Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 04.02.2003
Résumé non fourni
Texte de l’arrêt
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Hof van beroep te Gent 5e Kamer
Terechtzitting van 04-02-2003
Verzet BTW-dwangbevel
Nr. 1969/AR/49653
In de zaak van :
1. …, verzekeringsmakelaar, wonende te …, …, in eigen naam en tevens het geding hervattend in zijn hoedanigheid van enige erfgenaam van wijlen …, overleden op ….
2. V.E.G. B., in vereffening, met maatschappelijke zetel te … (…), …, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …,
appellanten,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. V. P., advocaat te …, …
tegen :
DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en lnkomensfiscaliteit (sector BTW), in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8000 Brugge, G. VinckeDujardinstraat 4,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. D. P. K. loco Mr. D. C., advocaat te …, …
spreekt het Hof het volgend arrest uit :
1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 18.7.1989 dagvaardden de oorspronkelijke appellanten, i.e de …, zo in eigen naam als in zijn hoedanigheid van gecommanditeerde vennoot van de vennootschap bij enkelvoudige geldschieting …, de vennootschap bij enkelvoudige geldschieting D. B. … en , en …, de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.
De dagvaarding strekte ertoe het verzet van de oorspronkelijke appellanten tegen het dwangbevel (stuk 9 van de geïntimeerde) uitgevaardigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge op 23.3.1989, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 30.03.1989, en betekend met bevel tot betaling op 11.7.1989 aan de VEG B. … en …, ontvankelijk en gegrond te verklaren en de vordering van de geïntimeerde als ongegrond af te wijzen.
Bij vonnis van 20.01.1993 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer, werd dit verzet ontvankelijk verklaard doch ongegrond en werden de oorspronkelijke appellanten veroordeeld tot de kosten.
Dit vonnis zou volgens brief d.d. 29.3.1993 van gerechtsdeurwaarder G., brief waarvan kopie berust in het stukkenbundel van de geïntimeerde onder nummer 16, betekend zijn met bevel op 26.3.1993. Het gerechtsdeurwaardersexploot (of de exploten) wordt niet voorgelegd.
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 16.4.1993 hebben de oorspronkelijke appellanten hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.
Het hoger beroep is tijdig en regelmatig ingesteld.
Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vordering toe te wijzen in deze zin dat het bestreden dwangbevel, uitvoerbaar verklaard op 30.3.89, vernietigd wordt en dat alle door de geïntimeerde ten onrechte gecompenseerde of ontvangen bedragen, aan de appellanten zouden worden terugbetaald, met de wettelijk voorziene intresten, en de geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van de kosten in beide aanleggen
Bij conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 4.12.2001 heeft … het geding hervat als erfgenaam van en in opvolging van …, overleden op ….
De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis.
2. De geïntimeerde concludeert tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep op grond van artikel 92 tweede lid BTW-Wetboek omdat de appellanten niet overgingen tot de aldaar voorziene consignatie.
Bij brief van 3.11.1991 (stuk 18 van de geïntimeerde), waarvan niet betwist wordt dat hij aangetekend werd verstuurd, verzocht de Ontvanger van de BTW de "B. … en …” binnen de twee maanden het bedrag van … BEF (thans … EUR) te storten bij de Deposito- en Consignatiekas, zijnde volgens de Ontvanger het verschuldigde bedrag aan boeten, kosten en intresten.
De beslissing om artikel 92 tweede lid BTW-wetboek toe te passen en een verzoek tot consignatie te formuleren wordt in vermelde brief als volgt uitdrukkelijk gemotiveerd.
"
-Het dilatoir karakter van her hoger beroep :
-Gezien Uw verzet door de rechter in eerste aanleg als ongegrond werd afgewezen;
-Gezien de aangehaalde redenen in de beroepsakte ter staving van het hoger beroep volkomen achterhaald zijn door de hiernavolgende feiten :
a. Het vonnis waarnaar wordt verwezen vernietigd werd door het cassatiearrest van 8 september 1989.
b. Het feit dat de betrokken goederen "thans ook door particulieren, niet belastingplichtigen kunnen aangewend worden, dat particulieren de betrokken goederen kopen die in grote hoeveelheden en/of volumes worden verpakt", geen afbreuk doet aan het bepaalde in ten 6° van het tweede lid van art. 8 van K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 (onderschreven door het eerder geciteerde Cassatiearrest van 8 september 1989).
c. De wettelijke facturatieplicht maakt bij toepassing van art. 70, § 2, BTW-Wetboek de wettelijke geldboete verschuldigd.
