Disposition pénale, droits et privilèges du Trésor, amende administrative · Jurisprudence belge

Aller au texte
Juriel

Cour d'appel Gand 27 juin 2006

Rechercher
Texte en néerlandais

Disposition pénale, droits et privilèges du Trésor, amende administrativeTaxe sur la valeur ajoutée

https://juriel.be/fr/jurisprudence/disposition-penale-droits-privileges-tresor-cour-appel-gand-2006-06-27-e53d

Juridiction
Cour d'appel
Siège
Gand
Date
27 juin 2006

Sur le document

Collection
Jurisprudence belge
Langue du texte
néerlandais
Version française
non publiée par le SPF

Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.

Texte

102 paragraphes

Fiche du SPF Finances

Arrêt de la Cour d'Appel de Gand du 27.06.2006

Résumé non fourni

Texte de l’arrêt

Corps de la décision

Le texte est publié uniquement dans la langue originale

Hof van beroep te Gent 5e kamer – terechtzitting van 27.06.2006

Nr. 2003/AR/1433

in de zaak van :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Wetstraat 14 te 1000 Brussel, in de persoon van de rekenplichtige van het Tweede BTW-Ontvangkantoor te Kortrijk, wiens kantoor gevestigd is te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. I. loco mr. P. M., advocaat te …, …

tegen :

D. F., landbouwer, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Ieper, onder het nummer …,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. W. loco mr. S. S., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 7.1.1998 dagvaardde de geïntimeerde appellant voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk teneinde uitspraak horen doen over het verzet van de geïntimeerde tegen het dwangbevel (RCIV …) uitgevaardigd door F. V., waarnemend ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, op 2.12.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. V., e.a. inspecteur van de IIe BTW-controle Ieper, op 3.12.1997.

In dit dwangbevel werden opgenomen als schuld ten laste van de geïntimeerde een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW, een geldboete in toepassing van artikel 70, § 1bis BTW-wetboek van … BEF (… EUR), meer intrest op de BTW. In zelfde dwangbevel wordt melding gemaakt van de toerekening van een tegoed aan BTW op deze schuld, zodat uiteindelijk nog volgens het dwangbevel verschuldigd was … BEF (… EUR) aan BTW, … BEF (… EUR) aan boete, meer intresten op BTW en boete, meer de vervolgingskosten.

De BTW is deze volgens de appellant verschuldigd ingevolge de verwerping van de aftrek uitgevoerd door de geïntimeerde op grond van een verzoek tot teruggave ingediend met de kwartaalaangifte van het derde kwartaal 1993, verwerping door de administratie gedaan om reden dat zij van oordeel was dat dit recht op teruggave verjaard was.

Het verzoek tot teruggave was ingegeven door het feit dat beslissingen van het Arbitragehof, de Raad van State en de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, in procedures waarin de geïntimeerde niet was betrokken, tot het besluit geleid hebben dat het BTW-tarief van 19 % voor bepaalde meststoffen voorzien bij het KB nr. 20 van 20.7.1970 en door de geïntimeerde voldaan over de periode 1.1.1985 tot 30.6.1988, niet moest worden toegepast, maar wel het tarief van 6 % voor meststoffen in het algemeen.

De geïntimeerde vorderde voor de eerste rechter het dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.

Daarnaast vorderde de geïntimeerde in zijn conclusie op 16.11.1998 neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zonder dit evenwel te hernemen in de formulering van zijn vordering in fine van zijn conclusie, dat zou worden vastgesteld dat hij recht heeft op teruggave van de BTW die hij bij de derde kwartaalaangifte 1993 teveel voldeed. Het betreft een bedrag aan BTW van … BEF (… EUR) dat door hem spontaan werd geregulariseerd, nl. door aangifte in vak 61 van de derde kwartaalaangifte van 1993.

Bij vonnis van 17.3.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, tweede kamer, werd de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard, werd het dwangbevel vernietigd, werd voor recht gezegd dat de erin opgenomen bedragen niet verschuldigd zijn, en werd de appellant veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 13.6.2003 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De appellant vordert de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering als onontvankelijk minstens ongegrond, en de veroordeling van de geïntimeerde tot de kosten.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zou worden verklaard, dat het dwangbevel zou vernietigd worden en zou gezegd worden voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en intresten niet verschuldigd zijn. In ondergeschikte orde vordert de geïntimeerde dat de opgelegde boete zou worden kwijtgescholden, minstens aanzienlijk zou worden verminderd.

