Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la cour d’appel de Gand du 20.03.2018
WF 710-15-09/041487
[Arrêt mixte]
Taxe sur la valeur ajoutée – Location immobilière – Droit à déduction – Utilisation pour les besoins privés – Demande reconventionnelle – Arrêt « Seeling » – Révision des déductions - Prescription
Dispositions légales
Article 19, § 1er (ancien) du Code de la TVA
Article 83, § 1er, alinéa 2, du Code de la TVA
Article 807 du Code judiciaire
Résumé
1) Les faits de la cause et les antécédents de la procédure
Lors d’un contrôle qui s’est déroulé le 26 février 1998, il a été constaté que l’assujetti, constitué sous forme de société, avait acheté un appartement en 1996. La TVA ayant grevé les frais et le prix d’achat a été entièrement déduite. La société soutenait que l’appartement était dans son entièreté utilisé pour un usage professionnel c.-à-d. comme bureau de comptabilité.
Lors des constatations sur place en 1998, il a toutefois été relevé que l’appartement était également utilisé pour des besoins privés. Il n’y a pas eu d’accord entre les parties. Une contrainte a été notifiée le 12 juin 2001. Une requête a été déposée au greffe du tribunal de première instance le 22 août 2001.
Conformément à la jurisprudence de la Cour de justice de l’Union européenne développée dans les arrêts dits « Seeling » et « Medicom », l’assujetti avait le droit d’exercer son droit à déduction sur l’intégralité de la TVA payée et ce, bien que le bien immobilier était affecté en partie à un usage privé.
L’administration a introduit une demande reconventionnelle dans laquelle elle estimait que, conformément aux arrêts susmentionnés, la TVA était exigible.
Le jugement définitif a été rendu le 31 mai 2016. La contrainte a été annulée et l’assujetti a été condamné à payer un montant de TVA sur une base d’imposition corrigée sur la base légale de l’article 19, § 1er, du Code de la TVA, tel qu’il était en vigueur pour la période antérieure à 2007. A partir de l’année 2007, l’assujetti a été condamné à opérer une révision de la déduction.
2) L’arrêt
a) Suspension du délai de prescription
Etant donné que la contrainte a été annulée par le juge en première instance, il est incontestable que cette contrainte n’a aucun effet interruptif.
Vu la très large acception de la disposition légale prévue à l’article 83, § 1er, alinéa 2, du Code de la TVA, l’action en justice introduite par l’assujetti suspend le cours de la prescription.
Le montant de TVA réclamé initialement était exigible en raison du rejet du droit à déduction. La TVA maintenant réclamée à titre reconventionnel est en revanche exigible en raison de l’existence d’une opération imposable et ne constitue pas un obstacle.
b) La demande reconventionnelle introduite par l’administration en première instance
Les juges d’appel estiment que les faits sur lesquels se fonde la demande reconventionnelle de l’administration sont effectivement bien les mêmes que ceux sur lesquels se fonde la demande principale de l’assujetti, à savoir le fait que la TVA a été irrégulièrement déduite, alors que l’utilisation professionnelle des biens d’investissement n’est que partielle.
Selon la cour, la demande reconventionnelle n’est, dès lors, pas une demande nouvelle non autorisée par les dispositions prévues à l’article 807 du Code judiciaire.
c) La mise à disposition de l’immeuble
Les juges d’appel estiment que l’administration n’apporte pas la preuve de l’utilisation privée de l’immeuble pour la période précédant le 28 avril 2004 (début de l’occupation) mais considèrent qu’il n’y a pas de désaccord entre les parties concernant la mise à disposition évaluée à 80% de l’immeuble pour les besoins privés de l’assujetti.
En ce qui concerne la période courante entre le 28 avril 2004 et le 31 décembre 2006, la TVA exigible en raison de de la mise à disposition pour les besoins privés doit être calculée sur la base d’un quinzième par an (article 19 du Code de la TVA).
En qui concerne la période courant à partir du 1er janvier 2007 jusqu’à la fin de la période de révision de la déduction, à savoir le 31 décembre 2010, la TVA est exigible en raison de la révision de la TVA qui a été déduite initialement.
L’appel de l’assujetti est partiellement fondé.
