Droits et privilèges du Trésor, poursuite, instance · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Bruxelles 26 février 2004

Rechercher
Texte en néerlandais

Droits et privilèges du Trésor, poursuite, instanceTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droits-privileges-tresor-poursuite-instance-cour-appel-bruxelles-2004-02-26-ef2c

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Bruxelles
Date
26 février 2004

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

187 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Bruxelles du 26.02.2004

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer

Nr. van de zaak : 1999/AR/3112

Openbare terechtzitting van 26-02-2004

IN ZAKE VAN :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de hoofdcontroleur van het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 Brussel, Jozef Stevensstraat, 7,

appellant,

vertegenwoordigd door Meester L. loco D., advocaat (…, …)

tegen :

1. De vennootschap naar Amerikaans recht T. T. H. I. INC., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is in de Verenigde Staten van Amerika, …, …, die voor doeleinden van deze procedure woonstkeuze doet ten kantore van zijn raadsman. Meester D. V. B., … te …,

2. De N.V. T. T. L. B., met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …,

geïntimeerden,

vertegenwoordigd door Mter V. loco V. B., advocaat, (…, …)

EINDARREST - Hervormd

R. 2004/1295

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

De processtukken

Een verzoekschrift tot hoger beroep werd neergelegd ter griffie van het hof op 26 november 1999.

Het hoger beroep is gericht tegen een vonnis op tegenspraak gewezen door de 7de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 18 oktober 1999 (A.R. 95/4.070/A), waarvan geen exploot van betekening wordt overgelegd.

Het naar tijd en vorm regelmatig ingesteld hoger beroep is ontvankelijk.

Het voorwerp van het geschil

Op 23 maart 1995 hebben de vennootschap naar Amerikaans recht T. T. H. INC., hierna ook aangeduid als "T.", en de NV T. T. L. (…), hierna ook aangeduid als "T. B.", een inleidende vordering ingesteld tegen de BELGISCHE STAAT teneinde deze laatste te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van … BEF ten titel van moratoriumintresten op grond van artikel 91, § 3 van het BTW-Wetboek, berekend tegen 0,8 % per maand op de op 1 juni 1994 verrichte teruggaaf van BTW ten bedrage van … BEF voor de periode van 1 april 1994 tot en met 31 mei 1994, te vermeerderen met de moratoire intresten vanaf de datum van dagvaarding en de kosten van het geding.

De BELGISCHE STAAT concludeerde tot de ongegrondheid van deze vordering.

Op 18 oktober 1999 sprak de eerste rechter een eindvonnis uit, waarbij hij besliste als volgt :

- De BELGISCHE STAAT houdt voor dat de aangifte, die op 18 januari 1994 door T. B. werd verzonden, niet ingediend zou zijn volgens de door artikel 8.1, § 2 van het KB nr. 4 van 20 december 1969 bepaalde voorwaarde, nl. voor 20 januari 1994, en dit omdat die aangifte niet vermeldde dat ze betrekking had op de maand december 1993 maar wel dat ze betrekking had op het vierde kwartaal 1993;

- Het KB nr. 1 van 29 december 1992 omschrijft niet wat een "regelmatige aangifte" is;

- De BELGISCHE STAAT voegt aan de wettelijke voorwaarden tot teruggave een vereiste toe, nl. een juiste vermelding van het aangiftevak; de eisende partijen kunnen onmogelijk weten dat de aangiften bij de BELGISCHE STAAT geïmmatriculeerd staan volgens het aangiftevak; dit is een interne administratieve procedure die geen externe gevolgen kan hebben;

- De brief van het BTW-kantoor van 22 december 1993, waarop vermeld staat dat de eerste aangifte betrekking zal hebben op de verrichtingen van de maand december 1993, is geen bewijs dat de belastingplichtigen werd gewezen op het belang van die vermelding noch van het feit dat de aangifte als laattijdig zal aanzien worden indien "kwartaal" in plaats van "maand" wordt vermeld;

- Er zijn verschillende elementen voorhanden, waaruit blijkt dat de aangifte door de BELGISCHE STAAT werd aanvaard als tijdig; de aangifte werd geboekt met vermelding van 20 januari 1994 als datum waarop de boeking uitwerking heeft; er werd nooit een boete gevorderd voor een laattijdige aangifte; ter zake werd geen enkele aangifte teruggezonden, terwijl volgens een administratieve instructie enkel een aan de belastingplichtige teruggezonden aangifte als een niet ingediende aangifte dient beschouwd te worden;