Conclusie
Gezien de elementen in de beroepsakte geen enkel nieuw feit aanbrengen en de aangehaalde feiten achterhaald zijn, zoals hiervoor werd aangetoond kan enkel het dilatoir karakter van dit hoger beroep worden vastgesteld.
-Het veilig stellen van de rechten van de schatkist
Gezien de vordering boeten en aanhorigheden betreft, kan de wettelijke hypotheek krachtens artikel 86 van het BTW-Wetboek op de onroerende goederen, toebehorend aan de vennootschap of aan de hoofdelijk verantwoordelijke vennoten niet worden genomen gezien deze slechts geldt als zekerheid voor de voldoening van de belasting, de interesten en de kosten.
Gezien de onroerende goederen toebehorend aan de hoofdelijk verantwoordelijke vennoten dermate bezwaard zijn met hypothecaire inschrijvingen zou een procedure van onroerend beslag op deze goederen teneinde de rechten·van de schatkist te vrijwaren geen resultaat opleveren.
Het onroerend goed gelegen … te … en toebehorend aan … werd geschat op … Frank. Er werden volgende hypothecaire inschrijvingen op genomen :
boek 1246 nr. 28 d.d. 15/12/1980 : … Fr.
interesten P. M.
boek 1246 nr. 48 d.d. 20/2/1980 : … Fr.
interesten P. M
boek 2456 nr. 54 d.d. 28/5/1990 : … Fr.
boek 2726 nr. 61 d.d. 2/9/1992 : … Fr.
Totaal bedrag … Fr. te verhogen met de interesten.
Dit goed werd evenwel verkocht op 14 september ll.. Er kon bij deze verkoop ook geen toepassing gemaakt worden van artikel 93ter van het BTW-Wetboek gezien deze eveneens enkel geldt voor de voldoening van de belasting. interesten en kosten.
De onroerende goederen gelegen … te … en gelegen … te …, toebehorend aan … en aan … zijn belast met een hypothecaire inschrijving boek 1594 nr. 38 d.d. 30/3/83 voor een bedrag van … te verhogen met de interesten.
Gezien ik op geen enkel andere manier en in dezelfde mate de rechten van de schatkist kan veilig stellen vraag ik hierbij de consignatie zoals voorzien in artikel 92, tweede lid van het BTW-Wetboek."
De appellanten voeren aan dat de vermelde motieven ontoereikend zijn als steun van de beslissing tot verzoek om consignatie.
De verplichting tot consignatie wordt in artikel 92 tweede lid BTW-wetboek afhankelijk gesteld van een verzoek hiertoe door de bevoegde ambtenaar, terwijl er geen wettelijke bepaling kan gevonden worden die deze ambtenaar verplicht dit verzoek tot consignatie te formuleren. Wanneer de betrokken ambtenaar, gebruik makend van zijn discretionaire bevoegdheid dienaangaande, beslist dergelijk verzoek tot consignatie aan de belastingschuldige toe te sturen, neemt hij een bestuurshandeling die geschraagd dient te zijn door juridische en feitelijke overwegingen die afdoende moeten zijn (artikel 3 van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in toepassing van artikel 7 van deze wet in werking getreden op 1.1.1992, hetzij vóór de hoger vermelde brief van 3.11.1993 van de Ontvanger).
Het Hof is bevoegd om in toepassing van artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet (voorheen artikel 107 van de Grondwet) te onderzoeken of vermelde beslissing van de bevoegde ambtenaar wettelijk is en onder meer te dezen of de door de bevoegde ambtenaar in de brief van 3.11.1993 aangehaalde motieven afdoende zijn, m.a.w. dat de genomen beslissing voldoende door de motivering wordt gedragen.
De bepaling van artikel 92, tweede lid BTW-wetboek strekt ertoe de rechten van de Schatkist veilig te stellen tegen dilatoire beroepen (vergelijk Arbitragehof 18.11.1992 - punt B.7., 10.06.1993 - punt B.8.2., 06.06.1995 - punt B.4, stukken 26-27 en 31 van de geïntimeerde).