Texte de l’arrêt
L’arrêt est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 20.03.2018
Rol: 2016/AR/1730
In de zaak van:
B. B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te …, ingeschreven met KBO-nummer 0457…., appellante, hebbende als raadsman mr. …
tegen
BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN. Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Gewestelijk directeur BTW …, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr….
wijst het hof het volgend arrest:
1.De procedure voor het hof
Bij verzoekschrift van 3 oktober 2016 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen twee vonnissen uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, enerzijds het tussenvonnis van 26 september 2011 en anderzijds het eindvonnis van 31 mei 2016 telkens in de zaak met rolnummer 01/2914/A.
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 20 februari 2018, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.
De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend.
Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
2.De relevante feiten en de voorafgaande procedure
De appellante is een btw-belastingplichtige geregistreerd voor de economische activiteiten van zowel 'markt- en opinieonderzoekbureau' als van 'boekhouders en boekhouders fiscalisten'.
Oorspronkelijk beschikte de appellante enkel over een maatschappelijke zetel in V.S.S. waardoor ze ressorteerde onder de bevoegdheid van het btw-controlekantoor van ....
Op 26 februari 1998 werd een controle van de boekhouding van appellante uitgevoerd door het btw-controlekantoor van ....
Ter gelegenheid van die controle werd vastgesteld dat de appellante in de loop van het jaar 1996 een appartement gelegen in ... had aangekocht en ingericht voor een bedrag van 126.192,93 euro (toen 5.090.610 frank), waarbij 26.500,51 euro aan btw ( 1.069.028 frank) integraal in aftrek werd gebracht. In de boekhouding van de appellante bevonden zich ook facturen die betrekking hadden op de verdere inrichting en afwerking van dat appartement ter waarde van 11.866,69 euro (478.701,00 frank). Ook de btw (zijnde 2.550,50 euro of 102.887,00 frank) geheven op die kosten werd door de appellante volledig in aftrek gebracht.
Op vraag van de controleagent antwoordde de appellante dat het appartement volledig voor beroepsdoeleinden werd gebruikt, namelijk als boekhoudkantoor.
Een controleagent van het btw-controlekantoor van ... begaf zich vervolgens op 18 mei 1998 ter plaatse om na te gaan in welke mate het appartement effectief voor beroepsdoeleinden werd gebruikt. De controleagent werd er te woord gestaan door de accountant van de appellante, de heer M.V. en door mevrouw N.V. Zoals weergegeven in het proces-verbaal werd door de controleagent genoteerd:
-dat het appartement was ingericht als een tweede verblijfplaats, zoals alle andere flats in het appartementsblok;
-dat het appartement bestond uit een living, een keuken, een badkamer en verschillende andere kamers;
-dat er kantoormeubilair en een PC in de slaapkamers stonden
-dat er in de living een tafel stond met een PC maar ook antieke kasten en een volledig salon.
Op basis van deze inlichtingen was het btw-controlekantoor van ... van oordeel dat er geen sprake kon zijn van een volledig beroepsgebruik van het appartement en dat de aftrek van de btw geheven met betrekking tot de oprichtingskosten in hoofde van de appellante moest beperkt worden. De inrichtingskosten werden als private uitgaven beschouwd en daarom uitgesloten van btw-aftrek.
Hiervan werd op 12 juni 1998 een proces-verbaal opgesteld, evenwel zonder de door de appellante verschuldigde bedragen ingevolge de onrechtmatig verrichte aftrek te becijferen. Daarvoor werd gewacht tot bepaald zou zijn wat de precieze mate was waarin het appartement voor beroepsdoeleinden werd gebruikt.
Op 25 januari 2001 verrichtte de btw-controle van ..., na aankondiging, een nieuw plaatsbezoek in het appartement in ... om vast te stellen of al dan niet beroepsmatig gebruik van het appartement werd gemaakt en om de boekhouding van de appellante voor het jaar 1996 na te zien.
De vaststellingen in verband met het gebruik van het appartement werden opgenomen in een proces-verbaal van 23 april 2001. In dit proces-verbaal, opgesteld op grond van de gedane vaststellingen en de dossiergegevens betreffende het appartement bij het kadaster, werd het bedrag aan terug te storten btw bepaald. Meer bepaald werd de btw-aftrek met betrekking tot de aankoop van het appartement en de plaatsing van het vast tapijt beperkt tot 13% (zijnde 23.195,80 euro of 935.716,00 frank; 87% van de btw werd dus verworpen), terwijl voor de bijkomende facturen van onroerende inrichting de btw voor 100% werd verworpen (zijnde 2.389,17 euro of 96.379,00 frank). In het totaal werd dus de aftrek van 25.584,97 euro (1.032.095,00 frank) aan btw verworpen wegens niet beroepsmatige bestemming werd aangezien.