- De BELGISCHE STAAT werpt vervolgens op dat T. B. niet binnen de door artikel 5 van het MB nr. 9 van 25 april 1972 bepaalde termijn van vijftien dagen het volmacht formulier aan de door haar gekozen financiële instelling heeft overgemaakt; de volmacht werd uitgesteld op 17 januari 1994; de BELGISCHE STAAT bewijst evenwel niet wanneer dit document aan T. B. werd overgemaakt; uit het schrijven van 22 december 1993 kan niet afgeleid worden dat het desbetreffende volmacht formulier bijgevoegd was; vermits de datum van ontvangst van dit formulier niet wordt bewezen, bewijst de BELGISCHE STAAT geenszins de beweerde nalatigheid in hoofde van eiseressen;

- Vermits eiseressen voldeden aan de voorwaarden tot teruggave van de gelden binnen de drie maanden vanaf het einde van het kalenderjaar, derhalve voor 1 april 1994, is de BELGISCHE STAAT gehouden om op grond van artikel 91, § 3 van het BTW-Wetboek de van rechtswege verschuldigde intrest van 0,8 % per maand op het bedrag van … BEF te betalen;

En verklaarde de vordering ontvankelijk en volledig gegrond.

Ter beoordeling door het hof ligt voor :

het door de BELGISCHE STAAT op 26 november 1999 ingestelde principaal hoger beroep, dat ertoe strekt om de oorspronkelijke vordering ongegrond te horen verklaren.

T. en T. B. concluderen tot de bevestiging van het bestreden vonnis.

De feiten

Met een kennisgeving nr. 811N van 22 december 1993 werd T. door het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen er van ingelicht dat zij werd opgenomen in het repertorium der BTW-belastingplichtigen onder het nummer ….

Met een kennisgeving nr. 812N van 22 december 1993 werd T. B. door het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen er van ingelicht dat zij met ingang van 1 december 1993 werd erkend als aansprakelijke vertegenwoordiger van T.. Tevens werd aan T. B. medegedeeld dat de eerste in te dienen aangifte deze is die betrekking zal hebben op de verrichtingen gedaan in de loop van de maand december 1993.

Bij ter post aangetekend schrijven van 18 januari 1994 werd door T. B. een BTW-aangifte verstuurd naar het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen met betrekking tot de handelingen van het vierde kwartaal 1993. Deze aangifte vertoonde als eindresultaat een door de BELGISCHE STAAT verschuldigd bedrag van … BEF. De terugbetaling ervan werd aangevraagd door het plaatsen van de vereiste handtekening in het daartoe bestemde kader.

Op 31 januari 1994 werd door het BTW-kantoor een rekeninguittreksel nr. 671 opgesteld, waaruit bleek dat de op 18 januari 1994 verzonden aangifte niet werd geboekt op de BTW-rekening-courant en dat er geen bedrag terug te geven was.

Op 30 april 1994 werd opnieuw een rekeninguittreksel nr. 671 opgesteld, waaruit bleek dat de aangifte op 22 februari 1994 werd geboekt op de BTW-rekening-courant met uitwerking op 20 januari 1994.

Na verrekening van … BEF als BTW verschuldigd volgens de aangifte, ingediend voor de handelingen van de maand februari 1994, wees het rekeninguittreksel een terug te geven saldo van … BEF uit.

Op 30 mei 1994 werd het saldo van … BEF overgeschreven naar de rekening van T. B. bij CITIBANK Brussel, die het bedrag op 1 juni 1994 crediteerde.

Bij schrijven van 10 december 1994 verzocht de raadsman van T. en T. B. aan het BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen om de van rechtswege verschuldigde moratoriumintresten op het bedrag van … BEF toe te kennen, op grond van het feit dat de terugbetaling wettelijk voor 1 april 1994 diende te geschieden.

Het BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen antwoordde bij schrijven van 5 januari 1995 dat de terugbetaling niet binnen de drie maanden is gebeurd :

- omdat op de oorspronkelijke aangifte als periode "vierde kwartaaI1993" vermeld was en niet de correcte vermelding "december 1993", tengevolge waarvan deze aangifte aanvankelijk door de computer werd verworpen en deze aangifte op 21 februari 1994 opnieuw werd ingebracht maar nu met de juiste vermelding, zodat de correcte aangifte als te laat ingediend moet worden beschouwd om nog de teruggave te verkrijgen binnen de drie maanden;

- omdat de volmacht om de terugbetaling door CITIBANK te mogen ontvangen maar is toegekomen op 20 april 1994, terwijl om een terugbetaling van de maand december 1993 te mogen uitbetalen, de volmacht ten laatste op 20 januari 1994 moet toekomen.