Verder breidt de geïntimeerde zijn oorspronkelijke vordering uit door tevens te vorderen dat de appellant zou worden veroordeeld tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of geïnde sommen, verhoogd met de wettelijke en de gerechtelijke intresten.

Daarnaast herneemt de geïntimeerde opnieuw zijn vordering tot vaststelling van zijn recht op teruggave van … BEF (… EUR), opnieuw zonder dit te hernemen bij het formuleren van zijn vordering in fine van zijn conclusie.

Wat deze laatste twee punten betreft moet aangenomen worden dat de geïntimeerde incidenteel beroep aantekent.

2. De appellant is van oordeel dat de vordering van de geïntimeerde tot teruggave van de BTW in toepassing van artikel 77, § 1, 1° BTW-wetboek (d.i. "wanneer ze - de BTW - het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is") verjaard is, standpunt dat door de geïntimeerde wordt betwist.

Met het oog op de oplossing van het twistpunt van verjaring kunnen volgende feitelijke gegevens, in chronologische volgorde, nuttig worden aangehaald :

1.1.1985 tot 30.6.1988 : periode waarover de betwiste teruggave van de BTW loopt, dit voor een bedrag van … BEF (… EUR)

9.12.1991 : vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen waarbij onder meer voor recht gezegd wordt dat met betrekking tot de in betwisting zijnde meststof het BTW-tarief van 6 % van toepassing is en de Belgische Staat veroordeeld wordt tot terugbetaling van BTW meer intresten aan de BVBA A., eisende partij, leverancier van de geïntimeerde.

7.1.1993 : arrest nr. 1/93 van het Arbitragehof (vindplaats www.arbitrage.be ) dat op vordering van leveranciers van de geïntimeerde beslist : " ...vernietigt, voor zover daarbij meststoffen op basis van secundaire elementen een hoger BTW-tarief wordt opgelegd dan het tarief dat geldt voor meststoffen in het algemeen, te weten 6 procent, artikel 55 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, in zoverre door dat artikel bekrachtigd wordt de rubriek II van tabel B zoals bepaald bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 17 maart 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven en het koninklijk besluit van 10 november 1980 tot invoering van een speciale taks op luxeprodukten."

4.6.1993 : brief van de BVBA A. aan de geïntimeerde waarin wordt meegedeeld dat het teveel aan BTW terugbetaald wordt door toezending van kredietnota's, en waarin ook meegedeeld wordt dat de geïntimeerde in zijn periodieke BTW-aangifte deze terugbetaling moet regulariseren en hij teruggave kan vragen van teveel betaalde BTW. De geïntimeerde stelt in de loop van 1993 diverse kredietnota’s te hebben ontvangen van de BVBA A., de BVBA M. en de Heer B.-R..

28.6.1993 : arrest nr. 43.500 van de Raad van State (Arr. RvS, 1993) waarbij "vernietigd wordt, voor zover daarbij meststoffen op basis van secundaire elementen een hogere BTW-tarief wordt opgelegd dan het tarief dat geldt voor meststoffen in het algemeen, te weten 6 procent, rubriek II van tabel B zoals bepaald bij artikel 3 van het koninklijk besluit van 17 maart 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven en het koninklijk besluit van 10 november 1980 tot invoering van een speciale taks op luxeprodukten."

18.10.1993 : kwartaalaangifte van de geïntimeerde voor het derde kwartaal van 1993 waarin onder vak 62 ("herzieningen - totaal aftrekbare belasting (b+c+d), creditnota's uitgezonderd") en onder vak 59.b ("bedrag van de belasting waarvan de aangever teruggave kan verkrijgen - creditnota's uitgezonderd") een bedrag van … BEF (… EUR) aan BTW wordt afgetrokken.