Volgens het proces-verbaal is de appellante aan de geïntimeerde de volgende sommen verschuldigd:
•btw: 25.584,97 euro (1.032.095 frank)
•boete: 2.553,30 euro (103.000 frank)
interest: vanaf 21 juni 2001.
Aangezien de appellante, naast haar maatschappelijke zetel in Vresse-sur-Semois, het appartement in ... als administratieve zetel had aangeduid, werd het dossier door het btw-controlekantoor van ... overgemaakt aan het btw-controlekantoor van ....
Omdat de appellante zich met de inhoud van het proces-verbaal van 23 april 2001 niet akkoord kon verklaren, werd door de btw-ontvanger Gent een dwangbevel (RCIV 40110427110431) uitgevaardigd dat op 30 mei 2001 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard en op 12 juni 2001 bij aangetekend schrijven aan de appellante ter kennis werd gebracht op het adres van de maatschappelijke zetel.
Met een verzoekschrift van 22 augustus 2001 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg van Gent (sinds 1 april 2014 de rechtbank van eerste aanleg Oost Vlaanderen, afdeling Gent).
De eerste rechter heeft op 26 september 2011 een tussenvonnis uitgesproken en het debat heropend. In dit tussenvonnis oordeelde de eerste rechter dat het onroerend goed minstens deels bestemd was om voor privédoeleinden te worden gebruikt en werden de debatten heropend om aan partijen toe te laten om een standpunt in te nemen omtrent de toepassing van de zogenaamde Seeling-doctrine.
In het vonnis van 31 mei 2016 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost Vlaanderen, afdeling Gent als volgt uitspraak gedaan:
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond: Vernietigt het dwangbevel met RCIV nr. 401…., geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30 mei 2001 en zegt voor recht dat de daarin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.
Beveelt de terugbetaling van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest.
Verklaart de tegenvordering van verweerder ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond:
Veroordeelt eiseres tot betaling van de corrigerende heffing op grond van artikel 19, §1 WBTW, zoals van toepassing vóór 7 januari 2007, op de uitgaven gedaan voor het onroerend goed in de mate dat het in de periode van 1996 tot en met 2006 voor andere dan bedrijfsdoeleinden werd aangewend.
Veroordeelt eiseres tot betaling van de herziening van de oorspronkelijk in aftrek gebrachte BTW, in de mate dat het onroerend goed vanaf het jaar 2007 is aangewend voor andere dan bedrijfsdoeleinden en dit gedurende de resterende jaren van de herzieningstermijn van 15 jaar. Zegt voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld, maar ook tegen het tussenvonnis van 26 september 2011 in het bijzonder omdat de eerste rechter daarin (al) oordeelde dat het onroerend goed minstens deels bestemd was om voor privédoeleinden te worden gebruikt.
3.De vorderingen van de partiien
3.1. De vordering van de appellante
De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren
Dienvolgens de vonnissen a quo dd. 26 september 2011 en 31 mei 2016 van de rechtbank van eerste aanleg van Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, 6° Kamer, gedeelte/ijk teniet te doen en opnieuw wijzende over de tegenvordering van geïntimeerde, deze tegenvordering af te wijzen als onontvankelijk wegens verjaring, minstens deze tegenvordering gedeelte/ijk af te wijzen als ongegrond voor de periode die betrekking heeft op de jaren 1996 tot 28 april 2004. Verder geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van iedere aanleg, aan de zijde van appellante begroot op :
- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : € 2.200,00
- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : :€2.400,00
Totaal: €4.600,00
3.2.De vordering van de geïntimeerde
De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:
Het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren Appellante in al haar eisen af te wijzen;
Te zeggen voor recht dat in casu alle principes van het arrest Seeling en van het arrest Medicom toegepast dienen te worden;
Dienvolgens appellante te veroordelen tot de betaling van de hoofdsom aan BTW van 23.240,81 €,·
Appellante te veroordelen tot alle kosten van het geding in beide aanleggen, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding.
