Le texte de ce document est en néerlandais. Le SPF n'en publie pas de version française.
Fiche du SPF Finances
Jugement du Tribunal de Première instance de Bruxelles du 09.11.2009
Résumé non fourni
Texte du jugement
Corps de la décision
Le texte est publié uniquement dans la langue originale
Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel, 33ste kamer
AR 2001/14508/A
- Federale Belastingen - BTW – Intracommunautaire levering
- op tegenspraak en verstek geacht op tegenspraak te zijn gewezen
- eindvonnis
In zake van :
De NV DG I., met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in hel. register der ondernemingen onder het nummer … (hierna aangeduid als DG I.),
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. J. H., advocaat te …, … (ref. : …),
tegen :
1. Meesters C. I. en L. I., advocaten met kantoor te …, …, handelend in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de NV I. O. S., in faling, met maatschappelijke zetel te …, … (hierna aangeduid als I.),
eerste verweerder qq.
verschijnende in persoon,
2. De SARL L. B. I., vennootschap naar luxemburgs recht gevestigd in het groothertogdom Luxemburg, te …, …) (hierna aangeduid als LBI)
tweede verweerder,
die niet verschijnend, noch iemand voor haar,
3. De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Federale Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de administratie van de Ondernemings-en inkomensfiscaliteit met kantoor te 2800 Mechelen, Nekkerpoelstraat 21-23,
derde verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, … (ref. : …),
En inzake van :
De heer B. W. en mevrouw D. S. M.-J., beide wonende te …, …,
tweede eisers,
vertegenwoordigd door Mr. C. E., advocaat te …, ….
tegen :
1. De SARL L. B. I., vennootschap naar Luxemburgs recht, gevestigd in het groothertogdom Luxemburg, te …, …, hierna: aangeduid als LBI)
tweede verweerder,
die niet verschijnt, noch iemand voor haar,
2. De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Federale Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de administratie van de Ondernemings-en inkomensfiscaliteit niet kantoor te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23,
derde verweerder,
vertegenwoordigd door Mr. F. S., advocaat te …, … (ref. nr. : …),
Zaken die werden gevoegd ingevolge het vonnis in de rechtbank van koophandel te Brugge van 27 november 2001.
Na beraad op 9 oktober 2009 spreekt de rechtbank, het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
- De dagvaarding betekend op 17, 20 en 24 oktober 1997 voor de rechtbank van koophandel te Brugge;
- De dagvaarding betekend op 6 april 1998 voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel;
- De beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 9 mei 2008, verbeterd bij beschikking van 8 september 2008,
- Het vonnis van de rechtbank van koophandel van Brugge van 27 november 2001 dat de gevoegde zaken naar deze rechtbank verzond,
- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 9/5/2008 en 8/9/2008,
- De syntheseconclusie voor de heren I. C. en I. L. qq. neergelegd ter griffie op 4 mei 2009;
- De syntheseconclusie van de heer en mevrouw B.-D. S. neergelegd ter griffie op 12/9/2008;
- De besluiten voor de SARL L. B. I. neergelegd ter griffie op 1/12/2008;
- De samenvattende besluiten van de Belgische Staat neergelegd ter griffie op 17/2/2009;
- De besluiten van D.G. I. NV neergelegd ter griffie op 23/9/2009;
- De stukkenbundels van de NV DG I., de BELGISCHE STAAT, de heer en mevrouw B.-D. S. en de heren C. en L. neergelegd ter zitting van 9 oktober 2009;
Gehoord de raadslieden van partijen, behoudens tweede verweerder, ter openbare zitting van 9 oktober 2009, waarna de bundels met de stavingstukken van de verschijnende partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.
De SARL L. B., tweede verweerder is niet verschenen, noch iemand in haar naam, hoewel zij behoorlijk opgeroepen werd met toepassing van artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek. De gerechtsbrief die aan deze partij werd verzonden werd niet afgeleverd. De rechtspleging is ten aanzien van deze partij evenwel op tegenspraak in toepassing van artikel 747 en 804 Ger. W..
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1. Bij overeenkomst van 22 maart 1995 kocht DG I. een motorboot bij I. O. S., zijnde een Squadron 43 Fairline . In het kader van deze transactie werd tevens overeengekomen dat I. in ruil de huidige Fairline Corsica 35, bouwjaar 1994, rompnummer 7084 voor de som van 100.000 £ overeenkomstig de offerte van 22/3/1995 (stuk 23 DG I.)."
DG I. stelde op 30 september 1995 een factuur op voor het bedrag van £ 100.000 (GBP) gericht aan LBI (factuur … stuk 3 DG I.).
Op dit bedrag werd geen BTW aangerekend.
De koopprijs van het betrokken schip werd voldaan deels door LBI door storting van een bedrag van 2.100.000 BEF op de rekening van DG I. op 24 oktober 1995 en deels door verrekening met het nog aan I. verschuldigde saldo voor de aankoop van een nieuw schip, de Fairline 43 Squadron (stukken 4 en 6 van DG I.).
DG I. heeft op 15 augustus 1997 de BTW op deze transactie betaald aan de Belgische Staat, op een klein saldo na, na ondertekening van een correctie-opgave voor akkoord.
