Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'appel de Bruges du 20.02.2023
WF 714-15-20/040240
[Favorable à l'administration]
Taxe sur la valeur ajoutée - Exemptions - Limitation du droit à déduction - Registre de perception et recouvrement - Prescription
Dispositions légales
Articles 44, §2, 11° et 45, §1er , du Code de la TVA ;
Article 23 du Code du recouvrement amiable et forcé des créances fiscales et non fiscales
Résumé
1. Les faits et les antécédents de procédure
L’assujettie a pour objectif de promouvoir la création d’une vie commune au sein d’un quartier. A cette fin, elle peut développer des activités dans les domaines sociaux, éducatifs, culturels, des services et des loisirs. Elle peut réaliser des actes commerciaux mais à titre accessoire et uniquement dans la mesure où les recettes sont affectées à son objet. En 2015, l’assujettie a installé un nouveau bâtiment modulaire constitué de conteneurs afin d’être utilisé en tant que local communautaire de quartier.
Suite à un contrôle, un relevé de régularisation a été émis en date du 27 août 2019 en raison d'un droit à déduction indu. Il n'a pas pu être démontré que l'investissement serait utilisé pour des opérations ouvrant droit à déduction. L’assujettie a contesté la position de l’administration.
Le 13 mai 2020, un procès-verbal a été dressé mentionnant le montant de la TVA due, de l'amende et des intérêts. Le recours administratif a été rejeté et l’assujettie a introduit une requête auprès du Tribunal de première instance de Bruges.
2. Le jugement
Conformément à l'article 44, §2, 11°, du Code de la TVA, sont aussi exemptées de la taxe les prestations de services et les livraisons de biens qui leur sont étroitement liées fournies à leurs membres dans leur intérêt collectif, moyennant le paiement d'une cotisation fixée conformément aux statuts, par des organismes n'ayant aucun but lucratif poursuivant des objectifs de nature politique, syndicale, religieuse, humanitaire, patriotique, philanthropique ou civique, à condition que cette exemption ne soit pas susceptible de provoquer des distorsions de concurrence
Il ressort du dossier que l’assujettie louait occasionnellement son local communautaire de quartier pour des activités familiales ou pour d’autres activités à des fins non commerciales (exemption article 44, §3, 2°, du Code de la TVA). Lors de ces activités, des boissons sont vendues dans le local communautaire de quartier.
Le tribunal constate que l’assujettie invoque des opérations qui relèvent de l'exemption de l'article 44, §2, 11°, du Code de la TVA. Elle ne prouve nullement que 60% de ses opérations constitueraient des opérations imposables. Par conséquent, la TVA grevant les biens d’investissement n'ouvre ni le droit à déduction, ni le droit de procéder à la révision de la déduction. La demanderesse se réfère à tort à l'arrêt du 14 février 1985 de la Cour de justice prononcé dans l'affaire R. (C-268/83). Dans cet arrêt, l'existence d'opérations imposables étaient établies.
Dans sa déclaration du troisième trimestre 2017, l’assujettie a demandé la restitution de la TVA. Le délai de prescription aurait dès lors commencé à courir à partir du 31 décembre 2020.
L'avis de perception et recouvrement a été déclaré exécutoire le 24 juin 2020. Conformément à l'article 23, § 2, du Code de recouvrement amiable et forcé, pour autant que la prescription visée à l'alinéa 1er ne soit pas déjà acquise, la taxe, les intérêts de retard et les amendes fiscales repris dans un registre de perception et recouvrement rendu exécutoire se prescrivent par cinq ans à compter de la date d'exécutoire du registre de perception et recouvrement auquel ils sont repris conformément aux lois fiscales. Il n'y a donc pas de prescription.
Texte du jugement
Le jugement est publié uniquement dans la langue originale
Corps de la décision
Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer,
Vonnis van 20/02/2023
Rol : 21/1090/A
W. D. M. vzw (KBO: 043...87), met maatschappelijke zetel te ...,
eisende partij,
voor wie is opgetreden de heer C. R., dagelijks bestuurder, wonende te ... (ref.: …),
tegen :
de BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum KORTRIJK 762, met kantoren te 8500 KORTRIJK, Hoveniersstraat 31, doch met correspondentieadres: Gaston Crommenlaan 6, bus 542 te 9050 LEDEBERG,
verwerende partij,
voor wie optreedt de heer X, attaché (ref.: …).
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 13 april 2021.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.
Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 30 januari 2023.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. Eiseres is opgericht in 1986 en heeft ongeveer 100 leden. Zij heeft tot doel de samenlevingsopbouw binnen de wijk te bevorderen. In functie daarvan kan zij activiteiten ontwikkelen op sociaal, educatief, cultureel, dienstverlenend en recreatief gebied. Zij kan handelsdaden stellen doch op bijkomstige wijze en enkel voor zover de opbrengst hiervan besteed wordt aan haar doel. Op 5 januari 2016 heeft eiseres zich ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE0432...87, voor de activiteit van café en bar en activiteiten van overige sportclubs. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Door X, attaché bij de Algemene Administratie van de Financiën, Centrum KMO Kortrijk Controle 3, wordt een controle gestart bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde. De controle is er gekomen wegens een belastingkrediet ingevolge de BTW-aangifte van het derde kwartaal 2017.
Er wordt een correctie-opgave opgesteld d.d. 27 augustus 2019 wegens het feit dat de investering geen voorbereiding was op de realisatie van toekomstige belastbare handelingen en niet wordt aangetoond dat de investering zou worden aangewend voor handelingen die recht op aftrek verlenen. Eiseres is niet akkoord.
