuele nieuwe boekhouder is niet gekend,

- het niet meer indienen van btw-aangiften sedert het tweede kwartaal 2020."

Er werd een proces-verbaal van taxatie opgemaakt op 15 september 2021, waarin de inhoud van de correctie-opgave werd overgenomen.

Op 1 oktober 2021 werd aan de appellant een betaalbericht verstuurd voor een totaal bedrag van 2.207.435,56 euro (interesten gerekend tot 20 oktober 2021).

Met een verzoekschrift neergelegd op 31 december 2021 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Bij vonnis van 4 maart 2022 werd de zaak verwezen naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Bij vonnis van 22 april 2024 van de zesde kamer van deze rechtbank werd als volgt geoordeeld:

De vordering van de eiser is ontvankelijk en gegrond als volgt:

De opname in het Register van Inning en Invordering onder het artikel ... dient te

worden vernietigd in zoverre de btw-navordering meer bedraagt dan 682.937,60 euro en in

zoverre de opgelegde boete meer bedraagt dan 1.365.875,20 euro.

De verweerder dient alle sommen die op grond van deze navordering ten onrechte zouden zijn

geïnd, verhoogd met moratoriuminteresten, terug te betalen aan de eiser.

Er zijn geen kosten te begroten.

Het is tegen dit vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld. De geïntimeerde tekende incidenteel beroep aan.

3. De vorderingen vandeparti~n

3.1. De vordering van de appellant

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Dienvolgens het vonnis a quo d.d. 22 april 2024 van de 6-de kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, in de zaak met rolnummer 22/793/A teniet te doen, c.q. te hervormen;

De vordering van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Het incidenteel hoger beroep van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; Het proces-verbaal d.d. 15 september 2021 te vernietigen en de opname van de btw-navordering onder het schuldnummer ... van nul en generlei waarde te verklaren;

In ondergeschikte orde, kwijtschelding, minstens een substantiële vermindering te verlenen van de geldboete van 200%;

In meer ondergeschikte orde, uitstel van tenuitvoerlegging van de geldboete te verlenen; Concluant te ontslaan van de ten onrechte nagevorderde btw, minstens ingevolge het recht op aftrek dat concluant kan uitoefenen de btw-navordering te verminderen met een bedrag van 374.839,56 EUR, minstens 319.841,58 EUR, vermeerderd met moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 WBTW vanaf het tijdvak waarin het recht op aftrek is ontstaan. Tevens, in voorkomend geval, de terugbetaling te bevelen van de eventueel door concluant reeds betaalde bedragen en/of door de belastingadministratie ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 WBTW; Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op:

· voor de procedure in eerste aanleg:

o rechtsplegingsvergoeding: 22.500,00 EUR;

o bijdrage voor het fonds tweedelijnsbijstand: 22,00 EUR.

· voor de procedure in hoger beroep:

o rechtsplegingsvergoeding: 23.546,51 EUR;

o bijdrage voor het fonds tweedelijnsbijstand: 24,00 EUR.

3.2. De vordering vandeEf'(ntimeerde

De Belgische Staat vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het beroep van appellant ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren,

het bestreden vonnis te hervormen in die zin dat de vordering van de belastingplichtige in

eerste aanleg volledig ongegrond is in plaats van grotendeels ongegrond, en aldus de

gevestigde aanslagen te bevestigen

Appellant te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. Omtrent het recht op aftrek van btw op de door de appellant verrichte intracommunautaire verwervingen

4.1.1. De appellant betwist de door hem gedane intracommunautaire verwervingen in de periode 2018-2020 voor een totaal bedrag van 1.784.950,30 euro niet. De btw hierop werd niet aangegeven. De administratie vordert terecht de hierop verschuldigde btw, voor een bedrag van 374.839,56 euro.

4.1.2. De appellant stelt dat hij het recht op aftrek kan uitoefenen op deze door hem verrichte intracommunautaire verwervingen. Hij stelt dat hij de goederen aankocht om deze vervolgens te verkopen aan particulieren dan wel aan andere Europese bedrijven die ze op hun beurt verkochten. Onder verwijzing naar het neutraliteitsbeginsel stelt hij dat hij aldus in geen enkele omstandigheid de eindverbruiker was.