4.De betwistingen en hun beoordeling
In hoofdorde roept de appellante in dat de tegenvordering van de geïntimeerde verjaard is. Subsidiair stelt de appellante dat het appartement volledig beroepsmatig werd gebruikt tot mevrouw Vermeulen er op 28 april 2004 kwam wonen. Van dan af aanvaardt zij wel de stelling van de geïntimeerde dat het appartement voor 80% privé werd gebruikt.
4.1.Over de verjaring
De geïntimeerde aanvaardt, zoals door de eerste rechter uitgesproken, dat het aanvankelijk bestreden dwangbevel nietig is. Er bestaat (terecht) geen betwisting over dat in het proces verbaal dat de grondslag vormt voor het bestreden dwangbevel ten onrechte beslist werd om de aftrek van de btw op de aankoop van het appartement voor 87% te verwerpen en de btw over de inrichtingskosten integraal te verwerpen. In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie in de zaken Seeling en Medicom, had de appellante immers het recht om de btw volledig af te trekken op de aanschaffings- en inrichtingskosten voor een onroerend goed dat volledig aan het bedrijf toebehoort, ook al werd dat onroerend goed gedeeltelijk voor privédoeleinden ter beschikking gesteld aan iemand die banden heeft met het bedrijf zonder dat daarvoor een tegenprestatie geleverd wordt.
De geïntimeerde stelde voor de eerste rechter een tegenvordering waarin hij betaling vordert van de btw die overeenkomstig de genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie verschuldigd is.
Een eerste gedeelte van de tegenvordering heeft betrekking op de btw die in principe verschuldigd is over de terbeschikkingstelling van een onroerend goed voor andere doeleinden dan haar economische activiteit. Deze terbeschikkingstelling wordt overeenkomstig artikel 19 §1 WBTW voor de jaren tot 31 december 2006 gelijkgesteld met een dienst, verricht onder bezwarende titel, waarop derhalve btw verschuldigd is. Overeenkomstig het arrest Wollny van 14 september 2006 van het Hof van Justitie mag de jaarlijks verschuldigde btw over het privégebruik berekend worden op basis van 1/lSde van de investering die betrekking heeft op het privégedeelte, zolang de herzieningstermijn (geregeld in artikel 48 WBTW) loopt.
Een tweede gedeelte van de tegenvordering heeft betrekking op de btw die de appellante in principe verschuldigd is omdat ze in 2007 het onroerend goed niet meer aanwendt voor een activiteit die onderworpen is aan de btw. Dat is een gevolg van de wijziging van artikel 19 §1 WBTW door de Programmawet van 27 december 2006 waardoor het aanwenden van een onroerend goed voor andere doeleinden dan voor de economische activiteit van een btw belastingplichtige vanaf 1 januari 2007 niet langer gelijkgesteld is met een dienst verricht onder bezwarende titel. Aldus kan voor verrichtingen die betrekking hebben op het privégebruik van het appartement geen recht van aftrek worden uitgeoefend. De privéaanwending in 2007 geeft aanleiding tot een herziening van de voorheen in aftrek gebrachte btw overeenkomstig artikel 48 WBTW.
Op zich is het wel mogelijk voor de geïntimeerde om een tegenvordering te stellen tot het laten veroordelen van de belastingplichtige tot het betalen van btw die verschuldigd is op grond van de feiten die het voorwerp uitmaken van het bestreden dwangbevel. De feiten waarop de tegenvordering van de geïntimeerde berust zijn wel degelijke dezelfde als deze waarop de hoofdvordering van de appellante berust, namelijk het feit dat de appellante in de betrokken periode een appartement had waarvoor de btw op de gedane investeringen in aftrek heeft genomen, terwijl wordt ingeroepen dat het gebruik ervan niet of slechts gedeeltelijk bedrijfsmatig was zodat daarmee moet rekening gehouden worden voor de toepassing van de btw-wetgeving. De tussenvordering is dan ook geen niet-toegelaten nieuwe vordering in de zin van artikel 807 Ger.W.
De appellante roept in dat de vordering door de geïntimeerde pas in conclusies voor de eerste rechter van 8 april 2011 werd ingesteld en die vordering op dat moment al verjaard was.