Op 13 mei 2020 wordt een proces-verbaal opgesteld. Eiseres is verschuldigd als BTW 11.218,94 EUR, als boete 1.120,00 EUR en nalatigheidsintresten. De schuld wordt opgenomen in het innings- en invorderingsregister, welk uitvoerbaar wordt verklaard op 24 juni 2020.
Door eiseres wordt bezwaar ingediend op 16 juli 2020. Het bezwaar wordt afgewezen bij beslissing d.d. 14 januari 2021.
Door eiseres wordt fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 13 april 2021.
2. Eiseres vraagt dat:
- de eis ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- de terugvordering wordt nietig verklaard;
- verweerder wordt veroordeeld tot terugplaatsing op de rekening-courant van eiseres van het bedrag van 6.731,36 EUR of 5.699,23 EUR;
voor recht wordt gezegd dat de BTW-vordering is verjaard;
verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
3. Verweerder vraagt dat:
- de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard;
- eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. Aftrek BTW
Conform artikel 45 §1,1° WBTW heeft een BTW-belastingplichtige het recht om de belasting in aftrek te brengen van de aan hem geleverde goederen en aan hem verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen, voor zover dat hij de goederen of de diensten gebruikt voor het verrichten van belastbare diensten.
Herziening van de aftrek ten aanzien van BTW geheven op bedrijfsmiddelen is mogelijk overeenkomstig artikel 48 WBTW en artikel 6 e.v. KB nr. 3 van 10 december 1969.
Eiseres heeft in 2015 een nieuw modulair containergebouw geplaatst dat dienst moet doen als wijklokaal. Het nieuwe wijklokaal wordt in gebruik genomen in 2016. Eiseres heeft de betaalde BTW voor 14/15 opgenomen in vak 62 van de BTW-aangifte van het derde kwartaal 2017. Volgens eiseres is het containergebouw een voorbereidende werkzaamheid op het stellen van BTW-handelingen. Tijdens de gerechtelijke procedure geeft eiseres toe dat zij geen rekening heeft gehouden met de door haar verrichte vrijgestelde handelingen. Zij stelt een verhouding 60% belaste handelingen en 40% niet belaste handelingen voor.
Eiseres dient te bewijzen dat zij recht op aftrek van BTW heeft. Zij dient derhalve te bewijzen dat zij belastbare diensten verricht.
Het feit dat eiseres op bepaalde diensten (onterecht) BTW aanrekent, bewijst niet dat zij belastbare diensten verricht.
Conform artikel 44 §2, 11° WBTW zijn van BTW vrijgesteld de diensten en de nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen ten behoeve en in het gemeenschappelijk belang van hun leden, verricht tegen betaling van een krachtens de statuten bepaalde bijdrage, door instellingen die geen winst beogen en doeleinden van politieke, syndicale, religieuze, levensbeschouwelijke, vaderlandslievende, filantropische of staatsburgerlijke aard nastreven, op voorwaarde dat deze vrijstelling niet tot concurrentieverstoring kan leiden.
Uit het dossier blijkt dat eiseres occasioneel haar wijklokaal verhuurt voor familiale of andere (niet-commerciële) activiteiten (vrijstelling artikel 44 §3, 2° WBTW) en verder organiseert eiseres activiteiten zoals petanque, paaseierenraap en verschillende hobbyactiviteiten. Tijdens deze activiteiten verkoopt eiseres dranken in haar wijklokaal.
De rechtbank stelt derhalve vast dat eiseres handelingen stelt die vallen onder de vrijstelling van artikel 44 §2, 11° WBTW. Eiseres bewijst geenszins dat 60% van haar handelingen belastbare handelingen zouden betreffen die niet vallen onder de vrijstelling van artikel 44 §2, 11° WBTW.
Het gevolg hiervan is dat de BTW op bedrijfsmiddelen niet in aanmerking komt voor aftrek, evenmin voor een herziening.
Ten onrechte verwijst eiseres naar het arrest d.d. 14 februari 1985 van het Hof van Justitie in de zaak R. (C-268/83). In deze zaak werden wel belastbare handelingen gesteld.
2. Verjaring
Conform artikel 81 WBTW begint de vordering tot voldoening van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat.
Conform artikel 81bis §1, eerste lid WBTW verjaart de vordering tot voldoening van de belasting, de intresten en de administratieve geldboeten na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, intresten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
De vordering tot voldoening van de BTW ontstaat in principe bij het verstrijken van de indieningstermijn van de aangifte waarin de verschuldigde BTW moet zijn opgenomen.
Eiseres heeft met de BTW-aangifte van het derde kwartaal 2017 een vraag tot terugbetaling van BTW ingesteld. De verjaring treedt derhalve in op 31 december 2020.
Het innings- en invorderingsbericht werd uitvoerbaar verklaard op 24 juni 2020. Conform artikel 23 §2 van het wetboek van gedwongen en minnelijke invordering verjaren de BTW, de nalatigheidsintresten en de administratieve boete opgenomen in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister door verloop van 5 jaren vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister. Er is dus geen sprake van verjaring.
C. Betreffende de kosten
Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, moet zij overeenkomstig artikel 1017,1 lid GerW de gerechtskosten dragen.
Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
De rechtbank,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op 00,00 EUR.
Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-
Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op MAANDAG TWINTIG FEBRUARI
TWEEDUIZEND DRIEËNTWINTIG waar zitting hadden:
…
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.