Op grond van artikel 4, tweede lid KB nr. 3 moet het recht op aftrek ten laatste worden uitgeoefend in de btw-aangifte die wordt ingediend vóór het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op het jaar waarin de af te trekken btw opeisbaar is geworden. De btw was opeisbaar in de jaren 2018-2020.

Het recht op aftrek werd, niettegenstaande hiertoe een formulier werd gevoegd bij de correctieopgave verstuurd op 1 april 2021, niet aangevraagd op dat ogenblik. De appellant vroeg zijn recht op aftrek aan middels het verzoekschrift neergelegd bij de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen op 31 december 2021, dit is voor alle jaren binnen de termijn voorzien in artikel 4, tweede lid KB nr. 3. Dit recht op aftrek kon op dat ogenblik overigens niet worden uitgeoefend middels de aangifte aangezien het btw-nummer van de appellant vanaf 1 april 2021 ambtshalve was gesloten en het indienen van btw-aangiftes vanaf dat moment niet meer mogelijk was.

4.1.3. De administratie stelt dat niet is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek en dat er sprake is van fraude. Door geen bewijskrachtige boekhouding voor te leggen zou de appellant de controle op de toepassing van de btw onmogelijk maken en zou hij beletten dat de belasting correct wordt geheven, waardoor de goede werking van het gemeenschappelijk btw-stelsel in het gedrang komt. Het zou volstrekt onduidelijk zijn hoe de goederenstroom is verlopen, waar de verkopen plaatsvonden, waar (en of) btw werd afgedragen, enz.

Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, vormt het recht van de belastingplichtigen om op de door hen verschuldigde btw de btw in aftrek te brengen die verschuldigd of voldaan is voor in eerdere stadia aan hen geleverde goederen en verrichte diensten, een basisbeginsel van het bij de Unieregeling ingevoerde gemeenschappelijke btw-stelsel (zie o.m. HvJ arrest 21 maart 2018, Volkswagen, C-533/16, punt 37). De aftrekregeling heeft tot doel de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijk btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht de doelstellingen of resultaten van deze activiteiten, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen (zie o.m. punt 38 van voormeld arrest). Het recht op aftrek waarin de artikelen 167 e.v. van de btw-richtlijn 2006/112 voorzien, is een integrerend deel van de btw-regeling en kan in beginsel niet worden beperkt.

Het recht op aftrek kan evenwel ook geweigerd warden wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat op dit recht aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik (zie o.m. HvJ arrest van 19 oktober 2017, Paper Consult, C-101/16, punt 43). Belastingplichtigen kunnen zich in geval van bedrog of misbruik niet op het Unierecht beroepen. Dit is het geval wanneer de belastingplichtige zelf zich schuldig maakt aan belastingfraude (zie o.m. HvJ arrest van 28 juli 2016, Astone, C-332-15, punt 51). Aangezien de weigering van het recht op aftrek een uitzondering is op de toepassing van het fundamentele beginsel dat dit recht vormt, staat het aan de bevoegde belastingautoriteiten om rechtens genoegzaam te bewijzen dat de objectieve gegevens die aantonen dat er sprake is van fraude of misbruik, aanwezig zijn (zie o.m. HvJ arrest van 28 juli 2016, Astone, C-332/15, punt 52).

In voorliggende zaak heeft de appellant zich onmiskenbaar schuldig gemaakt aan belastingfraude. Hij heeft gedurende meerdere jaren consequent nagelaten om btw-plichtige intracommunautaire verwervingen aan te geven in zijn btw-aangiftes en om de hierop verschuldigde btw te betalen, maar bovendien is hij niet in staat om een getrouwe boekhouding voor te leggen. De losse facturen die werden overhandigd aan de administratie met daarop post-its 'SELL [jaar]' en 'BUY [jaar]' aangebracht, kunnen bezwaarlijk als een boekhouding, laat staan als een bewijskrachtige boekhouding worden beschouwd. De appellant heeft bewust en consequent nagelaten om gedurende meerdere jaren zijn formele verplichtingen (correcte aangifte van btw-plichtige handelingen, betaling van verschuldigde btw, het voeren van een bewijskrachtige boekhouding) na te komen, met de enige bedoeling om aan de betaling van belasting te ontsnappen. Hij heeft op die manier niet alleen de controles van de fiscale administratie op de toepassing van de btw verhinderd, maar bovendien de goede werking van het gemeenschappelijk btw-stelsel ondermijnd. Gelet op de indiening van btw-aangiftes die manifest niet met de werkelijkheid overeenstemmen, het consequent en langdurig niet aangeven van frequente intracommunautaire verwervingen over meerdere jaren, de hoegrootheid van de bedragen, de niet-professionele wijze van bedrijfsvoering met betalingen in cash die zonder het bijhouden van een nauwkeurige bewijskrachtige boekhouding belastingontduiking op zijn minst mogelijk maakt, alsook (ten overvloede) het feit dat de appellant niet bereikbaar was voor de fiscale administratie en zelfs geen btw-aangiftes meer heeft ingediend na de opstart van de fiscale controle (nl. vanaf het tweede kwartaal van 2020), kan niet anders worden besloten dan dat de appellant bewust heeft nagelaten om zijn verplichtingen inzake btw na te komen om aan betaling van de belasting te ontsnappen. Door zijn handelen heeft hij belet dat de belasting correct werd geheven, waardoor de goede werking van het gemeenschappelijk btw-stelsel in het gedrang komt. Het Unierecht staat er niet aan in de weg dat de lidstaten in dergelijke gevallen het recht op aftrek weigeren te verlenen.

