Droit de déduction, Charge de la preuve · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Tribunal de première instance Hasselt 21/91/A 20 avril 2023

Rechercher
Texte en néerlandais

Droit de déduction, Charge de la preuve

https://juriel.be/fr/jurisprudence/droit-deduction-yacht-charge-preuve-tribunal-hasselt-2023-04-20-7ac7

Juridiction
Tribunal de première instance
Siège
Hasselt
Numéro de rôle
21/91/A
Date
20 avril 2023

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

191 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Jugement du tribunal de première instance de Hasselt du 20.04.2023 (21/91/A)

[ Arrêt mixte ]

Taxe sur la valeur ajoutée – Droit de déduction – Yacht – Charge de la preuve – Taxe non récupérable – Erreur de report dans la déclaration de TVA

Dispositions légales

Articles 45, § 1, 53, §1, premier alinéa, 2° et 3°, 53octies, §1, premier alinéa, 70 §§1 et 1bis CTVA

Article 18 de l’AR n° 1 du 29 décembre 1992, 2 de l’AR n° 3 du 10 décembre 1969

Résumé du jugement

1. Faits et jugement en première instance

La partie intimée en appel est enregistrée en tant qu'assujettie à la TVA pour l'activité « autres travaux liés à la finition des bâtiments, autres installations de construction n.c.a. ».

L'administration a procédé à un contrôle en matière de TVA et d'impôt sur les sociétés pour la période allant du 1er janvier 2016 au 31 décembre 2017 inclus (Exercices fiscaux 2017 et 2018).

Selon l'administration, la TVA sur les frais liés au yacht n'est pas exigible en Belgique, étant donné que les opérations ont eu lieu en France, et cette TVA a été indûment déduite car il n'a pas été démontré que le yacht était ou allait être utilisé pour des opérations ouvrant droit à déduction. L'administration a également fait valoir que, pour l'année 2016, les montants totaux des opérations imposables et/ou de la TVA due, issus des comptes annuels internes et des livres comptables, n'avaient pas été reportés dans les grilles correspondantes des déclarations de TVA.

La partie intimée en appel a introduit un recours administratif le 14 janvier 2020. Par décision du 15 octobre 2020, ce recours a été rejeté dans son intégralité.

Le 14 janvier 2021, la partie intimée en appel a saisi le tribunal de l'affaire.

Le tribunal a déclaré la demande de l'intimée en appel recevable et partiellement fondée. Le tribunal estime que le yacht est réputé avoir été utilisé à 35 % dans le cadre de l'activité professionnelle, mais précise également que la TVA française n'est pas exigible en Belgique et n'est donc pas déductible, de sorte que l'administration a, à juste titre, inclus dans le procès-verbal les factures sur lesquelles figurait la TVA française. En ce qui concerne le chiffre d’affaires réalisé au 31 décembre 2016, tel qu’il figure dans les comptes annuels internes, le tribunal s’est rallié à la position de l’administration.

Le tribunal n'a vu aucune raison de réduire d'office le montant de l'amende.

L'État belge a formé un appel limité contre ce jugement.

Texte intégral

Corps de la décision

Le jugement n'est disponible que dans la langue originale.

INZAKE:

cie1, met zetel te ..., en met ondernemingsnummer ...

- eiseres -

Tijdens de zitting vertegenwoordigd door mr. GROSEMANS STEFANIE, advocaat te 3600 Genk, Henry Fordlaan 47

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financiën 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.

- verweerder -

Tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigden D.A. en A.L., beide attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt.

I. PROCEDURE

De zaak werd ingeleid via een verzoekschrift op tegenspraak in fiscale zaken neergelegd op 14 januari 2021.

Met toepassing van artikel 747 Gerechtelijk Wetboek werden conclusietermijnen bepaald en een pleitdatum vastgelegd.

Beide partijen hebben conclusies neergelegd.

Verweerder heeft het administratief dossier over de vennootschapsbelasting neergelegd en een stukkenbundel over de btw. Eiseres heeft een bundel met overtuigingsstukken neergelegd.

De zaak werd behandeld op de openbare zitting van 16 maart 2023 waarop de advocaat van eiseres en de gevolmachtigden van verweerder hebben gepleit. De zaakvoerder van eiseres was persoonlijk aanwezig.

De Wet van 15 juni 1935 inzake het gebruik van talen in gerechtszaken - in het bijzonder de artikelen 2, 30 tot en met 37 en 41- werd nageleefd.

Il. SAMENVATTING VAN DE FEITEN

1. Algemeen

Eiseres cie1 behoort tot een groep van vennootschappen bestuurd door de heer P.V.L..

P.V.L. was gehuwd met mevrouw I.T.. I.T. was destijds betrokken in minstens enkele van de vennootschappen van de groep.

In 2013 werd de echtscheiding tussen P.V.L. en I.T. uitgesproken. Deze echtscheiding leidde tot een reorganisatie van de groep vennootschappen. Hierover werd een raamovereenkomst gesloten op 8 oktober 2013 tussen P.V.L., I.T. en de diverse vennootschappen (onder meer ook eiseres en cie2).

cie2 is in 2012 eigenaar geworden van een vaartuig (jacht Beluga Sessa C54 en bijhorende zeescooter). Het vaartuig lag in een haven in Zuid-Frankrijk.

cie2 werd op 22 juli 2015 via een fusie overgenomen door eiseres cie1.

2. Vennootschapsbelasting

Eiseres diende aangiftes voor de vennootschapsbelasting in voor de aanslagjaren 2017 en 2018.