2. LBI verkocht het schip Fairline Corsica 35 verder door aan de heer en mevrouw B.-D. S. voor een bedrag van 4.950.000 Luxemburgse Frank (LFR) meer 50.000 LFR "commissie", hetzij 5.000.000 LFR.
Op deze verkoop werd geen BTW aangerekend. Op de factuur werd de volgende vermelding aangebracht : "Het wordt genoteerd dat de Belgische BTW werd gekweten" (vrije vertaling door de rechtbank).
In het kader van deze transactie werd aan de heer en mevrouw B.-D. S. een attest "D.L. 2 B" afgeleverd door de administratie Douane en Accijnzen, waaruit zou blijken dat de BTW-formaliteiten inzake BTW waren volbracht.
Op 3 april 1997 ontvingen de heer en mevrouw B.-D. S. een regularisatieopgave waarin zij werden uitgenodigd om een bedrag van 1.025.000 BEF of 25.409,09 euro te betalen.
Nu de heer en mevrouw B.-D. S. zich niet akkoord verklaarden met deze regularisatie-opgave werd een proces-verbaaI opgesteld op 20 oktober 1997. Op grond van dit proces-verbaal werd een dwangbevel uitgevaardigd op 12 maart 1998, dat samen met het proces-verbaal werd betekend aan de heer en mevrouw B.-D. S..
Bij dagvaarding van 6 april 1998 deden de heer en mevrouw B.-D. S. verzet tegen voornoemd dwangbevel.
2. VOORWERP VAN DE VORDERING
3. DG I. vordert blijkens haar syntheseconclusie
- dat LBI zou worden veroordeeld tot betaling aan haar van een bedrag van € 29.217,65 te vermeerderen met de moratoire intresten aan 7 % vanaf 19 augustus 1997 tot de dag van algehele betaling;
- dat haar vordering zou worden opgenomen in het gewoon passief van het faillissement van I. voor de som van £ 29.217,65, te vermeerderen met de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 19 augustus 1997 tot 10 oktober 1997;
- dat het vonnis gemeen zou worden verklaard aan de Belgische Staat;
- dat eerste en tweede verweerders solidair, in solidum, de ene bij gebrek van de andere zouden worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding;
B.-D. S. vorderen :
- dat het verzet tegen het dwangbevel van 12 maart 1998 tot betaling van de som van € 25.409,09 ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard en te zeggen voor recht dat zij niet gehouden zijn tot betaling. Ondergeschikt vragen zij dat zij enkel zouden gehouden zijn tot de BTW op de residuwaarde. Ondergeschikt vorderen zij dat LBI zou worden veroordeeld tot vrijwaring tegen alle veroordelingen tot betaling van BTW zowel in hoofdsom als in intresten, boeten en vervolgkosten uit hoofde van factuur nr. 15 d.d. 5/10/1995. Zij verzoeken dat verweerders zouden worden veroordeeld tot de kosten.
De heren C. en L. qq. vorderen dat de vordering als ongegrond zou worden afgewezen, ondergeschikt te zeggen dat DG I. een vordering heeft lastens de gefailleerde waarvoor zij aan de bevoegde rechtbank de opname kan vragen in het gewoon passief.
LBI vordert :
- dat "de vordering van DG I. gegrond zou worden verklaard, voor zover dat het verzet van de heer en mevrouw B.-D. S. tegen het dwangbevel van het BTW-ontvangkantoor Vilvoorde ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard."
- dat voor het overige de vorderingen van eisende partijen zouden worden afgewezen;
- dat de eisende partijen in solidum zouden worden veroordeeld tot betaling van de kosten van het geding;
De BELGISCHE STAAT vordert dat het verzet tegen het dwangbevel als ontvankelijk, doch ongegrond zou worden afgewezen en dat eisers zouden worden veroordeeld tot de kosten.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
4. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.
3.2. Gegrondheid
3.2.1. De vordering van DG I. opzichtens I. en LBI
5. DG I. vordert zowel van I. als LBI de betaling van de BTW die zij betaalde aan de Belgische Staat uit hoofde van de verkoop van het schip Fairline Corsica 35.
l. betwist dat zij nog BTW zou verschuldigd zijn. Uit de factuur zou blijken dat LBl de koper is van het vaartuig. Bovendien bevestigde de havenmeester van … in Nederland dat de betrokken boot·daar lag afgemeerd vanaf 17 oktober 1995. De levering zou in Nederland hebben plaatsgevonden door het personeel van I. op verzoek van LBI. Bijgevolg stelt zij dat het een intracommunautaire levering betreft waarop geen BTW is verschuldigd. Verder stelt I. dat zij niet kan worden aangesproken, omdat de boot zou zijn verkocht aan LBI. Zij zou daarbij enkel een bemiddelende rol hebben gespeeld. Zij zou ook nooit hebben erkend gehouden te zijn tot betaling van de koopprijs samen met LBl. I. stelt nog dat zij een service heeft verleend bij de aankoop door DG I. van een nieuw vaartuig, doch dat dit slechts een praktische regeling was, waarna verrekening zou hebben plaatsgevonden tussen LBI en I.. Bovendien heeft DG I. de koopprijs van de boot en de BTW gefactureerd aan LBI en niet aan I..