10.11.1994 en 13.2.1995 : BTW-controle over de periode 1.1.1992 - 31.12.1993

3.3.1995 : correctieopgave waarin het standpunt wordt ingenomen dat de vordering tot teruggave werd uitgeoefend nadat ze verjaard was

12.5.1995 : brief van de raadsman van de geïntimeerde aan de appellant waarin het vermeld standpunt betwist wordt

8.10.1996 : aangetekende brief van de appellant aan de geïntimeerde waarin het standpunt van verjaring wordt gehandhaafd en verzocht wordt de correctieopgave, voor akkoord ondertekend, terug te sturen

29.10.1996 : brief van de raadsman van de geïntimeerde aan de appellant waarin het standpunt van verjaring verder betwist wordt

19.12.1996 : proces-verbaal met betrekking tot de controles van 10.11.1994 en 13.2.1995 waarin het standpunt van de verjaring gehandhaafd·wordt

2.12.1997 en 3.12.1997 : uitvaardigen van het bestreden dwangbevel en viseren en uitvoerbaar verklaren van dit dwangbevel

3.12.1997 : kennisgeving van het dwangbevel

7.1.1998 : betekening aan de appellant van het gerechtsdeurwaarders-exploot houdende verzet tegen het dwangbevel.

Het artikel 82 BTW-wetboek (in de versie toepasselijk op het ogenblik van de kwartaalaangifte van 18.10.1993) bepaalde dat de vordering tot teruggave van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaarde door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan. Artikel 3 van het KB nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggave inzake belasting over de toegevoegde waarde voorzag toen ook dat de vordering tot teruggave ontstond op het ogenblik waarop de oorzaak van teruggave zich voordeed, en voegde er aan toe dat voor zij die gehouden zijn o.m. een kwartaalaangifte in te dienen de vordering tot teruggave slechts ontstond bij het verstrijken van de termijn bepaald voor het indienen van de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de oorzaak van de teruggave zich heeft voorgedaan.

Bij gebreke de teruggave plaats te doen vinden door middel van toerekening, op het bedrag van de belasting verschuldigd voor het aangiftetijdvak, van het totaalbedrag van de belasting waarvoor de oorzaak van de teruggave zich heeft voorgedaan in dat tijdvak (geval voorzien bij artikel 5, § 1 van het KB nr. 4 van 29.12.1969 met betrekking tot de teruggave inzake belasting over de toegevoegde waarde), had de geïntimeerde de mogelijkheid dergelijke toerekening te doen in een van de aangiften ingediend binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering tot teruggave is ontstaan (artikel 5, § 2 van het KB nr. 4 in de versie toepasselijk op het ogenblik van de kwartaal aangifte van 18.10.1993).

In dit laatste geval begint de termijn van 5 jaar van de verjaring van de vordering in rechte van de teruggave (d.i. de vordering voorzien bij het artikel 90 BTW-wetboek, vóór opheffing ervan bij artikel 60 van de wet van 15.3. 1999, nl. de vordering tot teruggave ingesteld bij exploot met dagvaarding betekend aan de Staat) pas te lopen ofwel vanaf de datum van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de bij de administratie ingediende aanvraag om teruggave wordt verworpen, ofwel vanaf de datum van de betaling van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, die werden voldaan op verzoek van de administratie (artikel 14 van het KB nr. 4).

De eerste rechter nam aan dat de verjaringstermijn van 5 jaar pas begon te lopen op 8.10.1996, datum van de aangetekende brief waarbij de administratie aan de geïntimeerde kennis gaf van haar beslissing dat zijn aanvraag tot teruggave werd verworpen, zodat de vordering tot teruggave van de BTW door de geïntimeerde volgens de eerste rechter niet verjaard was.

De appellant stelt zich op het standpunt dat het recht op teruggave voor de gevallen bedoeld in artikel 77, § 1, 1° BTW-wetboek ontstaat op het ogenblik waarop de belasting is voldaan, zodat de vordering tot teruggave volgens hem verjaard is.

De geïntimeerde verdedigt het standpunt dat slechts op het ogenblik van het arrest van het Arbitragehof (7.1.1993), dan wel het arrest van de Raad van State (28.6.1993), dan wel ten vroegste op het ogenblik van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (9.12.1991) vaststond dat het toegepaste tarief van 19 % verkeerd was en slechts een verlaagd tarief van 6 % diende te worden toegepast, en dat dan de oorzaak van de teruggave is ontstaan. In dit geval is de vordering tot teruggave niet verjaard volgens de geïntimeerde.