De geïntimeerde maakt een correcte analyse van de verjaringsregels (artikel 81 en 81bis WBTW) zowel vóór als de wijziging ervan in 1999. Hij kan zich nochtans niet beroepen op de stuiting van de verjaring door het dwangbevel betekend op 12 juni 2001. Het dwangbevel werd immers door de eerste rechter terecht vernietigd en daarover is geen betwisting meer. Er kan bezwaarlijk aangenomen worden dat een nietig dwangbevel een stuitende werking heeft.
De gerechtelijke vordering ingesteld door de appellante kon geen stuitende werking hebben omdat artikel 2244, lste lid BW vereist dat de akte die stuiting veroorzaakt moet betekend worden aan hem die men wil beletten de verjaring te verkrijgen. Het was uiteraard niet de bedoeling van de appellante om te beletten dat de geïntimeerde de verjaring zou verkrijgen.
De geïntimeerde kan zich ook niet voor het volledige gevorderde bedrag beroepen op de schorsing van de verjaring door het instellen van de gerechtelijke procedure op 22 augustus 2001 door de appellante. Artikel 83, §1, ie lid WBTW In de huidige versie luidt als volgt:
Elk rechtsgeding met betrekking tot de toepassing of de invordering van de belasting dat wordt ingesteld door de Belgische Staat, door de schuldenaar van deze belasting of door ieder andere persoon die gehouden is tot betalen van de schuld op grond van dit Wetboek, van besluiten genomen ter uitvoeringervan ofvan het gemeen recht, schorst de verjaring.
Gelet op de zeer ruime omschrijving in die wetsbepaling, is ook de gerechtelijke vordering ingesteld door de appellante van aard om de verjaring te stuiten en dit voor alle btw die krachtens de wet en de uitvoeringsbesluiten verschuldigd is. Dat het dwangbevel waartegen de hoofdvordering gericht was het recht van aftrek van btw als voorwerp had, terwijl de tegenvordering als voorwerp btw heeft die verschuldigd is op belastbare handelingen of (vanaf 2007) regularisatie van btw, kan niet beletten dat de gerechtelijke vordering van de appellante de verjaring ook gestuit heeft voor die btw. Die analyse houdt dus in wezen in dat artikel 83, (1, 2rle lid WBTW niet uitsluitend een rechtsregel uitmaakt die de verjaring regelt, maar tegelijk ook de rechtsbasis biedt om btw (eventueel bij tegenvordering, zoals hier) te vorderen op andere rechtsgronden dan deze waarvoor de geïntimeerde zijn aanspraken geformuleerd had in een eerder (maar vernietigd) dwangbevel. Dat de aanvankelijk, in het vernietigd dwangbevel gevorderde btw verschuldigd werd geacht wegens verwerping van het recht van aftrek, terwijl de btw die nu bij tegenvordering wordt gevorderd enerzijds verschuldigd is wegens het stellen van een belastbare handeling (terbeschikkingstelling van een onroerend goed voor privédoeleinden) en anderzijds op grond van een regularisatie van het recht op aftrek, vormt geen beletsel voor de tegenvordering.
Nochtans moet er mee rekening gehouden worden dat de regeling van artikel 83, §1, 2de lid WBTW slechts door artikel 56, 2" van de wet van 15 maart 1999 ingevoegd werd om van toepassing te zijn op de belastingen, interesten en fiscale boeten waarvan de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999 (art. 97, 1ste lid, 2rle streepje, wet 15 maart 1999).
Wat de temporele werking betreft moet allereerst worden verduidelijkt dat de geïntimeerde kennelijk pas in het vierde kwartaal 1996 belastbare handelingen stelde met betrekking tot het appartement. De ter beschikkingstelling van het appartement voor privédoeleinden kan zich dus niet eer dan in hetzelfde kwartaal hebben voorgedaan. De aangifte van de btw op die belastbare verrichting (verhoudingsgewijs bepaald) moest worden ingediend tegen 20 januari 1997; de btw werd pas opeisbaar op 21 januari 1997.
Voor de terbeschikkingstelling in het vierde kwartaal 1998 geldt evenzeer dat de btw pas opeisbaar werd op 21 januari 1999.
Voor de (belastbare) verrichting die (volgens de geïntimeerde) bestond uit het ter beschikking stellen van een onroerend goed voor privédoeleinden in het vierde kwartaal 1996, in het hele jaar 1997 en tot en met het derde kwartaal 1998, is die bepaling dus niet toepasselijk en heeft het instellen van de vordering door de appellante de verjaring niet geschorst.