De fiscale administratie startte in 2019 een controle en stelde een vraag om inlichtingen. Hierop werd niet tijdig geantwoord. De administratie verstuurde vervolgens kennisgevingen van aanslag van ambtswege.

Vervolgens verstuurde de administratie kennisgevingen van beslissingen tot taxatie waarin deels rekening werd gehouden met de ondertussen door eiseres verschafte informatie en de administratie voor het overige bij haar standpunt bleef. De aftrek van bepaalde kosten als beroepskost werd verworpen, onder meer van de kosten die verbonden waren aan bovenvermelde jacht en zeescooter (beide aanslagjaren), van onthaal- en representatiekosten (aanslagjaar 2017) en van kosten gefactureerd door cie4 uit Dubai (aanslagjaar 2018). Over een voorziening van 260.000,00 euro werd voor aanslagjaar 2017 gesteld dat niet was voldaan aan de fiscale vrijstellingsvoorwaarden. Voor aanslagjaar 2018 werd vastgesteld dat deze voorziening tijdens het betrokken boekjaar was teruggedraaid. Voor aanslagjaar 2018 werden de aftrek van diverse uitzonderlijke kosten verworpen. Er werd een belastingverhoging aangekondigd van 10% voor aanslagjaar 2017 en van 20% voor aanslagjaar 2018.

De administratie vestigde de aanslagen op 13 november 2019 voor te betalen bedragen van respectievelijk 174.107,68 euro (aanslagjaar 2017) en 102.355,63 euro (aanslagjaar 2018).

Eiseres diende een bezwaar in voor beide aanslagjaren. In de directeursbeslissing van 13 oktober 2020 werd het bezwaar gedeeltelijk ingewilligd, in de zin dat de administratie rekening hield met de tussenkomst van de verzekering met betrekking tot het jacht, wat voor aanslagjaar 2018 leidde tot een ontheffing van 20.102,18 euro. Het bezwaar van eiseres werd voor het overige afgewezen.

3. Btw

Eiseres is btw-belastingplichtige.

Tijdens bovenvermelde fiscale controle in 2019 werden ook btw-aspecten gecontroleerd. Dit leidde tot het opstellen van een proces-verbaal op 5 november 2019. Daarin werd gesteld dat de btw betaald voor kosten voor het jacht niet in België opeisbaar was (handelingen vonden plaats in Frankrijk) en bovendien dat de betrokken btw ten onrechte in aftrek was gebracht omdat niet bleek dat het jacht werd of zou worden gebruikt voor handelingen die een recht op aftrek genereerden. Verder stelde de administratie dat voor kalenderjaar 2016 de totalen van de belastbare handelingen en/of de verschuldigde btw afgeleid uit de interne jaarrekening en de boekhoudrekeningen niet werden overgedragen naar de respectievelijke roosters van de btw-aangiften.

Eiseres diende een bezwaar in. Dit bezwaar werd afgewezen in een beslissing van 15 oktober 2020.

III. DE VORDERINGEN

Eiseres cie1 vraagt om:

 haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

de aanslagen in de vennootschapsbelasting:

•betreffende aanslagjaar 2017, met kohierartikelnr. … voor een te betalen bedrag van 174.107,68 euro;

•betreffende aanslagjaar 2018, met kohierartikelnr. … voor een te betalen bedrag van 102.355,63 euro (waarvan nog 84.720,98 euro openstaat conform inningbericht 05/01/2021 (reeds betaald 20.102,18 euro door inhouding decembervoorschot positief saldo BTW RC dwj + intresten 2.467,53).

te horen ontheffen/ vernietigen rekening houdend met het volgende:

•de aanvaarding van de kosten en afschrijvingen van de jacht en bijbehorende zeescooter als beroepskosten

ondergeschikt hierover de beroepsprocedure aanhangig voor aj 2014-2015 af te wachten om geen tegenstrijdige uitspraken te krijgen;

•de door de Administratie verworpen kost ten bedrage van 4.981,26 euro te verminderen omwille van de aanvaarding van 9.962,52 euro representatiekosten; de prospectiereizen en de uitzonderlijke kosten (behoudens de 124.824,79 euro van de correcties leveranciers) dienen als beroepskosten te worden aanvaard; Ondergeschikt, dient de onterecht belast opbrengst in 2016 m.b.t. de kosten van 173.855,00 euro uit de belastbare grondslag te worden gehaald van aj 2017);

•de belastingverhoging tot 0 te herleiden, ondergeschikt uitstel van tenuitvoerlegging toe te staan;

Het innigs- en invorderingsbericht inzake btw m.b.t. de periode 1/1/2016 - 31/12/2017, gebaseerd op het PV dd. 05/11/2019, gekend onder kohierartikelnr. … te vernietigen/ te ontheffen;

de Belgische Staat te veroordelen om aan eiseres alle uit hoofde van de bestreden aanslagen ingehouden, betaalde of in beslag genomen sommen terug te betalen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIB en 91 WBTW;

 de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding,

Verweerder de Belgische staat vraagt om:

- het verzoekschrift ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

de vordering van eiseres af te wijzen;

 de gevestigde aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2017 en 2018 te bevestigen;

 eiseres in haar eisen af te wijzen en de door de administratie gevorderde bedragen vermeld in het proces-verbaal d.d. 5 november 2019 en opgenomen In het innings- en invorderingsregister, hetwelk uitvoerbaar werd verklaard op 20 december 2019, te bevestigen;

 eiseres tot de kosten te veroordelen en in ondergeschikte orde de rechtsplegingsvergoeding te bepalen in verhouding tot het totaalbedrag van de vordering en het te ontheffen bedrag.