LBI stelt dat I. beroep deed op haar om op te treden als tussenpersoon in de verkoop en haar verzocht heeft om te factureren aan B.-D. S. voor een bedrag van 4.950.000 LFR meer 50.000 LFR commissie voor de kosten van LBI in haar hoedanigheid van tussenpersoon. Volgens LBI werd de boot geleverd in Nederland en is er derhalve sprake van een intracommunautaire levering. LBI stelt aldus dat zij niet gehouden is tot betaling van de BTW, daar in alle communicatiestukken die zij mocht ontvangen van DG I. bleek dat de BTW was betaald, met name uit de zgn. kopie 444 (thans D.L.2.B), uit de vermelding van het Luxemburgse BTW-nummer van LBI op de factuur en uit de mededeling van I. dat de BTW reeds was voldaan door de NV I..
6. In de eerste plaats moet worden nagegaan in welke mate BTW was verschuldigd op de verkoop van de boot Fairline Corsica 35 door DG I..
- Is BTW verschuldigd op de verkoop van de Fairline Corsica 35 door DG I. ?
7. De Belgische Staat merkt terecht op dat het feit dat BTW zou zijn betaald door DG I. bij de aankoop van het betrokken schip aan de NV I., zoals aangevoerd door LBI - zonder voorlegging van enig stuk evenwel - geen afbreuk doet aan het feit dat ook BTW is verschuldigd op de verdere verkoop van de boot door DG I.
Dit volgt uit artikel 2, lid 1 BTW-Wetboek dat stelt dat de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting zijn onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.
8. Artikel 39bis, § 1, 1° BTW-Wetboek luidt als volgt :
"Van de belasting zijn vrijgesteld :
1° de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4"
Artikel 1-3 van het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992, met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire vetwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde bepaalt :
"Art. 1 De in artikel 39bis van het Wetboek bedoelde vrijstellingen zijn afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.
Art. 2 De in artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek bedoelde vrijstelling is bovendien afhankelijk van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.
Art. 3 De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.
Door of vanwege de Minister van Financiën kan eveneens het uitreiken van andere stukken worden voorgeschreven inzonderheid indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen."
Uit deze bepalingen blijkt dat er slechts sprake kan zijn van een intracommunautaire levering, wanneer het bewijs wordt geleverd dat de betrokken boot werd verzonden of vervoerd naar een andere lidstaat van de EG door de leverancier, door de afnemer of voor hun rekening.
9. De Belgische Staat stelt terecht dat thans geen enkel bewijs voorligt dat de boot door DG I., door LBI of voor hun rekening werd verzonden of vervoerd naar Luxemburg, naar Nederland of een andere EG-lidstaat. Er worden geen vervoersdocumenten of verzendingsdocumenten van het schip voorgelegd door enige partij, noch een ontvangstbewijs.
De verklaring van de havenmeester van … in Nederland levert het bedoelde bewijs alvast niet. LBI stelt overigens zelf dat de boot op haar verzoek naar Nederland werd gebracht om daar te worden geleverd aan het echtpaar B.-D. S.. De verplaatsing van de boot naar Nederland vond dus plaats in het kader van de uitvoering van de navolgende overeenkomst van 5 oktober 1995 tussen LBI en het echtpaar B.-D. S.,
Uit de overeenkomst tussen I. en bet echtpaar B.-D. S. d.d. 5 oktober 1995 blijkt overduidelijk dat de boot aan deze laatsten werd geleverd "te water Blankenberge" (stuk 1, 4 bundel Belgische Staat). Pas na deze verkoop werd de boot overgebracht naar Nederland om aldaar aan te komen op 17 oktober 1995. Bijgevolg moet besloten worden dat de betrokken boot naar Nederland werd verplaatst in opdracht van en voor rekening van het echtpaar B.-D. S..
Hieruit mag worden afgeleid dat de boot pas België heeft verlaten na de verkoop ervan door LBI/I. aan het echtpaar B.-D. S. en dat de levering van de boot door DG I. wel degelijk heeft plaatsgevonden in België.
De loutere intentie om een intracommunautaire levering, hetgeen volgens LBI moet worden afgeleid uit de vermelding van het BTW-nummer van LBI op de factuur, volstaat geenszins om te genieten van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen.
De stelling van LBI dat de verkoop van de boot door DG I. een intracommunautaire verwerving betrof van België naar Luxemburg met levering in Nederland kan gelet op hetgeen voorafgaat niet worden aangenomen.
Bijgevolg wordt bet bewijs niet geleverd dat de boot door DG I. of door LBI/I. of voor hun rekening zou zijn verzonden of vervoerd naar een andere EG-lidstaat en is niet voldaan aan de voorwaarden van de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen.
Dienvolgens moet de levering geacht worden in België te hebben plaatsgevonden in toepassing van artikel 15, §§ 1 en 2, 1° BTW-Wetboek en was BTW verschuldigd op de verkoop van de Fairline Corsica 35.