De weigering van het recht op aftrek in omstandigheden die aantonen dat de belastingplichtige die aanspraak maakt op dat recht zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude, kan niet worden geacht in te druisen tegen het beginsel van belastingneutraliteit, aangezien dit beginsel niet op goede gronden kan worden aangevoerd door een belastingplichtige die opzettelijk aan een dergelijke fraude heeft deelgenomen en het functioneren van het gemeenschappelijke btw-stelsel in gevaar heeft gebracht (zie o.m. HvJ arrest van 28 juli 2016, Astone, C-332/15, punt 58).

De administratie ontzegt de appellant terecht integraal het recht op aftrek van voorbelasting gelet op de fraude gepleegd door de appellant. Het bestreden vonnis wordt op dit punt hervormd.

4.1.4. De administratie heeft tijdens de procedure in eerste aanleg bevestigd dat het verzoekschrift neergelegd bij de rechtbank een rechtsgeldige wijze was tot uitoefening van het recht op aftrek (zie zittingsblad van 7 maart 2024: "De verwerende partij betwist niet dat het recht op aftrek tijdig gevraagd is bij het verzoekschrift zoals ingediend voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, omdat het Belgisch BTW-nr. was afgesloten op 1 april 2021."

De administratie heeft hiermee niet bevestigd dat de appellant zijn recht op aftrek mag uitoefenen. Daartoe is vereist dat aan de materiële aftrekvereisten is voldaan. Bovendien kan de administratie het recht op aftrek ook weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat op dit recht aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik.

Dat de correctieopgave een formulier bevatte getiteld 'aanvraag tot uitoefening van het recht op aftrek', houdt niet in dat de administratie in deze gerechtelijke procedure gehouden is tot erkenning van het recht op aftrek in hoofde van de appellant. De appellant heeft dit formulier niet ingevuld en terugbezorgd aan de administratie. Van enig rechtmatig vertrouwen in hoofde van de appellant dat hij dit recht op aftrek zonder verdere discussie kon uitoefenen, kan geen sprake zijn.

4.2. Omtrent de niet-aangegeven omzet

4.2.1. De administratie heeft een niet-aangegeven meeromzet weerhouden op grond van het vermoeden opgenomen in artikel 64, §1 WBTW. De administratie beschouwde de intracommunautaire verwervingen (d.i. de door de appellant verkregen goederen, voor een bedrag van 2.327.966,00 euro) als verkocht aan het tarief van 21% (d.i. geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt). De administratie ging er hierbij van uit dat de goederen tegen inkoopprijs werden verkocht. De administratie hield, bij gebrek aan betrouwbare inventaris, geen rekening met een eventuele voorraad. Hiervan werd de reeds aangegeven omzet en de omzet voortvloeiend uit een aantal facturen opgesteld aan cie1 in aftrek genomen. De niet-aangegeven meeromzet werd zo bepaald op 1.626.041,91 euro, waarop 341.468,80 euro btw verschuldigd is.