IV. BEOORDELING DOOR DE RECHTBANK

A. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt niet betwist.

De rechtbank bemerkt geen gronden van onontvankelijkheid die zij zelf moet opwerpen.

De vordering is ontvankelijk.

B. Grond van de zaak

1. Vennootschapsbelasting: aftrek kosten

1.1 Principes kostenaftrek

Om aftrekbaar te zijn als beroepskosten in de zin van artikel 49 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 (WIB92), moet het gaan om kosten die zijn gedaan of gedragen om belastbare inkomsten, namelijk beroepsinkomsten, te verkrijgen of te behouden.

Beroepskosten in de zin van artikel 49 WIB92 moeten een rechtstreeks verband met de uitoefening van het beroep vertonen of er "inherent" aan zijn. Het moet gaan om een noodzakelijk verband met de uitoefening van het beroep. Dit wil zeggen dat de kosten niet zouden bestaan als er geen uitoefening van het beroep was (vergelijk Cass. 4 mei 2000, Arr.Cass. 2000, 846; Cass. 18 januari 2001, Arr.Cass. 2001, afl. 1, 103, Cass. 22 november 2013, F.10.0036.F, Cass. 3 april 2014, F.13.0033.N en Cass. 30 oktober 2014, F.13.0128.F).

Het is niet vereist dat de beroepskosten gedaan of gedragen zijn voor het verkrijgen (of het behouden) van de inkomsten tijdens het jaar waarin de kosten zijn gedaan of gedragen. Kosten kunnen ook worden afgetrokken wanneer (nog) geen inkomsten worden genoten (vergelijk Cass. 28 september 1984, Arr.Cass. 1984-85, 161-163 en Cass. 3 november 2000, F.98.0058.N). Het is dus niet vereist dat de kosten onmiddellijk leiden tot het verkrijgen van inkomsten. Het volstaat dat de kosten zijn gemaakt met de bedoeling om te leiden tot toekomstige beroepsinkomsten. Deze bedoeling moet dan wel bewezen zijn.

Het is niet vereist dat een beroepskost er daadwerkelijk voor gezorgd heeft dat inkomsten verkregen of behouden werden. De loutere intentie volstaat, ook wanneer deze intentie daarna in werkelijkheid niet kan worden verwezenlijkt (vergelijk Cass. 27 januari 1959, Arr.Verbr. 1959, 420). Maar het moet wel gaan om een werkelijke bewezen intentie om beroepsinkomsten te verkrijgen of behouden.

Een uitgave gedaan door een vennootschap is niet automatisch aftrekbaar als beroepskost. Er moet ook dan nog steeds worden aangetoond dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 49 WIB92, onder meer dat de uitgave gedaan is om inkomsten te verkrijgen of te behouden. Uit artikel 183 WIB92 volgt immers dat artikel 49 WIB92 ook geldt voor vennootschappen. Dit ongeacht het verband met het maatschappelijk doel van de vennootschap (vergelijk Cass. 21 september 2018, F.17.0054.N en Cass. 21 juni 2019, F.18.0130.N).

Het loutere feit dat de uitgave van een vennootschap kadert in haar maatschappelijk doel, toont dus op zich nog niet aan dat die concrete uitgave effectief gedaan is om inkomsten te verkrijgen of te behouden. Dit laatste moet specifiek en concreet zijn aangetoond.

Uit artikel 49 WIB92 volgt dat de belastingplichtige het bewijs moet leveren van de beroepskosten die hij in aftrek wil brengen. De belastingplichtige moet het bestaan, de echtheid, het moment, het bedrag en het beroepsmatig karakter van de kosten bewijzen.

De belastingplichtige moet het bewijs van de echtheid en van het bedrag van de beroepskosten in principe leveren aan de hand van bewijsstukken. Alleen wanneer het niet mogelijk is om bewijsstukken voor te leggen (omdat deze onvrijwillig zijn vernietigd, gestolen of verloren, of omdat het gaat om kosten waarvoor het niet gebruikelijk is bewijsstukken te eisen of te krijgen) is het de belastingplichtige toegestaan om het bewijs van de echtheid en het bedrag van de beroepskosten te leveren door alle andere bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed (vergelijk Cass. 20 februari 2014, F.13.0058.N).

Opdat vergoedingen voor prestaties aftrekbaar zijn als beroepskosten, is onder meer vereist dat de belastingplichtige aantoont dat aan die vergoedingen werkelijke prestaties beantwoorden (vergelijk Cass. 15 oktober 2015, F.14.0161.N en Cass. 18 januari 2013, F.12.0025.N).

De bewijslast rust dus op de belastingplichtige. De administratie maakt geen verboden opportuniteitsbeoordeling door te vereisen dat de realiteit van de prestaties wordt aangetoond.

Voor het bewijs van aftrekbare kosten volstaat het op zich niet dat er een formele overeenkomst is gesloten tussen twee partijen en dat in uitvoering van die overeenkomst facturen werden opgesteld die zijn betaald (vergelijk Cass. 15 oktober 2015, F.14.0161.N). De belastingplichtige moet dus aantonen dat aan de betaalde vergoedingen prestaties beantwoorden die werkelijk zijn verricht ten behoeve van de belastingplichtige.

Vage kostennota's, die geen enkel detail bevatten en die een werkelijke controle feitelijk onmogelijk maken, zijn op zichzelf niet voldoende om de betrokken kosten of de beweerdelijk ontvangen diensten te bewijzen (vergelijk Cass. 21 mei 1959, Arr.Verbr. 1959, 752).