Op 23 maart 1995 werd de onderhavige vordering ingeleid.

De beoordeling

Artikel 12, § 1 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 bepaalt :

- de teruggaven voorzien in artikel 8.1 geschieden hetzij door overschrijving op de postrekening van de belastingplichtige, hetzij door overmaking aan een kredietinstelling die aangesloten of vertegenwoordigd is bij een verrekenkamer van het land, wanneer aan deze kredietinstelling door de belastingplichtige behoorlijk volmacht gegeven werd om de teruggaaf te ontvangen; de belastingplichtige duidt de gekozen wijze van teruggaaf aan en mag slechts één enkele gevolmachtigde aanwijzen;

- de Minister van Financiën of zijn afgevaardigde stelt, in overleg met de Minister onder wie de Post ressorteert of diens afgevaardigde, de voorwaarden, formaliteiten en de termijnen vast die moeten worden nageleefd voor de inzameling van de volmachten en de herroepingen van volmachten en voor de betekeningen ervan aan de bevoegde dienst van de administratie van de BTW, registratie en domeinen; zij bepalen het model van de volmachten en van de herroepingen van volmacht.

Artikel 13 van hetzelfde KB bepaalt dat de teruggaaf van de belasting, van de intresten en van de administratieve geldboeten niet geldig kan worden verkregen wanneer de formaliteiten en voorwaarden bepaald bij dit besluit, niet worden nageleefd.

Zulks is in overeenstemming met artikel 76, § 1 van het BTW-Wetboek, dat niet alleen bepaalt dat het verschil wordt teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige maar tevens onder de voorwaarden door de Koning bepaald.

Het voormelde artikel 12, § 1 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 werd nader uitgewerkt in het MB nr. 9 van 25 april 1972.

Artikel 1 van dit MB bepaalt dat de teruggaven bedoeld in de artikelen 8.1 en 12, § 1 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 uitsluitend geschieden, hetzij door overschrijving op de postrekening van de belastingplichtige, hetzij door overmaking op de postrekening van één van de in het voormelde artikel 12, § 1 aangewezen financiële instellingen, waarna door de belastingplichtige behoorlijk volmacht gegeven werd om de teruggaaf te ontvangen.

Artikel 5 van dit MB bepaalt dat iedere belastingplichtige die (…) houder wordt van een rekening-courant (...), een formulier volmacht-herroeping ontvangt conform het model opgenomen in bijlage nr. 2 van dit besluit, waarvan het gedeelte "herroeping" zal zijn geannuleerd, en dat hij dit formulier binnen vijftien dagen aan de in artikel 2 bepaalde instellingen terugstuurt.

Te dezen staat vast en wordt niet betwist dat de informatiedrager met betrekking tot de gegevens van de volmacht van T. B. op het Centrum voor Informatieverwerking van de belasting over de toegevoegde waarde werden ontvangen op 20.april 1994 (stuk nr. 15 van de BELGISCHE STAAT).

De BELGISCHE STAAT voert aan dat door T. B. niet wordt bewezen dat zij het bedoelde volmacht formulier binnen de door artikel 5 van het MB nr. 9 van 25 april 1972 bepaalde termijn van vijftien dagen aan de door haar gekozen financiële instelling heeft overgemaakt.

Het schrijven van 22 december 1993 van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen stelt dat in bijlage werden gevoegd :

- de te gebruiken aangifteformulieren;

- een nota met nuttige richtlijnen voor de opstelling van de aangifte.

De voormelde nota bepaalt onder hoofdstuk V "Teruggaven" (stuk nr. 13 van de BELGISCHE STAAT) :

"In bijlage gaat een volmacht formulier, dat door de aansprakelijke vertegenwoordiger moet worden ingevuld en ondertekend. De volmacht moet vervolgens worden bezorgd, volgens het geval, ofwel aan de postchequedienst, ofwel aan de gekozen financiële instelling".