10. LBI voert nog aan dat er een bijzondere regeling zou gelden in geval van intracommunautaire levering. De lidstaat van het BTW-nummer waaronder de verrichting is gebeurd zou dan worden aangemerkt als plaats van de intracommunautaire levering. In dat verband verwijst zij naar artikel 25quinquies, BTW-Wetboek.
Artikel 25quinquies BTW-Wetboek heeft evenwel betrekking op de plaats waar een intracommunautaire verwerving plaatsvindt. Na de rechtbank heeft aangenomen dat er geen sprake is van een intracommunautaire levering in Luxemburg of in Nederland bij gebrek aan verzending of vervoer, is er geen reden om toepassing te maken van artikel 25quinquies BTW-Wetboek.
Het loutere feit dat LBI de beweerde intracommunautaire verwerving heeft aangegeven in Luxemburg is niet relevant en kan geen afbreuk doen aan de toepassing van Belgische regels van het BTW-Wetboek, die overigens de openbare orde raken, nu de regels in verband met de intracommunautaire verwerving ten onrechte werden toegepast door LBI. Geen enkele wettelijke bepaling bepaalt dat de (onterechte) betaling van BTW in een andere lidstaat een belastingplichtige vrijstelt van de betaling van Belgische BTW, die is verschuldigd overeenkomstig een juiste toepassing van de BTW-regelen.
- Kan DG I. de verschuldigde BTW eisen van I. ?
11. I. stelt dat zij niet kan worden aangesproken omdat de boot zou zijn verkocht aan LBI. Zij zou daarbij enkel een bemiddelende rol hebben gespeeld. Zij zou ook nooit hebben erkend gehouden te zijn tot betaling van de koopprijs samen met LBI. I. stelt nog dat zij een service heeft verleend bij de aankoop door DG I. van een nieuw vaartuig, doch dat dit slechts een praktische regeling is waarna verrekening zou hebben plaatsgevonden tussen LBI en I.. Bovendien heeft DG I. de koopprijs van de boot en de BTW gefactureerd aan LBI en niet aan I..
12. Uit de stukken blijkt dat I. zich bij overeenkomst van 22 maart 1995 ertoe heeft verbonden om de Fairline Corsica 35 te kopen van DG I. voor de prijs van £ 100.000. De contractspartij van DG I. betrof derhalve wel degelijk l.. Uit geen enkel stuk blijkt dat I. bevrijd zou zijn geworden van haar verbintenissen door overdracht van haar verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomst van 22 maart 1995 of dat schuldvernieuwing zou zijn opgetreden. Evenmin wordt bewezen dat I. een "bemiddelende rol" zou hebben gespeeld bij de verkoop van de boot door DG I. aan LBI. Hiervan wordt geen enkel stuk voorgebracht. Het blijkt ook uit geen enkel stuk dat I. bij de ondertekening van de overeenkomst met DG I. optrad in naam en voor rekening van LBI.
Bovendien blijkt dat I., in strijd met haar eigen beweringen dat zij niet de koper was van het schip, een deel van de koopprijs heeft betaald aan DG I. door verrekening van een deel van de prijs van de nieuwe boot die door deze laatste werd aangekocht en de nog verschuldigde koopsom. Deze betaling door schuldvergelijking en het ermee gepaard gaand risico kan alleen worden verklaard, wanneer wordt aangenomen dat l. op geen enkel ogenblik uit de contractuele relatie met DG I. is verdwenen en rechtens zelf schuldenaar was gebleven van de koopprijs. Dat er een praktische regeling gold tussen I. en LBI en dat I. slechts een service verleende aan haar k]lant, blijft onbewezen en door geen enkel stuk gestaafd.
Dat I. zelf schuldenaar is gebleven van de koopprijs en niet verdwenen was uit de contractuele met DG I., blijkt ten overvloede uit het feit dat het I. is geweest die een koopovereenkomst ondertekende met het echtpaar B.-D. S. (zie stuk I., 4 van de Belgische Staat). Aldus gedroeg I. zich kennelijk nog als eigenaar van het betrokken schip, hetgeen bevestigt dat I. koper was van het schip en aldus schuldenaar van de koopprijs. Het was ook I. dat aan LBI liet weten tegen welke prijs de hbot diende te worden verkocht aan het echtpaar B.-D. S. (zie conclusie LBI p. 3, nr. 4).
Het feit dat enkel werd gefactureerd aan LBI was kennelijk op vraag van I. zelf en doet geen afbreuk aan de eigen gehoudenheid van I..
Van enige verrekening tussen LBI en I. wordt overigens geen enkel stuk bijgebracht.
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat I. (mede) schuldenaar was van de koopprijs. Gelet op het feit dat beide partijen handelaars zijn, mag worden aangenomen dat de koopprijs tevens de op de verkoop verschuldigde BTW omvat en dat I. hiervan op de hoogte was of diende te zijn.
De vordering van DG I. opzichtens I. is dienvolgens gegrond.
- Kan DG I. de verschuldigde BTW eisen van LBI ?