Opdat de taxatie op een redelijk bedrag zoals voorzien in artikel 50 §1 WIB92 van toepassing zou zijn, is vereist dat eerst de echtheid van de betrokken kosten is aangetoond (vergelijk Cass., 29 november 2018, F.17.10056.F; Cass. 20 juni 2002, F.00.0062.N; Cass. 12 september 1991, F.1120.F).

Van artikel 50 §1 WIB92 kan bovendien enkel gebruik worden gemaakt wanneer het voor de belastingplichtige volstrekt onmogelijk was om bewijsstukken voor te leggen en het bedrag van de beroepskosten evenmin kan worden verantwoord aan de hand van andere middelen van gemeen recht (vergelijk Cass. 20 februari 2014, F.13.0058.N).

1.2 De kosten met betrekking tot het iacht en de zeescooter

Er is geen reden om te wachten op een uitspraak van het hof van beroep over de eerdere aanslagjaren. De rechtbank is niet gebonden door een eventueel ander standpunt van het hof van beroep over andere aanslagjaren (artikel 6 Gerechtelijk Wetboek). Bovendien moet de zaak binnen een redelijke termijn worden behandeld.

Eiseres stelt dat de kosten van het jacht en de bijhorende zeescooter "minstens voor 50%" aftrekbaar zijn als beroepskosten, ondergeschikt minstens voor 35% indien men rekening zou houden dat 15% ook door cie3 werd gebruikt voor aldaar inkomsten te behalen (p. 7 tweede syntheseconclusie van eiseres, punt 3.1.1.3). Ten aanzien van de administratie had de gevolmachtigde van eiseres destijds gevraagd om de kosten van de boot voor 50% te aanvaarden (stuk 477 administratief dossier vennootschapsbelasting). Eiseres stelt dus niet dat de kosten van de jacht en zeescooter volledig in aftrek moeten worden gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de stukken over de groeipremie op zich niet aantonen dat het de bedoeling was om voor eiseres (of haar rechtsvoorganger cie2) inkomsten te verwerven met het jacht (en evenmin hoe die inkomsten dan zouden worden verworven). De voorgelegde stukken tonen enkel aan dat er een groeipremie werd toegekend en dat in de e-mails over betrokken investeringen onder meer de aankoop van het jacht werd vermeld.

Men zou verwachten dat de aanvraag voor een subsidie/groeipremie gemotiveerd moet worden op basis van een aanvraag/toelichting waarin men aangeeft wat men met de geplande investeringen wil bereiken. Dat lijkt niet anders te zijn voor de betrokken groeipremie (vergelijk het Vlaams Decreet van 31 januari 2003 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid, het Besluit van de Vlaamse regering tot toekenning van steun aan kleine en middelgrote ondernemingen voor investeringen in het Vlaamse Gewest van 10 oktober 2003, het Vlaams Decreet van 16 maart 2012 betreffende het economisch ondersteuningsbeleid en de bijhorende uitvoeringsbesluiten). Een dergelijke aanvraag/toelichting wordt door eiseres niet voorgelegd. Er is geen enkel stuk waarin namens eiseres of cie2 met het oog op het ontvangen van de groeipremie werd aangegeven welke intenties men had met het jacht.

De overzichten van de jaaromzetten van eiseres voor klant cie3 (stuk 2-6 van eiseres) zeggen niets over de aard van de aangerekende prestaties en tonen dus ook geen enkel verband aan met het werken aan boten of met het jacht waar het hier om gaat.

Eiseres stelt dat het de bedoeling was om de kosten van het jacht ook deels te factureren aan cie3 "omdat cie3 hiervan gebruik maakte". Als er effectief gebruik door cie3 was, dan had eiseres voor dat gebruik moeten factureren. Eiseres was een andere rechtspersoon dan cie3 en de financiële moeilijkheden van cie3 hadden eventueel kunnen leiden tot uitstel van betaling, maar waren op zich geen reden om niet te factureren.

Diverse facturen voor werken aan boten waarop eiseres zich beroept (stukken 20a, 20b en 20c van eiseres, zijnde facturen uitgaande van cie7 uit 2013) gaan niet uit van eiseres cie1 zelf, noch van haar rechtsvoorganger cie2. Deze facturen hebben dus niet geleid tot inkomsten voor eiseres (of haar rechtsvoorganger). Uit die facturen (gericht aan cie8) blijkt wel dat cie7 (lid van de groep van vennootschappen waartoe ook eiseres behoorde) werken aan boten uitvoerde. De omzetlijst klanten van cie7 (stuk 9 van eiseres) waarin cie8 wordt vermeld, sluit daarbij aan. cie8 is een professionele verkoper van boten.

De facturen die wel uitgaan van eiseres en die gericht zijn aan cie3 (stuk 7 en 8 van eiseres) hebben bijna allemaal een vage omschrijving ("doorfacturatie uren", "regiewerken", "werken in regie", "gepresteerde uren", ...) zodat niet blijkt dat het gaat om prestaties voor werken aan een boot. Soms gaat het over prestaties of kosten in het buitenland, maar opnieuw blijkt niet dat dit betrekking heeft op een boot gelegen in het buitenland. Alleen van factuur 70745 van 27 november 2007 (onderdeel van stuk 7 van eiseres, met vermelding "Croisimer + Chantier Navalle") en van factuur 60116 van 29 december 2006 (onderdeel van stuk 8 van eiseres, vermelding "werken boot La Belle de L'Adriatique") kan worden aangenomen dat het gaat om werken aan een boot.