Het wordt door T. B. noch aangevoerd noch bewezen dat de formulieren, waarvan het schrijven van 22 december 1993 vermeldt dat ze werden gevoegd, in feite ontbraken.

Evenmin wordt door T. B. aangevoerd en bewezen dat zij het nodige heeft gedaan om deze formulieren op latere datum te verkrijgen en, zo ja, op welke datum.

Het aangifteformulier werd ingevuld en gedateerd op 17 januari 1994 en bij ter post aangetekend schrijven van 18 januari 1994 aan het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen overgemaakt.

Het overgelegde volmacht formulier werd eveneens gedateerd op 17 januari 1994 (stuk nr. 14 van de BELGISCHE STAAT), d.i. alleszins meer dan vijftien dagen na het schrijven van 22 december 1993.

Het hof stelt vast dat, niettegenstaande de ter zake door de BELGISCHE STAAT gevoerde betwisting, geïntimeerden nalaten te bewijzen op welke datum het op 17 januari 1994 gedateerde volmacht formulier aan de door hen gekozen financiële instelling werd overgemaakt.

Ter zake staat slechts vast dat de gegevens met betrekking tot de volmacht slechts op 20 april 1994 door het Centrum voor Informatieverwerking van de belasting over de toegevoegde waarde werden ontvangen.

Bij gebrek aan overlegging van het voornoemde bewijs, moet worden vastgesteld dat niet wordt bewezen dat de formaliteiten en voorwaarden, zoals bepaald in het KB nr. 4 van 29 december 1969 en nader uitgewerkt in het MB nr. 9 van 25 april·1972, in hoofde van geïntimeerden vervuld waren teneinde reeds voor 1 april 1994 op de teruggaaf van de BTW-belasting gerechtigd te zijn.

Gelet op deze vaststelling, is de door geïntimeerden opgeworpen discussie nopens de lacune in de artikelen 7 en 8 van het MB van 25 april1972 niet ter zake dienend.

In deze bewijssituatie kunnen de gevorderde moratoriumintresten niet worden toegekend.

Gelet op hetgeen voorafgaat, is het overbodig de overige door de BELGISCHE STAAT voorgedragen middelen te onderzoeken.

Dispositif

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis en, opnieuw rechtsprekend.

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt de geïntimeerden tot de gerechtskosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoger beroep op € … voor appellant en op € … voor de geïntimeerden.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 26-02-2004

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

- K. V. H., voorzitter,

- B. V., raadsheer,

- B.d. C., plaatsvervangend raadsheer,

- C. D. N., griffier.

C. D. N. B. d. C. B. V. K. V. H.

Décision jointe par le SPF

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL

A.R. 95/4070/A

Betaling intresten

Eindvonnis na tegenspraak

Inzake van :

1. De Vennootschap naar Amerikaans recht “T. T. H. I, INC”, met 'maatschappelijke zetel gevestigd te … (…), …

Doch woonstkeuze gedaan bij Mr. D. V. B., advocaat, … te …

2. De N.V. T. T. L. (…), met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …

H.R. Kortrijk …

eiseressen,

vertegenwoordigd door Mr. E. D. B. loco Mr. D. V. B., advocaat, … te ….

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Hoofdcontroleur van het centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, met burelen gevestigd te 1000 Brussel, Van Orleystraat 15

verweerder,

vertegenwoordigd door Mr. F. V. loco Mr. A. D., advocaat, … te ….

Na beraad op 21 september 1999 spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

Gelet op :

- het geregistreerd exploot van dagvaarding d.d. 23 maart 1995 van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder D. L., in vervanging van gerechtsdeurwaarder R. D. M., met standplaats te …;

- de conclusie en de aanvullende conclusie voor eiseressen neergelegd ter griffie alhier respectievelijk op 11 juni 1997 en 16 maart 1999;

- de conclusie en de aanvullende conclusie voor verweerder neergelegd ter griffie alhier respectievelijk op 14 juni 1995 en 10 maart 1998.

Gehoord de advocaten van partijen in hun pleidooien ter openbare terechtzitting d.d. 21 september 1999, datum waarop de zaak in beraad werd genomen.


1. DE VORDERING

De vordering van eiseressen, zoals nog geformuleerd bij conclusie d.d. 11.06.1997,strekt er hoofdzakelijk toe :

- verweerder te veroordelen tot betaling aan eiseressen van … BEF als interest op grond van artikel 91, § 3 W.BTW, berekend tegen 0,8 % per maand over een bedrag van … BEF voor de periode van 01 april 1994 tot en met 31 mei 1994, te vermeerderen met de moratoire interest vanaf 23 maart 1995, datum van dagvaarding.