De door de Ontvanger van de BTW daartoe aangevoerde elementen nopen niet tot het besluit dat het hoger beroep, ongeacht de uiteindelijke beslissing over de grond, manifest van alle grond zou ontbloot zijn en zou ingesteld zijn om tijd te winnen met het risico voor de geïntimeerde om na verloop van de beroepsprocedure geconfronteerd te worden met insolvabele schuldenaars.
Ongeacht de vraag of het hoger beroep gegrond is of niet, moet worden vastgesteld dat de door de geïntimeerde aangehaalde motieven om te kunnen stellen dat het hoger beroep dilatoir is, de grond van de zaak betreffen, terwijl de oplossing van het geschil ten gronde maar kan mits een zekere appreciatie door de gevatte rechtsmacht nl. onder meer nopens de vraag of de litigieuze biervaten al dan niet kennelijk bestemd zijn voor een handels- of beroepsgebruik gelet op de aard ervan of op de wijze waarop zij worden aangeboden, en of er al dan niet ernstige redenen voorhanden zijn om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant (zie verder over dit alles). Omtrent deze appreciatie kan niet prima facie gesteld worden dat kennelijk enkel deze vooropgesteld door de geïntimeerde maar kan gevolgd worden en niet die vooropgesteld door de appellanten.
De door de Ontvanger van de BTW aangehaalde motieven zijn dan ook niet als afdoende te kwalificeren, zodat het Hof diens beslissing om te verzoeken om consignatie als niet toepasbaar dient te beschouwen.
De door de geïntimeerde op deze basis ingeroepen exceptie van onontvankelijkheid is ongegrond.
3. Volgens het proces-verbaal van 9.4.1989 (stuk 1 van de geïntimeerde) opgesteld door de 4e Controle BTW te Brugge werd op 3.10.1988 onder meer vastgesteld dat door de VEG B. … en … (kleinhandel in dranken) geen facturen werden uitgereikt aan hun medecontractant voor een totale ontvangst van … BEF (thans … EUR) inclusief belasting over de boekjaren 1984, 1985 en 1986. Uit zelfde proces-verbaal blijkt dat de vermelde ontvangsten zonder factuur betrekking hebben op verkopen van vaten.
Benevens deze vaststellingen wordt in zelfde proces-verbaal uiteengezet welke wettelijke bepalingen volgens de verbalisant geschonden werden en welke gevolgen dit heeft wat de nog verschuldigde BTW betreft nl. … BEF (thans … EUR) en wat de verschuldigde boete betreft nl. … BEF (thans … EUR).
Waar de appellanten voorhouden dat er geen facturatieplicht was in de vermelde gevallen, wordt in het proces-verbaal een andere stelling gehuldigd en stelt de verbalisant dat overeenkomstig artikel 1, 1° van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969, voor het laatst gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 maart 1978 een belastingplichtige gehouden is aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken wanneer hij in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid een goed heeft geleverd. De verbalisant voegt er aan toe dat overeenkomstig artikel 8 van hetzelfde koninklijk besluit de belastingplichtige van deze verplichting is ontheven wanneer de goederen geleverd worden aan particulieren die deze goederen niet besteden voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid, maar dat deze ontheffing niet geldt ten aanzien van leveringen die betrekking hebben op goederen die gelet op de wijze waarop ze worden aangeboden (in casu in vaten) kennelijk bestemd zijn voor handels- of beroepsgebruik.
Overeenkomstig het (op dit geschil toepasselijke) artikel 1, 1° van het KB nr. 1 van 23.7.1969 is de belastingplichtige gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken wanneer hij in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid een levering van een goed heeft gedaan of een dienst heeft verricht. Er wordt niet betwist dat dergelijke leveringen gebeurden.
Overeenkomstig het (op dit geschil toepasselijke) artikel 8, eerste lid van het KB nr. 1 van 23.7.1969 is de belastingplichtige ervan ontheven een factuur uit te reiken wanneer hij goederen levert of diensten verstrekt aan particulieren die deze goederen of diensten niet bestemmen voor de uitoefening van een beroepswerkzaamheid.
