Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Corps de la décision
ARRET C 02/3
Arrêt de la Cour de Cassation dd. 25.04.2002
FJF 2003/87
Amendes - Majoration de 50 % en cas de procédure - Contrôle par le juge
L'article 1 er de l'arrêté royal nº 41 du 30 janvier 1987 fixant le montant des amendes fiscales proportionnelles en matière de TVA détermine l'échelle de réduction des amendes fiscales proportionnelles en renvoyant aux tableaux annexés à cet arrêté royal. Conformément à l'article 2 de l'arrêté royal nº 41, en cas de notification ou signification d'une contrainte visée à l'article 85 du Code de la TVA, les amendes sont majorées de 50 % sans que le montant réclamé puisse être inférieur à 5 % de la taxe due. Le juge doit cependant à ce propos vérifier si la sanction répond aux prescriptions légales, en ce compris les principes généraux de droit. Chacun a en effet le droit de laisser trancher une contestation par le juge dans les limites et selon les formes prévues par la loi. Il ne peut être fait obstacle à ce droit, qui est d'ailleurs d'ordre public, par une règle qui sanctionne d'une amende le seul exercice de ce droit. L'article 2 de l'arrêté royal nº 41 doit dès lors être interprété dans le sens que la majoration de l'amende qui y est prévue vise, dans l'intérêt général, à éviter des procédures d'assujettis qui n'ont pas de raison satisfaisante de ne pas payer volontairement la dette d'impôt.
Voorzitter : M. Verougstraete
Raadsheren : Mme Bourgeois, M. Londers, M. Dirix, M. Stassijns
Advocaat-generaal met opdracht : Mr. Thijs
Advocaten : Mr. Claeys Boúúaert, Mr. Geinger
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën
tegen
S.S.
I. Bestreden uitspraak
Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 17 januari 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.
II. Rechtspleging voor het Hof
Raadsheer G. Londers heeft verslag uitgebracht
Advocaat-generaal met opdracht D. Thijs heeft geconcludeerd.
III. Middel
Eiser voert in zijn verzoekschrift één middel aan.
Geschonden wettelijke bepalingen
artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde;
de artikelen 70, § 1 en § 1bis, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, al deze bepalingen zoals zij van kracht waren tijdens het jaar 1993.
Aangevochten beslissingen
Na vastgesteld te hebben dat de belastbare omzet van verweerster tijdens de jaren 1988 en 1989 hoger was dan uit haar aangiften bleek en dat het verweer van verweerster tegen de vordering tot betaling van een bijkomend bedrag van belasting over de toegevoegde waarde ongegrond was,
en na aldus vastgesteld te hebben dat het gevorderd bijkomend bedrag het voorwerp uitmaakte van een dwangbevel, aan verweerster betekend op 16 april 1993, en het verweer ten gronde van verweerster tegen dit dwangbevel te hebben van de hand gewezen, oordeelt het arrest nochtans :
«Wat betreft de geldboete wordt enkel betwist de verhoging met 50 %, gevorderd omwille van de noodzaak om een dwangbevel uit te vaardigen.
Te dezen heeft (eiser) geen gegronde redenen aangetoond waarom de aanvankelijk opgelegde geldboete ontoereikend is enkel omwille van het feit dat (verweerster) zich niet akkoord verklaarde zodat een dwangbevel diende uitgevaardigd.»
Grieven
De verhoging van de boete met 50 % vloeit voort uit het voorschrift zelf van artikel 2 van voormeld koninklijk besluit nr. 41. De administratie beschikt terzake niet over een discretionaire macht en heeft niet tot plicht andere redenen aan te voeren om dit voorschrift toe te passen.
Hieruit volgt dat het arrest de toepassing van de wettelijke regeling aan voorwaarden onderwerpt, die met het voorschrift onverenigbaar zijn, en waarvan het naleven zou veronderstellen dat de administratie over een discretionaire macht beschikt, die terzake onbestaande is, en aldus het terzake toepasselijk wettelijk stelsel miskent (schending van al de in de aanhef van het middel aangeduide wetsbepalingen).
IV. Beslissing van het Hof
Overwegende dat artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, de schaal bepaalt voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten met verwijzing naar de als bijlage aan het besluit gevoegde tabellen A tot J;
Dat, overeenkomstig artikel 2 van dit koninklijk besluit, in geval van kennisgeving of betekening van een dwangbevel bedoeld in artikel 85 B.T.W.-Wetboek, de in de tabellen A tot F van de bijlagen van het koninklijk besluit opgenomen geldboeten, worden verhoogd met 50 % zonder dat het gevorderde bedrag kleiner mag worden dan 5 % van de verschuldigde belasting;
Overwegende evenwel dat de rechter moet kunnen oordelen of de sanctie beantwoordt aan de wettelijke voorschriften met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dat het koninklijk besluit in die zin moet worden begrepen;
Dat eenieder in beginsel recht heeft om een geding door de rechter te laten beslissen, in de grenzen en volgens de vormen door de wet bepaald; dat dit recht de openbare orde aanbelangt;
Dat de uitoefening van dit recht niet mag gehinderd worden door een regel waarbij de loutere uitoefening van dit recht gesanctioneerd wordt met een boete; dat dit recht wel mag worden beperkt, inzonderheid om vormen van misbruik te bestrijden;
Overwegende dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 januari 1987 dan ook in die zin moet worden uitgelegd dat de erin vermelde verhoging van de geldboete ertoe strekt, in het algemeen belang, procedures te vermijden vanwege belastingplichtigen die geen voldoende redenen hebben om niet vrijwillig de belastingschuld te betalen;
Dat de in het middel aangewezen wetsbepalingen niet uitsluiten dat de rechter dit laatste nagaat en beoordeelt;
Overwegende dat de appèlrechters vaststellen dat «te dezen de (Staat) geen gegronde reden heeft aangetoond waarom de aanvankelijk opgelegde boete ontoereikend is enkel omwille van het feit dat (verweerster) zich niet akkoord verklaarde zodat een dwangbevel diende uitgevaardigd»; dat zij zodoende te kennen geven dat de verhoging met 50 % niet kan opgelegd worden louter omwille van de noodzaak een dwangbevel uit te vaardigen;
Dat zij aldus de in het middel aangewezen wettelijke bepalingen niet schenden;
Dat het middel niet kan worden aangenomen;
Dispositif
Om die redenen,
Het Hof,
Verwerpt de voorziening;
Veroordeelt eiser in de kosten.
De kosten jegens de verwerende partij.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.
Textes cités
4Jurisprudence
10Belgique
10Cour de cassationF.14.0070.N07.04.2016
Acquiescement, Renonciation à l’exercice des voies de recours
Cour d'appel de Gand17.02.2009
Exonération, exportation, importation, opération intracommunautaire, poursuite, instance
Cour d'appel de Gand27.06.2006