2. DE FEITEN

Met een kennisgeving nr. 811N d.d. 22 december 1993 werd eerste eisende partij er door het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen van ingelicht dat zij werd opgenomen in het repertorium der BTW-belastingplichtigen onder het nummer ….

Met een kennisgeving nr. 812N, eveneens d.d. 22 december 1993 (stuk 2 van verweerder) werd tweede eiseres er door het voornoemd Centraal BTW-kantoor van ingelicht dat zij met ingang van 01 december 1993 erkend werd als aansprakelijke vertegenwoordiger van eerste eisende partij.

Er werd tevens medegedeeld dat de eerste in te dienen aangifte betrekking moest hebben op de handelingen van de maand december 1993.

Bij een ter post aangetekende zending werd op 18 januari 1994 een BTW-aangifte verstuurd naar het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse belastingplichtigen, met betrekking tot de handelingen van het vierde kwartaal 1993 (stuk 1 van eiseressen). Deze aangifte vertoonde als eindresultaat een door de Belgische Staat verschuldigd bedrag van … BEF.

De terugbetaling ervan werd aangevraagd door het plaatsen van de vereiste handtekening in het daartoe bestemde kader.

Op 31 januari 1994 werd een rekeninguittreksel nr. 671 opgesteld (stuk 9 van verweerder) waaruit bleek dat de op 18 januari 1994 verzonden aangifte niet werd geboekt op de BTW-rekening-courant en dat er geen bedrag terug te geven was.

Op 30 april 1994 werd opnieuw een rekeninguittreksel nr. 671 opgesteld (stuk 8 van verweerder) waaruit bleek dat de aangifte op 22 februari 1994 werd geboekt op de BTW-rekening-courant met uitwerking op 20 januari 1994.

Na verrekening van … BEF als BTW verschuldigd volgens de aangifte, ingediend voor de handelingen van de maand februari 1994, wees het rekeninguittreksel een terug te geven saldo van … BEF uit.

Op 30 mei 1994 werd het saldo van … BEF overgeschreven naar de rekening van tweede eisende partij bij CITIBANK Brussel, die het op 01 juni 1994 crediteerde aan tweede eisende partij (stuk 2 van eiseressen).

Bij brief d.d. 10.12.1994 (stuk 3 van eiseressen) werd het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen verzocht door eiseressen om de moratoire interest op het bedrag van … BEF toe te kennen, op grond van het feit dat de terugbetaling wettelijk vóór 01 april diende te geschieden.

Daarop antwoordde op 05.01.1995 het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen (hierna CKBB genaamd) dat de eerste reden van niet terugbetaling binnen de drie maanden ligt bij het indienen van een foutieve aangifte door de belastingplichtige.

Omdat op de oorspronkelijke aangifte als periode "40 kwartaal 1993" vermeld was en niet de correcte vermelding 11 december 1993", zou de eerste aangifte door de computer verworpen zijn.

Op 21.02.1994 zou een nieuwe aangifte ingebracht zijn door het CKBB zelf met de juiste vermelding.

Volgens de brief d.d. 05.01.1995 werd deze nieuwe aangifte in bijlage door het CKBB opgestuurd ..

Op het rekeninguittreksel 543 d.d. 30.04.1994 staat als datum van de boeking in de rekening-courant vermeld: 22.02.1994 en als datum waarop de boeking uitwerking heeft : 20.01.1994.

3. IN RECHTE

3.1. Algemeen

Artikel 75 van het BTW-Wetboek bepaalt dat de belasting slechts kan worden teruggegeven in de gevallen waarin het Wetboek voorziet.

Artikel 76, § 1 eerste lid van het BTW-Wetboek bepaalt dat wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is, het verschil op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige en onder de voorwaarden bepaald door de Koning aan de belastingplichtige wordt teruggegeven binnen de drie maanden.