13. LBI stelt dat I. beroep deed op haar om op te treden als tussenpersoon in de verkoop en haar verzocht heeft om te factureren aan B.-D. S. voor een bedrag van 4.950.000 LFR meer 50.000 LFR commissie voor de kosten van LBI in haar hoedanigheid van tussenpersoon. Volgens LBI werd de boot geleverd in Nederland en is er derhalve sprake van een intracommunautaire levering. LBI stelt aldus dat zij niet gehouden is tot betaling van de BTW daar in alle communicatiestukken die zij mocht ontvangen van DG I. bleek dat de BTW was betaald, met name uit de zgn. kopie 444 (thans D.L.2.B), uit de vermelding van het Luxemburgse BTW-nummer van LBI op de factuur en uit de mededeling van I. dat de BTW reeds was voldaan door de NV I..
14. Uit de stukken blijkt dat LBI zich ten aanzien van DG I. mede heeft verbonden tot betaling van de koopprijs, waardoor aldus een bijkomende schuldenaar werd toegevoegd aan de contractuele verhouding tussen DG I. en I. zonder dat daarbij de oorspronkelijke schuldenaar werd bevrijd.
Dit blijkt afdoende uit het feit dat een factuur d.d. 30 september 1995 werd opgesteld op naam van LBI, die door haar nooit werd geprotesteerd of betwist.
Deze factuur van 30 september 1995 werd bovendien gedeeltelijk en zonder voorbehoud betaald door LBI.
Het feit dat een gedeeltelijke betaling werd gedaan door LBI alsook dat de factuur op naam van LBl was gesteld, is in strijd met de beweringen van LBI dat zij een louter bemiddelende rol zou hebben gespeeld bij de verkoop van de boot. Er werd nooit een overeenkomst afgesloten door DG I. met het echtpaar B.-D. S..
De "commissie" die door LBI zou zijn ontvangen voor de kosten die zou hebben gemaakt in het kader van haar rol als bemiddelaar bewijst evenmin de bemiddelende rol van LBI. Uit de stukken blijkt immers dat het I. was die de overeenkomst afsloot met DG I. Het was ook I. die de boot verder door heeft verkocht aan B.-D. S.. Indien er al een "bemiddelende rol" werd gespeeld door een partij, dan was het zeker niet LBI die deze rol vervulde. Overigens bevestigt LBI in de uiteenzetting van het feitenrelaas dat het I. was die de verkoopprijs bepaalde van de boot en aan haar een "verhandelingscommissie" toekende.
In de mate dat LBI stelt dat uit alle communicatiestukken van DG I. zou blijken dat de BTW was voldaan, is het volgende op te merken :
- Het stuk 2 van LBI, dat niet wordt voorgelegd, is een stuk dat uitgaat van I. en niet van DG I.. Het feit dat de BTW reeds was betaald door de eerste verkoper van het schip stelt de navolgende verkoper ervan echter niet vrij van de betaling van BTW, hetgeen I. en LBI geacht moeten worden te weten als handelaars.
- De zgn. "kopie 444" waaruit zou blijken dat was voldaan aan de BTW-verplichtingen ligt niet voor, nu LBI niet is verschenen en geen stukken heeft neergelegd. Hiermee kan derhalve geen rekening worden gehouden.
- De vermelding van het Luxemburgse BTW-nummer kan bezwaarlijk worden aanzien als een indicatie van de "bedoeling" om een intracommunautaire levering. Zoals hoger gesteld kan de loutere intentie om een dergelijke levering te verrichten in elk geval niet volstaan, wanneer blijkt dat aan de voorwaarden om zich te beroepen op de vrijstelling wegens intracommunautaire levering niet is voldaan.
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat LBI mede schuldenaar was van de koopprijs. Gelet op het feit dat beide partijen handelaars zijn, mag worden aangenomen dat de koopprijs tevens de op de verkoop verschuldigde BTW omvat en dat LBI hiervan op de hoogte was of diende te zijn.
De vordering van DG I. opzichtens LBI is dienvolgens gegrond.
15. In handelszaken mag hoofzakelijkheid tussen handelaars die gehouden zijn tot eenzelfde contractuele verbintenis worden vermoed (VAN GEREVN, DE COVEMAEKER, Verbintenissenrecht, Acco, Leuven, 2001, p. 328).
De vordering tot solidaire veroordeling van LBI en I. is dienvolgens gegrond.
Voor wat betreft I. kan gelet op de staat van faillissement enkel de opname in het gewoon passief worden bevolen. Nu de zaak door de rechtbank van koophandel te Brugge (zijnde de rechtbank die bevoegd is inzake het faillissement van I.) naar deze rechtbank werd verwezen met instemming van de curatoren qq., moet met het oog op een goede rechtsbedeling de zaak niet meer worden verwezen naar de rechtbank van koophandel te Brugge ten einde de opname in het gewoon passief te bekomen.
De vordering is gegrond.
3.2.2. De vordering in gemeenverklaring van het tussen te komen vonnis van DG I. opzichtens de Belgische Staat
16. Wat deze eis betreft gedraagt de Belgische Staat zich naar de wijsheid van de rechtbank. De vordering is in zoverre gegrond.