Van de facturen die uitgaan van cie2 (rechtsvoorganger van eiseres) uit 2012 en 2013 die gericht zijn aan cie9 (stuk 21 van eiseres) blijkt wel dat telkens minstens een deel van de gefactureerde handelingen betrekking hebben op werken aan boten, aangezien er telkens (onder meer) wordt verwezen ofwel naar een boot, ofwel naar cie8.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dus dat:

 eiseres in 2006 en 2007 een factuur heeft opgesteld voor onderaannemingswerken aan een boot (werken uitgevoerd voor cie3);

de rechtsvoorganger van eiseres in 2012 en 2013 diverse facturen heeft opgesteld voor onderaannemingswerken aan een boot (werken uitgevoerd voor cie9);

 vennootschappen die tot dezelfde groep behoorden, werken aan boten hebben uitgevoerd.

Rekening houdend met het geheel van deze elementen, is de rechtbank van oordeel dat is aangetoond dat eiseres en haar rechtsvoorganger (weliswaar via onderaanneming) onder meer werken aan boten uitvoerden en dat ook vennootschappen uit de groep onder meer werken aan boten uitvoerden. In die omstandigheden neemt de rechtbank aan dat (de rechtsvoorganger van) eiseres op het moment van de aankoop van de betrokken jacht plannen had om de activiteiten in de sector van werken aan boten verder uit te bouwen en dat het de bedoeling was om de betrokken jacht gedeeltelijk te gebruiken in het kader van deze activiteiten, maar dat deze bedoeling niet verder is uitgewerkt wegens de bovenvermelde echtscheiding en de impact daarvan op de groep van vennootschappen.

Nu zowel eiseres als haar rechtsvoorganger slechts in onderaanneming werkten en er geen facturen werden opgesteld voor gebruik van de betrokken jacht door andere vennootschappen, is de rechtbank van oordeel dat de intentie tot het verwerven van inkomsten met het jacht slechts beperkt bewezen is en er slechts 35% van de betrokken kosten in aftrek kunnen worden gebracht (zoals in ondergeschikte orde voorgesteld door eiseres).

De vordering van eiseres is in die zin deels gegrond.

1.3 De onthaal- en representatiekosten

De uittreksels van de kredietkaart (met handgeschreven vermeldingen) zijn onvoldoende als bewijs dat de kosten werden gemaakt om inkomsten te verwerven voor eiseres.

Er worden geen facturen of btw-bonnen of andere stukken voorgelegd en er blijkt niet waarom het voorleggen van dergelijke stukken niet mogelijk is.

De vordering van eiseres is op dit punt ongegrond.

1.4 De prospectiereizen

Het gaat over drie facturen van cie4, een onderneming gevestigd in Dubai in de Verenigde Arabische Emiraten.

Zoals hoger al aangegeven, volstaat het niet als bewijs dat er facturen werden opgesteld die zijn betaald en volstaan vage kostennota's, die geen enkel detail bevatten en die een werkelijke controle feitelijk onmogelijk maken.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet het vereiste bewijs levert via de voorgelegde stukken.

De factuur van 20 november 2016 van 100.000 AED (of omgerekend 26.107,55 euro) vermeldt "Feasability study airduct projects in Dubai — down payment" of vrij vertaald "Haalbaarheidsstudie luchtkanaal projecten in Dubai — voorschot", zonder enig detail.

De factuur van 7 februari 2017 van 22.850 AED (of omgerekend 6.085,76 euro) vermeldt "Market Survey UAE" of vrij vertaald "Marktonderzoek Verenigde Arabische Emiraten", zonder enig detail.

Als er een dergelijke haalbaarheidsstudie en marktonderzoek voor een dergelijke kostprijs werden uitgevoerd, dan zouden de resultaten van die studie/dat onderzoek aan eiseres moeten zijn bezorgd en moeten deze resultaten (of minstens de communicatie ervan aan eiseres) als stuk kunnen worden voorgelegd. Eiseres legt echter geen enkel stuk in die zin voor waaruit blijkt dat cie4 de betrokken studie/het betrokken onderzoek heeft uitgevoerd voor eiseres.

De oprichting van cie5 in Dubai toont niet aan dat cie4 voorafgaand aan die oprichting de betrokken studie of het betrokken marktonderzoek heeft uitgevoerd.

Stuk 37 van eiseres bevat naast facturen van cie5 ook schermafbeeldingen van een communicatiekanaal waarvan eiseres niet verduidelijkt wie precies de deelnemers zijn. Een van hen is blijkbaar A.W., werkzaam bij "cie6". Andere deelnemers zijn "M." en "N.". Er wordt niet verduidelijkt wie dit zijn, maar de rechtbank neemt aan dat dit medewerkers zijn van cie5 en de gesprekken gaan klaarblijkelijk over luchtkanalen. Deze gesprekken zeggen echter niets over prestaties die zijn uitgevoerd door cie4. Bovendien dateren de gesprekken klaarblijkelijk pas uit 2022 (alle genummerde orders vermeld in de gesprekken beginnen met "22", 21 maart 2022 was een maandag, 19 april 2022 was een dinsdag, 18 mei 2022 was een woensdag), zijnde vijf jaar na het opstellen van de facturen van cie4.