3. Er moet aangenomen worden dat de oorzaak van de teruggave zich te dezen heeft voorgedaan op het ogenblik van de betaling. Met toepassing van artikel 3 van het KB nr. 4 is de vordering tot teruggave te dezen dan ontstaan bij het verstrijken van de termijn bepaald voor het indienen van de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de oorzaak van de teruggave zich heeft voorgedaan.

Dit is voor de BTW van het tweede kwartaal 1988 op 20.7.1988, en voor de BTW over de vroegere kwartalen, nog vóór die datum.

Dit houdt in dat de geïntimeerde ten laatste zijn vordering tot teruggave voor de BTW van het tweede kwartaal 1988 diende uit te oefenen in de aangifte voor het tweede kwartaal 1993 met indieningsdatum 20.7.1993, en voor de overige kwartalen zelfs vroeger.

De vordering tot teruggave van de geïntimeerde, slechts uitgeoefend in zijn kwartaalaangifte van het derde kwartaal 1993 en opgesteld op 18.10.1993, was op dat ogenblik dan ook verjaard.

4. De oorzaak van de teruggave is de betaling van de BTW die wettelijk teveel betaald werd, nl. het verschil tussen de BTW aan het toegepaste tarief en de BTW aan het wettelijk toe te passen tarief. Op dat ogenblik ontstaat het recht voor de geïntimeerde om de teruggave te bekomen van de teveel betaalde BTW.

Het wettelijk toe te passen tarief is niet het tarief dat blijkt uit beslissingen van een rechtbank, van de Raad van State of van het Arbitragehof in procedures waarin de geïntimeerde geen partij was, maar het tarief dat volgt uit de toepassing van de bestaande wetgeving op het ogenblik van de belastbare handeling. Hierbij dient te worden aangemerkt dat de toepasselijke wetgeving niet alleen is het KB. nr. 20 d.d. 20.7.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, maar alle wetgeving. Hiertoe moeten ook gerekend worden de artikelen 6 en 6bis Grondwet/oud op grond waarvan het Arbitragehof besliste tot vernietiging zoals hoger aangegeven, of deze bepalingen gecombineerd met het principe van het gewijsde van dit arrest van het Arbitragehof dat gediend heeft tot basis van de hoger aangehaalde vernietigingsbeslissing van de Raad van State, of nog de wetsbepalingen die tot basis hebben gediend voor de hoger vermelde beslissing van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

De op basis van die wetgeving niet verschuldigde betaling is de oorzaak van de teruggave, niet de aangehaalde beslissingen die enkel een toepassing maken·van die wetgeving bij het nemen van de beslissing. Niets belette de geïntimeerde om die wetgeving in te roepen teneinde aan te tonen dat geen BTW diende te worden betaald of dat de BTW ten onrechte werd betaald, zonder dat dit voorafgaandelijk rechtstreeks of onrechtstreeks zou komen vast te staan mits een procedure voor de rechtbank, de Raad van State, het Arbitragehof, door een derde gevoerd (zoals te dezen).

Weliswaar voorziet artikel 18 van de bijzondere wet van 6.1.1989 op het Arbitragehof in de mogelijkheid om nog elk administratief of rechterlijk beroep in te stellen tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen alsook tegen de beslissingen van andere gerechten dan die bedoeld in artikel 16 van de wet, binnen de termijn van zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Arbitragehof, niettegenstaande de door de wetten en bijzondere verordeningen bepaalde termijnen verstreken zijn. Op grond daarvan wordt in de circulaire nr. Ci .RH.862/536.019 d.d. 4.5.2001 van de AOIF gesteld dat inzake inkomstenbelastingen belastingplichtigen beschikken over een nieuwe bezwaartermijn van zes maanden vanaf de datum van publicatie in het Belgisch Staatsblad, ook al is de bezwaartermijn van artikel 371 WIB/1992 verstreken.