Overeenkomstig het (op dit geschil toepasselijke) artikel 8, tweede lid, 6° van het KB nr. 1 van 23.7.1969 geldt de laatst vermelde ontheffing niet ten aanzien van de leveringen die betrekking hebben op goederen die, gelet op de aard ervan of op de wijze waarop zij worden aangeboden, kennelijk bestemd zijn voor een handels- of beroepsgebruik, alsmede de leveringen van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor beroepsdoeleinden.
De kern van de tussen partijen gerezen betwisting is de vraag of de te dezen bedoelde levering van goederen een levering is die betrekking heeft op goederen die gelet op de aard ervan of op de wijze waarop zij worden aangeboden kennelijk bestemd zijn voor een handels- of beroepsgebruik (stelling van de BTW-administratie : facturatieplicht) of niet (stelling van de appellanten : geen facturatieplicht)
Uit bepaalde stukken blijkt dat de goederen in kwestie vaten bier zijn (zie o.m stuk 5 van de geïntimeerde; de conclusie van de appellanten neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 16.11.1989, p. 2). Uit de tussen partijen gewisselde conclusies blijkt dat het bovendien gaat om vaten voor het aftappen waarvan een speciale tapinstallatie vereist is (zie onder meer de conclusie van de appellanten neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 16.11.1989, p. 2, waarbij de appellanten de bewering van de geïntimeerde betwisten volgens welke dergelijke tapinstallatie enkel in gespecialiseerde groothandelszaken te verkrijgen zou zijn en tegen prohibitieve prijzen).
Zo mag aangenomen worden dat ook particulieren vaten bier kopen - zonder dat het hiertoe nodig is dit te bewijzen aan de hand van het door de appellanten aangeboden getuigenbewijs - voor bepaalde gelegenheden, zoals voor feesten of barbecues zoals de appellanten stellen, en de benodigde tapinstallatie kunnen huren (zie de conclusie van de appellanten neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 12.9.2000, p. 2), of mogelijks kunnen lenen dan wel gebruik kunnen maken van de installatie van de instelling waar de feestactiviteit gehouden wordt, dan neemt dit niet weg dat zowel dergelijke tapinstallatie als de vaten gemaakt om er een dergelijke tapinstallatie op aan te sluiten, hoofdzakelijk bestemd zijn voor professioneel gebruik, waarbij voornamelijk aan herbergen en andere horecabedrijven wordt gedacht.
Vaten bier zoals te dezen bedoeld zijn dan ook te beschouwen als goederen die, gelet op de aard ervan of op de wijze waarop zij worden aangeboden, kennelijk bestemd zijn voor een handels- of beroepsgebruik in de zin van artikel 8, tweede lid, 6° van het KB nr. 1 van 23.7.1969.
De appellanten kunnen zich dan ook niet beroepen op de ontheffing van facturatieplicht voorzien bij artikel 8, eerste lid van het KB nr. 1 van 23.7.1969.
De bewering van de oorspronkelijke appellanten, voor het eerst uitgedrukt in hun conclusie neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 12.9.2000 (p. 2), dat het zou gaan om kleine vaten specifiek gebruikt voor feestjes in de privésector lijkt niet alleen weinig geloofwaardig gezien toch laat in de procedure naar voor gebracht, maar wordt bovendien op geen enkele wijze bewezen laat staan waarschijnlijk gemaakt door de appellanten, zodat deze bewering niet kan worden aangenomen.
4. De appellanten roepen artikel 70, § 2 tweede lid BTW-Wetboek in zodat de geldboete opgelegd wegens het niet uitreiken van de facturen waarvan hoger sprake niet verschuldigd zou zijn. Deze bepaling voorziet dat de geldboete niet verschuldigd is wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant.
Meer bepaald stellen de appellanten dat zij geen ernstige reden hadden om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant, hierbij verwijzend naar het feit dat zij als drive-in hoofdzakelijk leveren aan particulieren en niet gehouden zijn aan iedereen facturen af te leveren en in hun groothandel een groot bord is aangebracht waarop duidelijk vermeld staat dat "beroepskopers" ertoe gehouden zijn een factuur te vragen.
Het stuk 1 in het bundel van de appellanten is een fotoreeks waarop bedoeld bord, dat de tekst draagt "iedere BTW-plichtige wordt verzocht zijn factuur te vragen” is weergegeven.