De factuur van 10 januari 2017 van 73.000 AED (of omgerekend 18.885,91 euro) vermeldt "Prospection procurement China" of vrij vertaald "prospectie verwerven (of aanschaffen of inkoop) China", zonder enig detail. De zeer algemene vermelding wijst op een prospectie om na te gaan of verwerving/inkoop in China mogelijk/interessant is. Uit de latere uitleg van eiseres leidt de rechtbank af dat het ging om prospectie van leveranciers in China en meer bepaald Chinese leveranciers van staal.

Als er een prospectie voor een dergelijke kostprijs werd uitgevoerd, dan zouden de resultaten van die studie/dat onderzoek aan eiseres moeten zijn bezorgd (minstens de namen en nadere gegevens van potentieel interessante Chinese leveranciers) en zouden deze resultaten (of minstens de communicatie ervan aan eiseres) als stuk moeten kunnen worden voorgelegd. Eiseres legt echter geen enkel stuk in die zin voor waaruit blijkt dat cie4 de betrokken prospectie heeft uitgevoerd voor eiseres.

Aan de betrokken Engelstalige factuur werd in het stukkenbundel van eiseres (stuk 16a) een bijlage gevoegd die deels in het Nederlands is opgesteld met een lijst van kosten die in totaal ongeveer 73.000 AED (meer bepaald 73.016 AED). De betrokken prestaties vertonen echter klaarblijkelijk geen enkele band met een onderzoek over China. Het lijkt te gaan om een lijst van kosten verbonden aan de oprichting van cie5 in Dubai, met onder meer kosten voor een handelsnaam en een handelslicentie. Deze bijlage geeft dus geenszins een verduidelijking van de factuur voor prospectie in China. In de bijlage staat bovendien een post "kantoor 15 januari —14 april 2017", terwijl de betrokken factuur al dateert van 10 januari 2017.

Dit alles nog los van de vraag of de oprichtingskosten van een andere vennootschap in Dubai wel fiscaal aftrekbaar zijn voor eiseres (waarbij het niet duidelijk is of eiseres al dan niet oprichter/aandeelhouder is van cie5).

Dat de zaakvoerder van eiseres een opleiding heeft gevolgd in Dubai, bewijst evenmin de prestaties gefactureerd door cie4, noch dat de betrokken kosten gemaakt werden om inkomsten te verwerven voor eiseres.

De vordering van eiseres is op dit punt ongegrond.

1.5 Uitzonderlijke kosten — cie12

cie2 was leasingnemer/huurder van een onroerend goed gelegen in de ... voor een periode van vijftien jaar (overeenkomst afgesloten in een notariële akte van 25 september 2008, zie stuk 13 van eiseres). De leasinggever was cie10_old (later cie10), dat op haar beurt een recht van erfpacht had op het pand.

Via een notariële akte van 14 oktober 2008 verwierf cie11 de "tréfonds"/naakte eigendom over dit goed.

cie2 werd op 22 juli 2015 via een fusie overgenomen door eiseres cie1, waardoor eiseres de leasningnemer werd.

Op 22 oktober 2015 sloot eiseres een overeenkomst met vastgoedmakelaar cie12 om een koper te zoeken voor het betrokken onroerend goed (dit hoewel eiseres geen eigenaar was van het pand, enkel leasingnemer). De vastgoedmakelaar vond een koper, maar eiseres liet weten dat de verkoop niet kon doorgaan om een boekhoudkundige reden.

De vastgoedmakelaar startte een procedure tegen eiseres bij de ondernemingsrechtbank. Die veroordeelde eiseres tot het betalen van een schadevergoeding aan cie12 wegens het verbreken van de overeenkomst (stuk 24 van eiseres). Inclusief rechtsplegingsvergoeding en kosten moest eiseres een bedrag van 23.808,85 euro betalen.

De verkoop van het onroerend goed zou inkomsten opleveren voor cie11, die te onderscheiden is van eiseres. Er blijkt niet dat de verkoop inkomsten zou opleveren voor eiseres. Er blijkt niet dat de verkoop er automatisch toe zou leiden dat de lopende leasing automatisch zou worden beëindigd (met wegvallen van de verplichting van eiseres tot betaling van de leasingvergoeding). Dit zou enkel kunnen met het akkoord van de leasinggever/erfpachtnemer cie10 (wat blijkt uit de akte van 10 december 2021 vanaf p. 5: de vervroegde vrijwillige stopzetting van de onroerende leasing wordt overeengekomen tussen eiseres en cie10, overigens met verbintenis van eiseres tot vervroegde terugbetaling, dus de verrichting leidde tot kosten voor eiseres en niet tot inkomsten).

De vordering van eiseres is op dit punt ongegrond.

1.6 Uitzonderliike kosten: A.-C.

Zoals hoger reeds aangegeven, werd in het kader van de echtscheiding van P.V.L. en I.T. en de reorganisatie van de groep vennootschappen een raamovereenkomst gesloten op 8 oktober 2013 (stuk 565 administratief dossier vennootschapsbelasting).

Eiseres en haar rechtsvoorganger cie2 waren elk een van de partijen bij deze overeenkomst. Artikel 1.5.3 van de overeenkomst bepaalt onder meer dat I.T., R.T. en J.B. niets meer te vorderen hebben van onder meer eiseres en cie2. Volgens artikel 1.6.3 van de overeenkomst verbond I.T. zich er toe om in geval van claims van derden tegen onder meer eiseres en haar rechtsvoorganger cie2 25% van de schade te vergoeden. In artikel 1.7.1 van de overeenkomst stond een regeling voor schadevergoeding ten gunste van onder meer eiseres en haar rechtsvoorganger cie2. Volgens artikel 8 van de overeenkomst werden onder meer eiseres en cie2 als derde-begunstigde van de overeenkomst beschouwd. Artikel 1.10.2 (iii) bevat een niet-concurrentiebeding in het voordeel van onder meer eiseres en cie2 en artikel 1.11 een niet-slechtmakingsbeding in hun voordeel. Artikel 2.1 bevatte een overeenkomst tot verkoop door cie2 aan I.T. van een zwembad en poolhouse met inhoud. Artikel 3.1 van de overeenkomst regelde de verkoop van een voertuig door eiseres aan I.T..