3.2.3. De vordering houdende verzet tegen een dwangbevel van B.-D. S.
17. De heer en mevrouw B.-D. S. doen verzet tegen het dwangbevel van 12 maart 1998, uitvoerbaar verklaard op 16 maart 1998.
Zij voeren aan dat zij de betrokken boot kochten in Luxemburg, dat hen naar aanleiding van de verkoop een officieel attest "D.L 2 B" werd overgemaakt, waaruit zou blijken dat alle formaliteiten inzake BTW werden vervuld en dat zij op de juistheid van dit attest mochten vertrouwen. Bovendien werd hen door de verkoper LBI uitdrukkelijk bevestigd dat geen BTW was verschuldigd op de verkoop van de boot, hetgeen blijkt uit de vermelding op de factuur dat de Belgische BTW was betaald. Ook de initiële verkoper I. verklaarde in de "koopovereenkomst 95" dat de BTW van 20,5 % niet van toepassing was.
De heer en mevrouw B.-D. S. stelden bij monde van hun raadsman op 28 februari 1998 dat de BTW reeds werd voldaan door DG I. op 18 augustus 1997 op de "verkoop in 1992 door I. aan DG I.".
18. Terecht stelt de Belgische Staat dat overeenkomstig artikel 2, lid 1 BTW-Wetboek de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting zijn onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden.
Het loutere feit dat door een partij op de verkoop van eenzelfde goed in een eerder stadium van de verhandeling reeds BTW werd betaald sluit niet uit dat tevens BTW is verschuldigd op de verdere verhandeling. van ditzelfde goed. Het feit dat het gaat om een tweedehandsvaartuig doet aan hetgeen voorafgaat niet af, voor zover de verkoop heeft plaatsgevonden door een belastingplichtige (met name LBI). Aan deze laatste voorwaarde is in casu voldaan.
Overeenkomstig artikel 15, § 2 BTW-Wetboek wordt als plaats van levering aangemerkt de plaats waar het goed ter beschikking wordt gesteld van de verkrijger of overnemer.
Blijkens de koopovereenkomst tussen I. en het echtpaar B.-D. S. werd de boot geleverd "te water Blankenberge" en derhalve in België.
Blijkens artikel 15, § 7 BTW-Wetboek wordt behoudens tegenbewijs de levering van een roerend goed geacht in België plaats te vinden wanneer, op het tijdstip van de levering, één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.
Het is niet voor betwisting vatbaar dat de heer en mevrouw B.-D. S. in België woonden ten tijde van de levering.
Tenslotte bepaalt artikel 51bis, § 1, 3° BTW-Wetboek dat de medecontractant van de schuldenaar van de belasting krachtens artikel 51, § 1, 1°, eveneens met deze tegenover de Staat hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belasting wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk het bedrag van de op de handeling verschuldigde belasting niet of onjuist vermeldt.
In casu staat het bedrag van de verschuldigde belasting niet vermeld op de factuur die werd uitgereikt aan het echtpaar B.-D. S., zodat zij hoofdelijk medeschuldenaar zijn van de belasting krachtens voornoemde bepaling.
19. Noch de omstandigheid dat I. in de koopovereenkomst ten onrechte aangaf dat geen BTW was verschuldigd, noch het feit dat op de factuur van LBI was vermeld dat de Belgische BTW was betaald doen afbreuk aan hetgeen voorafgaat en kunnen tot gevolg hebben dat het echtpaar B.-D. S. zich zou kunnen onttrekken aan haar verplichting de verschuldigde BTW op de verkoop van het schip te betalen. De regelen inzake BTW zijn immers van openbare orde, zodat partijen er niet vrijelijk kunnen van afwijken en/of ze buiten werking kunnen stellen.
Hoger werd reeds aangenomen dat er geen sprake is van een intracommunautaire levering, nu de levering door LBI in België gebeurde en er geen bewijs wordt voorgebracht van de verzending of het vervoer van de betrokken boot. Bovendien is evenmin voldaan aan de voorwaarde dat de levering van het goed moet worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen (artikel 39bis, § 1, 1° BTW-Wetboek). Het echtpaar B.-D. S. voldoet niet aan deze voorwaarde.
20. Wat betreft het voorgelegde attest D.L. 2 B dat werd afgeleverd op 23 november 1995 door de administratie van douane en accijnzen, is op te merken dat uit het Koninklijk Besluit nr. 47 van 29 december 1992, vervangen door het Koninklijk besluit nr. 47 van 22 februari 1996 tot regeling van de controle van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd ter zake van de levering, intracommunautaire verwerving en invoer van vervoermiddelen, in de zin van artikel 8bis, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek, alsmede uit de Instructie Internationaal Verkeer 570.0.394/17 e.v. en de tekst zelf van het attest blijkt dat dit attest enkel betrekking heeft op de invoer of de intracommunautaire verwerving van een niet-nieuw schip.