De facturatieplicht vloeide te dezen voort uit het feit dat het leveringen van goederen betrof die, gelet op de aard ervan of op de wijze waarop zij worden aangeboden, kennelijk bestemd zijn voor een handels- of beroepsgebruik in de zin van artikel 8, tweede lid, 6° van het KB nr. 1 van 23.7.1969. Het uithangen van een bord met de vermelde tekst in het magazijn van de appellanten is geen ernstige reden om hen te doen twijfelen aan de facturatieplicht, nu zij het voorhanden zijn van de voorwaarden beschreven in vermeld artikel 8, tweede lid, 6° zelf dienden te (en konden) beoordelen zonder hiervoor afhankelijk te zijn van de klanten. Uit het enkel feit van het uithangen van dergelijk bord konden zij niet zonder meer afleiden dat zij er mochten van uitgaan dat voor diegenen die geen factuur vroegen geen factuur moest worden opgesteld.
De appellanten dienden als professionelen te weten dat voor de vaten bier in kwestie om hoger aangehaalde reden er een facturatieplicht was. Een ernstige reden die hen aan die facturatieplicht zou hebben doen twijfelen wordt door de appellanten met aangebracht.
Het door de appellanten aangeboden getuigenbewijs ertoe strekkende te bewijzen dat aan particulieren werd geleverd en dat er alleszins ernstige redenen waren om te twijfelen aan de niet-belastingplicht van de kopers, dient te worden afgewezen als niet dienend. Dergelijk getuigenbewijs zal niets bijbrengen omtrent de vraag in hoeverre de appellanten de kenmerken van de goederen in kwestie zelf konden inschatten gelet op het bepaalde in artikel 8 tweede lid, 6° van het KB nr. 1 van 23.7.1969, terwijl de vraag of aan particulieren werd verkocht evenmin van belang is nu de hoedanigheid van de afnemer met het oog op toepassing van laats vermelde bepaling zonder invloed blijft.
Er is dan ook geen aanleiding om toepassing te maken van artikel 70, § 2 tweede lid BTW-Wetboek in de door de appellanten gewenste zin.
5. De appellanten voeren aan dat de opgelegde boete buiten verhouding is tot haar doel en zulks in strijd is met artikel 6 EVRM en artikel 14 van het Internationaal Verdrag op de Burgerlijke en Politieke Rechten.
De geldboete voorzien bij artikel 70, § 2 BTW-Wetboek (al dan niet verminderd of verhoogd in toepassing van andere bepalingen) strekt ertoe, dit om de heffing van de BTW te verzekeren, ten aanzien van de leverancier of de dienstverrichter als zijn medecontractant, hen zowel aan te zetten tot nakoming van de verplichtingen inzake uitreiking van factuur of gelijkaardig stuk om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van die verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.
De aan de appellanten in toepassing van voormelde bepaling opgelegde geldboete is in deze omstandigheden een strafsanctie in de zin van de artikelen 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955) en 14 IVBPR (Internationaal Verdrag van 19.12.1966 inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York, goedgekeurd bij wet van 15.5.1981).
Het Hof vermag de wettelijkheid van dergelijke sanctie te onderzoeken en in het bijzonder na te gaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit houdt ook in dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en de geïntimeerde naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde geldboete (vergelijk Cass. 24.01.2002, rolnr. C000234N, www.cass.be ).
De boete van … BEF (thans … EUR) werd berekend als volgt (zie stuk 1 van de geïntimeerde, alsmede het dwangbevel, stuk 9 van de geïntimeerde) :
- Toepassing van artikel 70, § 2 BTW-wetboek : … BEF (thans … EUR) verschuldigde belasting x 200 % = … BEF (thans … EUR)
- Herleid tot, in toepassing van artikel 1 KB nr. 41 van 30.01.1987 : … BEF (thans … EUR) verschuldigde belasting x 60 % = … BEF (thans … EUR), afgerond … BEF (thans … EUR)
- Verhoogd tot, in toepassing van artikel 2 van het KB nr. 41 van 30.01.1987 : … BEF (thans … EUR) x 1,50 = … BEF (thans … EUR).
Wat het laatste deel van de totale boete betreft, bepaalt artikel 2, eerste lid van het KB nr. 41 van 30.01.1987 dat in geval van kennisgeving of betekening van het dwangbevel beoogd in artikel 85 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, de in de tabellen A tot F van de bijlage bij dit besluit opgenomen geldboeten worden verhoogd met 50 % zonder dat het gevorderde bedrag kleiner mag zijn dan 5 % van de verschuldigde belasting.