4.2.2. Het is de administratie toegelaten om de opeisbaarheid van de btw te bewijzen aan de hand van vermoedens (artikel 59 WBTW). Wanneer op correcte wijze een beroep wordt gedaan op een vermoeden als bewijstechniek, is de navordering niet willekeurig en wordt artikel 170 GW (het grondwettelijk legaliteitsbeginsel) niet geschonden. Uit randnummer 4.2.1. blijkt dat de administratie het wettelijk vermoeden opgenomen in artikel 64, §1 WBTW op correcte wijze heeft toegepast.

De appellant kan het tegenbewijs leveren, maar faalt hierin. De appellant stelt dat hij zijn goederen voornamelijk verkoopt aan drie klanten/bedrijven binnen Europa (B2B). Het zou de Duitse bedrijven cie2 en cie3 betreffen en het Zweedse bedrijf cie1. De appellant stelt dat deze verkopen kunnen genieten van een vrijstelling van btw wegens intracommunautaire levering (artikel 39bis WBTW). Slechts een klein gedeelte van de goederen die hij aankoopt, zouden in de winkel te Antwerpen aan particulieren worden verkocht (B2C). Deze laatste verkopen zouden door de appellant zijn opgenomen in zijn btw-aangiftes. Het komt toe aan de appellant om van zijn stelling het bewijs te leveren. Mocht het hof hem op zijn woord geloven, zou het afbreuk doen aan de op de appellant rustende bewijslast. Waar de appellant verwijst naar facturen die in de in retentie genomen stukken zouden hebben gezeten, is het ook aan hem om te bewijzen dat met deze facturen rekening moet worden gehouden. Dit bewijs levert hij niet door de administratie in het algemeen te verwijten niet met dergelijke facturen rekening te hebben gehouden. De in retentie genomen facturen werden teruggegeven aan de appellant, en de appellant maakt niet aannemelijk (en betwist overigens ook niet) dat de administratie niet alle in retentie genomen stukken zou hebben terugbezorgd. Dat dit een schending zou zijn van enig beginsel van behoorlijk bestuur, wordt niet aangetoond.

Waar de appellant verwijst naar verkopen aan cie1 in 2019 (zie ook zijn stuk 4a), stemt dit bedrag perfect overeen met het reeds door de administratie in aftrek genomen bedrag. Met dit bedrag (en met de overeenstemmende facturen die de administratie heeft aangetroffen in de in retentie genomen stukken) werd aldus wel degelijk rekening gehouden.

Ook voor het jaar 2020 heeft de administratie wel degelijk rekening gehouden met de haar gekende facturen, door een bedrag van 24.829,00 euro voor leveringen verricht aan cie1 in aftrek te nemen van de op grond van artikel 64, §1 WBTW berekende meeromzet. Dit betrof de facturen met nummer 200-13 tot en met 200-18.

Waar de appellant verwijst naar de historiek klanten op naam van cie1 voor het jaar 2020, blijkt uit zijn stuk 4a dat deze facturen opgenomen zijn op de eerste zes lijnen van deze historiek. De overige lijnen van deze historiek betreffen 30 bedragen die zijn geboekt in de maanden november en december 2020, voor een totaal bedrag van 243.906,00 euro. Deze facturen betreffen de nummers '01' tot en met '30'. Gelet op de chronologie, staat vast dat deze facturen niet zaten in de in september 2020 in retentie genomen stukken. De administratie weigert terecht om rekening te houden met deze documenten. Immers, vooreerst werden deze 'verkopen' niet opgenomen in een kwartaalopgave voor intracommunautaire leveringen. Bovendien toont de administratie afdoende aan dat deze documenten niet betrouwbaar zijn en niet controleerbaar. Naast het feit dat het opmerkelijk is dat deze documenten alle werden opgemaakt tussen november en december 2020, blijkt dat deze facturen alle beweerde intracommunautaire leveringen betreffen die cash werden betaald en werden afgehaald in Antwerpen (of zelfs ...). De CMR's die zijn bijgevoegd, werden ook opgemaakt en ondertekend door de appellant zelf (als afzender, als vervoerder en als geadresseerde). Met welke vrachtwagen deze leveringen zijn uitgevoerd, wordt niet verduidelijkt. Noch de datum noch de transporteur werden ingevuld. Dat deze goederen daadwerkelijk zijn aangekomen in Zweden of dat ze daadwerkelijk werden betaald, wordt evenmin aangetoond. De administratie wijst er bovendien terecht op dat ook aan de betrouwbaarheid van de facturen waarmee zij wel rekening heeft gehouden, ernstig kan worden getwijfeld. De facturen die in België werden voorgelegd (en die in de boekhouding van de appellant waren verwerkt), zijn niet dezelfde als de facturen die van de Zweedse belastingdienst werden verkregen (zie vergelijking in stuk 14, bundel administratie). De Zweedse belastingdienst stelde bovendien dat de goederen aan cie1 werden geleverd onder consignatiestelsel waarbij de goederen eigendom bleven van de appellant tot op het moment van verkoop door cie1. Dat de aan Zweden beweerdelijk geleverde matrassen en sofa's daadwerkelijk in Zweden zijn verkocht, wordt niet aangetoond door de appellant. Ten slotte blijkt dat de CMR gevoegd bij verkoopfactuur nr. 200-13 die werd uitgeschreven op 7 januari 2020 pas op 4 september 2020 aan de appellant werd verkocht. Aan de betrouwbaarheid van de door de appellant overgelegde stukken (opgenomen in stuk 4 van zijn bundel) kan aldus ernstig warden getwijfeld. Er liggen geen objectieve stukken voor van derden. Een historiek klanten is onvoldoende als bewijs. Deze door de appellant opgemaakte stukken tonen niet aan dat de erin vermelde goederen werden geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting niet opeisbaar wordt. De appellant faalt op dit punt om het tegenbewijs te leveren voor de navordering op grond van artikel 64, §1 WBTW.