Er is op te merken dat geen van beide hypothesen zich in voorliggend geval voordoet. Er is geen sprake van invoer van het schip van een land buiten de Gemeenschap en evenmin is er sprake van een intracommunautaire verwerving in de zin van artikel 25bis, § 1 BTW-Wetboek bij gebrek aan bewijs van verzending of vervoer van het schip vanuit een andere lidstaat.
Overigens is op te merken dat de heer en mevrouw B.-D. S. ten onrechte stellen dat hen "naar aanleiding" van de verkoop van het schip een officieel attest "D.L 2 B" werd overgemaakt en dat zij erop mochten vertrouwen dat de BTW was betaald, waaruit zou blijken dat alle formaliteiten inzake BTW werden vervuld. Het attest werd immers pas na de verkoop afgeleverd op 23 november 1995.
Verder kan het attest D.L. 2 B niet worden aangevoerd ten bewijze van de vervulling en betaling van de BTW-formaliteiten, nu de heer en mevrouw B.-D. S. niet betwisten dat in strijd met de schijnbare inhoud van het attest geen enkele BTW-formaliteit hebben vervuld en geen BTW hebben betaald, hoewel het attest stelt dat de formaliteiten werden vervuld op naam van de heer B.. De stelling van de heer en mevrouw B.-D. S. is immers dat zij geen BTW zijn verschuldigd en dat de BTW reeds werd voldaan door DG I. op 18 augustus 1997 op de "verkoop in 1992 door I. aan DG I." (zie schrijven raadsman B.-D. S. van 28 februari 1998 - stuk 8 van hun bundel).
De Belgische Staat - zonder hierin te worden tegengesproken door de heer en mevrouw B. - stelt dat de formaliteiten tot het bekomen van het attest werden vervuld door de afgevaardigd bestuurder van I. (syntheseconclusie Belgische Staat p. 20) op grond van een volmacht verklaring ondertekend door de heer B. op 31 oktober 1995. Het attest stelt inderdaad dat de formaliteiten werden vervuld op naam van de heer B..
Nog volgens de Belgische Staat werd dit attest afgeleverd hierin evenmin tegengesproken door de heer en mevrouw B.-D. S. - op voorlegging van de factuur van LBI waarop ten onrechte stond vermeld dat de Belgische BTW was betaald en (eveneens ten onrechte) dat het een intracommunautaire levering betrof. De verkoopsovereenkomst werd niet voorgelegd.
Aldus moet de Belgische Staat worden gevolgd waar hij stelt dat de administratie van douane en accijnzen werd misleid bij de aanvraag van het attest door voorlegging van de verkoopsfactuur van LBI aan het echtpaar B.-D. S. d.d. 5 oktober 1995 met vermelding "intracommunautaire levering", in die zin dat verkeerdelijk de indruk werd gewekt dat een boot werd geleverd vanuit Luxemburg naar België en dat er dehalve sprake was van een intracommunautaire verwerving in hoofde van het echtpaar B.-D. S. van een niet-nieuw vaartuig. Een dergelijke intracommunautaire verwerving van het niet-nieuwe vervoermiddel verricht door een niet belastingplichtige particulier, zal niet aan de Belgische BTW onderworpen worden vermits een particulier er niet toe gehouden is zijn intracommunautaire verwervingen aan de belasting te onderwerpen (zie artikel 25ter, § 1 BTW-Wetboek; Instructie Internationaal Verkeer 570 0. 390).
Uit geen enkel stuk blijkt dat de administratie van douane en accijnzen voor de aflevering van het attest zou onderzocht hebben, minstens diende te onderzoeken, of daadwerkelijk was voldaan aan de vereisten voor de vrijstelling van BTW op de verkoop van het schip en of BTW diende betaald te worden. Derhalve staat het niet vast dat de administratie van douane en accijnzen het belastbaar karakter in België (a fortiori in Luxemburg) van de zgn. "intracommunautaire verwerving" heeft onderzocht.
Ten overvloede kan de administratie van douane en accijnzen door het afleveren van een attest D.L. 2 B geen vrijstelling verlenen van betaling van BTW, wanneer de wettelijke voorwaarden daartoe niet zijn vervuld. Dit volgt uit het openbare orde karakter van de BTW-wetgeving.
Het middel faalt.
21. In ondergeschikte orde verzoeken de heer en mevrouw B.-D. S. dat zij enkel gehouden zouden zijn tot de BTW op "de residuwaarde".
Kennelijk doelen de heer en mevrouw B.-D. S. hier op de toepassing van de winstmargeregeling bedoeld in artikel 58, § 4 BTW-Wetboek. Zij stellen in dat verband dat deze bepaling "mogelijks" van toepassing is. Zij laten evenwel na aan te tonen dat aan de voorwaarden van deze bepaling zou zijn voldaan en met name aan de voorwaarde van artikel 58, § 4, 2° en 3° BTW-Wetboek.
In deze omstandigheden moet het middel worden afgewezen als ongegrond.