Het KB nr. 4 d.d. 20 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 76 W.BTW, stelt :

- in artikel 8, § 2, 1° : dat op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige voor teruggaaf vatbaar is het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de in artikel 53, eerste lid, 30 van Wetboek bedoelde aangifte met betrekking tot het laatste aangifte-tijdvak van het kalenderjaar, wanneer het … BEF bereikt;

- in artikel 8, § 2, laatste lid : de teruggaaf bedoeld in 1° is afhankelijk van de voorwaarde dat alle aangiften met betrekking tot de handelingen van het kalenderjaar uiterlijk op 20 januari van het volgende jaar zijn ingediend.

Overeenkomstig artikel 91, § 3 van het W.BTW is er een interest van 0,8 pct. per maand van rechtswege verschuldigd over de sommen die moeten worden teruggegeven met toepassing van artikel 76, § 1, eerste lid te rekenen van het verstrijken van de in dat artikel bepaalde termijn.

3.2. Toepassing in het bijzonder

A. Verweerder houdt voor dat de aangifte, die op 18 januari 1994 door tweede eiseres werd verzonden, niet ingediend zou zijn volgens de hierboven vooropgestelde voorwaarde, nl. vóór 20 januari 1994, en dit omdat die aangifte niet vermeldde dat ze betrekking had op de maand december 1993 maar wel dat ze betrekking had op het vierde kwartaal 1993.

Eveneens volgens verweerder zijn eiseressen geïmmatriculeerd onder het stelsel van de maandelijkse aangifte en werd aldus de ingediende aangifte door de computer geweigerd.

Bij verweerder werd dan zelf de foutieve vermelding van het aangifte-tijdvak vastgesteld en werd zelf overgegaan tot rectificatie.

Verweerder poneert dat, zolang er geen correctie was doorgevoerd, er geen aangifte was ingediend voor "december 1993".

Terecht stellen eiseressen dat het KB nr. 1 d.d. 29 december 1992 niet omschrijft wat een "regelmatige aangifte" is.

Volgens artikel 8, § 2 van het aangehaalde KB nr. 4 is slechts sprake van de "in het artikel 53, eerste lid, 3°, van het Wetboek bedoelde aangifte".

Om aanzien te worden als een aangifte van artikel 53, eerste lid, 3° ,W.BTW moet vermeld zijn :

- het bedrag van de in het W.BTW bedoelde handelingen die de belastingplichtige heeft verricht of die aan hem werden verstrekt gedurende de vorige maand in het kader van zijn economische activiteit;

- het bedrag van de opeisbare BTW van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen;

- de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de EG reglementering inzake statistieken en controle op de toepassing van de BTW.

Het wordt geenszins betwist door verweerder dat deze voorwaarden werden vervuld door eiseressen.

2. Terecht stellen eiseressen dat verweerder aan de reglementaire voorwaarden tot teruggave een vereiste toevoegt, nl. een juiste vermelding van het aangiftevak.

Eiseressen kunnen onmogelijk weten dat de aangiften geïmmatriculeerd staan bij verweerder volgens het aangifte-tijdvak.

Dit is inderdaad een interne administratieve procedure die geenszins extern gevolgen kan hebben om reden dat ze nooit veruiterlijkt werd.

Was de immatriculatie onder een andere hoofding gebeurd, bv. alfabetisch, had dit geen enkele repercutie gehad ten aanzien van eiseressen.

Zelfs het feit dat er in de brief d.d. 22.12.1993van verweerder vermeld staat dat "de eerste op zijn kantoor neer te leggen aangifte deze is die betrekking zal hebben op de verrichtingen gedaan in de loop van de maand december het kwartaal1993" (stuk 2 van verweerder) is geen bewijs van het informeren door verweerder naar het belang van die vermelding noch van het feit dat de aangifte als laattijdig zal aanzien worden indien "kwartaal" i.p.v. maand vermeld staat.

De redenering van eiseressen is aannemelijk. Vermits tweede eiseres bij schrijven d.d. 22.12.1993 werd ingelicht dat zij vanaf 01 december aansprakelijk vertegenwoordiger was, is het evident dat in de eerste in te dienen aangifte slechts de verrichtingen van de maand december moesten worden opgenomen.

3. Er zijn eigenlijk verschillende elementen voorhanden waaruit blijkt dat de aangifte door verweerder aanvaard is als zijnde tijdig.

3.1. Zo werd op de aangifte, waarvan niet betwist wordt dat deze tijdig binnenkwam bij verweerder, geboekt op het document nr. 543 d.d. 30.04.1994 als datum waarop de boeking uitwerking heeft : 20.01.1994.