De bepaling van artikel 18 van de bijzondere wet van 6.1.1989 op het Arbitragehof kan hier evenwel niet toegepast worden. Afgezien van de vraag of een verzoek tot teruggave wel zou kunnen beschouwd worden als een "beroep" in de zin van vermeld artikel 18, vereist dit hoe dan ook dat het aldaar bedoeld "beroep" zou worden ingesteld binnen de zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Arbitragehof in het Belgisch Staatsblad. Het arrest nr. 1/93 werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19.1.1993, terwijl de geïntimeerde pas om teruggave verzocht op 18.10.1993, wat inhoudt dat op dat ogenblik de termijn van zes maanden overschreden was. De geïntimeerde kan zich dus hoe dan ook niet beroepen op artikel 18 van de bijzondere wet van 6.1.1989 op het Arbitragehof en evenmin op de circulaire die inzake inkomstenbelastingen commentaar geeft over dit artikel 18, zodat hij ten onrechte van oordeel is dat deze circulaire kan "doorgetrokken" worden zoals de geïntimeerde dat formuleert.

De termijn voorzien bij artikel 14 van het KB nr. 4 kan hier niet nuttig worden ingeroepen door de geïntimeerde, gezien, zoals hoger reeds aangehaald, deze bepaling betrekking heeft op de termijn om de vordering tot teruggave voor de rechtbank in te stellen, en niet op de termijn binnen welke het verzoek tot teruggave moet gebeuren. Deze bepaling veronderstelt bovendien dat het verzoek tot teruggave tijdig zou zijn ingesteld, wat niet het geval is.

Tevergeefs beroept de geïntimeerde zich op een aantal voorbeelden uit de BTW-handleiding met betrekking tot wat als "oorzaak" van de teruggave moet worden beschouwd. Prijsvermindering, gerechtelijke ontbinding van een overeenkomst, verlies van de schuldvordering van de prijs zijn gebeurtenissen die normalerwijze op het ogenblik van de betaling van de BTW niet bestonden en het recht op teruggave openen op het ogenblik dat ze zich voordoen. Daarentegen kon de geïntimeerde van bij de betaling zijn recht op teruggave laten gelden op basis van de bestaande wetgeving (zie hoger).

De data waarop de kredietnota's werden uitgereikt door de leveranciers van de geïntimeerde kunnen te dezen evenmin beschouwd worden als vertrekpunt voor de verjaringstermijn. Deze kredietnota's zijn geen oorzaak van de vordering tot teruggave, maar een gevolg van deze oorzaak nl. de betaling van teveel BTW.

5. De geïntimeerde stelt dat het Hof moet vaststellen dat hij gerechtigd is op een gedeeltelijke teruggave van het bedrag van … BEF (… EUR) dat door hem spontaan werd geregulariseerd, nl. door aangifte in vak 61 van de derde kwartaalaangifte van 1993. De in de kwartaalaangifte van het derde kwartaal 1993 uitgevoerde regularisatie van de voorheen·in aftrek gebrachte voorbelasting dient in zijn voordeel te worden herzien, aldus de geïntimeerde.

Dit werd door de raadsman van de geïntimeerde reeds aangevoerd in diens brief van 12.5.1995 aan de administratie (stuk 4 van de geïntimeerde) als reactie op de correctieopgave, en vervolgens opnieuw aangevoerd in de conclusie door de geïntimeerde neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk op 16.11.1998.

Wat de geïntimeerde aldus vordert is dat de rechtbank zou vaststellen dat hij een recht heeft op teruggave van de bij de derde kwartaalaangifte teveel betaalde BTW.

De geïntimeerde kan in deze stelling niet gevolgd worden. Ingevolge artikel 79, 2° BTW-wetboek en artikel 5, 2° van het KB nr. 3 d.d. 10.12.1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, was de geïntimeerde wettelijk verplicht, ingevolge de ontvangst van de kredietnota's van zijn medecontractanten, tot terugstorting van het bedrag dat hij van zijn leveranciers ontvangen had, en dit onafhankelijk van de vraag of zijn verzoek tot teruggave van de teveel betaalde BTW al dan niet gegrond werd verklaard. Die verplichting ontstond maar op het ogenblik dat door de geïntimeerde "het verbeterend stuk" (zie artikel 79 tweede lid BTW-wetboek) werd ontvangen, nl. in het derde kwartaal 1993. Dit is hetgeen geïntimeerde heeft gedaan, op een ogenblik (derde kwartaal 1993) dat geen sprake kon zijn van verjaring, nu de vordering tot voldoening van de belasting pas in het derde kwartaal 1993 was ontstaan.