Eenieder heeft in beginsel het recht om een geding door de rechter te laten beslechten binnen de grenzen en volgens de vormen door de wet bepaald, recht dat de openbare orde aanbelangt. De uitoefening van dit recht mag niet gehinderd worden door een regel waarbij de loutere uitoefening van dit recht gesanctioneerd wordt met een boete, maar dit recht mag wel worden beperkt, inzonderheid om vormen van misbruik te bestrijden.
Artikel 2 van het KB nr. 41 d.d. 30.01.1987 moet dan ook in die zin worden uitgelegd dat de erin vermelde verhoging van de geldboete ertoe strekt, in het algemeen belang, procedures te vermijden vanwege belastingplichtigen die geen voldoende redenen hebben om niet vrijwillig de belastingschuld te betalen (vergelijk hieromtrent met Cass. 25.04.2002, rolnummer C000464N, www.cass.be ).
Te dezen is niet aangetoond dat de appellanten geen voldoende redenen hadden om de belastingschuld te betwisten (vergelijk ook punt 2 supra), en moet aangenomen worden dat de boeteverhoging opgelegd in toepassing van artikel 2 van het KB nr. 41 d.d. 30.01.1987 enkel werd opgelegd omdat een dwangbevel diende betekend te worden, wat strijdig is met voormelde regel van openbare orde.
Om deze reden dient de opgelegde boete te worden verminderd met deze verhoging en dient zij herleid te worden tot … BEF (thans … EUR).
Deze boete werd voor het overige berekend op de volgens de wet voorgeschreven wijze, en is gelet op de concrete omstandigheden niet onevenredig met de inbreuk van de appellanten en evenmin met het hoger aangehaald doel van de boete, rekening houdend met het feit dat inzake BTW het uitreiken van facturen essentieel is voor de praktische werking van het BTW-belastingssysteem en onder meer voor de controle van de juiste heffing van de BTW, dat het totaal bedrag van de verkopen gedurende de jaren 1984-1985-1986 voor welke de appellanten nalieten een factuur uit te reiken het niet onaanzienlijk bedrag van … BEF (thans … EUR) bereikte wat de veelheid van inbreuken aantoont, en gelet op het feit dat zoals hoger aangehaald de appellanten dienden te weten dat zij gehouden waren facturen uit te reiken.
Dispositif
OP DEZE GRONDEN,
HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen.
Geeft akte aan … van zijn gedinghervatting in opvolging van wijlen …
Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond.
Doet het bestreden vonnis teniet, behoudens waar dit het verzet toelaatbaar verklaart, en opnieuw wijzende;
Verklaart deels gegrond het verzet van de appellanten tegen het dwangbevel d.d. 23.3.1989 uitgevaardigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge J. D. (RCIV nr. …) en op 30.3.1989 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de hiertoe gemachtigde Inspecteur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, verbonden aan de BTW-Directie te Brugge G. T. (Reg.nr. …);
Vernietigt dit dwanghevel, behoudens voor :
- … EUR als boete, meer de moratoire intrest zoals voorzien bij artikel 91, § 4 BTW-Wetboek vanaf 11.7.1989. datum van betekening van het dwangbevel;
- de vervolgingskosten, doch slechts in zoverre deze betrekking hebben op de nog overblijvende hierboven vermelde boete.
Veroordeelt de geïntimeerde tot terugbetaling aan de appellanten van elke som uit hoofde van het vernietigde gedeelte van het dwangbevel eventueel geïnd, ingevorderd of ingehouden, meer de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf de datum van inning, invordering of inhouding.
Veroordeelt de appellanten tot 2/3 en de geïntimeerde tot 1/3 van de kosten, in hun totaal als volgt begroot :
- aan de zijde van de appellanten : op … EUR dagvaarding en rolstelling + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;
- aan de zijde van de geïntimeerde op : … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, op VIER FEBRUARI TWEEDUIZEND EN DRIE.
Aanwezig :
Mevrouw N. v. I., Voorzitter,
De heren A. D. M. en G. T., Raadsheren,
M. V., griffier.
M. V. G. T. A. D. M. N. v. I.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.