Rekening houdend met dit alles is het gerechtvaardigd dat eiseres een deel van de (advocaten)kosten van de overeenkomst zou betalen en deze betaalde kosten zouden fiscaal aftrekbaar zijn, nu zij voor eiseres en haar rechtsvoorganger cie2 omstandigheden creëerden die hun mogelijkheden tot het verwerven van inkomsten zouden bevorderen (en zowel eiseres als cie2 een koopprijs ontvingen). Bovendien is eiseres in 2016 ook gefuseerd met cie13 en cie14, die eveneens derde-begunstigde waren bij de overeenkomst.

Er blijkt echter niet dat de kosten "A.-C." waar het hier om gaat, betrekking hebben op het aandeel van eiseres in de kosten van de raamovereenkomst. Eiseres verwijst naar een e-mail van Mr. C. van 10 februari 2014. In die mail wordt echter enkel melding gemaakt van "de facturen die per vandaag nog openstaan". Er blijkt niet waarop deze facturen precies betrekking hadden (en dus ook niet dat ze betrekking hadden op de raamovereenkomst). Bovendien werd in de e-mail het voorstel gedaan om de nog opstaande facturen gelijk te verdelen over eiseres, haar rechtsvoorganger cie2 en nog drie andere vennootschappen. Er blijkt niet of deze kostenverdeling effectief heeft plaatsgevonden en op welke manier. Eiseres legt geen enkele afrekening voor die nadien zou zijn verstuurd door Mr. C. of zijn kantoor.

Klaarblijkelijk is er nadien een geschil ontstaan met het advocatenkantoor A.-C., maar uit de voorgelegde stukken blijkt niet waar dit geschil precies om ging. Er blijkt niet dat het ging om openstaande facturen/ereloonnota's van het advocatenkantoor. En zelfs als de rechtbank dan toch zou aannemen, dan blijkt niet door wie de facturen/ereloonnota's verschuldigd waren en evenmin waarop de facturen/ereloonnota's precies betrekking hadden.

De brief van Mr. Bijloos van 10 februari 2017 (stuk 245 administratief dossier vennootschapsbelasting) verduidelijkt enkel dat er een akkoord werd gesloten, maar niet waarover het geschil oorspronkelijk ging. De brief was gericht aan de heer P.V.L. persoonlijk, niet aan eiseres of cie2. Het onderwerp vermeldt "P.V.L. /c A., C. & Vennnoten". De mededeling bij uit te voeren betaling op de derdenrekening van de advocaat van de tegenpartij luidt dan weer "A., C. en vennoten / cie15 3680". Eiseres (noch cie2) zijn gelijk te stellen met de heer P.V.L. of met cie15.

Eiseres levert dus niet het vereiste bewijs met betrekking tot deze kosten. Haar vordering is op dit punt ongegrond.

1.7 Uitzonderlijke kosten: correcties leveranciers 2016

Hierop dringt eiseres niet meer aan.

1.8 Uitzonderlijke kost: tegenboeking creditnota's

De belastbare grondslag van de vennootschapsbelasting wordt op basis van de jaarrekening vastgesteld.

Uit artikel 170 Grondwet (het fiscaal wettigheidsbeginsel) en het openbare orde-karaktervan de fiscale wet volgt echter dat de belastingschuld uitsluitend uit de wet voortvloeit en de Staat enkel de wettelijk verschuldigde belastingen kan vestigen.

Hieruit volgt dat de belastingplichtige, zolang de bezwaartermijn niet is verstreken, het recht heeft om onjuistheden in zijn aangifte die ertoe leiden dat een wettelijk niet verschuldigde belasting gevestigd wordt, recht te zetten, ook al zijn die onjuistheden het gevolg van een bewust genomen beslissing.

Wanneer bijgevolg de aangifte steunt op een met het boekhoudrecht strijdige boeking en dit leidt tot de vestiging van een wettelijke niet verschuldigde belasting, kan de belastingplichtige, zolang de termijn van bezwaar niet is verstreken, hiertegen opkomen, ook al is de onjuiste boeking het gevolg van een bewuste beslissing (vergelijk Cass. 10 maart 2016, C.14.0399.N).

Enkel wanneer het boekhoudrecht aan de belastingplichtige een beoordelingsmarge laat en de belastingplichtige binnen dit wettelijk kader een beleidsbeslissing neemt, kan hij op de gemaakte keuze niet terugkomen. Boekingen of waarderingen die het gevolg zijn van een eerder genomen beleidsbeslissing zijn bijgevolg definitief, ook al blijken zij achteraf onoordeelkundig of lichtzinnig te zijn geweest (vergelijk Cass. 10 maart 2016, C.14.0399.N).

Het is aan de belastingplichtige — dus eiseres — om aan te tonen dat het effectief gaat om een geval van een wettelijk niet verschuldigde belasting. Bovendien mag het niet gaan om een beleidsbeslissing in bovenvermelde zin.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres dit bewijs niet levert. Eiseres toont niet aan waarom de beweerdelijk verkeerde boekingen concreet zijn gebeurd. Er blijkt niet op basis van welke concrete gegevens/informatie die boekingen zijn gebeurd en evenmin op basis van welke concrete gegevens/informatie de boekingen later werden gecorrigeerd. Er blijkt in die omstandigheden dus ook niet dat de boekingen ten onterechte zijn gebeurd.