6. De geïntimeerde voert aan dat het administratief standpunt leidt tot een schending van het neutraliteitsbeginsel dat aan de basis ligt van het BTW-stelsel. De toepassing van het administratief standpunt brengt volgens de geïntimeerde met zich dat, als gevolg van verwerping van de teruggave en de verplichting tot regularisatie van de aftrek van de voorbelasting, een BTW-plichtige die geen eindgebruiker is van de aangekochte en de verkochte goederen, de omzetbelasting op deze goederen gedeeltelijk draagt, daar waar het neutraliteitsbeginsel precies inhoudt dat de BTW-plichtige ondermeer geheel ontlast dient te worden van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde BTW.

De geïntimeerde kan hierin niet gevolgd worden. Het is niet het administratief standpunt dat leidt tot het door de geïntimeerde beschreven resultaat, maar de toepassing van de regels met betrekking tot de verjaring die beletten dat de geïntimeerde nog zijn rechten op teruggave kon laten gelden. Mits eerbiediging van die regels was het voor de geïntimeerde mogelijk geweest teruggave te bekomen. Hij diende hiervoor evenwel tijdig, binnen de verjaringstermijn, de nodige vorderingen te stellen (zoals bvb. de BVBA A. en de BVBA M. B. wel gedaan hebben). Het neutraliteitsbeginsel is dan ook niet geschonden, nu de geïntimeerde de mogelijkheid had teruggave te bekomen mits hij de verjaringstermijnen eerbiedigde.

Het is naar gemeenschapsrecht de Lidstaten toegelaten verjaringstermijnen in te stellen, en dergelijke termijnen maken de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk, wat anders strijdig zou zijn met het gemeenschapsrecht (vergelijk daaromtrent, i.v.m. een termijn van drie jaar, met HvJ, C-343/96, d.d. 9.2.1999, D. Srl tegen Amministrazione delle Finanze dello Stato, cijfer 26; HvJ, C- 62/00, d.d. 11.7.2002, Marks & Spencer plc tegen Commissioners of Customs & Excise, cijfer 35; HvJ, C-228/96, d.d. 17.11.1998, Aprile Srl in liquidatie tegen Amministrazione delle Finanze dello Stato, cijfer 19; alle arresten met vindplaats www.curia.eu.int. ).

7. De geïntimeerde bestrijdt de administratieve geldboete van … BEF (… EUR), hem in het dwangbevel opgelegd. Uit het proces-verbaal van 19.12.1996 blijkt dat de administratie deze boete berekende door eerst het dubbele van de verschuldigde rechten te nemen (toepassing van artikel 70, § 1bis BTW-wetboek), vervolgens deze te verminderen tot 10 % hetzij afgerond … BEF (… EUR) (toepassing van tabel H van de bijlage bij het KB. nr. 41 d.d. 30.1.1997 wegens ten onrechte afgetrokken belasting), en vervolgens deze weer te verhogen met 50 % tot … BEF (… EUR) (toepassing van artikel 2 van het vermelde KB nr. 41 in geval van kennisgeving of betekening van een dwangbevel).

Het dwangbevel heeft enkel betrekking op het bedrag van … BEF (… EUR) BTW, zijnde de BTW verschuldigd ingevolge de afwijzing van de teruggave.

a.

De verhoging met 50 % wegens kennisgeving of betekening van een dwangbevel dient ongedaan te worden gemaakt.

Eenieder heeft in beginsel het recht om een geding door de rechter te laten beslechten binnen de grenzen en volgens de vormen door de wet bepaald, recht dat de openbare orde aanbelangt. De uitoefening van dit recht mag niet gehinderd worden door een regel waarbij de loutere uitoefening van dit recht gesanctioneerd wordt met een boete, terwijl dit recht wel mag worden beperkt, inzonderheid om vormen van misbruik te bestrijden.

Artikel 2 van het KB nr. 41 d.d. 30.01.1987 moet dan ook in die zin worden uitgelegd dat de erin vermelde verhoging van de geldboete ertoe strekt, in het algemeen belang, procedures te vermijden vanwege belastingplichtigen die geen voldoende redenen hebben om niet vrijwillig de belastingschuld te betalen (vergelijk hieromtrent met Cass. 25.04.2002, Pas. 2002, nr. 253 p. 1008).