Wat betreft de facturen opgemaakt aan cie3 en aan cie2, geldt hetzelfde. Deze door de appellant onder zijn stuk 4 voorgelegde stukken tonen niet aan dat de erin vermelde goederen werden geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting niet opeisbaar wordt. Immers, niet alleen werden deze 'verkopen' niet opgenomen in een kwartaalopgave voor intracommunautaire leveringen. Bovendien toont de administratie afdoende aan dat deze documenten niet betrouwbaar zijn en niet controleerbaar. Geen enkele van deze 'afnemers' voert een handel in matrassen. Het btw-nummers van de 'afnemer' vermeld op deze facturen is geen geldig btw-nummer. De bij de facturen gevoegde CMR's zijn niet gedateerd, en vermelden geen transporteur. De appellant heeft zelf de CMR's afgestempeld als vervoerder, niettegenstaande op de facturen staat vermeld dat de goederen werden opgehaald. Met welk transportmiddel de transporten werden verricht, wordt niet verduidelijkt. Dat deze goederen daadwerkelijk zijn aangekomen in Duitsland of dat ze daadwerkelijk werden betaald, wordt evenmin aangetoond. De CMR's zijn afgestempeld voor ontvangst, maar zonder datum. Er liggen geen objectieve stukken voor van derden. Een historiek klanten is onvoldoende als bewijs. Deze door de appellant voorgelegde stukken tonen niet aan dat de erin vermelde goederen werden geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting niet opeisbaar wordt. De appellant faalt op dit punt om het tegenbewijs te leveren voor de navordering op grond van artikel 64, §1 WBTW.

4.2.3. Wat de door de appellant gemaakte opmerking inzake de winstmarge betreft, ging de administratie ervan uit dat de goederen tegen inkoopprijs werden verkocht. Dit is in het voordeel van de appellant. De appellant heeft er geen enkel belang bij om dit middel op te werpen, tenzij hij nog meer btw wil nabetalen dan hetgeen hij al verschuldigd is. Van een willekeurige bepaling van de meeromzet is geenszins sprake.

4.2.4. Dit middel van de appellant is ongegrond.

4.3. Omtrent de opgelegde proportioneleld boete

4.3.1. In zijn laatste middel betwist de appellant de opgelegde administratieve geldboete o.m. bij gebrek aan bedrieglijk opzet, gelet op de gebrekkige motivering in het proces-verbaal, en op grond van het evenredigheidsbeginsel. Ondergeschikt verzoekt de appellant hem de gunst van het uitstel te verlenen.