Verder was de verjaring voor de btw die verschuldigd was vanaf 1 januari 1999 in elk geval niet ingetreden op het moment dat de appellante op 22 augustus 2001 haar gerechtelijke vordering instelde. Zowel met toepassing van het oude artikel 81 WBTW {verjaringstermijn van 5 jaar te rekenen vanaf het ontstaan van de vordering tot voldoening) als met toepassing van het nieuwe artikel 81bis §1, lste lid WBTW {toepasselijk vanaf 6 april 1999 - zijnde verjaring op datum van het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op de oorzaak van de opeisbaarheid van de btw}, was de verjaringstermijn hoe dan ook op het moment van het intreden van de schorsing, nog niet verstreken.
Aangezien de bestreden vonnissen, ingevolge het {tijdig} instellen van hoger beroep, niet in kracht van gewijsde zijn gegaan, is de verjaring nog steeds geschorst (art. 83 §1, 3de _lid WBTW}.
In zoverre de vordering betrekking heeft op btw voor belastbare handelingen vanaf het vierde kwartaal 1998 (opeisbaar vanaf 21 januari 1999} is de verjaring dus niet ingetreden.
De exceptie van verjaring van de tegenvordering is slechts gedeeltelijk gegrond.
4.2. Over de mate van het gebruik van het appartement voor beroepsdoeleinden
De appellante beroept zich op een vaststelling, op haar verzoek gedaan door een gerechtsdeurwaarder op 25 mei 2001 en stelt de het gebruik van het appartement tot mevrouw Vermeulen haar intrek nam in het appartement op 28 april 2004, uitsluitend voor haar economische activiteiten gebruikt werd.
De eerste rechter oordeelde evenwel dat ook voor de periode voorafgaand aan 28 april 2004 het bewijs geleverd is dat het appartement maar voor 20% beroepsmatig gebruikt werd door de appellante en dit gelet op de processen-verbaal van 12 juni 1998, 25 januari 2001 en 23 april 2001 en het plan van het appartement dat de geïntimeerde voorlegt.
Beoordeling
In het proces-verbaal van 12 juni 1998 staat bevestigd dat bij herhaling maar telkens vergeefs geprobeerd werd om op het telefoonnummer dat de appellante had voor het betreffende appartement iemand te bereiken.
Verder werden de vaststellingen genoteerd die een controleagent in ... had gedaan, zoals al in het hoger vermelde feitenrelaas weergegeven, namelijk:
-dat het appartement was ingericht als een tweede verblijfplaats, zoals alle andere flats in het appartementsblok;
-dat het appartement bestond uit een living, een keuken, een badkamer en verschillende andere kamers;
-dat er kantoormeubilair en een PC in de slaapkamers stonden
-dat er in de living een tafel stond met een PC maar ook antieke kasten en een volledig salon.
Op 25 januari 2001 vond een nieuw bezoek door een controleagent plaats, zoals weergegeven in het proces-verbaal van 23 april 2001. Daarin wordt vooreerst gesteld dat bij elk voorafgaand niet-aangekondigd bezoek nooit toegang tot het appartement kon verschaft worden, wat wil zeggen dat er nooit iemand was. Wanneer die niet-aangekondigde bezoeken plaatsvonden, staat niet vermeld.
De beschrijving van wat de controleagent op 25 januari 2001 vaststelde, luidt als volgt:
De heer M.V. verklaarde mij dat er geen private bewoning is op dit adres. Ik stelde echter vast dat het appartement volledig is ingericht om privaat te worden bewoond. De keuken en badkamer zijn volledig ingericht. Op het ogenblik van mijn bezoek ter plaatse, bevond zich in de living een computer op een antiek bureau, terwijl op een andere kleinere tafel een draagbare computer stond opgesteld. Een aantal dossiers en documenten lagen open gespreid op een legplank die ondersteund werd door een aantal schragen. In één slaapkamer was een bureel ingericht, terwijl in de andere slaapkamer een aantal oudere meubels waren opgeslagen naast een éénpersoonsbed.
Die beschrijving beantwoordt aan wat door gerechtsdeurwaarder M. op 25 mei 2001 beschreven wordt en bovendien met foto's geïllustreerd wordt.