Er moet aangenomen worden dat de geïntimeerde voldoende redenen had om de belastingschuld te betwisten wat betreft de teruggave van de BTW. Het arrest van het Arbitragehof nr. 1/93 en de mededeling van de leverancier van de geïntimeerde kon bij hem in redelijkheid de overtuiging wekken dat hij teruggave van BTW kon bekomen en vormden te dezen een voldoende reden. De geïntimeerde kreeg trouwens zelfs gelijk van de eerste rechter.

b.

De geldboete in toepassing van artikel 70, § 1bis BTW-wetboek wordt opgelegd zonder onderscheid aan eenieder die belastingplichtige is, en strekt ertoe zowel de belastingplichtige aan te zetten zijn verplichtingen na te komen om de geldboete te vermijden als het niet nakomen van zijn verplichtingen te bestraffen om herhaling van deze inbreuken te voorkomen.

Deze administratieve boete is een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van artikel 6 EVRM (Verdrag van 1.11.1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome, goedgekeurd bij wet van 13.5.1955). Ter eerbiediging van artikel 6 EVRM dient het Hof bevoegd geacht te worden het opleggen van dergelijke boete te controleren met volle rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (zie EHRM, 4.3.2004, Silvester's Horeca Service t/ België, www.echr.coe.int. ). Het Hof kan onder meer nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, wat ook inhoudt dat het Hof mag nagaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk en de administratie naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van de in betwisting zijnde administratieve boete (vergelijk met Cass. 24.01.2002, Pas. 2002, nr. 51 p. 226 en met Cass. 21.01.2005, rolnr. C020572N, www.cass.be. ).

Er kan niet in ernst betwist worden dat de geïntimeerde, ware zijn vordering tot teruggave niet verjaard geweest, recht had op die teruggave. De toepassing van de verjaringsregels in het huidige geval kan ook niet beschouwd worden als een gemakkelijke oefening. De geïntimeerde is ook afgegaan op de mededeling van zijn leverancier dat hij teruggave kon vragen van de BTW die hij in het verleden teveel aangerekend had aan zijn klanten.

In deze omstandigheden is het opleggen van een boete onevenredig met de door de geïntimeerde begane inbreuk en kon deze niet in redelijkheid worden opgelegd.

Dispositif

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen;

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het deels gegrond;

Ontvangt het incidenteel beroep en verklaart het deels gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de vordering van de geïntimeerde ontvankelijk verklaart;

Opnieuw wijzende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde, zoals uitgebreid, deels gegrond;

Vernietigt het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd door F. V., waarnemend ontvanger van het tweede BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, op 2.12.1997, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door P. V., e:a. inspecteur van de IIe BTW-controle te Ieper, op 3.12.1997, in de mate waarin, vóór toerekening van het erin vermelde BTW-tegoed, een geldboete in dit dwangbevel wordt opgenomen;

Veroordeelt de appellant om aan de geïntimeerde de ingevolge deze gedeeltelijke vernietiging teveel geïnde sommen terug te betalen, meer de wettelijke intresten en de gerechtelijke intresten;

Veroordeelt de geïntimeerde tot 3/4 van de kosten van beide aanleggen en de appellant tot het overige 1/4 van deze kosten, in hun geheel begroot als volgt :

• aan de zijde van de appellant : op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR uitgavenvergoeding verzoekschrift hoger beroep + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR;

• aan de zijde van de geïntimeerde : op … EUR dagvaarding + … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg + … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, hetzij in totaal … EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in burgerlijke zaken, op ZEVENENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ZES.

Aanwezig de Heren :

G. T., Raadsheer, waarnemend Voorzitter, alleenrechtsprekend,

M. V., griffier.

M. V. G. T.

Textes cités

13
CTVA art. 703 occurrences
AR no 4 art. 142 occurrences
AR no 4 art. 32 occurrences
AR no 4 art. 52 occurrences
CTVA art. 772 occurrences
CTVA art. 792 occurrences
AR no 3 art. 51 occurrence
AR no 41 art. 21 occurrence
CTVA art. 821 occurrence
CTVA art. 901 occurrence

Décisions similaires

8