3.2. Er werd nooit een boete gevorderd voor een laattijdige aangifte.

3.3. Eiseressen verwijzen naar een administratieve instructie (nr. 50/1985) waaruit blijkt dat enkel een aan de belastingplichtige teruggezonden aangifte als een niet ingediende aangifte diende beschouwd te worden. Inzake werd geen enkele aangifte teruggezonden.

B. Vervolgens werpt verweerder op dat tweede eiseres niet tijdig de volmacht voorzien in artikel 2 van het MB nr. 9 van 25 april 1972 heeft medegedeeld.

Het staat vast dat de teruggaven voorzien in artikel 8 van het voormeld KB nr. 4 kunnen geschieden door overschrijving op de postrekening van de belastingplichtige, of door overmaking aan een kredietinstelling wanneer aan deze laatste door de belastingplichtige een behoorlijke volmacht gegeven werd om de teruggaaf te ontvangen (artikel 12, § 1, eerste lid, KB nr. 4).

Het Ministerie van Financiën of zijn afgevaardigde, in overleg met de Minister onder wie de Post ressorteert of diens afgevaardigde, stelt de voorwaarden, de formulieren en de termijnen vast die moet worden nageleefd voor de inzameling van de volmachten.

Bij MB nr. 9 d.d. 25.04.1972 werden deze modaliteiten vastgesteld. Volgens artikel 5 van dit MB diende eiseres deze volmacht binnen de 15 dagen over te maken aan de door haar gekozen financiële instelling.

Uit de stukken blijkt dat de volmacht werd opgesteld op 17 januari 1994.

Terecht werpen eiseressen op dat verweerder op geen enkele wijze bewijst wanneer dit document werd overgemaakt aan eiseres.

Verweerder zelf stelt dat dit op 22.12.1993 was. Uit het schrijven echter van 22.12.1993 kan niet afgeleid worden dat het desbetreffende volmacht formulier bijgevoegd was.

Aldus kan niet nagegaan worden of de vooropgestelde termijn nageleefd werd.

Ten overvloede dient er toch ook op gewezen te worden dat het toch de datum van ontvangst is die bepalend is om de termijn van 15 dagen te doen lopen, hoewel artikel 5 van het MB omtrent het tijdstip waarop de 15daagse termijn ingaat niets vermeldt.

Vermits de termijn van ontvangst op zich niet bewezen wordt en in casu deze onmogelijk kan berekend worden zonder kennis van de datum van versturen, bewijst verweerder geenszins de beweerde nalatigheid in hoofde van eiseressen met betrekking tot de verleende volmacht.

Al de overige argumenten met betrekking tot de naleving van de termijn tot overmaken van de volmacht en de daaruit volgende feiten is niet meer relevant indien niet bewezen is dat aan eiseressen geen nalatigheid kan verweten worden.

Vermits aldus eiseressen voldeden aan de voorwaarden tot teruggave van de gelden binnen de drie maanden vanaf het einde van het kalenderjaar, dus vóór 01 april 1994,is verweerder gehouden om krachtens artikel 91, § 3 W.BTW de van rechtswege verschuldigde interest van 0,8 % per maand te betalen en dit op het bedrag van … BEF.

Uit al het voorgaande volgt dat de vordering van eiseressen gegrond is.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals gewijzigd;

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak;

Verklaart de vordering van eiseressen ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseressen van de som van … BEF, zijnde de interesten op grond van artikel 91, § 3 W.BTW berekend tegen 0,8 % op een bedrag van … BEF en dit voor de periode van 01 april 1994 tot en met 31 mei 1994, te vermeerderen met de moratoire gerechtelijke interest vanaf 23 maart 1995, datum van dagvaarding;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiseressen op … BEF (dagvaarding) + … BEF (rechtsplegingsvergoeding) en begroot in hoofde van verweerder op … BEF (rechtsplegingsvergoeding);

Staat de voorlopige tenuitvoerlegging van deze veroordelingen toe, zonder zekerheidstelling.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 7e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 18 oktober 1999,

waar aanwezig waren en zitting namen :

Mevrouw A. P., alleenzetelend rechter,

Mevrouw A. M., griffier.

A. M. A. P.

Textes cités

6
AR no 4 art. 123 occurrences
CTVA art. 532 occurrences
CTVA art. 762 occurrences
CTVA art. 912 occurrences
CTVA art. 301 occurrence
CTVA art. 751 occurrence

Décisions similaires

8