Bovendien blijkt niet dat de jaarrekening werd gecorrigeerd.

Er blijkt niet dat er sprake is van dubbele belasting. Voor aanslagjaar 2017 is de administratie terecht uitgegaan van de aangifte en de (niet gecorrigeerde) jaarrekening (wat niet in tegenspraak is met de manier waarop de btw werd geheven). En voor aanslagjaar 2018 blijkt niet dat de betrokken kosten aftrekbaar zijn voor aanslagjaar 2018. Zo blijkt er niet dat de betrokken kosten zijn gedaan of gedragen in het betrokken boekjaar.

De vordering van eisers is op dit punt ongegrond.

2. Vennootschapsbelasting: notionele intrestaftrek

Zoals hoger vermeld, is voor 35% van de kosten van het jacht en de zeescooter aangetoond dat de betrokken kosten in aftrek kunnen worden gebracht.

In het kader van de notionele intrestaftrek moet hiermee rekening worden gehouden.

De vordering van eiseres is op dit punt deels grond.

3. Vennootschapsbelasting: belastingverhoging

Aangezien er tegen de aanslag voor aanslagjaar 2016 bezwaar werd ingediend en de gerechtelijke procedure daarover nog loopt, is de rechtbank van oordeel dat de eerste overtreding nog niet definitief werd vastgesteld en wordt de belastingverhoging voor aanslagjaar 2018 beperkt tot 10%.

Er blijkt niet dat de belastingverhogingen onwettig zijn en evenmin dat ze onevenredig zijn met de begane inbreuken.

Er blijkt niet dat er een reden is op uitstel van tenuitvoerlegging toe te kennen zelfs als de wet dat zou toelaten.

4. Btw

De rechtbank verwijst voor de kosten van het jacht en de zeescooter naar wat daarover hoger werd geoordeeld in verband met de vennootschapsbelasting. Het jacht en de zeescooter worden geacht voor 35% te zijn gebruikt in het kader van de bedrijfsvoering.

De administratie vermeldde wel terecht de facturen waarop Franse btw van toepassing is, wat door eiseres ook niet concreet wordt tegengesproken.

Zoals hoger al aangeven, is de administratie terecht uitgegaan van de jaarrekening van 2016. Er blijkt niet dat deze foutief is en er werd geen verbeterde jaarrekening neergelegd.

Over de btw-boete worden door eiseres geen concrete opmerkingen gemaakt. In de mate de verschuldigde btw vermindert rekening houdend met het bovenstaande, moet ook de boete worden verminderd, maar de rechtbank ziet geen reden om het tarief van de boete op zich ambtshalve te matigen.

V. KOSTEN VAN DE PROCEDURE

Rekening houdend met de mate waarin elke partij in het ongelijk werd gesteld, moet eiseres vier vijfden van de kosten van de procedure betalen en de Belgische staat één vijfde.

Dispositif

BESLISSING

De rechtbank beslist in eerste aanleg en op tegenspraak.

De rechtbank verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar slechts deels gegrond als volgt.

De rechtbank ontheft de aanslagen in de vennootschapsbelasting betreffende aanslagjaar 2017 (met kohierartikelnr. …) en betreffende aanslagjaar 2018 (met kohierartikelnr. …) in die zin dat

- de kosten en afschrijvingen van het jacht en bijbehorende zeescooter voor 35% als fiscaal aftrekbaar moeten worden beschouwd;

- voor de notionele intrestaftrek er rekening moet worden gehouden met bovenvermelde aftrekbaarheid van 35% van de kosten van het jacht en de zeescooter;

- de belastingverhoging voor aanslagjaar 2018 beperkt wordt tot 10%.

De rechtbank stelt vast dat eiseres de btw (en de bijhorende boete) vermeld in het proces-verbaal van 5 november 2019 niet verschuldigd is in die zin dat er moet van worden uitgegaan dat het jacht en de zeescooter worden geacht voor 35% te zijn gebruikt in het kader van de bedrijfsvoering, waarbij de belastingadministratie wel terecht de facturen vermeldde waarop Franse btw van toepassing is.

De rechtbank veroordeelt de Belgische Staat om aan eiseres alle (rekening houdend met het bovenstaande) onterecht ingehouden, betaalde of in beslag genomen sommen terug te betalen, verhoogd met de moratoriuminteresten overeenkomstig artikel 418 WIB en 91 WBTW.

De rechtbank verklaart de vordering van eiseres voor het overige ongegrond.

De rechtbank veroordeelt eiseres tot betaling van vier vijfden en de Belgische staat tot betaling van één vijfde van de kosten van de procedure, door de rechtbank vereffend als volgt:

voor eiseres

•bijdrage juridische tweedelijnsbijstand:

•rechtsplegingsvergoeding:

20,00 euro 7.500,00 euro

voor de Belgische staat: nul euro

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op 20 april 2023 alwaar zetelden:

R. MOMMEYER, alleenzetelend rechter,

G. BRUSSELAERS, griffier,

Textes cités

6
AR no 1 art. 182 occurrences
CTVA art. 452 occurrences
CTVA art. 532 occurrences
CTVA art. 53octies2 occurrences
CTVA art. 702 occurrences
CTVA art. 491 occurrence

Décisions similaires

8