Aan de appellant werd op grond van artikel 70, §1 WBTW een proportionele geldboete opgelegd van 1.432.610,00 euro, zijnde 200% van de ontdoken btw. Artikel 1, laatste lid bij het KB nr. 41 bepaalt dat de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboetes niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

4.3.2. Naast het materieel element dat bestaat uit het overtreden van de belastingnorm, moet een moreel element bestaan dat een bijzonder opzet inhoudt in hoofde van de belastingplichtige, meer bepaald het opzet de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. De bewijslast rust op de administratie. Uit wat voorafgaat blijkt genoegzaam dat de vastgestelde inbreuken werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking ervan mogelijk te maken. Het hof verwijst naar hetgeen werd geoordeeld onder randnummer 4.1.3. De administratie heeft in het proces-verbaal van taxatie inzake btw concreet de elementen aangegeven waarom zij van mening was dat er sprake was van fraude. Van een verwijzing naar het toepasselijke wetsartikel en de wettekst is geenszins sprake. De appellant toont niet aan dat de proportionele geldboete in het proces-verbaal gebrekkig werd gemotiveerd.

4.3.3. De rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief. Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst.

Krachtens artikel 9 van het organiek Regentbesluit nr. 78 van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, beschikt de minister van Financiën op de verzoeken om kwijtschelding van boeten of verhogingen van recht ten titel van boeten, andere dan degene uitgesproken door de rechter.

Uit het voormelde principe dat, om te voldoen aan het vereiste van een toets met volle rechtsmacht, niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt aan het toezicht van de rechter mag ontsnappen, volgt dat wanneer de belastingplichtige opkomt tegen de beslissing van de minister of zijn gemachtigde over een verzoek met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit, de rechter de boete moet kunnen kwijtschelden of verminderen op dezelfde wijze als de minister of zijn gedelegeerde dat kan. (zie ook Cass. 25 april 2025, AR F.22.0162.N, op juportal.be)

Hieruit volgt dat, buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding met toepassing van artikel 9 Regentbesluit, dit hof de boete met toepassing van artikel 6.1 EVRM niet kan verminderen tot beneden het wettelijk tarief van 200 pct. van de verschuldigde belasting.

4.3.4. Zelfs indien dit hof in deze procedure de wettigheid van voormelde sanctie van 200% zou mogen onderzoeken en in het bijzonder zou mogen nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder met het evenredigheidsbeginsel, ziet het hof in dit concrete dossier (en aldus volledig ten overvloede, gelet op hetgeen werd geoordeeld in randnummer 4.3.3) geen enkele reden om de geldboete van 200% in welke mate dan ook te verminderen. Om aan de geldboete haar waarde als straf te geven, kan immers geen vermindering worden toegestaan. Door dat te doen zou de geldboete haar doel niet dienen, namelijk in compensatie voor de begane inbreuken zowel te straffen, (mede maatschappelijk) te vergoeden en voldoende af te schrikken om herhaling te vermijden. Om dezelfde reden is er evenmin reden om aan de appellant het voordeel van het uitstel van de geldboete te verlenen. De appellant heeft jarenlang consequent, systematisch en doelbewust activiteiten ontwikkeld zonder de hierop verschuldigde belasting te betalen. Eenvoudige aangifteverplichtingen werden genegeerd. Dit alles met de bedoeling Belgische belasting te ontduiken. Over de financiële toestand van de appellant liggen geen stukken voor. Alleen een wettelijke sanctie aan 200% kan het gewenste doel bereiken. De fiscale wetgeving voorziet de mogelijkheid om een geldboete op te leggen van 200% van de ontdoken belasting. Dat dit hoger is dan de hoogste mogelijke strafrechtelijke geldboete voor fiscale fraude, is geen reden om in dit dossier de fiscaalrechtelijke sanctie te verminderen.

5. De gerechtskosten

De appellant wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.

Aangezien de geïntimeerde tijdens beide procedures niet werd vertegenwoordigd door een advocaat, is hij niet gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding.

Dispositif

BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

· het principaal hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond;

· het incidenteel hoger beroep is ontvankelijk en als volgt gegrond;

· het bestreden vonnis wordt vernietigd, behoudens waar het uitspraak doet over de ontvankelijkheid van de vordering van de appellant;

· het hof doet opnieuw recht ten gronde en wijst de vordering van de appellant af als ongegrond;

· het hof veroordeelt de appellant tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellant (maar te zijnen laste blijvend):

· bijdrage begrotingsfonds eerste aanleg: 22,00 EUR

· bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 24,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 2 december 2025.

Aanwezig:

Frederieke Compernolle, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend Jenny Dammekens, griffier

Textes cités

10

Décisions similaires

8