22. Het verzet tegen het dwangbevel is dienvolgens ongegrond,-.
3.2.4. De vordering in vrijwaring van B.-D. S. opzichtens LBI
23. De heer en mevrouw B.-D. S. stellen dat LBI hen dient te vrijwaren voor alle veroordelingen ten voordele van de BTW-administratie. Uit de overeenkomst zou immers duidelijk blijken dat de verkoper LBI aan hen garandeerde dat geen BTW verschuldigd was en zelfs attesteerde dat deze reeds in België was voldaan. Verder stellen zij dat zij de boot niet zouden hebben gekocht, indien op deze prijs nog BTW zou zijn verschuldigd geweest.
Eisers laten na aan te geven op welke rechtsgrond zij hun vordering in vrijwaring opzichtens LBI steunen.
In de mate dat zij stellen dat zij verkeerd zouden zijn voorgelicht door de verkoper LBl aangaande het al dan niet belastbaar karakter van de verkoop, waardoor deze is tekortgekomen aan de op hem rustende contractuele informatievrplichting en de verplichting om de overeenkomst te goeder trouw ten uitvoer te brengen, dient opgemerkt dat de informatieverplichting van de koper zich niet uitstrekt tot informatie die de koper kende of behoorde te kennen. Nu elkeen geacht wordt de wet te kennen, dienden de heer en mevrouw B.-D. S. zelf te weten dat op de levering van een niet-nieuw schip in België Belgische BTW was verschuldigd.
Zelfs indien aan LBI een (pre)contractuele fout zou kunnen worden verweten, blijven de heer en mevrouw B.-D. S. in gebreke hun schade te bewijzen. Deze schade bestaat alvast niet in de betaling van de verschuldigde BTW, vermits zij deze belasting in elk geval en zelfs bij gebreke van contractuele fout van LBI hadden moeten betalen. Er is derhalve geen causaal verband tussen de fout en de schade.
lnzoverre de heer en mevrouw B.-D. S. zich beroepen op het feit dat zij in dwaling werden gebracht en aldus tot contracteren werden bewogen, lijken zij zich te beroepen op het wilsgebrek dwaling. Afgezien van de vraag of deze dwaling verschoonbaar is of niet, dient de dwaling betrekking te hebben op de zelfstandigheid van de zaak. De prijs maakt echter niet de zelfstandigheid uit van de zaak, zodat het wilsgebrek dwaling niet kan worden aangenomen. Evenmin bewijzen zij dat er sprake zou zijn geweest van bedrog door LBI.
De vordering in vrijwaring moet dienvolgens worden afgewezen.
4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING
In de rechtsverhouding DG. I. opzichtens LBI, I. en de BELGISCHE STAAT
Aangezien de vordering van DG I. gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van de verweerders, I. en LBI, DG I. vordert enkel een rechtsplegingsvergoeding van I. en LBI.
De waarde van de vordering situeert zich tussen € 20.000,01 en € 40.000,00.
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 2.000.
I. verzocht ter zitting om een vermindering van de rechtsplegingsvergoeding gelet op het feit dat deze partij zich in staat van faillissement bevindt. Op deze eis kan worden ingegaan. De door I. verschuldigde rechtsplegingsvergoeding wordt verminderd tot 1.000 euro.
In de rechtsverhouding B.-D. S. opzichtens de BELGISCHE STAAT en LBI
Aangezien de vordering van B.-D. S. ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van B.-D. S..
De waarde van de vordering situeert zich tussen € 20.000,01 en € 40.000,00.
Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 2.000.
Dispositif
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Betreffende de vordering van DG I. opzichters LBI, I. en de BELGISCHE STAAT.
Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in volgende mate;
Veroordeelt LBI tot betaling aan DG I. van een bedrag van € 29.217,65 te vermeerderen met de moratoire intresten aan 7 % vanaf 19 augustus 1997 tot de dag van algehele betaling, alsook tot betaling aan DG I. van de kosten van het geding in haren hoofde begroot op 2.000 euro rechtsplegingsvergoeding;
Beveelt de opname in het gewoon passief van het faillissement van de NV I. voor de som van € 29.217,65, te vermeerderen met de moratoire intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 19 augustus 1997 tot 10 oktober 1997, alsook de som van 1.000 euro rechtsplegingsvergoeding;
Verklaart het onderhavige vonnis gemeen aan de Belgische Staat;
Betreffende de vordering van B.-D. S. opzichtens de BELGISCHE STAAT en LBI
Verklaart de vordering van de heer en mevrouw B.-D. S. opzichtens de BELGISCHE STAAT ontvankelijk, doch ongegrond.
Verklaart de vordering van de heer en mevrouw B.-D. S. opzichtens LBI ontvankelijk, doch ongegrond.
Veroordeelt de heer en mevrouw B.-D. S. tot betaling van de gedingkosten in hoofde van de BELGISCHE STAAT begroot op € 2.000 rechtsplegingsvergoeding,
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 9 november 2009.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer M. B., toegevoegd rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I. D. M. B.
Référence citée
Raccourcis clavier
Inactifs pendant la saisie dans un champ.
- Rechercher dans le texte
- /Ctrl/⌘ F
- Occurrence suivante / précédente
- EntréeMaj Entrée
- Section suivante / précédente
- JK
- Mode lecture
- L
- Fermer un panneau
- Échap
Le mode lecture retire le sommaire et les repères, grossit le texte et recentre la colonne.