Uit het plan dat deel uitmaakt van het stuk 3 van de geïntimeerde, blijkt dat het appartement twee slaapkamers telt.
Het hof kan slechts vaststellen dat de beschrijvingen die voorhanden zijn, slechts bevestigen dat het om een bewoonbaar appartement gaat, maar dat uit niets blijkt dat er enige bewoning plaatsvond. Er wordt geen enkele melding gemaakt van de aanwezigheid van materiaal dat typisch en zelfs essentieel is voor privébewoning. Dat er een ingerichte keuken en ingerichte badkamer is, belet immers niet dat de ruimten voor de activiteit van boekhouding worden gebruikt zonder dat er iemand woont of voor privédoeleinden verblijft. Mocht er wel, al is het maar gedeeltelijk privégebruik zijn geweest, dan viel te verwachten dat er minstens persoonlijke spullen voor lichaamsverzorging in de badkamer aangetroffen werden of dat er in de keukenkasten potten, pannen, bestek, enz. zouden aanwezig zijn. Dat blijkt niet het geval te zijn geweest. Op de foto's van de gerechtsdeurwaarder is weliswaar een buffetkast te zien met glazen en enkele flessen drank, maar dat sluit op zich niet een kantoorbestemming uit.
Dat er bij onaangekondigde bezoeken (waarvan weliswaar geen datum, noch uur is weergegeven) niemand werd aangetroffen, is evengoed in overeenstemming te brengen met het feit dat er alvast niemand woonde.
Wat wel zeker is, is dat er telkens kantooruitrusting, een computer en dossiers aangetroffen werden.
In de geschetste omstandigheden bewijst de geïntimeerde niet dat het appartement in de periode voorafgaand aan de bewoning door mevrouw Nancy Vermeulen (28 april 2004) voor een deel een andere bestemming had dan deze van de economische activiteit van de appellante.
Voor de periode vanaf 28 april 2004 is er geen betwisting dat er ter beschikkingstelling was van het appartement voor privédoeleinden voor 80%.
Voor de periode van 28 april 2004 tot 31 december 2006 is de appellante dan ook de btw verschuldigd op de belastbare handeling bestaande uit de terbeschikkingstelling voor privédoeleinden, te berekenen op basis van een vijftiende per jaar van de btw op de investering op het privégedeelte.
Voor de periode van 1 januari 2007 tot het einde van het herzieningstijdvak, namelijk 31 december 2010, is btw verschuldigd wegens herziening van de oorspronkelijk afgetrokken btw, ook aan een vijftiende per jaar in de verhouding tot het privégedeelte van de gedane investering.
In het totaal is de btw verschuldigd over 6 jaren en drie kwartalen aan 1.549,39 euro per jaar. De tegenvordering van de geïntimeerde is dus gegrond voor een bedrag in hoofdsom van (1.549,39 euro x 6,75 =) 10.458,38 euro btw
Het hoger beroep is dus deels gegrond.
5.De gerechtskosten
Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen, moeten zij elk hun eigen gerechtskosten van de beide instanties dragen. In dat geval moet het hof die kosten niet vaststellen.
Dat houdt op dat punt een bevestiging in van wat de eerste rechter in haar eindvonnis uitsprak.
Dispositif
OP DIE GRONDEN, HET HOF,
recht doende op tegenspraak;
verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;
vernietigt het bestreden vonnis van 26 september 2011 in zover het aanneemt dat van het betreffende appartement voor andere activiteiten dan de economische activiteit van de appellante gebruik gemaakt werd in de periode voorafgaand aan 28 april 2004;
bevestigt het bestreden vonnis van 31 mei 2016 behoudens waar het uitspraak doet over de grond van de tegenvordering van de geïntimeerde;
doet opnieuw recht ten gronde over de tegenvordering van de geïntimeerde en verklaart ze als volgt gegrond:
veroordeelt de appellante om aan de geïntimeerde voor de periode van 28 april 2004 tot 31 december 2010 een bedrag aan belasting op de toegevoegde waarde te betalen van tienduizend vierhonderd achtenvijftigeuro en achtendertig cent (EUR 10.458,38).
zegt voor recht dat elke partij haar eigen gerechtskosten van het hoger beroep moet dragen.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent,
VIJFDE KAMER, zitting houdende in fiscale zaken, van 20 maart 2018.
Aanwezig: …
Ondertekeningen
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.